Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2241

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
AWB 19_2342
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering. Betrokkene, afkomstig uit Noorwegen, heeft een samenlevingscontract met iemand die afkomstig is uit Duitsland. De aanvraag van betrokkene om studiefinanciering is terecht afgewezen, omdat betrokkene niet is aan te merken als ‘partner’ van een migrerend werknemer. Beroep op artikel 26 van het IVBPR slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 19/2342


uitspraak van de meervoudige kamer van 6 mei 2021

in de zaak tussen

[naam A] , te [plaats A] , eiser

(gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO), verweerder

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

In het besluit van 7 december 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om studiefinanciering voor de periode van januari tot en met december 2019 op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) afgewezen.

In het besluit van 28 maart 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen zijn nieuwe primaire standpunt schriftelijk kenbaar te maken en dat nader te onderbouwen. Eiser is in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 14 januari 2021 heeft de rechtbank verweerder een aanvullende vraag gesteld. Bij brief van 4 februari 2021 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiser heeft hier bij brief van 25 februari 2021 op gereageerd.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht nader ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is afkomstig uit Noorwegen en heeft de Noorse nationaliteit. In de periode van januari tot en met december 2019 studeerde eiser aan de Hogeschool Arnhem-Nijmegen voor de opleiding HBO bachelor B Communicatie E. Eiser heeft een relatie met [B] . [B] is afkomstig uit Duitsland . [B] drijft een eenmanszaak in het maken, publiceren en onderhouden van websites, SEO consulting. Op 14 september 2018 hebben eiser en [B] een samenlevingscontract afgesloten. Op 31 augustus 2018 heeft eiser studiefinanciering aangevraagd bij verweerder. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.1

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser als burger van de EER-lidstaat Noorwegen in aanmerking kan komen voor Nederlandse studiefinanciering, wanneer hij als partner van een migrerend werknemer kan worden aangemerkt. Eisers partner is volgens verweerder migrerend werknemer wanneer hij gemiddeld ten minste 56 uur per maand betaald werkt of de helft van de bijstandsnorm verdient. Aangezien de partner van eiser niet aan dit criterium voldoet, is de aanvraag afgewezen.

2.2

Ter zitting, nader uitgewerkt in zijn brieven van 13 oktober 2020, 5 november 2020 en 4 februari 2021, heeft verweerder een nieuw primair standpunt aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, namelijk dat eiser gelet op (Europese) regelgeving niet is aan te merken als ‘partner’ van een migrerend werknemer. Subsidiair blijft verweerder van mening dat geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, maar van werkzaamheden die van zo geringe omvang zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Van migrerend werknemerschap is dan ook geen sprake. Uit de door eiser overgelegde objectieve gegevens (namelijk de btw-aangifte van het vierde kwartaal van 2018) blijkt een omzet van gemiddeld € 581,- per maand, dat minder is dan 50% van de geldende bijstandsnorm voor samenwonenden.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerders primaire standpunt kan worden gevolgd en legt hieronder uit waarom dat het geval is.

4. De rechtbank hecht eraan eerst een opsomming te geven van het wettelijk kader.

Artikel 1, eerste lid en aanhef van de Wsf bepaalt dat onder partner wordt verstaan:

partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

Artikel 3 van de Awir in samenhang met artikel 5a, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelasting (AWR) bepaalt – voor zover van belang – dat als partner wordt aangemerkt: de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.

Artikel 2.2. van de Wsf bepaalt het volgende.

1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:

  1. de Nederlandse nationaliteit bezit,

  2. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of

  3. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.

2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.

De in artikel 2.2, tweede lid, van de Wsf genoemde algemene maatregel van bestuur is het Besluit studiefinanciering 2000 (hierna: het Besluit).

In artikel 1, eerste lid en aanhef, van het Besluit is bepaald dat onder familielid wordt verstaan: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG1.

