Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2248

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
05/273722-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt 7 jongeren tot (voorwaardelijke) cel- en taakstraffen. In deze strafzaken speelt het fenomeen pedojagen een rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/273722-20

Datum uitspraak : 4 mei 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. H.O. den Otter, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) (met kracht) te schoppen en/ of te trappen en/ of te slaan en/ of te stompen en/ of te duwen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden,

althans, dat

hij op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een massale bloeding onder de hersenvliezen, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) (met kracht) te schoppen en/of te trappen en/ of te slaan en/ of te stompen en/ of te duwen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

althans, dat

hij op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/ of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) (met kracht) heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/ of gestompt en/ of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, en het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

althans, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een massale bloeding onder de hersenvliezen, heeft/hebben toegebracht, door die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) (met kracht) te schoppen en/of te trappen en/ of te slaan en/ of te stompen en/ of te duwen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [medeverdachte 1] , met de scooter van verdachte, naar de plaats te vervoeren/brengen waar de ontmoeting met die [slachtoffer 1] was gepland;

althans, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/ of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) (met kracht) heeft/hebben geschopt en/ of getrapt en/ of geslagen en/ of gestompt en/ of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, en het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [medeverdachte 1] , met de scooter van verdachte, naar de plaats te vervoeren/brengen waar de ontmoeting met die [slachtoffer 1] was gepland;

althans, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en)(met kracht) te schoppen en/ of te trappen en/ of te slaan en/ of te stompen en/ of te duwen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [medeverdachte 1] , met de scooter van verdachte, naar de plaats te vervoeren/brengen waar de ontmoeting met die [slachtoffer 1] was gepland;

althans, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten op/aan de hoek van de Spijkerstraat/Prins Hendrikstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/ of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft/hebben gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] ,

welk geweld bestond uit het (intimiderend) insluiten van/indringen op die [slachtoffer 1] en/ of het (vervolgens) (met kracht) schoppen en/ of trappen en/ of slaan en/ of stompen en/ of duwen van die [slachtoffer 1] en/ of het opzettelijk kapottrappen van de bril van die [slachtoffer 1] en/ of het filmen van het gepleegde geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

terwijl dit door hem/hen gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [medeverdachte 1] , met de scooter van verdachte, naar de plaats te vervoeren/brengen waar de ontmoeting met die [slachtoffer 1] was gepland;

2.

hij op of omstreeks 12 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten in het Sonsbeekpark, in elk geval op of aan de openbare weg en/ of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 1] ,

welk geweld bestond uit het omverduwen van die [benadeelde 1] en/of het (intimiderend) insluiten van/ indringen op die [benadeelde 1] en/ of het (met kracht) op/tegen het hoofd en/ of elders op het lichaam slaan en/ of stompen en/of schoppen en/of trappen van die [benadeelde 1] en/of het zeggen/roepen tegen die [benadeelde 1] : 'kankerhomo' en/of 'viezerik' en/ of 'pedofiel',

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een zwelling in het gezicht en/ of een blauwe oogkas en/of pijn op het hoofd en/of lichaam voor die [benadeelde 1] ten gevolge heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 12 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten op/aan de Rijnkade, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in de centrale hal van het perceel [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het slaan en/ of stompen en/ of schoppen en/ of trappen van die [slachtoffer 3] en/ of het zeggen/ roepen tegen die [slachtoffer 3] 'pedo',

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een bloedende oogkas en een bloedende lip voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad;

althans, dat

hij op of omstreeks 12 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of elders op het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen;

4.

hij op of omstreeks 6 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten op/aan de Rietgrachtstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] ,

welk geweld bestond uit het (met kracht) slaan en/of stompen en/of duwen en/of

schoppen en/of trappen van die [slachtoffer 4] .

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank zal eerst feit 2, feit 3 en feit 4 bespreken en daarna ingaan op feit 1.

Feit 2, feit 3 en feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 2, 3 en 4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

Feit 2 1

[benadeelde 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 12 oktober 2020 in het Sonsbeekpark in Arnhem was. Hij had daar een afspraak met een jongen, die gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Op een gegeven moment liep hij naast de jongen met wie hij had afgesproken, met zijn fiets aan de hand, toen er ineens een aantal andere jongens aan kwam lopen. [benadeelde 1] werd tegen zijn fiets geduwd, waardoor hij op de grond viel. De jongens kwamen om hem heen staan, zodat hij niet weg kon komen. Plotseling voelde [benadeelde 1] een harde klap met een vuist aan de linker zijde van zijn gezicht. Daarna kreeg hij een trap tegen zijn achterhoofd en een aantal schoppen tegen zijn onderrug. Hij probeerde op te staan, maar werd teruggeduwd. [benadeelde 1] werd ook uitgescholden voor ‘kankerhomo’, ‘viezerik’ en ‘pedofiel’.2

Onder [verdachte] is een telefoon in beslag genomen, die gebruik maakt van het nummer

[telefoonnummer 1] . Op deze telefoon werden enkele (verwijderde) berichten gevonden van 12 oktober 2020 over een afspraak bij de Ronde Weide in het Sonsbeekpark.3

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij degene is geweest die de man (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1]) een duw heeft gegeven, waardoor hij over zijn fiets heen viel. [medeverdachte 5] heeft hem direct daarna een klap gegeven met zijn rechter vuist. [verdachte] en [medeverdachte 6] kwamen erbij en [medeverdachte 7] was aan het filmen. [medeverdachte 5] heeft de man nog een klap gegeven.4

[verdachte] heeft op zitting verklaard dat hij [benadeelde 1] heeft uitgescholden5 en hem misschien op de hand heeft geraakt.

De rechtbank vindt bewezen dat [benadeelde 1] op 12 oktober 2020 in het Sonsbeekpark in Arnhem omver is geduwd, is ingesloten en daarna met kracht tegen het hoofd is geslagen of gestompt en tegen hoofd en/of elders op het lichaam is geschopt of getrapt. Verder is bewezen dat de in de aangifte vermelde bewoordingen zijn geroepen naar [benadeelde 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank is dit geweld openlijk en in vereniging gepleegd.

De rechtbank overweegt dat de afspraak met [benadeelde 1] is gemaakt met de telefoon van [verdachte] . [medeverdachte 5] was, zo blijkt uit het dossier, ‘de lok’. Terwijl [medeverdachte 5] en [benadeelde 1] met elkaar opliepen, zaten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] verstopt in de bosjes. Rond het moment waarop [benadeelde 1] door [medeverdachte 5] werd geduwd en ten val kwam, kwamen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] plotseling tevoorschijn. Ook [verdachte] kwam er toen bij6 en hij heeft ook gescholden. Naar het oordeel van de rechtbank ontstond hierdoor een voor [benadeelde 1] beangstigende situatie, waar ook [verdachte] een aandeel in heeft gehad. De rechtbank vindt ook bewezen dat [verdachte] fysiek geweld heeft gebruikt tegen [benadeelde 1] . Maar niet kan worden vastgesteld dat juist dat geweld bij [benadeelde 1] tot lichamelijk letsel heeft geleid. Daarom zal [verdachte] worden vrijgesproken van hetgeen in de laatste zinsnede van de tenlastelegging is vermeld.

