Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2210

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
C/05/372378 / HZ ZA 20-270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Nietigheid van de wilsbeschikking op grond van artikel 3:34 lid 2 BW heeft absolute werking en geldt tevens tegenover de partijen die in hoger beroep op grond van artikel 118 Rv zijn opgeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/372378 / HZ ZA 20-270

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

de stichting

PRINSEN GEERLIGS STICHTING,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G.P. Jongeneel te Sliedrecht,

tegen

[ged.conv./eis.reconv.]

wonende te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.C.J. Coumou te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna Prinsen Geerligs en [ged.conv./eis.reconv.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 december 2020,

  • -

    het bericht van 8 februari 2021 aan de zijde van [ged.conv./eis.reconv.] met productie 8,

  • -

    de brief van 9 februari 2021 aan de zijde van Prinsen Geerligs,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 februari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 12 juni 2014 is de heer [erflater] (hierna erflater) overleden. Erflater woonde vanaf zijn jeugd tot zijn overlijden in instellingen en beschermde woonvormen die onder de J.P. van Bent Stichting vielen. Erflater was niet onder bewind of curatele gesteld.

2.2.

Erflater is nooit gehuwd geweest en heeft geen afstammelingen. Erflater is overleden met achterlating van drie zussen waaronder [ged.conv./eis.reconv.] en één broer.

2.3.

Erflater heeft op 27 mei 1991 bij testament over zijn nalatenschap beschikt (hierna: het testament). In het testament heeft erflater Prinsen Geerligs tot zijn enig erfgename benoemd onder de last de nalatenschap aan te wenden ten behoeve van twee specifiek genoemde tehuizen van de J.P. van Bent Stichting alsmede ten behoeve van de J.P. van Bent Stichting zelf.

2.4.

Op 19 december 2014 is [ged.conv./eis.reconv.] een procedure gestart bij de rechtbank Midden-Nederland tegen Prinsen Geerligs waarin zij primair een verklaring voor recht vorderde dat het testament op grond van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) nietig is. Subsidiair vorderde [ged.conv./eis.reconv.] vernietiging van het testament op grond van artikel 4:59 BW.

2.5.

Bij vonnis van 15 juni 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland de primaire vordering van [ged.conv./eis.reconv.] afgewezen, de subsidiaire vordering toegewezen en het testament vernietigd.

2.6.

Prinsen Geerligs heeft principaal appel ingesteld tegen voornoemd vonnis en [ged.conv./eis.reconv.] incidenteel appel. In de loop van de procedure bij het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden (hierna het hof) heeft Prinsen Geerligs het principaal appel en haar verweer tegen het incidenteel appel om haar moverende redenen ingetrokken. [ged.conv./eis.reconv.] heeft haar vorderingen in incidenteel appel gehandhaafd en heeft naar aanleiding van het tussenarrest van 31 oktober 2017 van het hof haar broer en zussen op grond van artikel 118 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) in de procedure opgeroepen.

2.7.

Het hof heeft bij arrest van 30 juli 2019 (hierna het arrest) in het principaal hoger beroep de stichting niet-ontvankelijk verklaard en in incidenteel hoger beroep het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland deels vernietigd en voor recht verklaard dat de uiterste wilsbeschikkingen in het testament van erflater nietig zijn.

2.8.

Geen van partijen noch de broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] hebben een rechtsmiddel ingesteld tegen het arrest van 30 juli 2019 van het hof, zodat het in kracht van gewijsde is gegaan en aan de beslissing van het hof gezag van gewijsde toekomt.

2.9.

Blijkens een akte van nalatenschap heeft Prinsen Geerligs op 14 mei 2020 ter griffie van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen een verklaring afgelegd waarin zij de nalatenschap van erflater heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Prinsen Geerligs vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk geoorloofd, de verdeling van de nalatenschap van [erflater] zal bevelen met benoeming van notarissen [boedelnotaris] tot boedelnotaris met benoeming van een onzijdig persoon die [ged.conv./eis.reconv.] zal vertegenwoordigen en haar belangen zal waarnemen met veroordeling van [ged.conv./eis.reconv.] in de kosten van deze procedure, alsmede in de nakosten, te weten € 131,00 in geval van niet betekenen van het vonnis en € 199,00 in geval van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling is voldaan.

3.2.