Artikel 3 van het Besluit, met als opschrift “nationaliteit: gehele gelijkstelling”, bepaalt het volgende:

1. Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:

a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;

c. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000;

d. op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is; of

e. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:

1°. verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, of dit onderdeel, of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;

2°. verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;

3°. als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of

4°. verband houdend met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden.

2. Met een Nederlander wordt eveneens gelijkgesteld de vreemdeling ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 3a, van het Besluit, met als opschrift “tegemoetkoming voor niet-economisch actieve EU-studenten en hun familieleden”, bepaalt het volgende:

1. Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is van toepassing op een persoon die:

a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland;

b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en

c. geen:

1°.werknemer;

2°.zelfstandige;

3°.persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of

4°.familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.

2. Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste lid.

3. (…)

4. Voor ho-studenten wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste en tweede lid verstrekt in de vorm van een aanspraak op het collegegeldkrediet, bedoeld in artikel 3.16a, of het levenlanglerenkrediet van de wet.

5. Op de tegemoetkoming is artikel 3.21, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (hierna: Verordening 492/2011) bepaalt dat een werknemer, die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaat niet op grond van zijn nationaliteit anders mag worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebeid van beloning, ontslag en indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat hij er dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers.

Deze bepaling was voor de invoering van de Verordening 492/2011 opgenomen in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968, betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.

Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) bepaalt dat onder “familielid” wordt verstaan: de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan.

Artikel 24 van de Richtlijn 2004/38/EG bepaalt het volgende.

  1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.

  2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of - lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

In verband met de totstandkoming van de Richtlijn 2004/38/EG is de Wsf per 11 oktober 2006 gewijzigd2. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij deze wijziging is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

Kort samengevat houden de diverse onderdelen van het wetsontwerp het volgende in: beperking van het recht op volledige studiefinanciering voor EU-burgers3.

Huidige situatie: Nationaliteit

Op studiefinanciering of een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten kan aanspraak bestaan indien de studerende of de aanvrager:

– de Nederlandse nationaliteit bezit;

– niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en op grond van een internationale regeling met een Nederlander gelijk is gesteld;

– niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen.

Bij de tweede categorie gaat het om onder andere EU/EER-onderdanen die hier verblijven als (ex)werknemer, (ex)zelfstandige of een familielid daarvan. (…)4

Wijziging WSF2000 en WTOS: Gehele of gedeeltelijk gelijkstelling

Het Nederlandse beleid is er op gericht de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning in de kosten van levensonderhoud van uitgaande studerenden te leggen bij het thuisland van deze studerenden. In de WSF 2000 en de WTOS wordt dan ook een grondslag gecreëerd om gebruik te maken van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om andere personen dan (ex)werknemers of (ex)zelfstandigen of familieleden daarvan pas na een voorafgaand verblijf van vijf jaren gelijk te stellen met Nederlanders voor zowel de tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs als de tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud.

Studerenden die behoren tot de kring van economisch actieven ((ex)migrerende werknemers, (ex)zelfstandigen en hun familieleden) blijven in aanmerking komen voor de gehele studiefinanciering op grond van de WSF2000 en tegemoetkomingen op grond van de WTOS. Studerenden uit andere lidstaten die niet behoren tot de kring van economisch actieven krijgen geen aanspraak op studiefinanciering en tegemoetkoming op grond van de WTOS voorzover deze betrekking hebben op de kosten van levensonderhoud, totdat zij het duurzaam verblijfsrecht verwerven. Deze studerenden blijven wel in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs. Deze vergoeding voorziet in een gelijke tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs die aan Nederlandse studerenden wordt toegekend. (…)