Feit 3 7

[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. ZD03/0016-0017;

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] , p. ZD03/0066-0068;

- het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , p. ZD03/0061-0064.

Feit 4 8

[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. ZD04/0010-0012;

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] , p. ZD04/0073;

- de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting van 14 april 2021.

Feit 1 9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling, wat de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. Volgens de officier van justitie is sprake van medeplegen, omdat [verdachte] iemand anders mee heeft gevraagd, [medeverdachte 1] heeft gebracht, inspraak had in de uitvoering van de ontmoeting en met de anderen mee is gelopen in de richting van het slachtoffer, waardoor sprake was van getalsmatige versterking. Ten slotte heeft [verdachte] zich niet gedistantieerd van het delict en tegen een getuige gezegd: “ga lekker slapen”, wat duidt op aansluiten bij wat daarvoor is gebeurd.
Van het primair ten laste gelegde medeplegen van doodslag heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van feit 1. Allereerst is door de raadsman aangevoerd dat de rol van [verdachte] volstrekt inwisselbaar is en dat [verdachte] niet heeft deelgenomen aan het complete feitencomplex, wat maakt dat het medeplegen onder het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen.

Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat vrijspraak moet volgen van het primair tenlastegelegde, omdat er geen opzet op het overlijden is geweest en dat vrijspraak moet volgen van het subsidiair tenlastegelegde, omdat er geen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Ook moet vrijspraak volgen van het meer subsidiair tenlastegelegde, aangezien onbekend is of er hard tegen het hoofd is getrapt en hoe vaak en omdat [verdachte] niet kon weten wat deze jongens zouden gaan doen, dus hij heeft niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard.

Verder is aangevoerd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het element ‘de dood ten gevolge’. Niet zonder meer kan worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte(n) in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg en dat dit redelijkerwijs aan de medeverdachten kan worden toegerekend. Causaal verband ontbreekt dan ook.
Ten slotte dient [verdachte] te worden vrijgesproken van alle medeplichtigheidsvarianten die ten laste zijn gelegd. Opzet op het grondfeit ontbreekt en opzet op de ondersteuning ook. [medeverdachte 1] is niet gebracht naar de plek waar de ontmoeting was gepland. [medeverdachte 1] heeft zichzelf daartoe begeven zonder dat hij daartoe is beïnvloed of anderszins is bewogen door [verdachte] . Er is geen sprake van bevorderen of vergemakkelijken, waardoor niet tot behulpzaamheid kan worden gekomen.

De beoordeling door de rechtbank

Op 28 oktober 2020 rond 21.20 uur troffen verbalisanten op de kruising van de Spijkerstraat met de Prins Hendrikstraat in Arnhem een man aan, liggend op de grond. Naast hem lag een kapotte bril binnen handbereik. De man was niet aanspreekbaar.10 Terwijl de politie ter plaatse was, werd de man reanimatiebehoeftig. Er is dertig minuten gereanimeerd, vervolgens is de man gesedeerd en geïntubeerd. In het ziekenhuis werd een massale bloeding in het hoofd onder de hersenvliezen geconstateerd met een infauste [ongunstige, rechtbank] prognose. Vervolgens is de man gedetubeerd. Op 29 oktober 2020, om 00.30 uur, is de man overleden. Hij is niet meer bij bewustzijn geweest. De man bleek [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) te zijn.11

In de telefoon van het slachtoffer werden in de uren voor zijn overlijden meerdere gemiste oproepen afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] aangetroffen en tussen 16.58 en 21.11 uur meerdere WhatsApp-chats tussen het nummer van het slachtoffer en het nummer [telefoonnummer 2] . Verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard de gebruiker te zijn van dit telefoonnummer.12 Tevens heeft hij verklaard dat hij nummers met het slachtoffer had uitgewisseld en dat hij die avond met hem heeft geappt.13

De afspraak

Uit WhatsApp-contact tussen [medeverdachte 2] en het slachtoffer volgt dat [medeverdachte 2] op 28 oktober 2020 om 16.58 uur naar het slachtoffer stuurde: “Hee” en “van bullchat”. Verder volgt uit het WhatsApp-contact dat [medeverdachte 2] en het slachtoffer tussen 17.59 en 18.32 uur een gesprek hadden waarin werd toegewerkt naar een fysieke afspraak. Uiteindelijk spraken zij af bij station Velperpoort. [medeverdachte 2] zou dan om 20.00 uur voor de etalage van [winkel] gaan staan.14 Tussen 20.16 en 20.19 uur was er weer contact tussen [medeverdachte 2] en het slachtoffer, waarin het slachtoffer onder meer appte: “ik heb 10 minuten op je gewacht. Daafna ben ik vertrokken” en [medeverdachte 2] reageerde: “kom je terug ben er”. Tussen 20.31 en 20.37 uur appte [medeverdachte 2] : “kom je nog?”, “ik heb een donkerblauwe jas aan”, “kom je nog” en “sta hier al lang te wachten”. Hierna is er nog veel chatcontact tussen [medeverdachte 2] en het slachtoffer over onder meer of [medeverdachte 2] alleen is, leeftijd en hoe laat [medeverdachte 2] thuis moet zijn. Verder vroeg het slachtoffer aan [medeverdachte 2] : “hoe oud ben je eerkelijk?”, waarop [medeverdachte 2] reageerde: “15”. Het slachtoffer reageerde: “dat is TE jong, dat weet je”. [medeverdachte 2] appte daarna: “maar jij wilde het eerst wel”, “wel bijna 16”, “kom je alsjeblieft nog”. Het slachtoffer reageerde: “ik durf het niet. Je bent niet alleen”. [medeverdachte 2] antwoordde daarop: “ik ben exht alleen”. Om 21.01 spraken zij af bij de [supermarkt] over vijf minuten.15

