Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2347

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AWB - 21_2115
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

“Woningsluiting op grond van Opiumwet. Indicatoren voor ernstig geval.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 21/2115


uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[Verzoeker A] , te [plaats A] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.P.J. Botterblom),

en

de burgemeester van de gemeente Nijkerk, verweerder

(gemachtigde: J. Heiner).

Procesverloop

In het besluit van 1 april 2021 heeft de burgemeester de sluiting gelast van de woning aan [het adres] in [plaats A] vanaf 22 april 2021 voor de duur van drie maanden.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft online plaatsgevonden op 6 mei 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waarover gaat deze zaak?

1. Deze zaak gaat over de last tot sluiting van de woning aan [het adres] in [plaats A] voor de duur van drie maanden. Verzoeker is huurder van deze woning.

1.1.

Naar aanleiding van een melding via Meld Misdaad Anoniem dat vanuit de woning vuurwerk en drugs verhandeld zouden worden is de woning op 30 december 2020 doorzocht. Uit de bestuurlijke rapportage van 21 januari 2021 blijkt dat daarbij het volgende is aangetroffen:

- 5 gripzakjes met mogelijk crystal meth, met een totaal gewicht van 164,5 gram;

- 2 potjes met mogelijk crystal meth (gewicht onbekend);

- 1 gripzak met 91 vermoedelijke XTC-pillen (MDMA);

- 6 gripzakjes met wit poeder, mogelijk speed, met een totaalgewicht van 444,2 gram;

- mogelijk versnijdingsmiddel;

- diverse goederen met witte poederrestanten (o.a. weegschalen, lepels, snuifpijp);

- diverse wapens, waaronder een machete, mes in schede, ploertendoder en gasdrukpistool;

- € 5.000 contant geld.

1.3.

De burgemeester ziet hierin aanleiding te gelasten de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. Hij doet dit op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet omdat in de woning middelen als bedoeld in lijst I van deze wet aanwezig waren.

1.4.

Verzoeker is het niet eens met de last tot sluiting en hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verzoeker wil daarnaast dat het besluit wordt geschorst. Daarom heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Waarover moet de voorzieningenrechter beslissen?

2. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het besluit tot sluiting van de woning. Hij beoordeelt daarbij of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt hij aan de hand van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd, de zogenoemde gronden, of de burgemeester gelet op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Zo ja, dan beoordeelt hij vervolgens of de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot sluiting van de woning mag overgaan en of de begunstigingstermijn zorgvuldig is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemzaak niet.

2.1.

De burgemeester heeft meegedeeld bereid te zijn de ingangsdatum van de sluiting uit te stellen tot na de procedure bij de voorzieningenrechter. Op de zitting is meegedeeld dat, mocht het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen, de burgemeester een nieuwe sluitingsdatum zal vaststellen en dat deze datum twee a drie weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter zal zijn.

Is de burgemeester bevoegd tot sluiting van de woning?

3. Volgens verzoeker is de burgemeester niet bevoegd om de woning te sluiten. Hij erkent dat er MDMA en speed in zijn woning aanwezig was, maar hij stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van handel vanuit zijn woning. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij heeft aangetoond dat de middelen (ook) van zijn vrienden waren en dat de drugs dus waren bedoeld voor eigen gebruik.

3.1.

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Dit volgt uit artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet.

3.2.

Voor toepassing van dit artikel van de Opiumwet hoeft niet vast komen te staan dat er in de woning in drugs is gehandeld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet weliswaar naar zijn tekst niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand, maar dat voldoende is dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig moet zijn. Dat betekent dat aannemelijk gemaakt moet worden dat de aanwezigheid bestemd is voor drugshandel, maar niet dat er ook in de woning is gehandeld.1

3.3.

De Afdeling heeft als uitgangspunt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs (het door het Openbaar Ministerie toegepaste criterium voor eigen gebruik) de drugs in beginsel worden geacht (mede) bestemd te zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Wordt het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, dan is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

3.4.

Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de drugs niet (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. De stelling dat de drugs voor eigen gebruik van verzoeker en zijn vrienden waren, is daarvoor onvoldoende. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning van verzoeker 91 XTC-pillen (MDMA) en diverse gripzakjes met in totaal 444,2 gram speed zijn aangetroffen. Daarnaast is 164,5 gram poeder aangetroffen waarvan de politie vermoedde dat het crystal meth was. Verzoeker heeft hierover verklaard dat dit geen crystal meth is, maar ook MDMA. De aangetroffen hoeveelheid drugs overschrijdt de gebruikershoeveelheid dus zeer ruim, ook als de drugs voor meerdere personen bestemd zou zijn. Verder is van belang dat mogelijk versnijdingsmiddel en een weegschaal zijn aangetroffen.