De wet maakt in het nieuwe systeem een onderscheid tussen Nederlanders, personen die geheel gelijk worden gesteld aan Nederlanders en personen die slechts gelijk worden gesteld aan Nederlanders voor zover het betreft de tegemoetkoming in de kosten van toegang tot het onderwijs. Wat betreft de laatste categorie is gekozen voor het bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen van groepen van personen. Dit om de WSF2000 en de WTOS niet bij ieder Europees arrest met gevolgen voor de gelijkstelling van (groepen van) personen te hoeven aanpassen. Bij algemene maatregel van bestuur zal in eerste instantie de groep worden aangewezen die wordt bedoeld in de richtlijn, te weten: burgers van de Unie anders dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden, die nog niet in het bezit zijn van het duurzaam verblijfsrecht. In die algemene maatregel van bestuur zal ook worden bepaald wat de hoogte is van de tegemoetkoming (door middel van een normbedrag of een berekening) en in welke vorm de tegemoetkoming wordt verstrekt (gift, voorwaardelijke lening of lening).5

Gelijkstelling vond al plaats op grond van het oorspronkelijke artikel 2.2. De formulering van het artikel bood echter geen ruimte voor een gedeeltelijke gelijkstelling (alleen tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs). Het artikel is nu aangepast zodat bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen kunnen worden aangewezen die slechts in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van

de toegang tot het onderwijs (nieuw tweede lid). Dit artikellid geldt onverminderd het bepaalde in onderdeel b van het eerste lid, het betreft namelijk personen die, net als in onderdeel b, op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie gelijk moeten worden gesteld maar waarvoor een uitzondering kan worden gemaakt wat betreft de gelijkstelling voor de tegemoetkoming in de kosten voor levensonderhoud. (…).6

5.1

Op grond van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid onderdeel b, van de Wsf kan eiser worden gelijkgesteld met een Nederlander. Deze gelijkstelling is echter slechts gedeeltelijk wanneer is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.2, tweede lid, van de Wsf in samenhang met artikel 3a van het Besluit. Uit de MvT volgt dat de wetgever de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning in de kosten van levensonderhoud van uitgaande studerenden wil leggen bij het thuisland van deze studerenden. Om die reden heeft de wetgever gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Richtlijn biedt om andere personen dan (ex)werknemers of (ex)zelfstandigen of familieleden daarvan pas na een voorafgaand verblijf van vijf jaren gelijk te stellen met Nederlanders voor zowel de tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs als de tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud.

5.2

Gesteld noch gebleken is dat eiser met betrekking tot de periode van januari tot en met december 2019 een voorafgaand verblijf had in Nederland van vijf jaren of langer. Dit betekent dat eiser voor een aanspraak op studiefinanciering voor de periode van januari tot en met december 2019 eerst volledig wordt gelijkgesteld met een Nederlander wanneer hij (ex)werknemer of (ex)zelfstandige is of een familielid daarvan.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen (ex)werknemer of (ex)zelfstandige is. Partijen verschillen van mening over de vraag wat onder de term “familielid” van een (ex)werknemer of (ex)zelfstandige moet worden verstaan. Uit de letterlijke tekst van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b en tweede lid, van de Wsf en artikel 3a van het Besluit en uit de MvT volgt dat de wetgever met deze artikelen het recht op studiefinanciering heeft willen regelen voor personen, die volgens een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie gelijk moeten worden gesteld met een Nederlander, maar waarvoor een uitzondering kan worden gemaakt wat betreft de gelijkstelling voor de tegemoetkoming voor levensonderhoud (slechts een gedeeltelijke gelijkstelling dus). Deze gedeeltelijke gelijkstelling is gebaseerd op de Europese regelgeving, zoals opgenomen in de Richtlijn 2004/38/EG. In deze Richtlijn is bepaald dat een familielid de partner is, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan. De wetgever heeft deze betekenis ook willen toekennen aan de term “familielid” in artikel 3a van het Besluit. Daartoe wordt verwezen naar de begripsbepaling in artikel 1 van het Besluit. Onbetwist is dat eiser niet gehuwd is met [B] , noch dat zij samen een geregistreerd partnerschap, als bedoeld in de nationale wetgeving, zijn aangegaan. Eiser valt dan ook niet onder het begrip “familielid”.