Op 28 oktober 2020 vond rond 15.00 uur een WhatsApp-gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 4] waarin [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] stuurde: “heb je vnv tijd” en vervolgens: “heb pedotje” en “en deze gaat sws lukken heb zn nummer”. [medeverdachte 4] reageerde: “sws ik heb tijd”. Om 18.50 uur stuurde [medeverdachte 2] onder meer: “hij wilt om 20.00 voor [winkel] op de Steenstraat”. [medeverdachte 4] reageerde onder meer: “hz swenstrata”, waarop [medeverdachte 2] antwoordde: “ja hij zegt kom je zo te weten”, “maar ik vind daar prima”, “bos hen gewoon das”, “daar”. [medeverdachte 4] reageerde met: “niet op steenstraat kerel”. Om 19.05 uur vroeg [medeverdachte 2] : “komt [medeverdachte 3] ook mee”, “want [medeverdachte 1] wil ook mee”, waarop [medeverdachte 4] onder meer reageerde: “ [medeverdachte 3] had al met [medeverdachte 8] blijkbaar afgesproken”, “mr zeg tegen [medeverdachte 1] dat ie niet mee kan” en “want hij gaat toch niemand bossen”.16

Uit een WhatsApp-gesprek op 28 oktober 2020 tussen 17.13 en 17.15 uur tussen verdachte [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] volgt dat [medeverdachte 3] heeft gestuurd: “k ga mis vnv nog araa”, “ff pedo pakken” en “hij gaat sws gebost worden”. Om 18.33 uur vroeg [medeverdachte 3] via WhatsApp aan [medeverdachte 4] : “hlt gaam we pedo pakke”.17

In de telefoon van [medeverdachte 4] zijn Snapchatberichten aangetroffen tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Op 28 oktober 2020 om 19.08 uur stuurde [medeverdachte 4] : “niks tegen [betrokkene 2] zeggen over oedo klappen”, waarop [medeverdachte 1] onder meer reageerde: “maar wat zei ze tegen jou dan”. Daarop stuurde [medeverdachte 4] : “ja dat ik pedo ga klappen vnv ofz”. Om 19.53 stuurde [medeverdachte 1] : “hlt ben jij angoe”, waarop [medeverdachte 4] onder meer reageerde: “ga nu eentje klappen oet gana”. Daarop stuurde [medeverdachte 1] onder meer: “want [verdachte] haalt me zo al op met scoobie” en “kan ik jou over kwartier bellen”. [medeverdachte 4] antwoordde: “bel [medeverdachte 2] als je wil bellen”, “tellie bijna leeg” en “staan nu steenstraat”.18

Getuige [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [verdachte] hem op de dag van het incident vertelde dat [verdachte] was benaderd om mee te gaan om een pedo aan te pakken. [verdachte] vertelde dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] erbij zouden zijn.19

[verdachte] heeft op zitting verklaard dat “bossen” klappen betekent.20

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] een afspraak heeft gemaakt met het latere slachtoffer en vervolgens ook contact heeft onderhouden met het slachtoffer. Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] met [medeverdachte 2] mee zouden gaan naar deze afspraak en dat alle verdachten rekening hielden met het gebruik van geweld tegen het slachtoffer tijdens deze afspraak.

De geweldshandelingen

Op de telefoon van [medeverdachte 2] zijn twee video’s aangetroffen waarop het slachtoffer te zien is.21 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij heeft gefilmd met zijn telefoon.22 De video’s zijn uitgekeken en te zien is dat het slachtoffer met beide handen in zijn jaszakken staat te wachten. Plotseling komt rechts in beeld een blote vuist naar voren die de kin van het slachtoffer raakt waarbij het hoofd van het slachtoffer abrupt naar achteren beweegt, het slachtoffer in onbalans raakt en achteruit deinst. Te horen is dat de cameraman hardop “vieze kanker pedo” zegt. Bijna tegelijkertijd komt een tweede blote open hand in beeld die heel snel in de richting van het gezicht van het slachtoffer gaat en hem daar vastgrijpt, slaat of duwt. Zeer waarschijnlijk behoren beide handen tot dezelfde jongen, vermoedelijk [medeverdachte 4] . Door de klappen en/of duw raakt het slachtoffer in onbalans en half weg draaiend over zijn rechterflank probeert hij weg te komen. [medeverdachte 3] rent het slachtoffer achterna. [medeverdachte 3] plaatst staande op zijn rechtervoet in een vloeiende beweging met geheel gestrekt linkerbeen en linkervoet een hoge schop naar voren richting het slachtoffer. [medeverdachte 3] trekt direct, staande op zijn linkervoet, zijn rechterknie omhoog en maakt met zijn rechteronderbeen en -voet een schopbeweging naar voren richting het slachtoffer. [medeverdachte 2] verplaatst zich met de camera met een boogje naar voren en zegt “vieze pedo”. [medeverdachte 2] verplaatst zich verder naar voren en te horen is dat [medeverdachte 4] “hij is een pedofiel hij zit aan kleine mensen” zegt. Vervolgens is te zien dat bij het putdeksel van een straatkolk het blote hoofd van het slachtoffer op het wegdek ligt. Hierna is nog te horen dat de hard sprekende cameraman “kanker homo” zegt.23

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij met het slachtoffer aan het praten was toen de rest aan kwam lopen. [medeverdachte 4] gaf het slachtoffer toen een duw aan de zijkant van zijn lichaam, waarbij hij het slachtoffer ergens op zijn borst/schouder raakte en het slachtoffer uit zijn evenwicht was en een paar stappen naar achter deed. Na de duw trapte [medeverdachte 3] het slachtoffer tegen het gezicht toen het slachtoffer nog stond. Het slachtoffer viel daardoor op de grond. Toen trapte [medeverdachte 1] het slachtoffer in zijn buik.24 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij het slachtoffer twee keer heeft getrapt. De eerste trap was in zijn rechterzij en de tweede keer raakte [medeverdachte 3] het slachtoffer hoog op zijn schouder of op zijn gezicht. Het slachtoffer viel na de tweede trap.25 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de bril van het slachtoffer kapot heeft getrapt toen het slachtoffer op de grond was gevallen.26

De rechtbank vindt op basis van het voorgaande in ieder geval bewezen dat [medeverdachte 4] het slachtoffer heeft geduwd, dat [medeverdachte 3] hem twee keer heeft getrapt, dat [medeverdachte 1] hem één keer heeft getrapt en dat [medeverdachte 2] de bril van het slachtoffer kapot heeft getrapt. Op grond van de door de politie uitgekeken video’s stelt de rechtbank verder vast dat er voorafgaand aan de duw van [medeverdachte 4] ook sprake is geweest van een vuistslag tegen de kin van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat nu uit de verklaring van [medeverdachte 4] volgt dat hij als eerste bij het slachtoffer stond en als eerste geweld heeft toegepast, het niet anders kan dan dat [medeverdachte 4] voorafgaand aan de duw het slachtoffer een vuistslag heeft gegeven.

