Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2379

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5562
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van artikel 6:15 derde lid van de Awb. Voor de vraag of het bezwaar tijdig is ingediend, is daarom de ontvangst bij het bevoegd orgaan bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-5-2021
FutD 2021-1621 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2021/1229
NTFR 2021/1712
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

zaaknummers: AWB 20/5562 en 20/5563

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

de erven [eiser 1] en de erven [eiser 2] , te [plaatsnaam] , eisers
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 4 september 2020 op het bezwaar van eisers tegen de dwangsombeschikkingen van 19 juni 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021. De beroepen zijn gezamenlijk en tegelijkertijd behandeld. Namens eisers is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [naam 1] .

Overwegingen

1. [eiser 1] (de vader) is overleden op [datum] . Zijn echtgenote [eiser 2] (de moeder) is overleden op [datum] . Hun beide kinderen, eisers, zijn van ieder van hen de enige erfgenamen. Eisers hebben de woning van hun ouders geërfd. De WOZ-waarde van deze woning is ambtshalve verminderd voor de jaren 2009 tot en met 2017.

zaaknummer 20/5562 (erven moeder)

2. Aan de moeder zijn onherroepelijk vaststaande aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2013 opgelegd. Voor alle genoemde jaren bedroeg de verschuldigde IB/PVV nihil.

3. Eisers hebben bij brief van 3 maart 2020 vanwege de wijziging van de WOZ-waarde van hun onroerende zaak verzocht om de aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2013 van de moeder te verminderen.

zaaknummer 20/5563 (erven vader)

4. Aan de vader zijn onherroepelijk vaststaande aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2013 opgelegd. Voor de jaren 2011 en 2012 bedroeg de verschuldigde IB/PVV nihil. Voor het jaar 2012 is de gehele grondslag in box 3 aan de moeder toebedeeld. Voor het jaar 2013 is de gehele grondslag in box 3 aan de vader toebedeeld.

5. Eisers hebben bij brief van 3 maart 2020 vanwege de wijziging van de WOZ-waarde van hun onroerende zaak, verzocht om de aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2013 van de vader te verminderen.

Beide zaken

6. Eisers hebben verweerder, in elke zaak, vanwege het uitblijven van een beschikking, op 30 april 2020 in gebreke gesteld met een formulier “dwangsom bij niet tijdig beslissen”.

7. Bij brief van 19 juni 2020 (dwangsombeschikkingen) heeft verweerder eisers bericht dat dat de Wet dwangsom bij niet-tijdig beslissen niet van toepassing is op verzoeken om ambtshalve vermindering, zodat de verzoeken om een dwangsom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

8. Eisers hebben tegen de brief van 19 juni 2020 drie bezwaarschriften ingediend. Deze zijn achtereenvolgens op 6 augustus 2020, 13 augustus 2020 en 31 augustus 2020 ontvangen, steeds door Belastingdienst/Centrale Invoer te Heerlen.

9. Verweerder heeft bij beschikkingen van 6 juni 2020 de aanslagen IB/PVV 2009 en 2010 voor de vader ambtshalve verminderd.

10. Verweerder heeft bij beschikkingen van 3 augustus 2020 de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2012 afgewezen omdat de aanslagen voor de moeder niet verminderd konden worden omdat ze al op nihil waren gesteld.

11. Verweerder heeft met dagtekening 4 september 2020 de bezwaarschriften tegen de brief van 19 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard.

12. In geschil is of de bezwaarschriften tegen de brief van 19 juni 2020 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daaraan gaat vooraf de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank in deze zaken.

Bevoegdheid rechtbank

13. Eisers hebben in de motivering van het beroepschrift gesteld dat de rechtbank Noord-Holland, de bevoegde rechtbank voor de vestigingsplaats van het kantoor van de gemachtigde, in deze zaken bevoegd is.

14. Uit het beroepschrift blijkt dat eisers woonachtig zijn in [plaatsnaam] , respectievelijk [plaatsnaam] . Uit artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8, negende lid van Bijlage 2 behorende bij de Awb, volgt dat alsdan de Rechtbank Gelderland bevoegd is in de onderhavige zaken. De andersluidende stelling van eisers wordt verworpen.

Bewijsaanbod

15. Eisers hebben een bewijsaanbod gedaan, daaronder begrepen het alsnog horen van getuigen. In de uitnodiging voor de zitting zijn eisers gewezen op het bepaalde in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb. Eisers hebben getuigen meegebracht naar de zitting noch opgeroepen. De rechtbank wijst dit bewijsaanbod af, omdat eisers dit aanbod niet hebben gespecificeerd of onderbouwd en daarnaast het horen van getuigen niet kan bijdragen aan een beoordeling van de zaken.

Zijn de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard?

16. Verweerder heeft de bezwaren tegen de dwangsombeschikkingen niet-ontvankelijk verklaard omdat de drie bezwaarschiften alle te laat zijn ontvangen.