3.5.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat burgemeester op zichzelf bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan.

Past de sluiting in het beleid van de burgemeester?

4. De bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet biedt de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid gebruik te maken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

4.1.

De burgemeester heeft beleidsregels vastgesteld.2 Volgens dit beleid wordt bij harddrugs in een woning in geval van een eerste overtreding gewaarschuwd, tenzij sprake is van een ernstig geval. In die situatie wordt overgegaan tot sluiting van de woning voor een periode van drie maanden.

4.2.

Volgens de burgemeester is in dit geval sprake van een ernstig geval. Het beleid noemt daarvoor verschillende indicatoren. Ook op basis van een enkele genoemde omstandigheid kan een situatie volgens het beleid voldoende ernstig zijn om direct over te gaan tot sluiting. In dit geval is volgens de burgemeester sprake van de volgende in het beleid genoemde indicatoren:

a. De hoeveelheid van de aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet;

b. De mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel plaatsvindt of waar drugs aanwezig is. Hierbij kan worden gedacht aan (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht, of het aantreffen van attributen die op handel in verdovende middelen wijzen, zoals weegschalen, grote hoeveelheden cash geld, versnijdingsmiddelen, verpakkingsmaterialen, enzovoort in de woning;

d. Er is sprake van een of meer (vuur)wapen (s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;

e. Er is een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/betrokkenen;

h. Er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II van de Opiumwet.

4.3.

Niet in geschil is dat sprake is van een grote hoeveelheid middelen (indicator a) en een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner (indicator e). Voor wat betreft indicator b staat vast dat in ieder geval een grote hoeveelheid contant geld en een weegschaal met poederresten zijn aangetroffen. Voor de aangetroffen (vuur)wapens geldt dat verzoeker het gasdrukpistool, de kogelbuks en de ploertendoder nog niet terug heeft gekregen. Verzoeker erkent dat de ploertendoder een verboden wapen is en ook voor wat betreft de andere twee wapens ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden om er vanuit te gaan dat dit toegestane wapens zijn. Daarmee is aan indicator d voldaan. Verzoeker stelt dat het bij indicator h moet gaan om een combinatie van soft- en harddrugs. Volgens de burgemeester is dat niet juist en gaat het hier om een combinatie van middelen, waarbij het begrip ‘middelen’ verwijst naar de middelen in lijst I en lijst II van de Opiumwet. De voorzieningenrechter volgt de lezing van de burgemeester dat in dit geval sprake is van een combinatie van middelen zoals bedoeld in indicator h.

4.4.

De burgemeester heeft gelet op deze feiten en omstandigheden kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig geval. De sluiting past dus in het beleid van de burgemeester.

Had de burgemeester reden moeten zien om van dit beleid af te wijken?

5. De burgemeester moet vervolgens alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling en bezien of deze op zichzelf of samen met andere omstandigheden, zogenoemde bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De Afdeling is in de uitspraak van 28 augustus 2019 ingegaan op het toetsingskader dat zij hanteert om dit te beoordelen.3

Is de sluiting noodzakelijk?

5.1.

In de eerste plaats moet sluiting noodzakelijk zijn. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre de sluiting van het perceel noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen.

5.2.

Verzoeker stelt dat de sluiting niet noodzakelijk is. Hij wijst er allereerst op dat vier maanden zijn verstreken sinds de doorzoeking van zijn woning en volgens hem is sluiting nu niet meer opportuun. Verzoeker wijst erop dat geen sprake is van recidive, dat de woning niet in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk is gelegen, dat geen sprake is van feitelijke handel en dat er geen politiewaarnemingen, meldingen of verklaringen zijn waaruit handel blijkt. Verder stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij heeft aangetoond dat de wapens en het contante geld niets te maken hebben met drugshandel.

5.3.

Vaststaat dat in de woning van verzoeker een hoeveelheid harddrugs is aangetroffen die ruim de gebruikershoeveelheid overschrijdt. Het enkele feit dat meer dan de gebruikershoeveelheid is aangetroffen in een woning maakt zoals gezegd in beginsel al aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt geldt dat als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dat levert op zichzelf al een belang bij sluiting op, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. In dit geval geldt bovendien dat in de woning een grote hoeveelheid contant geld en diverse wapens zijn aangetroffen. De stellingen van verzoeker dat het contante geld gespaard is van de toeslagen en dat de wapens een (legale) verzameling zijn, zijn onvoldoende om te concluderen dat sluiting niet noodzakelijk is.