Op/aan de fiets van [medeverdachte 2] is OVC-apparatuur geplaatst, waarmee gesprekken kunnen worden afgeluisterd. Uit het OVC-gesprek volgt dat een onbekende tegen de fietser (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) zei: “jullie hebben hem niet doodgeslagen hij is gevallen, dat is de klap geweest”, waarop de fietser reageerde: “daarna heeft hij nog wel een trap op zijn hoofd gehad”.27

In het dossier bevinden zich verklaringen van getuigen die de geweldpleging hebben gezien. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat zij een man op de grond zag liggen en dat twee jongens de man op zijn hoofd en in zijn buik trapten. Het was duidelijk op zijn hoofd.28 Volgens [getuige 2] viel de man op de grond en werd hij daarna drie keer tegen het hoofd en twee keer tegen de buik geschopt.29 [getuige 3] heeft verklaard dat het slachtoffer op de grond lag en dat hij daarna met kracht in het gezicht werd geschopt.30 Uit de verklaring van [getuige 4] volgt dat zij zag dat het slachtoffer omviel en dat hij vervolgens door de persoon die het dichtst bij hem was drie keer werd getrapt tegen zijn achterhoofd en middenin zijn rug.31 De rechtbank overweegt dat er daarmee vier getuigen zijn die hebben verklaard te hebben gezien dat er, nadat het slachtoffer op de grond was gevallen, onder meer tegen zijn hoofd dan wel in zijn gezicht is geschopt. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat [getuige 3] daarnaast specifiek heeft benoemd dat de bril van het slachtoffer kapot is geschopt.32

Ter zitting heeft de forensisch patholoog naar aanleiding van de foto’s van de letsels aan het hoofd van het slachtoffer verklaard dat er minstens drie ‘impacten’ op het hoofd zijn geweest, maar dat hij het waarschijnlijker vindt dat het er vier of vijf zijn geweest.33 De rechtbank verstaat onder een ‘impact’ een krachtinwerking (op het hoofd) door bijvoorbeeld vallen, slaan, schoppen en/of stoten.

Op basis van het OVC-gesprek, de verklaringen van de getuigen en de bevindingen van de patholoog vindt de rechtbank bewezen dat er meer geweldshandelingen – waaronder schoppen tegen het hoofd nadat het slachtoffer op de grond was gevallen – zijn geweest dan waarover de verdachten hebben verklaard.

De rechtbank heeft al vastgesteld dat alle verdachten op voorhand rekening hielden met het gebruik van geweld tegen het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij echter geen ‘vol’ opzet gehad op de dood van het slachtoffer dan wel op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet gericht op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dat het gevolg (in dit geval: de dood of zwaar lichamelijk letsel) zal intreden en de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang.

Hierboven heeft de rechtbank bewezen verklaard dat het slachtoffer onder meer een vuistslag tegen zijn kin heeft gekregen en dat hij tegen het hoofd is geschopt terwijl hij nog stond en nadat hij op de grond was gevallen. De rechtbank heeft te weinig informatie over de precieze wijze waarop dit geweld heeft plaatsgevonden om te kunnen concluderen dat de kans op de dood in dit geval naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is geweest.

De vraag of de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest, beantwoordt de rechtbank wel bevestigend. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel en als het hoofd meermalen wordt geraakt door middel van stompen en schoppen is er een reële en niet onwaarschijnlijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Dit mag bij een ieder, en dus ook bij verdachten, bekend worden verondersteld. Daarom zijn de gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachten die voornoemde geweldshandelingen hebben uitgevoerd, die aanmerkelijke kans ook willens en wetens hebben aanvaard.

Causaal verband

Uit het rapport van de forensisch patholoog volgt dat bij sectie van het slachtoffer een forse bloeduitstorting onder het spinnenwebvlies is aangetroffen, als gevolg van een recente scheur van een langer bestaande bloedvatverwijding (aneurysma) ter hoogte van de overgang van de rechter binnenste halsslagader naar de rechter middelste hersenslagader. Op basis hiervan wordt de reanimatiebehoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden volledig verklaard. Een dergelijk aneurysma kan spontaan scheuren, maar het kan ook scheuren onder invloed van factoren, zoals krachtinwerking op het hoofd en/of een verhoogde bloeddruk. Op het hoofd en in de hersenen waren tekenen van bij leven opgetreden stomp botsende krachtinwerking (zoals vallen, slaan en/of stoten). Ook kunnen stressvolle omstandigheden, zoals een schermutseling, een verhoging van de bloeddruk veroorzaken.34 Een eventuele bloeddrukverhoging kan daarnaast (mede) het gevolg zijn van toxicologische beïnvloeding door het stimulerende middel 3-MMC, wat in het bloed van het slachtoffer werd aangetroffen.

Volgens de forensisch patholoog is, gezien het verhaalde korte tijdsverloop tussen de stomp botsende krachtinwerking op het hoofd (met begeleidende stressvolle omstandigheden) en het optreden van de reanimatiebehoeftige toestand (met nadien vaststelling van de bloeduitstorting in het hoofd), een oorzakelijk verband aannemelijk.35 Evenwel kan hierbij eventuele bloeddrukverhoging als gevolg van toxicologische beïnvloeding (3-MMC) niet worden uitgesloten als (bijdragende) oorzaak van de scheur van het aneurysma. Hiertussen kan geen zeker onderscheid worden gemaakt.

Ter terechtzitting heeft de forensisch patholoog verklaard dat de stomp botsende krachtinwerking hevig is geweest, omdat het corpus callosum [hersenbalk, rechtbank] scheuren vertoont. Dat maakt het volgens de patholoog aannemelijker dat de stomp botsende krachtinwerking een rol heeft gespeeld bij het scheuren van het aneurysma, dan dat dat spontaan is gebeurd. Ook kan een krachtinwerking op het hoofd in zijn algemeenheid leiden tot scheuring van een aneurysma. Verder heeft de patholoog verklaard dat het gelet op het tijdsverloop waarschijnlijker is dat de stomp botsende krachtinwerking een rol heeft gespeeld dan de 3-MMC. Het is volgens de patholoog mogelijk dat de 3-MMC een zelfstandige oorzaak is, maar dat is gezien het tijdsverloop minder waarschijnlijk. De 3-MMC is namelijk ingenomen voorafgaand aan de geweldpleging.36

De eerste vraag die de rechtbank in dit kader moet beantwoorden, is of het handelen van de verdachten kan hebben geleid tot het scheuren van dit aneurysma. Op basis van het rapport en de verklaring van de forensisch patholoog concludeert de rechtbank dat de stomp botsende krachtinwerking op het hoofd (met begeleidende stressvolle omstandigheden) een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die hebben geleid tot het scheuren van het aneurysma, vanwege het tijdsverloop tussen de stomp botsende krachtinwerking op het hoofd en het intreden van de reanimatiebehoeftige toestand. Ook is het vanwege dit tijdsverloop aannemelijk dat de scheuring van het aneurysma met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de stomp botsende krachtinwerking op het hoofd is veroorzaakt, mede gelet op het overig geconstateerde letsel in de hersenen. De rechtbank concludeert op basis hiervan dat het handelen van de verdachten de scheuring van het aneurysma tot gevolg heeft gehad.