Prinsen Geerligs legt aan haar vordering ten grondslag dat het arrest meebrengt dat zij en [ged.conv./eis.reconv.] samen erfgenamen zijn van erflater. Het standpunt van [ged.conv./eis.reconv.] dat zij en haar broer en zussen de erfgenamen van erflater zijn klopt niet. De uitgesproken nietigheid heeft namelijk geen absolute werking. Het arrest heeft alleen werking tussen partijen. De broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] zijn niet betrokken in de procedure in eerste aanleg. Zij zijn eerst opgeroepen in incidenteel appel en in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. De broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] hebben zelf nooit vernietiging van het testament gevorderd. Zij konden dit ook niet meer doen na het verstrijken van de vervaltermijn zoals opgenomen in artikel 4:54 lid 2 BW. Hiermee stond de verhouding tussen partijen en de broer en zussen van erflater al vast voordat de procedures begonnen. Dit betekent dat het arrest alleen werking heeft tussen Prinsen Geerligs en [ged.conv./eis.reconv.] en Prinsen Geerligs dus voor ¾e erfgenaam is en [ged.conv./eis.reconv.] voor ¼e.

3.3.

[ged.conv./eis.reconv.] voert ten verwere aan dat Prinsen Geerligs een onjuiste uitleg hanteert van het arrest. Het hof heeft de uiterste wilsbeschikking van erflater nietig verklaard op de basis van artikel 3:34 BW. Een rechtshandeling noemt men nietig, wanneer ten gevolge van een eraan klevend gebrek de bij het aangaan van die rechtshandeling beoogde rechtsgevolgen niet intreden. Strikt genomen is van een totstandkoming van een rechtshandeling geen sprake. De hoofdregel is dat de werking van een nietigheid absoluut is, zij geldt tegenover iedereen, tenzij uit de wet of uit een rechterlijke uitspraak anders volgt. De nietigheid ex artikel 3:34 BW heeft absolute werking. Dit heeft in dit geval tot gevolg dat uitsluitend de wettelijke versterferfgenamen worden geroepen tot de nalatenschap. Dat zijn de broer en zussen van erflater en niet Prinsen Geerligs. Bovendien zijn de broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] in het incidenteel appel verschenen, juist omdat er sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. [ged.conv./eis.reconv.] concludeert dan ook tot afwijzing van de vordering van Prinsen Geerligs met veroordeling van Prinsen Geerligs in de kosten inclusief nasalaris.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[ged.conv./eis.reconv.] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Prinsen Geerligs zal veroordelen tot vergoeding van de schade, rente en kosten als gevolg van haar toerekenbaar verzuim bij het beheer van de goederen van de nalatenschap van de op 12 juni 2014 overleden heer [erflater] , tot een bedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

II. Prinsen Geerligs zal veroordelen tot vergoeding van de schade, rente en kosten, vanwege het nadeel dat het vermogen van de nalatenschap van de op 12 juni 2014 overleden heer [erflater] ondervindt doordat het vermogen van de nalatenschap niet meer in de toestand op het tijdstip van zijn overlijden kan worden teruggebracht, tot een bedrag, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

III. Prinsen Geerligs zal veroordelen tot betaling van € 2.643,35 (zegge: zesentwintighonderddrieënveertig euro en vijfendertig eurocent) aan buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de conclusie van eis in reconventie tot aan de dag van de algehele voldoening,

IV. Prinsen Geerligs zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan [ged.conv./eis.reconv.] te verstrekken:

  1. een boedelbeschrijving, inclusief de naar stand van overlijden bestaande schulden of verplichtingen;

  2. administratieve bescheiden, waaronder belastingbescheiden;

  3. eventuele aangifte erfbelasting;

  4. bankafschriften van alle bankrekeningen, aanwezig van vóór overlijden en t/m heden;

  5. opgaaf van eventueel bij leven door erflater gedane schenkingen;

  6. het dossier, opgebouwd door Prinsen Geerligs gedurende haar vereffening;

  7. behoorlijke rekening en verantwoording van de vereffening door [ged.conv./eis.reconv.] , inclusief reeds verrichte daden van beheer en de mogelijkheid tot ongedaanmakeing van de nadelige gevolgen daarvan, en

  8. de door Prinsen Geerligs bij de J.P. van Bent Stichting opgevraagde informatie omtrent de bezittingen van erflater (waar hij bankierde, wie zijn administratie deed en waar deze zich nu bevindt, of e rnog persoonlijke spullen zijn opgeslagen, de regeling en betaling van de uitvaart, etcetera),

V. Zal bepalen dat Prinsen Geerligs, indien zij na betekening niet tijdig en volledig aan de onder IV sub a) tot en met h) gevorderde veroordeling voldoet, aan [ged.conv./eis.reconv.] een dwangsom verbeurt van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) per dag of gedeelte daarvan, tot een maximum van de uit hoofde van dit vonnis te verbeuren dwangsommen op een bedrag van € 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro),

VI. Prinsen Geerligs zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder nadrukkelijk begrepen de kosten van nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis tot de dag van volledige betaling.

3.6.