5.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tijdsverloop in dit geval niet zodanig lang is dat dit onredelijk is en dat de burgemeester van handhavend optreden had moeten afzien. Het is immers, zeker bij een ingrijpend besluit als de sluiting van een woning, nodig om verschillende stappen te doorlopen om te komen tot zorgvuldige besluitvorming. In dit geval zijn drie maanden verstreken tussen het aantreffen van de drugs en het nemen van het besluit. Het besluit is voorafgegaan door een voornemen en een zienswijze. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te concluderen dat sluiting niet meer noodzakelijk is om de bekendheid als drugspand te doorbreken en de openbare orde te herstellen.

Is de sluiting evenredig?

5.5.

Naast noodzakelijk moet de sluiting ook evenredig zijn. Voor de beoordeling van de evenredigheid is van belang wat de gevolgen zijn van de sluiting voor verzoeker.

5.6

Verzoeker voert hierover aan dat hij dakloos zal worden en dat hij onvoldoende tijd gekregen heeft om vervangende woonruimte te vinden. Met zijn Ziektewetuitkering heeft hij onvoldoende financiële middelen om nog een woning te huren en zonder woonruimte kan hij zijn zoontje van vijf jaar geen onderdak bieden. Dit zal tot grote problemen leiden. Ook stelt verzoeker dat de burgemeester ten onrechte niet geïnformeerd heeft naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting.

5.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft kunnen maken. Inherent aan een sluiting is dat geen gebruik kan worden gemaakt van de woning en dat dus andere woonruimte moet worden gezocht. Dit is op zichzelf dus geen bijzondere omstandigheid. De burgemeester mag zich op het standpunt stellen dat het met de tijdelijke sluiting te dienen algemeen belang, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om de woning te bewonen. Voor zover verzoeker stelt dat hij geen alternatieve woonruimte heeft geldt het volgende. De burgemeester wijst erop dat het in de eerste plaats aan verzoeker is om vervangende woonruimte te zoeken.4 Op de zitting is namens de burgemeester meegedeeld dat gekeken is naar de mogelijkheden van alternatieve huisvesting. Daarbij is gesteld dat er in Nijkerk, Hoevelaken en Amersfoort kamers beschikbaar zijn voor een bedrag van € 350,- a € 400,-. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan deze stellingen te twijfelen. Zo nodig kan de burgemeester een en ander in bezwaar nog verder toelichten.

5.8.

Verzoeker zelf lijkt weinig inspanningen te hebben verricht om tijdelijk andere woonruimte te vinden. Het had op de weg van verzoeker gelegen op hiertoe op zijn minst pogingen te doen. Verzoeker is al op 19 februari 2021 geïnformeerd over het voornemen tot sluiting en in het besluit is een begunstigingstermijn van drie weken gegeven. Deze termijn is niet onredelijk kort. Verzoeker stelt dat hij niet bij vrienden of familie terecht kan, maar hij heeft dit standpunt niet onderbouwd. Ook het standpunt dat hij absoluut geen geld heeft voor een kamer voor een periode van drie maanden is niet onderbouwd. Het enkele feit dat verzoeker in een moeilijke financiële positie zou zitten maakt niet dat het besluit om die reden onevenredig is.

5.9.

Voor wat betreft het zoontje van verzoeker geldt dat hij staat ingeschreven op het adres van zijn moeder en dat hij daar het grootste deel van de tijd verblijft. Van woensdag op donderdag slaapt hij bij verzoeker en eens in de twee weken is hij een weekend bij verzoeker. Vast staat dat hij zijn hoofdverblijf heeft bij zijn moeder. Niet is gebleken dat hij daar niet gedurende drie maanden zou kunnen verblijven. Voor wat betreft de stelling dat verzoeker achtervang is voor de opvang van het zoontje overweegt de voorzieningenrechter dat nergens uit blijkt dat dit niet voor enige tijd op een andere manier kan worden opgelost. Verder is niet gebleken dat verzoeker een specifieke binding heeft met de woning met betrekking tot de omgang met zijn zoontje. Verzoeker kan ook op een andere manier of op een andere plaats contact met hem onderhouden.

5.10.

Alles overwegend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit evenredig is. De burgemeester hoefde dus niet af te zien van sluiting.

Wat is de conclusie van de voorzieningenrechter?

6. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat de woning gesloten wordt voor de duur van drie maanden. Verzoeker krijgt van de burgemeester bericht over de ingangsdatum van de sluiting. Deze datum zal twee a drie weken na deze uitspraak zijn.

6.1.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Kool, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2021.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn niet in staat deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Zie onder meer de uitspraken van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362 en 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:148.

2 Beleidsregel Wet Damocles gemeente Nijkerk (op grond van artikel 13b Opiumwet).

3 ECLI:NL:RVS:2019:2912.

4 ECLI:NL:RVS:2017:374.