De vraag is vervolgens of deze scheuring kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Direct na het incident moest het slachtoffer worden gereanimeerd, gesedeerd en geïntubeerd. De scheuring heeft geleid tot een massale bloeding onder de hersenvliezen met een ongunstige prognose. De rechtbank overweegt dat dit letsel naar zijn aard, vanwege het benodigde medisch ingrijpen en deze prognose als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. Uit het rapport van de forensisch patholoog volgt verder dat het overlijden van het slachtoffer volledig wordt verklaard door deze bloeding. Uit dit alles concludeert de rechtbank dat verdachten met voornoemde geweldshandelingen aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel met de dood als gevolg hebben toegebracht.

Medeplegen en medeplichtigheid

Ten slotte ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag wie in welke mate heeft bijgedragen aan de bewezen verklaarde zware mishandeling met de dood ten gevolge. De rechtbank stelt hierbij voorop dat van medeplegen sprake is als twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Verder overweegt de rechtbank dat medeplegen bewuste en nauwe samenwerking vereist, maar dat het niet nodig is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten. Nauwe en bewuste samenwerking kan ook onder meer blijken uit de rol van de verdachte in de voorbereiding en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Ten aanzien van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat zij samen geweld hebben gebruikt tegen het slachtoffer. Ten aanzien van [medeverdachte 2] kan niet worden vastgesteld dat hij direct (fysiek) geweld heeft gebruikt op het (lichaam van het) slachtoffer. Wel heeft [medeverdachte 2] de afspraak met het slachtoffer gemaakt, is hij het slachtoffer blijven overhalen om naar de afspraak te komen toen deze op het punt stond hiervan af te zien, heeft hij [medeverdachte 4] gevraagd om mee te gaan, daarbij rekening gehouden met het gebruik van geweld, zich niet gedistantieerd toen de geweldshandelingen tegen het slachtoffer werden uitgeoefend, een deel van deze geweldshandelingen gefilmd, het slachtoffer ondertussen uitgescholden en vervolgens de bril van het slachtoffer kapot getrapt. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat ook [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de zware mishandeling.

Ten aanzien van [verdachte] heeft de rechtbank vastgesteld dat hij mee zou gaan naar de afspraak die [medeverdachte 2] had gemaakt met het slachtoffer. Niet is bewezen dat [verdachte] geweldshandelingen heeft gepleegd tegen het slachtoffer. De vraag is nu wat zijn rol is geweest.

[verdachte] heeft verklaard dat er een afspraak was gemaakt met een oudere man en dat er werd verzameld bij Velperpoort. Niet stond vast dat er geweld zou worden gebruikt, maar dat was wel mogelijk. Hij heeft [medeverdachte 1] erheen gebracht met zijn scooter. Bij Velperpoort werd een nieuwe afspraak gemaakt met de man in het Spijkerkwartier. [verdachte] is toen met [medeverdachte 1] meegelopen.37

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] op basis van zijn handelen niet als medepleger kan worden aangemerkt. Niet kan worden bewezen dat hij uitvoeringshandelingen heeft verricht of dat op andere wijze sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank leidt uit de verklaring van [verdachte] af dat er een aanmerkelijke kans bestond dat daadwerkelijk geweld zou worden gebruikt tijdens de ontmoeting met het slachtoffer. Dat geldt voor [verdachte] nog in het bijzonder, omdat hij bij eerdere soortgelijke ontmoetingen zelf gebruik heeft gemaakt van geweld zoals hierboven bewezen is verklaard. Aangezien er naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestaat dat daadwerkelijk gebruik van geweld leidt tot lichamelijk letsel bij het slachtoffer van dat geweld, moet [verdachte] dat ook hebben beseft. Op basis van de verklaring van [verdachte] acht de rechtbank bewezen dat hij een medepleger van het geweld ( [medeverdachte 1] ) naar de plaats van de afgesproken ontmoeting met het slachtoffer heeft gebracht, waardoor [verdachte] willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hiermee gelegenheid verschafte tot het plegen van een strafbaar feit waarbij geweld zou worden gebruikt.

Hierdoor is [verdachte] behulpzaam geweest bij het medeplegen van de zware mishandeling. De rechtbank overweegt in dit verband dat de omstandigheid dat de opzet van [verdachte] niet gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, daaraan niet in de weg staat en zal worden betrokken bij de vraag welke straf aan [verdachte] moet worden opgelegd.

Conclusie feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan medeplegen van zware mishandeling, met de dood van het slachtoffer als gevolg.

3 De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 1 als vierde variant, feit 2, feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. vierde variant

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 28 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een massale bloeding onder de hersenvliezen, heeft/hebben toegebracht, door die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) (met kracht) te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen en/ of te duwen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [medeverdachte 1] , met de scooter van verdachte, naar de plaats te vervoeren/brengen waar de ontmoeting met die [slachtoffer 1] was gepland;

2.

hij op of omstreeks 12 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten in het Sonsbeekpark, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten

[benadeelde 1] ,

welk geweld bestond uit het omverduwen van die [benadeelde 1] en/of het (intimiderend) insluiten van/indringen op die [benadeelde 1] en/of het (met kracht) op/tegen het hoofd en/of elders op het lichaam slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van die [benadeelde 1] en/of het zeggen/roepen tegen die [benadeelde 1] : ‘kankerhomo’ en/of ‘viezerik’ en/of ‘pedofiel’,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een zwelling in het gezicht en/of een blauwe oogkas en/of pijn op het hoofd en/of lichaam voor die [benadeelde 1] ten gevolge heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 12 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten op/aan de Rijnkade, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in de centrale hal van het perceel [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van die [slachtoffer 3] en/of het zeggen/ roepen tegen die [slachtoffer 3] 'pedo',

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een bloedende oogkas en een bloedende lip voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 6 oktober 2020 in de gemeente Arnhem, openlijk, te weten op/aan de Rietgrachtstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] ,

welk geweld bestond uit het (met kracht) slaan en/of stompen en/of duwen en/of

schoppen en/of trappen van die [slachtoffer 4] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 vierde variant: medeplichtigheid aan medeplegen van zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

feit 2: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon;

feit 3 primair: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon, terwijl het feit enig lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad;

feit 4 : het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die [verdachte] al in verzekering heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat deze eis geen pas geeft, gelet op de rol van [verdachte] bij het incident op 28 oktober 2020. Verder is [verdachte] een first offender en kunnen de feiten hem verminderd worden toegerekend.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] .

De rechtbank zal beginnen met een algemene overweging voordat wordt ingegaan op de vraag welke straf aan [verdachte] wordt opgelegd.