[ged.conv./eis.reconv.] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De nietigheid van de wilsbeschikking van erflater heeft terugwerkende kracht. Prinsen Geerligs heeft willens en weten de nalatenschap beneficiair aanvaard en is opgetreden als vereffenaar in de wetenschap dat het testament nietig zou kunnen zijn. Zij is zonder recht of titel als vereffenaar opgetreden en heeft beschikt over de goederen der nalatenschap en deze niet naar behoren bewaard. Hierdoor heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens de erfgenamen. De nadelige prestaties, die op grond van de nietige uiterste wil zijn verricht, dienen in beginsel ongedaan gemaakt te worden. Uitsluitend Prinsen Geerligs, die zich als enige vereffenaar had opgeworpen en feitelijk de nalatenschapsbedoel heeft beheerd sinds het overlijden van erflater, draagt hiervoor de verantwoordelijkheid. Voor de schade en de met de ongedaanmaking gepaarde kosten is Prinsen Geerligs aansprakelijk. Verder handelt Prinsen Geerligs onrechtmatig door, ondanks herhaalde sommaties, stelselmatig inzage in haar vereffeningsdossier te weigeren. Deze houding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Er is sprake van bekende vermogensschade, bestaande uit het tenietgaan van delen van de boedel. Het is [ged.conv./eis.reconv.] niet bekend welke schade- en/of verliesposten er nog meer zijn. Vanwege de weigerachtige houding van Prinsen Geerligs was [ged.conv./eis.reconv.] genoodzaakt om rechtsbijstand in te schakelen, de daarmee verbonden kosten ad € 2.643,35 inclusief BTW zijn tevens een schadepost, aldus [ged.conv./eis.reconv.] .

3.7.

Prinsen Geerligs voert als volgt verweer. De vorderingen van [ged.conv./eis.reconv.] moeten afgewezen worden. Prinsen Geerligs ontkent uitdrukkelijk ooit enige rechtshandeling ten aanzien van het vermogen van de nalatenschap te hebben verricht. Prinsen Geerligs heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en heeft in dit verband geen rechtshandelingen namens de nalatenschap verricht noch enige feitelijke bemoeienis gehad met de nalatenschap. Zij liet de erfenis – hangende de procedures – feitelijk onbeheerd. Prinsen Geerligs heeft [ged.conv./eis.reconv.] de ruimte gegeven om de uitspraak van de rechter af te wachten. [ged.conv./eis.reconv.] was zelf de meest gerede partij om de nalatenschap te beheren nu zij erflater regelmatig bezocht en volledig op de hoogte is geweest van de omstandigheden. Prinsen Geerligs heeft geen zaken onder zich genomen en/of beheersdaden verricht en/of kosten gemaakt ten behoeve van de boedel en/of inkomsten genoten uit de nalatenschap. Prinsen Geerligs heeft geen wetenschap over de inboedel. Prinsen Geerligs heeft verder geen vereffeningsdossier aangelegd of opgesteld en is zij ook niet in het bezit van de door [ged.conv./eis.reconv.] gevorderde documenten en daarom niet in staat om deze te verstrekken. [ged.conv./eis.reconv.] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit aannemelijk is geworden dat er sprake is van aansprakelijkheid en er mogelijk schade is geleden. De vordering van de [ged.conv./eis.reconv.] moet daarom worden afgewezen, aldus Prinsen Geerligs.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

De kern van het geschil

4.1.

Het gaat in deze zaak, in conventie, over de vraag wat de gevolgen zijn van het arrest. Volgens Prinsen Geerligs kan alleen [ged.conv./eis.reconv.] een beroep doen op de nietigheid van (de uiterste wilsbeschikking in) het testament en alleen voor haar deel. Volgens [ged.conv./eis.reconv.] geldt de erfstelling in het testament helemaal niet meer omdat het hof de uiterste wilsbeschikking nietig heeft verklaard. Prinsen Geerligs is daarom geen erfgenaam en alleen [ged.conv./eis.reconv.] en haar broer en zussen zijn erfgenamen. Omdat alleen een erfgenaam verdeling kan vorderen zou daarom de vordering van Prinsen Geerligs afgewezen moeten worden.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van [ged.conv./eis.reconv.] juist. Prinsen Geerligs is geen erfgenaam en kan zodoende geen beroep doen op het testament en geen verdeling van de gemeenschap vorderen. De rechtbank zal hieronder motiveren hoe zij tot dit oordeel komt.

Het toetsingskader

4.3.

