Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2249

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
05/006421-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt 7 jongeren tot (voorwaardelijke) cel- en taakstraffen. In deze strafzaken speelt het fenomeen pedojagen een rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/006421-21

Datum uitspraak : 4 mei 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. J. Zeegers, advocaat in Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) (met een helm) te slaan en/of te stompen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het feit kan worden bewezen.

De beoordeling door de rechtbank

[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).

Bewijsmiddelen:

- het mutatierapport, p. ZD06/0011;

- het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] , p. ZD06/0108;

- de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting van 12 april 2021.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) (met een helm) te slaan en/of te stompen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot één maand jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de door de jeugdreclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en daarnaast een werkstraf van 60 uur.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie te ver gaat. Een deels voorwaardelijke werkstraf is passend en dan kan ook begeleiding door de jeugdreclassering worden gerealiseerd.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] .

De rechtbank zal beginnen met een algemene overweging voordat wordt ingegaan op de vraag welke straf aan [verdachte] wordt opgelegd.

In de maand oktober 2020 hebben er in Arnhem diverse geweldsincidenten plaats gevonden die te maken hadden met groepen jongeren die in wisselende samenstelling op ‘pedojacht’ gingen.

De in de onderzoeken ‘Struik’ en ‘Pakistan’ betrokken verdachten gingen nagenoeg steeds op dezelfde wijze te werk. Verdachten legden middels de chatsite ‘Bullchat’ contact met hun toekomstige slachtoffers en deden zich daar voor als een minderjarige die een afspraak wilde maken voor seks. Zij verzonnen daarmee zelf iets strafbaars, want in werkelijkheid was er nooit een minderjarige die seks wilde. Nadat zo’n afspraak was gemaakt, werd het beoogd doelwit naar een ontmoetingsplaats in het openbaar gelokt, waarbij één van de verdachten als ‘lok’ diende om het eerste persoonlijke contact te leggen. Vervolgens kwamen er meerdere jongens bij om het doelwit te ‘confronteren’, waarbij vrijwel direct geweld werd gebruikt en het doelwit werd uitgescholden. Daarbij was het ook de bedoeling dat de confrontatie werd gefilmd en werd in een aantal gevallen de filmpjes van de confrontatie ook gedeeld met anderen. In door de politie onderschepte berichten liet een aantal verdachten aan elkaar en aan anderen weten trots te zijn op waar ze mee bezig waren.

Wat verdachten hebben gedaan, is voor eigen rechter spelen en dat neemt de rechtbank hen buitengewoon kwalijk. Normaal gesproken moeten politie en justitie namelijk eerst goed onderzoek doen en dan kunnen rechters beslissen of sprake is van een strafbaar feit en of een straf moet worden opgelegd. Dat alles is niet aan anderen en dus ook niet aan de verdachten in deze zaken. Zij hebben iemand uitgelokt, zelf besloten dat die persoon dan een ‘pedo’ is, dat die persoon daarom moet worden bestraft en zij hebben die straf ook nog meteen uitgevoerd. Bij een aantal van deze incidenten hebben de slachtoffers lichamelijk letsel opgelopen en in sommige gevallen is ook sprake van psychisch letsel. In één geval is de aanval zelfs zo uit de hand gelopen, dat het slachtoffer deze met de dood heeft moeten bekopen. Verdachten hebben met hun acties ook beslag gelegd op de schaarse capaciteit van politie en justitie, die daardoor niet kon worden gebruikt voor het opsporen en vervolgen van personen die zich schuldig maken aan seksueel misbruik van minderjarigen.

[verdachte] is bij één van de bedoelde incidenten betrokken geweest. Hij is samen met enkele anderen op 9 oktober 2020 naar het Sonsbeekpark gegaan en daar is vervolgens [slachtoffer] mishandeld. [verdachte] heeft daar een actieve bijdrage aan geleverd door met een helm te slaan. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij vond dat het confronteren van een vermeende pedofiel een nobel doel was. Ook de sensatie speelde een rol.

In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 maart 2021 is beschreven dat het belangrijk is dat er aandacht komt voor de attitude van [verdachte] . Hij blijft zijn delictgedrag acceptabel vinden. [verdachte] heel wel spijt, maar vooral vanwege de gevolgen voor hemzelf. De kans op recidive is hierdoor verhoogd. [verdachte] is niet intrinsiek gemotiveerd om herhaling te voorkomen. Hij is een zelfbepalende en impulsieve jongen en heeft externe sturing nodig.

Ook zijn vriendenkeuze en het gebruik van alcohol en drugs verhogen de kans op herhaling.

Geadviseerd wordt een (deels voorwaardelijke) werkstraf op te leggen met enkele bijzondere voorwaarden, waaronder een verbod op het gebruik van drugs en alcohol (inclusief het meewerken aan controle), het volgen van onderwijs en het vermijden van risicovolle/antisociale contacten.

Inmiddels is in een vrijwillig kader begeleiding door de jeugdreclassering opgestart. Ter zitting is door de medewerker van de jeugdreclassering verklaard dat [verdachte] zijn delictgedrag nog steeds acceptabel vindt en dat op dat gebied nog werk te doen is.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld. Nu heeft hij een feit gepleegd waarvoor hij moet worden bestraft. De rechtbank heeft hierboven al uitgelegd waarom zij dit een ernstig feit vindt en vindt het daarom ook van belang dat moet worden geprobeerd de kans op herhaling te verkleinen. De houding en uitlatingen van [verdachte] omtrent zijn handelen, zoals hij ook ter zitting tegenover de rechtbank heeft laten zien, in samenhang met het door de Raad beschreven beeld dat [verdachte] zelfbepalend en impulsief is, baren de rechtbank grote zorgen en onderstrepen de noodzaak van de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden ter zake onderwijs en de contacten van [verdachte] . Begeleiding door de jeugdreclassering is daarbij ook volgens de rechtbank nodig. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande een stevige stok achter de deur nodig is en daarom legt zij een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand op. Omdat het gebruik van drugs of alcohol geen rol lijkt te hebben gespeeld bij het plegen van het strafbare feit, zal de rechtbank niet als bijzondere voorwaarde opnemen dat [verdachte] geen drugs of alcohol mag gebruiken. Wel vindt de rechtbank een werkstraf van 40 uur passend en nodig naast de voorwaardelijke jeugddetentie.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van één maand;

  • -

    bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte onderwijs zal volgen en/of in overleg met de Jeugdreclassering een andere zinvolle dagbesteding heeft, indien en zo lang de Jeugdreclassering dit

noodzakelijk acht;

- verdachte risicovolle/antisociale contacten mijdt indien en zo lang de

Jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

 stelt als overige voorwaarden dat:

- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, afdeling Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 40 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld, voorzitter en kinderrechter, mr. D.S.M. Bak en mr. R.M.H. Pennings, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme en

mr. M.C. Korevaar, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 2] van de politie Oost-Nederland, dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020486074 (TGO Pakistan/DR Struik, zaaksdossier 6), gesloten op 1 februari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.