Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2303

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
8708768
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van achterstallig salaris met nevenvorderingen. Overuren gedeeltelijk toegewezen. Beroep op verrekening gedeeltelijk toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8708768 \ CV EXPL 20-7797 \ 512 \ 918

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. D. Dekker

procederende krachtens toevoegingsnummer 2FY7169

tegen

de besloten vennootschap Verkeersregelaar Nederland B.V.

gevestigd te Est

gedaagde partij

gemachtigde Rechtshulp Nederland B.V.

Partijen worden hierna [eisende partij] en VKN genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 november 2020 en de daarin genoemde processtukken;

- de brief van 24 december 2020 met productie 27 en 28 van de gemachtigde van [eisende partij] ;

- de mondelinge behandeling van 19 maart 2021.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is door de Gemeente Wijchen in 2018 aangemeld voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling door het Werkbedrijf Rijk van Nijmegen (hierna: het Werkbedrijf).

2.2.

Bij ‘beschikking scholing’ van 30 april 2018 heeft het Werkbedrijf [eisende partij] onder meer als volgt bericht:

“U bent door de Gemeente Wijchen aangemeld voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling door het WerkBedrijf.

Besluit aanbod scholingsvoorziening

Het WerkBedrijf heeft besloten u scholing aan te bieden. Het gaat om de scholing Opleiding tot Verkeersregelaar voor de periode van 14 mei 2018 tot en met 13 juli 2018. Deze scholing wordt door het WerkBedrijf noodzakelijk geacht voor uw arbeidsinschakeling. De kosten van deze scholing bedragen €1500.

De kosten van deze scholing voor de genoemde periode worden door het WerkBedrijf rechtstreeks aan het opleidingsinstituut vergoed (…).”

2.3.

[eisende partij] heeft van 14 mei 2018 tot en met 13 juli 2018 de opleiding tot verkeersregelaar gevolgd.

2.4.

[eisende partij] is op 1 augustus 2018 voor een periode van zes maanden bij VKN in dienst getreden in de functie van verkeersregelaar.

2.5.

Bij e-mailbericht van 21 december 2018 heeft VKN [eisende partij] onder meer als volgt bericht:

“(…) We hebben met elkaar besproken dat je dienstverband per 1 februari 2018 afloopt. Aangezien de periode van 1 februari tot 1 april een erg rustige periode is hebben we met elkaar afgesproken dat uiterlijk met ingang van 1 april je opnieuw in dienst gaat treden tegen nader te bepalen voorwaarden voor een termijn van minstens 6 maanden. Mocht het werk aanbod gedurende die tijd wijzigen zullen wij het dienstverband eerder aanvangen. We nemen dan contact met je op.

Dit doen wij omdat je de afgelopen tijd je op een meer dan voortreffelijke wijze hebt ingezet in de functie van Beroeps verkeersregelaar. Ook je persoonlijke collegiale houding wordt door ons zeer gewaardeerd.

We hebben afgesproken dat in de periode van 1 februari 2019 tot 1 april 2019 je gaat deelnemen aan onze opleiding BRL (Verkeersmaatregelen op de weg) om ook in het nieuwe jaar optimaal opgeleid te kunnen functioneren. De kosten voor de opleiding worden door Verkeersregelaar Nederland BV vergoed. (…)”

2.6.

[eisende partij] is op 1 april 2019 opnieuw bij VKN in dienst getreden in de functie van verkeersregelaar op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot
31 december 2019.

2.7.

In beide arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Werktijden en plaats werkzaamheden

(…) De werknemer werkt variabele dagen. (…)

Aanvullende afspraken

Aanvullende afspraken zullen in tweevoud schriftelijk worden vastgelegd en worden toegevoegd aan het personeelsdossier.

Afschrift overeenkomst

De werknemer verklaart op de hoogte te zijn en stemt hiermee in, van de werkgever desgewenst te hebben ontvangen: het huishoudelijk reglement (personeelsgids) van de werkgever; (…)”

2.8.

In de personeelsgids is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Artikel 1.4 Werktijden

1. De gebruikelijke werktijden zijn gelegen op maandag tot en met zondag. De werknemers zijn ten alle tijden 24 uur bereikbaar en oproepbaar.