In de maand oktober 2020 hebben er in Arnhem diverse geweldsincidenten plaats gevonden die te maken hadden met groepen jongeren die in wisselende samenstelling op ‘pedojacht’ gingen.

De in de onderzoeken ‘Struik’ en ‘Pakistan’ betrokken verdachten gingen nagenoeg steeds op dezelfde wijze te werk. Verdachten legden middels de chatsite ‘Bullchat’ contact met hun toekomstige slachtoffers en deden zich daar voor als een minderjarige die een afspraak wilde maken voor seks. Zij verzonnen daarmee zelf iets strafbaars, want in werkelijkheid was er nooit een minderjarige die seks wilde. Nadat zo’n afspraak was gemaakt, werd het beoogd doelwit naar een ontmoetingsplaats in het openbaar gelokt, waarbij één van de verdachten als ‘lok’ diende om het eerste persoonlijke contact te leggen. Vervolgens kwamen er meerdere jongens bij om het doelwit te ‘confronteren’, waarbij vrijwel direct geweld werd gebruikt en het doelwit werd uitgescholden. Daarbij was het ook de bedoeling dat de confrontatie werd gefilmd en werd in een aantal gevallen de filmpjes van de confrontatie ook gedeeld met anderen. In door de politie onderschepte berichten liet een aantal verdachten aan elkaar en aan anderen weten trots te zijn op waar ze mee bezig waren.

Wat verdachten hebben gedaan, is voor eigen rechter spelen en dat neemt de rechtbank hen buitengewoon kwalijk. Normaal gesproken moeten politie en justitie namelijk eerst goed onderzoek doen en dan kunnen rechters beslissen of sprake is van een strafbaar feit en of een straf moet worden opgelegd. Dat alles is niet aan anderen en dus ook niet aan de verdachten in deze zaken. Zij hebben iemand uitgelokt, zelf besloten dat die persoon dan een ‘pedo’ is, dat die persoon daarom moet worden bestraft en zij hebben die straf ook nog meteen uitgevoerd. Bij een aantal van deze incidenten hebben de slachtoffers lichamelijk letsel opgelopen en in sommige gevallen is ook sprake van psychisch letsel. In één geval is de aanval zelfs zo uit de hand gelopen, dat het slachtoffer deze met de dood heeft moeten bekopen. Verdachten hebben met hun acties ook beslag gelegd op de schaarse capaciteit van politie en justitie, die daardoor niet kon worden gebruikt voor het opsporen en vervolgen van personen die zich schuldig maken aan seksueel misbruik van minderjarigen.

De rechtbank overweegt dat zij een moeilijke beslissing heeft moeten nemen. Aan de ene kant heeft de officier van justitie namens de maatschappij (voorwaardelijke) jeugddetentie geëist. Hij heeft gewezen op het overlijden van het slachtoffer in onderhavige zaak en naar voren gebracht dat pedojagen onaanvaardbaar en levensgevaarlijk is. Jeugddetentie, al dan niet in voorwaardelijke zin, is volgens hem nodig om het duidelijke signaal af te geven dat pedojagen geen onschuldig tijdverdrijf is. Aan de andere kant heeft de Raad voor de Kinderbescherming zich op het standpunt gesteld dat jeugddetentie de verdachten en uiteindelijk de samenleving geen goed zal doen.

Verder overweegt de rechtbank dat in het jeugdstrafrecht in beginsel het belang van de jeugdige voorop staat. De generale preventie, dus het voorkomen dat anderen vergelijkbare feiten gaan plegen, speelt een minder grote rol bij de strafoplegging. Dat betekent dat de rechtbank niet lichtvaardig kan komen tot de beslissing om (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.

Ook [verdachte] is betrokken geweest bij ‘pedojagen’ of ‘pedohunten’. Hij heeft zich in een zeer korte periode drie keer schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. Daarbij heeft hij, zowel in de voorbereiding van deze feiten als bij de daadwerkelijke uitvoering daarvan, een actieve rol gehad. Verder is hij op 28 oktober 2020 samen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het Spijkerkwartier gegaan met de bedoeling het slachtoffer aan te vallen. Zij hebben de afloop niet kunnen voorzien, maar de harde werkelijkheid is dat er iemand is overleden als gevolg van het toen gebruikte geweld. [verdachte] was daar medeplichtig aan. Hij heeft toen geen geweld gebruikt en zijn opzet was ook niet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bij de psycholoog heeft [verdachte] verteld dat hij geen geweld heeft gebruikt omdat hij de pakkans te groot vond.

[verdachte] is onderzocht door een forensisch psycholoog, die haar bevindingen heeft opgeschreven in een rapport van 31 maart 2021. In dat rapport is geconcludeerd dat bij [verdachte] een andere gespecificeerde aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis kan worden vastgesteld en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Verder is sprake van een lichte tot matige stoornis in cannabisgebruik, in vroege remissie onder de huidige aanhouding en omstandigheden. De stoornissen zijn aanwezig geweest ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (op 28 oktober 2020) en beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen. Geadviseerd wordt het feit in verminderde mate toe te rekenen.

Op basis van de risicoprognose wordt de kans dat [verdachte] weer geweld zal gebruiken als laag tot matig ingeschat. Er is ondersteuning door ouders en familie, een hechte band met ouders en zus en een duidelijk positieve houding tegenover gezag en interventie. Ondanks het feit dat er in verminderde mate sprake is van emotionele diepgang en het uiten van doorleefde gevoelens van berouw en schaamte, is er wel een rationeel besef betreffende de ontoelaatbaarheid van hetgeen is gebeurd. Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd om [verdachte] voor een verdere verlaging van het geweldrisico een ambulante behandeling op te leggen bij een forensische polikliniek. Behandeling zou moeten bestaan uit Leren van delict in combinatie met psycho-educatie en inzicht bevorderende gesprekken met betrekking tot zijn valkuilen inherent aan de aandachtstekortstoornis en gedragsstoornis. Negatieve opvattingen en narcistische behoeftes dienen te worden aangepakt en het versterken van de autonomie van [verdachte] is nodig. [verdachte] moet meer op zijn gedrag worden aangesproken en hier ook verantwoordelijkheid voor leren dragen. Geadviseerd wordt om de behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 6 april 2021 een advies uitgebracht. Daarin is beschreven dat [verdachte] sinds november 2020 vrijwillige jeugdreclassering krijgt. Hij heeft daarnaast individuele hulp (gesprekken met een psycholoog en EMDR-sessies) en zijn ouders hebben het voornemen aanvullende hulp voor het gezin in te schakelen. Zowel ouders als [verdachte] werken mee aan de noodzakelijke hulp en profiteren daarvan. Er worden zowel beschermende als risicofactoren gezien op de verschillende domeinen. Zowel de score op het Algemeen Recidive Risico (ARR) als de score op het Dynamisch Risico Profiel is laag.

Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met naast de algemene voorwaarden ook de bijzondere voorwaarde dat [verdachte] meewerkt aan ambulante behandeling bij een forensische polikliniek. Ook een voorwaardelijke jeugddetentie zal meer schade toebrengen dan dat het van pedagogische meerwaarde zal zijn.

Alles bij elkaar komt de rechtbank tot oplegging van een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden en daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uur.

De rechtbank vindt de voorwaardelijke jeugddetentie nodig vooral gelet op de ernst van de feiten zoals hierboven omschreven, maar ook om te proberen te voorkomen dat [verdachte] weer strafbare feiten pleegt. Daarbij betrekt de rechtbank dat [verdachte] weliswaar niet eerder is veroordeeld, maar hij nu in een korte periode betrokken is bij meerdere geweldsfeiten. Ook weegt de rechtbank mee dat [verdachte] , zoals beschreven in het rapport van de Raad, zijn handelen nog steeds te rechtvaardigen vindt en hij niet weet of hij er uit zichzelf mee zou zijn gestopt.

Aan de voorwaardelijke jeugddetentie zal als bijzondere voorwaarde worden verbonden dat [verdachte] moet meewerken aan ambulante behandeling bij een forensische polikliniek.

Verder legt de rechtbank [verdachte] de maximale werkstraf in jeugdstrafzaken, namelijk een werkstraf van 200 uur, op.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

Feit 1

Er zijn vorderingen tot schadevergoeding ingediend door [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , de zoons van het slachtoffer. Zij vorderen alle drie een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en daarnaast ook de hierna vermelde materiële schade.

[benadeelde 2] vordert een bedrag van € 2.495,52 aan materiële schade, bestaande uit € 1.695,- voor de kosten van een grafsteen, € 570,38 in verband met reiskosten voor de begrafenis en € 230,14 in verband met reiskosten voor de bijzetting.

In de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 3] wordt een bedrag van € 2.153,72 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit € 725,90 voor de kosten van de grafrechten, € 254,- voor de kosten van de bijzetting en € 1.173,82 voor de kosten van de ontruiming van het appartement.

[benadeelde 4] heeft verzocht om vergoeding van een bedrag van € 6.695,55 aan materiële schade, bestaande uit € 6.545,55 aan uitvaartkosten en € 150,- in verband met kosten voor de tweede crematie.

In alle drie vorderingen wordt verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling van alle mededaders.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen volledig kunnen worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de vervangende jeugddetentie op nihil moet worden gesteld.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat niet-ontvankelijkheid moet volgen vanwege de bepleite vrijspraak dan wel omdat het causale verband ontbreekt.

Subsidiair is erop gewezen dat de bijdrage van [verdachte] niet gelijk is geweest aan die van de medeverdachten. Gelet hierop heeft de raadsman meer subsidiair betoogd dat een toe te wijzen bedrag substantieel gematigd dient te worden.

Ter zitting is naar voren gebracht dat de materiële kosten op zich reëel zijn.

De beoordeling door de rechtbank

De ontvankelijkheid van de benadeelde partijen

De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat het medeplegen van zware mishandeling de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad en dat [verdachte] daar medeplichtig aan is geweest. Dat betekent dat de door de benadeelde partijen gevorderde schade is veroorzaakt door hetgeen bewezen is verklaard en dat zij ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) overweegt de rechtbank dat ook de gedragingen van een medeplichtige de grondslag kunnen vormen voor diens (hoofdelijke) aansprakelijkheid tot vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen duidelijk en voldoende onderbouwd en levert de behandeling van die vorderingen geen onevenredige belasting van het strafproces op. Ook hierin is geen reden gelegen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

Materiële schade

Op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek komen de kosten voor lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft in ieder geval de kosten van een grafsteen (€ 1.695,-), gevorderd door [benadeelde 2] , de kosten van de grafrechten (€ 725,90) en de bijzetting (€ 254,-), gevorderd door [benadeelde 3] , en de uitvaartkosten (€ 6.545,55) en kosten in verband met de tweede crematie (€ 150,-), gevorderd door

[benadeelde 4] .

De rechtbank is van oordeel dat ook de door [benadeelde 2] gemaakte reiskosten van in totaal € 800,52 naar hun aard binnen de reikwijdte van de kosten van lijkbezorging vallen. Deze kosten zijn in redelijkheid gemaakt, zijn naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene en komen daarom voor toewijzing in aanmerking.

Voor vergoeding van de kosten van de ontruiming van het appartement, zoals gevorderd door [benadeelde 3] , bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen wettelijke grondslag, omdat geen sprake is van ‘verplaatste schade’ zoals bedoeld in artikel 6:107, eerste lid onder a, van het BW. Deze kosten zijn immers niet gemaakt als gevolg van letsel zoals door dit artikellid vereist, maar als gevolg van het overlijden van het slachtoffer.

De vordering wordt in zoverre afgewezen.

Affectieschade

[benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zijn kinderen van [slachtoffer 1] , die als gevolg van het bewezen verklaarde feit is overleden. Dit feit is een misdrijf en daarom hebben de benadeelde partijen ieder recht op € 17.500,- aan affectieschade. Dit een forfaitair bedrag overeenkomstig artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.

De vorderingen tot vergoeding van affectieschade worden dan ook volledig toegewezen.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel, proceskosten en hoofdelijkheid

Voor wat betreft de wettelijke rente zal de rechtbank bij gebrek aan gestelde aanknopingspunten voor een andere datum of data, het bedrag aan materiële schade steeds verhogen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2021, te weten de datum van indiening van de vordering. Het bedrag aan affectieschade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2020, de datum van overlijden van [slachtoffer 1] .

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. De rechtbank zal daarbij bepalen dat nul dagen gijzeling kunnen worden toegepast.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verdachte] in de proceskosten van de benadeelde partijen worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] en zijn mededader(s) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn mededader(s) de schade heeft/hebben vergoed aan de Staat en/of de nabestaanden.

Feit 2

[benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, die ter zitting door hem en zijn advocaat nader is toegelicht. Hij vordert € 80,92 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente, en een bedrag van € 2,44 voor reiskosten in verband met de zitting. Verder is verzocht te bepalen dat alle daders hoofdelijk aansprakelijk zijn en is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om vergoeding

van de materiële kosten kan worden toegewezen. Voor zover het gaat om het smartengeld,

kan de vordering tot een bedrag van € 1.000,- worden toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in totaal een bedrag van € 750,- voor

zowel de materiële schade als de immateriële schade kan worden toegekend.

