Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2304

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
05/247291-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, spreekt automobilist die betrokken is bij een verkeersongeval, vrij ter zake van de artikelen 5 en 6 Wegenverkeerswet 1994.

Het dossier biedt te weinig zekerheid over de gedragingen van de automobilist en daarmee over de toedracht van het verkeersongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/247291-20

Datum uitspraak : 29 april 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. A.R. Mes, advocaat te Zoetermeer (DAS rechtsbijstand).

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

15 april 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 december 2019 te Dodewaard in de gemeente Neder-Betuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk [merk 1] ), daarmede rijdende over de weg (autosnelweg de A15, rechter rijbaan), zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte

in strijd met artikel 43 1 en/of lid 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zonder noodzaak gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook en/of de naast die vluchtstrook gelegen berm is op- of ingereden, door dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk [merk 1] ) op die vluchtstrook en/of in die berm tot stilstand te brengen, daarmee achteruit te rijden en/of te keren en/of

niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor, naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg (de autosnelweg A15) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of

vervolgens met dat motorrijtuig (personenauto, merk [merk 1] ) op die weg (autosnelweg A15) achteruit is gereden en/of van die vluchtstrook is weggereden en/of de rechter rijstrook (rijstrook 2) van die (rechter) rijbaan van die weg (autosnelweg A15) geheel of ten dele is opgereden, zijde bijzondere manoeuvres, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

terwijl een over die rechter rijstrook (rijstrook 2) van die weg (autosnelweg A15) rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk [merk 2] ) hem, verdachte dicht was genaderd en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto, merk [merk 2] ), waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat andere motorrijtuig (personenauto, merk [merk 2] ), dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk [merk 1] ) in botsing en/of aanrijding is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk [merk 3] ),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 december 2019 te Dodewaard in de gemeente Neder-Betuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk [merk 1] ) daarmede heeft gereden over de weg (autosnelweg de A15, rechter rijbaan) en

in strijd met artikel 43 lid 1 en/of 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zonder noodzaak gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook en/of de naast die vluchtstrook gelegen berm, door dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk [merk 1] ) op die vluchtstrook en/of in die berm tot stilstand te brengen, daarmee achteruit te rijden en/of te keren en/of

vervolgens met dat motorrijtuig (personenauto, merk [merk 1] ) op die weg (autosnelweg A15) achteruit is gereden en/of van die vluchtstrook is weggereden en/of de rechter rijstrook (rijstrook 2) van die (rechter) rijbaan van die weg (autosnelweg A15) geheel of ten dele is opgereden, zijde bijzondere manoeuvres, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

terwijl een over die rechter rijstrook (rijstrook 2) van die weg (autosnelweg A15) rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk [merk 2] ) hem, verdachte, dicht was genaderd en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto, merk [merk 2] ), waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat andere motorrijtuig (personenauto, merk [merk 2] ), dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk [merk 1] ) in botsingen/of aanrijding is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk [merk 3] ),

en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 december 2019 vond omstreeks 02.21 uur op de A15 ter hoogte van hectometerpaal 145.0 op de rechter rijbaan te Dodewaard, een verkeersongeval plaats. Bij dit verkeersongeval waren de volgende drie voertuigen betrokken:

  • -

    een [merk 3] , bestuurd door [slachtoffer 2] ;

  • -

    een [merk 1] , bestuurd door verdachte, met in het voertuig zijn twee kinderen van 3 en 5 jaar;

  • -

    een [merk 2] , bestuurd door [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 2] stond met haar [merk 3] met pech op de vluchtstrook en heeft verdachte opgebeld voor hulp, waarna verdachte naar haar toe is gereden. Verdachte wilde de [merk 3] weer werkend krijgen en heeft in verband daarmee op enig moment zijn [merk 1] verplaatst. De [merk 1] en de [merk 2] , en de [merk 1] en de [merk 3] zijn met elkaar in aanraking gekomen. Hierdoor is bij [slachtoffer 1] en bij verdachte letsel ontstaan.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie kan uit de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte op de vluchtstrook meerdere handelingen met de [merk 1] heeft verricht zonder dat daartoe de noodzaak bestond in de zin van de wet. Voorts dat vastgesteld kan worden dat op een gegeven moment de auto van verdachte met de voorkant op rijstrook 2 terechtkwam waar [slachtoffer 1] reed. Verdachte heeft een grove verkeersfout gemaakt. Hij heeft zeer onvoorzichtig gereden, zonder rekening te houden met andere verkeersdeelnemers.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en heeft ook subsidiaire verweren gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 6 WVW

Om tot een bewezenverklaring te komen is noodzakelijk dat uit het bewijs blijkt op welke wijze verdachte heeft gehandeld, en dat dit handelen aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW oplevert. Het dossier biedt echter geen zekerheid over wat er in aanloop naar en tijdens het ongeval precies is gebeurd. Het team VerkeersOngevallenAnalyse (hierna: VOA) van de politie heeft zich qua onderzoek beperkt tot een zogenoemde schade-inpassing, en komt weliswaar tot conclusies over de hoek en de delen waarmee de [merk 1] en de [merk 2] en de [merk 1] en de [merk 3] elkaar hebben geraakt. De aangetroffen sporen op de weg (beschadigingen aan het wegdek en slipsporen) zijn niet nader onderzocht. Voorts heeft de VOA een tekening gemaakt (proces-verbaal aanrijding misdrijf, pagina 10), waarop de posities van de drie auto’s zijn ingetekend. De rechtbank is van oordeel dat die tekening niet past bij de analyse van de schade-inpassingen en dat de positie van de auto’s op die tekening daarom niet juist kan zijn. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast wat de positie, zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van de weg, van elke auto is geweest ten tijde van de aanrijdingen tussen de [merk 1] en de [merk 2] . Daarmee staat de toedracht van het ongeval evenmin vast. Gelet op dit alles kan het alternatieve scenario dat de verdediging heeft geschetst, namelijk dat de aanrijding geheel of ten dele op de vluchtstrook plaatsvond en niet op rijstrook 2, niet zonder meer worden uitgesloten. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

Artikel 5 WVW

De rechtbank is van oordeel dat evenmin is komen vast te staan dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Het gevaarzettend rijgedrag is in de tenlastelegging omschreven met vrijwel gelijke gedragingen zoals in de tenlastelegging van artikel 6 WVW. Om tot een bewezenverklaring voor dit feit te komen is noodzakelijk dat uit het bewijs blijkt op welke wijze verdachte heeft gehandeld, en tot welk gevaarzettend rijgedrag dit heeft geleid. Zoals hiervoor ook bij artikel 6 WVW is geoordeeld biedt het dossier te weinig zekerheid over de gedragingen van verdachte, en daarmee over de toedracht van het ongeval. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en zal hem ook daarvan vrijspreken.

3 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert € 750,00 aan immateriële schade. Omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

4 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.H. van Brandenburg, voorzitter, mr. J.M.J.M. Doon en mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2021.