2. De individuele werktijden worden op grond van de gemiddelde arbeidsduur in overleg met de werkgever en de werknemer overeengekomen in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. De normen Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit worden hierbij in acht genomen.

3. In voorkomende gevallen kan de werknemer worden verplicht overwerk te verrichten. (…)

Artikel 2.4 Overwerk

1. Medewerkers zijn in voorkomende gevallen verplicht over te werken. Overwerk geschiedt op uren die door de werkgever worden vastgesteld. Met de persoonlijke omstandigheden van de medewerker wordt zoveel mogelijk rekening gehouden. Overwerk dient binnen redelijke grenzen te blijven en mag geen structureel karakter dragen.

2. De overuren worden gecompenseerd in tijd tegen 100%. (…)

Artikel 2.8 Opleiding

1. De tijd die nodig is voor functie en / of overige opleidingen of zelfstudie, wordt niet gecompenseerd in geld, noch in tijd.

2. Voor de totale kosten van een functie opleiding of overige opleiding bestaat de mogelijkheid bij werkgever tot een studiekostenregeling waarbij de medewerker gedurende een nader vast te leggen periode het vastgestelde bedrag terug betaalt in termijnen. Dit wordt vastgelegd in een studieovereenkomst.

3. Bij het volgen van overige opleidingen beslist de directie over de hoogte van vergoeding van de studiekosten. Voor vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt gelet op:

De opleidingsvorm;

Welke bijdrage met de opleiding, seminar of cursus wordt geleverd aan de kennis en vaardigheden van de medewerker , die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van zijn functie;

Wat is het wederzijds belang voor de medewerker en werkgever.

4. Als de medewerker een langdurige opleiding wil volgen, wordt de vergoeding voor de duur van maximaal 1 jaar goedgekeurd. Jaarlijks beoordeelt de werkgever de aanvraag opnieuw.

5. Als de medewerker zonder overleg met de werkgever de studie voortijdig beëindigt, zonder goede reden frequent lessen verzuimt of anderszins onvoldoende aan de studie-eisen voldoet dient het gehele studiebedrag volgens de studieovereenkomst terug te worden betaald aan werkgever.

6. Als de medewerker de arbeidsovereenkomst werkgever opzegt tijdens de studie, of binnen 2 jaar na het voltooien van de studie, dienen de studiekosten naar evenredigheid worden terugbetaald.

(…)”

2.9.

[Bedrijf] heeft op 29 oktober 2018 een factuur van € 828,16 en op 22 juli 2019 een factuur van € 1.065,07 aan VKN gezonden in verband met werkzaamheden aan de auto van [eisende partij] . Deze facturen zijn door VKN aan het autobedrijf voldaan.

2.10.

Tussen [eisende partij] en VKN is een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen, waarbij [eisende partij] van VKN een bedrag van € 600,00 heeft geleend. In de door partijen ondertekende overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Terugbetaling geschiedt door middel van maandelijks een bedrag € 50,00 ingehouden op het salaris, ingaande vanaf September 2019 in termijnen van 12 maanden. (wordt verrekend met eventueel km kosten, of overuren.)”

2.11.

Nadat tussen partijen een discussie is ontstaan over het werkrooster van [eisende partij] over de periode 14 tot 21 oktober 2019 heeft [eisende partij] VKN bij
e-maillbericht van 13 oktober 2019 bericht ontslag te willen nemen.

2.12.

Bij brief van 14 oktober 2019 heeft VKN [eisende partij] vervolgens onder meer bericht de loon doorbetaling met ingang van 14 oktober 2019 te zullen staken vanwege werkweigering, waarbij voorts aanspraak is gemaakt op betaling van diverse posten.

2.13.