5.4

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een te beperkte uitleg geeft aan het begrip “familielid” omdat in artikel 1, eerste lid en aanhef, van de Wsf voor het begrip “partner” wordt verwezen naar hetgeen de Awir en de AWR daaronder verstaan. De situatie van eiser, die een samenlevingscontract heeft met [B] , valt daarmee wel onder het begrip “partner”. Verwezen wordt ook naar de informatie die verweerder in dit verband op zijn website heeft staan. Het is juist dat de Wsf bij het begrip “partner” uitgaat van hetgeen de Awir en de AWR daaronder verstaan en daarmee van een ruimere uitleg dan het begrip “familielid” uit het Besluit. De situatie van eiser valt onder de definitie van het begrip “partner” in de Wsf. Zoals hiervoor is overwogen heeft de wetgever evenwel voor een specifieke groep studenten, die nog geen voorgaand verblijf hebben van vijf jaren, een uitzondering willen maken en hen slechts een gedeeltelijke studiefinanciering willen toekennen, zich daarbij baserend op de betreffende bepalingen in de Richtlijn 2004/38/EG. De wetgever heeft er dus bewust voor gekozen om de groep studenten, waarvoor hij de uitzondering heeft gemaakt, overeenkomstig de Richtlijn 2004/38/EG te duiden, daarmee aansluiting zoekende bij het beperktere begrip “familielid” uit artikel 2 van de Richtlijn 2004/38/EG. Daarmee is het begrip “partner” uit artikel 1, eerste lid en aanhef, van de Wsf niet van toepassing op het bepaalde in artikel 3a van het Besluit. Eiser heeft niet betwist dat zijn situatie niet voldoet aan het begrip “familielid”, zoals bepaald in artikel 1, eerste lid en aanhef, van het Besluit. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om studiefinanciering terecht heeft afgewezen, omdat eiser geen familielid is van een (ex)werknemer of (ex)zelfstandige.

5.5

Dat verweerders website informatie verschaft over wat onder het begrip “partner” wordt verstaan en eisers situatie daaraan voldoet, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit deze informatie kan immers niet worden afgeleid dat het begrip “partner”, zoals aldaar is uitgelegd, ook wordt gehanteerd bij toepassing van artikel 2.2 van de Wsf in samenhang met artikel 3a van het Besluit. Bovendien is het vaste rechtspraak dat eiser aan algemene informatie op de website van verweerder geen rechten kan ontlenen. Eiser heeft ook niet aannemelijk maakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hem, als partner van een migrerend werknemer of zelfstandige, voor de periode van januari tot en met december 2019 studiefinanciering zou worden toegekend. De enkele stelling dat eiser in 2019 gewoon wel studiefinanciering heeft ontvangen, voldoet in deze niet. Verweerder heeft in dat verband – onbetwist – naar voren gebracht dat deze verstrekking berust op een fout. Verweerder is in een dergelijk geval op grond van het vertrouwensbeginsel er niet aan gehouden om eiser voor de onderhavige periode ook studiefinanciering te verlenen. Voor het jaar 2020 heeft eiser alleen het collegegeldkrediet ontvangen (de rechtbank begrijpt: op grond van artikel 3a van het Besluit). Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