17. Volgens eisers hebben zij de bezwaarschriften van 31 juli 2020 op 30 juli 2020 per gewone post verstuurd en op 31 juli 2020 om 23.20 uur per fax naar het faxnummer

088-1551354. Niet in geschil is dat het hier gaat om een faxnummer van Belastingdienst/Toeslagen.

18. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.

19. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij verweerder is ontvangen.

20. De dagtekening van de in bezwaar bestreden beschikking is 19 juni 2020. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de besluiten pas na die datum zijn verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 31 juli 2020.

21. Eisers hebben tegen de dwangsombeschikkingen drie bezwaarschriften ingediend. De rechtbank stelt, op basis van de stempels van ontvangst op de documenten, vast dat deze bezwaarschriften achtereenvolgens zijn ontvangen op 6 augustus 2020, 13 augustus 2020 en 31 augustus 2020, steeds door Belastingdienst/Centrale Invoer te Heerlen. Het bezwaarschrift dat is ontvangen op 13 augustus 2020, is geadresseerd aan de Belastingdienst Arnhem, OBK Team IGS, Postbus 4660, 6803 EP Arnhem. Het bezwaarschrift dat is ontvangen op 31 augustus 2020, is geadresseerd aan de Belastingdienst, Postbus 4660, 6400 AC in Heerlen. Beide bezwaarschriften zijn niet binnen een week na het einde van de bezwaartermijn ontvangen. Dat betekent dat deze bezwaarschriften hoe dan ook te laat zijn ingediend.

22. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het op 6 augustus 2020 ontvangen bezwaarschrift een brief is die geadresseerd aan de Belastingdienst in Heerlen (Postbus 4660, 6400 AC Heerlen) en die gedateerd is op 31 juli 2020. Op de brief zijn drie faxnummers vermeld alsmede een e-mailadres bezwaar@belastingdienst.nl. Deze brief bevat een printregel waarop is vermeld “31-7-2020 23:20 VAN:Fax aan 0881551354 PAGINA: 001 OF 001” Dit document is ontvangen door de Belastingdienst Toeslagen, die de brief heeft doorgestuurd aan verweerder.

23. Belastingdienst Toeslagen is niet bevoegd om op het bezwaar te beslissen. Het bezwaarschrift dat is ontvangen op 6 augustus 2020 is dan ook ingediend bij een onbevoegd orgaan.

24. Volgens artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend, behoudend in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Volgens de wetgever is sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht indien bij herhaling en willens en wetens een bezwaar-of beroepschrift bij het verkeerde orgaan wordt ingediend.1

25. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft gemaakt door het bezwaarschrift, dat is ontvangen op 6 augustus 2020, aan een onbevoegd orgaan te sturen. De gemachtigde heeft dat willens en wetens gedaan aangezien hij eerder was gevraagd om zijn correspondentie niet langer aan verkeerde instanties te sturen. Bij brief van 19 februari 2020 heeft verweerder hem namelijk in andere zaken gevraagd om niet langer faxberichten toe te sturen aan het ministerie van Financiën. In die brief is de gemachtigde expliciet gevraagd om correspondentie die bedoeld is voor de inspecteur of voor de ontvanger, aan die bestuursorganen te sturen en niet aan onbevoegde instanties. Verweerder heeft daarbij de gemachtigde expliciet gewezen op de uitzondering van artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Ondanks het verzoek en de waarschuwing heeft de gemachtigde, in deze zaak diverse bezwaarschriften op verschillende tijdstippen naar diverse adressen gestuurd. Ook omdat de gemachtigde een professioneel gemachtigde is in belastingzaken, weet hij, althans kan hij geacht worden om te weten, dat Belastingdienst/Toeslagen niet het bevoegde orgaan is in inkomstenbelastingzaken. De gang van zaken heeft er alle schijn van dat de gemachtigde het procesrecht uitsluitend gebruikt om dwangsommen en proceskostenvergoedingen te verkrijgen, ook omdat niet gebleken is van een ander procesbelang voor het voeren van de onderhavige procedures. Voor vrijwel alle jaren bedroeg de verschuldigde IB/PVV namelijk al nihil en voor de overige jaren zijn de aanslagen ambtshalve verminderd. Desgevraagd heeft de gemachtigde tijdens de zitting geen antwoord gegeven op de vraag welke de (andere) procesbelangen van eisers zijn bij het voeren van de procedures.

26. Voor de vraag wanneer het op 6 augustus 2020 ontvangen bezwaarschrift is ingediend, is in dit geval dus niet de datum van ontvangst bij het onbevoegde orgaan, maar de datum van ontvangst bij het bevoegde orgaan bepalend. Dat is 6 augustus 2020. Dat betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Weliswaar heeft verweerder het bezwaarschrift binnen een week na het einde van de bezwaartermijn ontvangen, maar de uitzondering2 op de hoofdregel geldt niet, aangezien dit bezwaarschrift per faxbericht is verstuurd en niet per gewone post.

Conclusie

27. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond.

28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 523, nr. 3, bladzijde 6

2 Zie hiervoor nr. 19, tweede en derde volzin, van deze uitspraak