Gedurende de periode tussen 8 november 2019 en 6 april 2020 is door de gemachtigden van beide partijen gecorrespondeerd over de financiele afwikkeling van het dienstverband, in het bijzonder over betaling/verrekening van het restant salaris, de vakantietoeslag en overuren, kilometervergoeding, terugbetaling van studiekosten, betaling van reparatiekosten van de auto van [eisende partij] en terugbetaling van een verstrekte geldlening.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de veroordeling van VKN om binnen veertien dagen na dit vonnis aan hem te betalen:

a. het achterstallig salaris, bestaande uit regulier salaris met betrekking tot de maand oktober 2019 en salaris voor overwerk over de periode 24 juli 2018 tot en met
13 oktober 2019, minus het bedrag dat VKN hiermee mag verrekenen, volgens [eisende partij] na verrekening te begroten op € 2.963,17;

b. de vakantietoeslag over het achterstallig salaris als bedoeld onder a., volgens [eisende partij] te begroten op € 306,10;

c. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over het achterstallig salaris als bedoeld onder a. en de vakantietoeslag over dit salaris als bedoeld onder b., volgens [eisende partij] te begroten op € 1.634,64;

d. de wettelijke rente over het achterstallig salaris als bedoeld onder a., de vakantietoeslag over dit salaris als bedoeld onder b. en de wettelijke verhoging over dit salaris en de toeslag als bedoeld onder c. vanaf 24 december 2019, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van volledige betaling;

e. de kilometervergoeding ter zake de maanden september en oktober 2019, volgens [eisende partij] te begroten op € 447,07;

f. de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

[eisende partij] is tot en met 13 oktober 2019 bij VKN in dienst is geweest en heeft tot en met die datum werkzaamheden voor VKN verricht. Hij heeft echter nooit een juiste eindafrekening ontvangen. Zo heeft hij niet zijn volledige loon, vakantietoeslag, kilometervergoeding en uitbetaling van zijn overuren ontvangen en zijn er ten onrechte reparatiekosten voor zijn auto en studiekosten met het door hem te ontvangen loon verrekend. VKN is daarom over het nog verschuldigde bedrag de wettelijke verhoging en de wettelijke rente verschuldigd.

3.3.

VKN betwist nog een bedrag aan [eisende partij] verschuldigd te zijn. Zij betwist dat er sprake is van overuren die nog betaald moeten worden. Zij heeft een correcte eindafrekening gemaakt waarbij het salaris over 1 tot en met 13 oktober 2019, het vakantiegeld over deze periode en de kilometervergoeding over september en oktober 2019 is verrekend met de geldlening, de studiekosten en de kosten voor de reparatie van de auto van [eisende partij] . Op haar verweer wordt bij de beoordeling, waar nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter zal de diverse geschilpunten hieronder achtereenvolgens bespreken.

Salaris 1 tot en met 13 oktober 2019

4.2.

Tussen partijen staat vast dat VKN aan [eisende partij] het salaris over de periode 1 tot en met 13 oktober 2019 ten bedrage van € 621,44 bruto dient te voldoen.

Kilometervergoeding over september en oktober 2019

4.3.

Eveneens staat tussen partijen vast dat VKN over de periode september en oktober 2019 aan kilometervergoeding een bedrag van € 447,07 aan [eisende partij] verschuldigd is.

Overuren

4.4.

Tussen partijen is in geschil of sprake is van overuren die nog uitbetaald dienen te worden.

Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunt een overzicht met een berekening van de overuren in het geding gebracht. Uit het door VKN in het geding gebrachte overzicht blijkt dat zij de overuren over de periode van beide contracten heeft gesaldeerd met minderuren. Eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft VKN aangevoerd dat dit voor aanvang van het aangaan van de eerste arbeidsovereenkomst mondeling zo met [eisende partij] is afgesproken, vanwege de fluctuaties in de te verrichten werkzaamheden. Deze afspraak is door [eisende partij] betwist.

4.5.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Het ligt in beginsel op de weg van VKN als werkgever om de (over)uren te registreren. Dit heeft zij blijkens het door haar in het geding gebrachte overzicht ook gedaan.

Als uitgangspunt heeft verder te gelden dat eventuele periodes van minder werk voor rekening en risico van de werkgever komen. De door VKN gestelde – en door [eisende partij] betwiste – nadere mondelinge afspraak staat komt niet overeen met wat daarover in de arbeidsovereenkomst en personeelsgids is opgenomen en strookt bovendien niet met de feitelijke gang van zaken. In de arbeidsovereenkomst en personeelsgids is immers geen saldering van de overuren opgenomen (zie r.o. 2.7. en 2.8.). Wel is in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat andere afspraken schriftelijk worden opgesteld en in het personeelsdossier worden gevoegd (zie r.o. 2.7.). Dat dat is gebeurd is gesteld noch gebleken. Gelet op de feitelijke gang van zaken waarbij tijdelijke arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan voor de drukkere periodes en VKN ervoor heeft gekozen een periode van twee maanden tussen de eerste en de tweede arbeidsovereenkomst te laten ontstaan (zie r.o. 2.5.), is een dergelijke afspraak ook niet aannemelijk. Daar komt nog bij dat bedoelde afspraak op geen enkele wijze is onderbouwd.