De beoordeling door de rechtbank

Materiële schade/proceskosten

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten ‘fiets’ en ‘telefoonkosten’ zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is [verdachte] naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om vergoeding van materiële schade kan worden toegewezen voor wat betreft de fiets en de telefoonkosten, in totaal een bedrag van € 75,-.

De reiskosten voor bezoek aan de politie en de advocaat kunnen niet worden aangemerkt als materiële schade. De reiskosten voor bezoek aan de advocaat zullen wel als proceskosten worden toegewezen.

Omdat [benadeelde 1] zich heeft laten bijstaan door een advocaat, komen de kosten die hij gemaakt heeft om naar de zitting te komen, niet voor vergoeding als proceskosten in aanmerking. In zoverre wordt de vordering afgewezen.

Immateriële schade

Een benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het BW recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat:

  • -

    verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,

  • -

    de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,

  • -

    de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of

  • -

    de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [benadeelde 1] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het BW valt. Hij heeft immers lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in de persoon aangetast. Uit de informatie van een GZ-psycholoog die bij de vordering is gevoegd, volgt dat [benadeelde 1] sinds het incident meerdere stress gerelateerde klachten heeft en onder behandeling is. Dit is ook aan [verdachte] toe te rekenen.

De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade toekennen. De rechtbank zal [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Over het toegewezen bedrag is vanaf 12 oktober 2020 wettelijke rente verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit betekent dat [verdachte] wordt verplicht het aan [benadeelde 1] toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. De proceskosten vallen hier niet onder.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] en zijn mededader(s) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn mededader(s) de schade heeft/hebben vergoed aan de Staat en/of de nabestaanden.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte hetgeen verder ten laste is gelegd, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden;

 bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

 stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een
strafbaar feit;

 stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan ambulante behandeling bij een forensische polikliniek zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;

 stelt als overige voorwaarden dat:

- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs

als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, afdeling Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarde en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 200 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van in totaal € 19.995,52 aan materiële schade en affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente over de affectieschade (€ 17.500,-) vanaf 29 oktober 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade (€ 2.495,52) vanaf 31 maart 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van in totaal € 19.995,52 aan materiële schade en affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente over de affectieschade (€ 17.500,-) vanaf 29 oktober 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade (€ 2.495,52) vanaf 31 maart 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen nul dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de mededader(s) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen aan [benadeelde 2] en/of de Staat dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van in totaal € 18.479,90 aan materiële schade en affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente over de affectieschade

(€ 17.500,-) vanaf 29 oktober 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade (€ 979,90) vanaf 31 maart 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 wijst de vordering voor het overige af;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 3] , een bedrag te betalen van in totaal € 18.479,90 aan materiële schade en affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente over de affectieschade

(€ 17.500,-) vanaf 29 oktober 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade (€ 979,90) vanaf 31 maart 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen nul dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de mededader(s) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen aan [benadeelde 3] en/of de Staat dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van in totaal € 24.195,55 aan materiële schade en affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente over de affectieschade

(€ 17.500,-) vanaf 29 oktober 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade (€ 6.695,55) vanaf 31 maart 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 4] , een bedrag te betalen van in totaal € 24.195,55 aan materiële schade en affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente over de affectieschade

(€ 17.500,-) vanaf 29 oktober 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade (€ 6.695,55) vanaf 31 maart 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen nul dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de mededader(s) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen aan [benadeelde 4] en/of de Staat dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 2) van € 75,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 3,22;

 wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten voor het overige af;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 75,- aan materiële schade en
    € 1.000,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen nul dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen aan [benadeelde 1] en/of de Staat dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld, voorzitter en kinderrechter, mr. D.S.M. Bak en

mr. R.M.H. Pennings, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme,

mr. M.C. Korevaar en C. van Dam MSc, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2021.

Van Dam is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020-485143 (TGO Pakistan/DR Struik, zaaksdossier 2), gesloten op 2 februari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. ZD02/0013-0016.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. ZD02/0054.

4 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 5] , p. ZD02/0079-0084.

5 De verklaring van [verdachte] , afgelegd op de terechtzitting van 14 april 2021.

6 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. ZD02/0094.

7 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020485194 (TGO Pakistan/DR Struik, zaaksdossier 3), gesloten op 1 februari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

8 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020559587 (TGO Pakistan/DR Struik, zaaksdossier 4), gesloten op 25 januari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

9 De beslissing van de rechtbank is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in het proces-verbaal. Dit proces-verbaal is in wettelijke vorm opgesteld door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Team Grootschalige Opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020512537, gesloten op 6 februari 2021. Daarbij horen ook eventuele aanvullingen en bijlagen die zijn opgemaakt in processen-verbaal en schriftelijke bijlagen, tenzij anders vermeld. De voetnoten verwijzen naar de paginanummering van het dossier.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. ZD01/0065.

11 Het schouwverslag van GGD Gelderland-Zuid van 29 oktober 2020, p. ZD01/0070-0071.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, p. ZD01/0091-0092.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. ZD01/0495.

14 Het proces-verbaal van bevindingen samengestelde tijdlijn telefoons, p. ZD01/0438-0439.

15 Het proces-verbaal van bevindingen samengestelde tijdlijn telefoons, p. ZD01/0441 en Bijlage 1: Samengestelde gefilterde tijdlijn bij PV-nr. 135, p. ZD01/0452.

16 Het proces-verbaal van bevindingen Telefoon [medeverdachte 4] Decrypted Whatsapp Backup, p. ZD01/0717, 0719-0725.

17 Het proces-verbaal van bevindingen samengestelde tijdlijn telefoons, p. ZD01/0438-0439.

18 Het proces-verbaal van bevindingen Snapchat [medeverdachte 4] , p. ZD01/0706-0707.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 5] , p. ZD01/0233-0234.

20 De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 14 april 2021.

21 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek video’s uit [telefoon] [medeverdachte 2] en persoonsherkenning, p. ZD01/0293.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. ZD01/0497.

23 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek video’s uit [telefoon] [medeverdachte 2] en persoonsherkenning, p. ZD01/0297-0303 en 0306.

24 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , p. ZD01/0564-0566.

25 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. ZD01/0579-0580.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. ZD01/0495.

27 Het proces-verbaal van uitwerken OVC fiets [medeverdachte 2] , p. ZD01/0126 en 0128.

28 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. ZD01/0164.

29 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. ZD01/0200.

30 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , p. ZD01/0216.

31 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] , p. ZD01/0192.

32 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , p. ZD01/0225.

33 De verklaring van deskundige drs. [naam] , afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2021.

34 Het NFI-rapport van 25 februari 2021, Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. FO/0338-0339.

35 Het NFI-rapport van 25 februari 2021, Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. FO/0339.

36 De verklaring van deskundige drs. [naam] , afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2021.

37 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 april 2021.