5.6.1

Ten slotte beroept eiser zich – onder verwijzing naar artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) – op het discriminatieverbod. Voorop staat dat eiser dit beroep verder niet concreet heeft gemaakt; het is bij een enkele stelling gebleven. De rechtbank stelt vast dat artikel 2.2, eerste en tweede lid, van de Wsf in samenhang met artikel 3a van het Besluit onderscheid maakt tussen de situatie dat een (ex)werknemer of (ex)zelfstandige een geregistreerd partnerschap is aangegaan met een studerende en de situatie dat tussen deze personen sprake is van een samenlevingscontract. Van een direct of indirect als verdacht aangemerkt onderscheid, zoals onderscheid naar geslacht, ras of andere persoonlijke karakteristieken is geen sprake. Dat betekent dat een zogenoemde ‘very weighthy reasons’-toets niet aan de orde is. Een verschil in behandeling is discriminerend als dit niet objectief gerechtvaardigd is. Een onderscheid is niet objectief gerechtvaardigd als daarmee geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd. Het is ook niet objectief gerechtvaardigd als de middelen om dat doel te bereiken niet in een redelijke verhouding staan tot het doel. De wetgever heeft een zekere marge om te beoordelen of verschillen in situaties die verder vergelijkbaar zijn, een verschil in behandeling rechtvaardigen, en in welke mate. De omvang van deze beoordelingsmarge is afhankelijk van het soort onderscheid dat wordt gemaakt. In zaken van sociaal-economisch beleid, zoals in het onderhavige geding, heeft de Staat in beginsel een ruime beoordelingsmarge.

5.6.2

Door het hiervoor genoemde onderscheid worden personen, die een geregistreerd partnerschap hebben met een (ex)werknemer of (ex)zelfstandige, gelijk gesteld met een Nederlander en ontvangen zij (volledige) studiefinanciering, dus zowel voor de kosten van onderwijs als voor de kosten van levensonderhoud. Eiser, die een samenlevingscontract heeft, kan, zo lang hij nog geen duurzaam verblijfsrecht heeft, alleen in aanmerking komen voor studiefinanciering voor de kosten van onderwijs. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de wetgever er voor gekozen de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning in de kosten van levensonderhoud van uitgaande studerenden te leggen bij het thuisland van deze studerenden. Dat betekent dat deze studerenden wel een tegemoetkoming ontvangen in de kosten van onderwijs, maar niet voor hun levensonderhoud. Daarmee is de toegang tot het onderwijs voor deze studerenden niet afgesloten en worden zij op dat punt niet anders behandeld dan studerenden die wel voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. De keuze die de wetgever heeft gemaakt is in lijn met wat op grond van Europees recht (de Richtlijn 2004/38/EG) van de Staat wordt verwacht; een ruimere uitleg van het begrip “familielid”, in die zin dat daaronder ook de situatie, dat tussen een (ex)werknemer of een (ex)zelfstandige en de studerende een samenlevingscontract bestaat, wordt verstaan, is in deze Richtlijn niet voorgeschreven. Bovendien is het slechts een tijdelijk verschil; het onderscheid geldt namelijk alleen voor die studerenden die nog geen duurzaam verblijfsrecht hebben. De rechtbank is van oordeel dat de Staat met de hiervoor genoemde keuze, om een groep studenten tijdelijk alleen studiefinanciering te geven voor de kosten van onderwijs, de grenzen van zijn ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden. Hoewel eiser kan worden meegegeven dat sprake is van een ongelijke behandeling van gehuwden/geregistreerd partners en personen met een samenlevingscontract, kan dat enkele feit niet zonder meer tot de conclusie leiden dat sprake is van verboden discriminatie.

6. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan verweerders primaire standpunt de afwijzing van de aanvraag dragen. Dit betekent dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt van verweerder onjuist is, omdat er daarbij van wordt uitgegaan dat eiser wel als partner kan worden aangemerkt. Gelet hierop kan het bestreden besluit geen standhouden en dient het wegens strijd met het motiveringsbeginsel, neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd. Omdat, zoals gezegd, het door verweerder in beroep ingenomen primaire standpunt de afwijzing van de aanvraag wel kan dragen, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen onder instandlating van de rechtsgevolgen daarvan.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet daarom aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze worden bepaald op € 1.602,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en twee keer 0,5 punt voor de reactie op verweerders nieuwe standpunt). De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, leden, in aanwezigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 6 mei 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.

2 Stb 2006, 456.

3 Kamerstuk II, vergaderjaar 2005-2006, 30 493 nr. 3, p. 1.

4 Ibid. p. 5.

5 Ibid. p. 6-7.

6 Ibid. p. 8.