Dat met andere werknemers eveneens een dergelijke afspraak is gemaakt, zoals VKN ter zitting heeft gesteld en waarvan zij bewijs heeft aangeboden, is eveneens niet onderbouwd. Bovendien volgt uit een eventuele afspraak met derden niet dat deze afspraak ook met [eisende partij] is gemaakt. Het daartoe aangeboden bewijs, nog daargelaten dat gelet op het gebrek aan onderbouwing niet aan bewijslevering wordt toegekomen, wordt daarom gepasseerd.
Aldus dient het feit dat [eisende partij] in sommige weken minder is ingezet dan zijn contracturen voor rekening en risico van VKN als werkgever te blijven. Dat [eisende partij] minder werkte omdat hij zelf niet beschikbaar was om meer uren te maken, zoals door VKN nog is aangevoerd, is niet gebleken. Sterker nog, VKN heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeven dat [eisende partij] tot september 2019 altijd voor haar klaar stond en dat in de periode daarna discussie over zijn inzetbaarheid is ontstaan. Tussen partijen staat vast dat [eisende partij] van september 2019 tot en met 13 oktober 2019 heeft gewerkt. Dat [eisende partij] al dan niet door eigen toedoen vanaf september 2019 zijn contracturen niet meer heeft gemaakt is daarbij niet gesteld of gebleken.

Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgegaan van de registratie van VKN ten aanzien van de overuren.

Partijen zijn het erover eens dat voor de registratie van de gewerkte uren normaliter uitgegaan dient te worden van de door een werknemer aan te leveren werkbriefjes. Voor de bepaling van het aantal overuren zullen de overgelegde werkbriefjes daarom als uitgangspunt worden genomen.

4.6.

Op grond van artikel 5:4 lid 2 van de Arbeidstijdenwet dient de werkgever de arbeid zodanig te organiseren dat als de werknemer (a) meer dan 5,5 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten, die kan worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten en (b) meer dan 10 uren arbeid per dienst verricht zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten, die kan worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten.

VKN heeft aangevoerd dat [eisende partij] pauze diende te nemen en deze in de weekstaten op diende te schrijven. Indien [eisende partij] geen pauze had genomen of geen pauze mogelijk was diende de reden daarvan op de weekstaat aangegeven te worden. In veel weekstaten heeft [eisende partij] dat niet gedaan, waardoor VKN de geregistreerde uren heeft gecorrigeerd met de pauze van minimaal een half uur per dag. Hoewel [eisende partij] aangeeft dat hij regelmatig geen pauze kon nemen omdat er constant werk was en een project niet zonder regelaar achtergelaten kon worden, heeft hij de door VKN geschetste gang van zaken niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. Gelet op het bepaalde in artikel 5:4 van de Arbeidstijdenwet wordt de betreffende pauze in mindering gebracht indien sprake is van een dienst van meer dan 5,5 uur.

4.7.

[eisende partij] vordert betaling van overuren voortvloeiend uit zowel de eerste als uit de tweede arbeidsovereenkomst. Nu de eerste arbeidsovereenkomst per 1 februari 2019 is geëindigd en de tweede arbeidsovereenkomst per 1 april 2019 is aangegaan, had de eerste arbeidsovereenkomst financieel reeds afgewikkeld moeten worden. Kennelijk is dat niet gebeurd. Daar komt bij dat op de twee arbeidsovereenkomsten een ander aantal contracturen en een ander uurloon van toepassing is, zodat de overuren per arbeidsovereenkomst beoordeeld zullen worden.

Voor zover [eisende partij] overuren vordert over de periode van voor 1 augustus 2018, zijnde de ingangsdatum van de eerste arbeidsovereenkomst, komen deze niet voor toewijzing in aanmerking omdat gesteld noch gebleken is wat de grondslag is voor deze uren. Dit geldt temeer nu kennelijk in een eerder stadium sprake is geweest van een stageperiode.

4.8.

Eerste arbeidsovereenkomst.

Uit de in het geding gebrachte weekstaten blijkt dat gedurende de eerste arbeidsovereenkomst de volgende overuren zijn gemaakt:

week 31 4 uur en 40 minuten

week 32 24 uur

week 34 5 uur en 45 minuten

week 35 24 uur en 45 minuten

week 36 18 uur en 30 minuten

week 37 26 uur en 30 minuten

week 40 3 uur en 45 minuten

week 45 4 uur en 45 minuten

Dit is in totaal 112 uur en 40 minuten.

Hierop strekken de zonder reden niet vermelde pauzes in mindering, volgens de weekstaten betreffen dit het volgende aantal pauzes:

week 31 1x

week 32 5x

week 35 4x

week 36 3x

week 41 2x

week 45 1x

week 46 2x

week 4 1x

Dit is in totaal 19x een half uur is 9 uur en 30 minuten.

Na vermindering met de zonder reden niet vermelde pauzes resteert nog een saldo van 103 uur en 10 minuten aan overuren.

4.9.

VKN heeft aangevoerd dat tussen partijen is overeengekomen dat de eerste factuur voor de reparatie van de auto van [eisende partij] van € 828,16 in 2018 is verrekend met 74 overuren. Dit heeft [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling erkend, zodat deze uren in mindering dienen te strekken op voornoemd saldo. Aldus resteert een saldo van 29 uur en 10 minuten aan overuren. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] dit saldo door het opnemen van tijd voor tijd heeft opgenomen, zodat dit saldo aan het einde van de eerste arbeidsovereenkomst aan [eisende partij] diende te worden uitbetaald tegen het destijds van toepassing zijnde uurloon van € 9,19 bruto, zijnde € 268,04 bruto. De vordering wordt in zoverre toegewezen.

4.10.

Tweede arbeidsovereenkomst

Uit de in het geding gebrachte weekstaten blijkt dat gedurende de tweede arbeidsovereenkomst de volgende overuren zijn gemaakt:

week 14 24 uur en 30 minuten

week 15 17 uur en 15 minuten

week 17 4 uur

week 18 17 uur

week 19 16 uur en 15 minuten

week 20 23 uur en 35 minuten

week 21 12 uur en 30 minuten

week 23 3 uur en 30 minuten

week 24 6 uur en 45 minuten

week 26 8 uur en 45 minuten

week 27 6 uur en 15 minuten

week 28 6 uur en 45 minuten

week 32 16 uur en 30 minuten

week 33 11 uur

week 37 22 uur en 15 minuten

week 42 2 uur

Dit is in totaal 198 uur en 50 minuten.

Hierop strekken de zonder reden niet vermelde pauzes in mindering, volgens de weekstaten betreffen dit het volgende aantal pauzes:

week 14 3x

week 15 4x

week 16 2x

week 17 4x

week 18 5x

week 19 5x

week 20 5x

week 22 1x

week 23 2x

week 24 2x

week 25 1x

week 33 1x

week 36 1x

week 37 2x

Dit is in totaal 38x een half uur is 19 uur.

Na vermindering met de zonder reden niet vermelde pauzes resteert nog een saldo van 179 uur en 50 minuten aan overuren. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] dit saldo door het opnemen van tijd voor tijd heeft opgenomen, zodat dit saldo aan het einde van de tweede arbeidsovereenkomst aan [eisende partij] diende te worden uitbetaald tegen het laatstelijk van toepassing zijnde uurloon van € 10,49 bruto, zijnde € 1.886,45 bruto.

De vordering wordt in zoverre toegewezen.

In totaal wordt daarom € 2.154,49 bruto aan overuren toegewezen.

Vakantiegeld

4.11.

Over het verschuldigde salaris en de overuren is VKN 8% vakantiegeld verschuldigd, zodat aan vakantiegeld een bedrag van € 222,04 bruto (8% van € 621,44 bruto + € 2.154,49 bruto) zal worden toegewezen.

Verrekening loon juli en augustus 2019 van € 370,15 netto

4.12.

[eisende partij] vordert voorts de terugbetaling van een bedrag van totaal

€ 370,15 netto. Dit bedrag is volgens hem ten onrechte op zijn loon over de maanden juli en augustus 2019 ingehouden.

Tussen partijen staat vast dat VKN voornoemd bedrag heeft ingehouden op de loonuitbetaling over de maanden juli en augustus 2019. Nu voor bedoelde inhouding door VKN geen grondslag is gesteld of gebleken, is dit bedrag ten onrechte ingehouden. De vordering tot terugbetaling hiervan wordt daarom toegewezen.

Tussenconclusie

4.13.

In totaal is VKN dus een bedrag van € 2.997,53 (€ 621,44 + € 2.154,49 + € 222,04) bruto en € 817,22 (€ 447,07 + € 370,15) netto aan [eisende partij] verschuldigd geworden. VKN beroept zich op verrekening met hetgeen [eisende partij] nog aan haar verschuldigd is uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, gemaakte studiekosten en aan voorgeschoten kosten in verband met de reparatie van de auto van [eisende partij] .

Geldleningsovereenkomst

4.14.

Tussen partijen staat vast dat [eisende partij] een bedrag van € 600,00 van VKN heeft geleend voor de aanschaf van een laptop voor zijn dochter en dat dit bedrag nog volledig terugbetaald dient te worden. VKN heeft dit bedrag aldus terecht verrekend met het nog te betalen loon.

Studiekosten

4.15.

VKN beroept zich ten aanzien van de verrekening van de studiekosten op de in de personeelsgids opgenomen regeling (zie r.o. 2.8.) en haar e-mailbericht van 21 december 2018 (zie r.o. 2.5.). Nog daargelaten dat [eisende partij] betwist dat hij de personeelsgids heeft ontvangen, heeft het volgende te gelden.

In de tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst is geen regeling met betrekking tot studiekosten opgenomen. Wel is hierin opgenomen dat aanvullende afspraken in tweevoud schriftelijk worden vastgelegd en worden toegevoegd aan het personeelsdossier. Hiervan is niets gebleken. In artikel 2.8 onder 2 van de personeelsgids is verder opgenomen dat een studiekostenregeling vastgelegd dient te worden in een studieovereenkomst. Ook dit is niet gebeurd. Uit de processtukken blijkt dat tussen partijen wel is gesproken over het volgen van een opleiding (zie r.o. 2.5.). Hieruit volgt echter niet dat tussen partijen ook een studieovereenkomst met terugbetalingsverplichting tot stand is gekomen. Immers, niet is gebleken dat VKN in dit gesprek heeft gewezen op de kosten van de te volgen opleiding en de terugbetalingsregeling. In het e-mailbericht van 21 december 2018 van VKN wordt voorts enkel gesproken over het volgen van de opleiding en het feit dat de kosten daarvan door VKN worden vergoed. De in de personeelsgids opgenomen regeling is gelet op het voorgaande onvoldoende om een terugbetalingsverplichting tot stand te brengen.

Het is de kantonrechter ook niet gebleken dat nadien overeenstemming is bereikt over de terugbetaling van gemaakte studiekosten. Daarbij geldt dat een studiekostenbeding zodanig belastend is voor een werknemer, dat van VKN als goed werkgever mocht worden verwacht dat zij [eisende partij] als werknemer vóór het aangaan van de terugbetalingsverplichting de gevolgen daarvan, waaronder het financiële risico, duidelijk voorhoudt en vervolgens voldoende verifieert of zij daarover met de werknemer overeenstemming heeft bereikt. Dat [eisende partij] de opleidingen heeft gevolgd is daartoe onvoldoende (vergelijk ook: HR 10 juni 1983, NJ 1983/796 en 5 juni 1987, NJ 1987/795 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5249). VKN heeft daarom ten onrechte een bedrag aan studiekosten verrekend met het nog te betalen salaris.

Reparatiekosten auto

4.16.

Ten aanzien van de verrekening van voorgeschoten reparatiekosten van de auto [eisende partij] heeft VKN toegelicht dat haar medewerkers hun auto bij problemen door een relatie van VKN kunnen laten repareren. De reparatie wordt dan via VKN ingepland en de factuur wordt aan VKN verzonden, door VKN betaald en vervolgens verrekend met het salaris van de desbetreffende medewerker. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] erkend dat dit met betrekking tot de eerste factuur van € 828,16 voor de reparatie van zijn auto in 2018 inderdaad zo is gegaan. Deze factuur is vervolgens verrekend met openstaande overuren. [eisende partij] betwist dat ten aanzien van de tweede reparatie een vergelijkbare afspraak met VKN is gemaakt. De auto is toen ook niet gerepareerd, zodat hij de factuur ook niet wenst te voldoen.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de door VKN geschetste gang van zaken gebruikelijk was. Voorts staat tussen partijen vast dat [eisende partij] de reparatie van zijn auto ook in 2019 via VKN in heeft laten plannen bij een relatie van VKN. Als niet, althans onvoldoende gemotiveerd staat tevens vast dat VKN vervolgens een factuur van € 1.065,07 van haar relatie heeft ontvangen in verband met de werkzaamheden aan de auto van [eisende partij] en dat VKN deze factuur heeft voldaan. Gelet op de gebruikelijke gang van zaken, de eerdere afspraak tussen partijen en de handelwijze van [eisende partij] , het laten inplannen van de reparatie van de auto via VKN, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat het de bedoeling van partijen was om de auto door de relatie van VKN te laten repareren, waarna de factuur door VKN zou worden betaald en vervolgens met het loon van [eisende partij] verrekend zou worden. Dit is ook zo gebeurd. Dat de auto volgens [eisende partij] niet, althans niet goed, is gerepareerd dient gelet hierop voor zijn rekening en risico te komen. Het had immers op zijn weg gelegen om VKN daarvan tijdig in kennis te stellen, zodat VKN de factuur niet zou voldoen. Dat de auto in maart 2020 naar de sloop is gebracht maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat daaruit niet blijkt dat de auto niet is gerepareerd, doet dit voornoemd risico niet verschuiven. VKN beroept zich daarom terecht op verrekening van deze kosten van
€ 1.065,07 met het nog verschuldigde loon.

Conclusie

4.17.

Gelet op het hiervoor overwogene strekt op het nog door VKN aan [eisende partij] verschuldigde bedrag van € 2.997,53 bruto en € 817,22 netto in mindering in verband met verrekening een bedrag van € 600,00 netto in verband met de geldleningsovereenkomst en € 1.065,07 netto in verband met de reparatiekosten voor de auto. Nu het hier bruto en netto bedragen betreft kan de kantonrechter het door VKN nog aan [eisende partij] verschuldigde bedrag niet nader vaststellen. Hiervoor zal VKN een eindafrekening dienen op te stellen.

Wettelijke verhoging

4.18.

Voor zover na verrekening nog een bedrag aan achterstallig salaris en vakantiegeld aan [eisende partij] betaald dient te worden, is dit bedrag niet tijdig betaald en is VKN hierover op grond van artikel 7:625 BW de wettelijke verhoging van 50% verschuldigd.

Wettelijke rente

4.19.

Voor zover na verrekening nog een bedrag aan [eisende partij] betaald dient te worden, zijn dit bedrag alsmede de daarover verschuldigde wettelijke verhoging niet tijdig betaald en is VKN daarover op grond van de wet eveneens de wettelijk rente verschuldigd geworden. Deze wettelijke rente wordt zoals gevorderd toegewezen vanaf 24 december 2019.

Proceskosten

4.20.

Partijen worden beide voor een deel in het ongelijk gesteld en moeten daarom ieder hun eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt VKN tot betaling aan [eisende partij] van een bedrag van
€ 2.997,53 bruto aan achterstallig salaris en vakantiegeld en € 817,22 netto aan kilometervergoeding en ten onrechte ingehouden salaris, te verminderen met een bedrag van € 600,00 netto in verband met de geldleningsovereenkomst en € 1.065,07 netto in verband met de reparatiekosten voor de auto;

5.2.

veroordeelt VKN, voor zover na verrekening van de hiervoor onder 5.1. bedoelde bedragen nog een bedrag aan achterstallig salaris en vakantiegeld door VKN aan [eisende partij] betaald moet worden, tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over dit bedrag, alsmede tot betaling van de wettelijke rente over het op grond van 5.1 aan [eisende partij] verschuldigde bedrag en de verschuldigde wettelijke verhoging vanaf 24 december 2019 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op