In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat partijen zich in de processtukken in deze zaak inhoudelijk hebben uitgelaten over de vraag waarom het testament vernietigbaar dan wel nietig zou zijn. In deze zaak gaat de rechtbank niet opnieuw in op de nietigheid of vernietigbaarheid van het testament. Dit is niet gevorderd en bovendien is deze beoordeling al gedaan door het hof. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze uitlatingen dienden ter toelichting van de zaak en niet ter onderbouwing van de vorderingen die ter beoordeling voorliggen in deze zaak. De rechtbank beoordeelt in deze zaak in conventie alleen de gevolgen van het arrest.

4.4.

Een rechtshandeling is nietig, wanneer ten gevolge van een daaraan klevend gebrek de bij het aangaan van die rechtshandeling bedoelde rechtsgevolgen niet intreden. In de hoofdregel heeft de nietigheid absolute werking: zij werkt tegenover iedereen en de met de nietige rechtshandeling beoogde rechtsgevolgen treden niet in. Eenvoudig gezegd: de rechtshandeling heeft nooit plaatsgevonden. Soms blijkt uit de wettelijke bepaling, dan wel uit de jurisprudentie, dat de nietigheid niet tegenover iedereen geldt, in dat geval heeft de nietigheid relatieve werking en geldt dan alleen tegenover in de wet of jurisprudentie bepaalde personen.

4.5.

Indien is vast komen te staan dat een met de verklaring overeenstemmende wil van iemand wordt geacht te ontbreken omdat deze een geestelijke stoornis had zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW, is het gevolg op grond van artikel 3:34 lid 2 BW dat de rechtshandeling vernietigbaar is, tenzij het om een eenzijdige rechtshandeling gaat die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, deze rechtshandeling wordt door het ontbreken van de wil nietig. Onder deze laatste regel valt bijvoorbeeld een testament (vgl. Hoge Raad, 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:311, NJ 2015/350). De nietigheid van een uiterste wilsbeschikking treedt dus van rechtswege in en heeft absolute werking. De kring van personen die geraakt worden door de nietigheid is immers niet beperkt in artikel 3:34 lid 2 BW tweede zin noch door de jurisprudentie. Beperking van de kring van personen tot degene die een vordering instelt zou ook in strijd zijn met de ratio van de laatste zin van artikel 3:34 lid 2 BW. Een rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was is juist nietig om derden, bijvoorbeeld nabestaanden bij een testament, zekerheid te geven over het al dan niet bestaan van de rechtshandeling, in dit geval een uiterste wilsbeschikking. Deze zekerheid ontbreekt als er sprake zou zijn van relatieve nietigheid.

4.6.

Het is noodzakelijk dat een beslissing over de nietigheid van de uiterste wilsbeschikking van een erflater ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen hetzelfde is omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsvordering. Eenvoudig gezegd moet ten aanzien van alle (mogelijke) partijen die in die rechtsverhouding (in dit geval nalatenschap) zijn betrokken hetzelfde gelden. Indien niet alle bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure zijn betrokken dient de rechter, al dan niet ambtshalve, de meest gerede partij te bevelen de andere partijen op te roepen op grond van artikel 118 Rv. Artikel 118 Rv bepaalt niet wanneer de derden (uiterlijk) opgeroepen kunnen worden. Een oproeping kan ook in hoger beroep nog op tijd zijn indien de opgeroepene zich zonder eigen argumentatie aansluit bij het standpunt van één der partijen of zich refereert (vlg. Hoge Raad, 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2159). De conform artikel 118 Rv opgeroepene wordt partij in de procedure. Een op tegenspraak gewezen uitspraak geldt dus ook jegens hem.

4.7.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, r.o. 3.5.4 het volgende overwogen over de processueel ondeelbare rechtsverhouding:

De in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechter over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde, zowel indien gewezen in eerste aanleg als indien gewezen in volgende instanties, en ongeacht door en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd”.

Toegepast op deze zaak

4.8.

Zoals overwogen in r.o. 4.5 heeft de nietigheid van een uiterste wilsbeschikking omdat er sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater ten tijde van het opstellen van deze wilsbeschikking absolute werking. Het hof heeft in deze zaak de wilsbeschikking van erflater om voornoemde redenen nietig verklaard. De bij het aangaan van de rechtshandeling bedoelde rechtsgevolgen, in deze zaak het benoemen van Prinsen Geerligs als enig erfgenaam en de daarbij behorende last, zijn daarom niet ingetreden. De wilsbeschikking heeft nooit plaatsgevonden. Dit betekent dat voor Prinsen Geerligs de grondslag waar zij haar stelling op baseert, namelijk dat zij erfgenaam is, ontbreekt.

4.9.

Voornoemd oordeel is niet anders vanwege het feit dat de broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] eerst in hoger beroep in de procedure zijn verschenen. Het hof heeft immers geoordeeld dat een beroep op nietigheid op grond van artikel 3:34 lid 2 BW een processuele ondeelbare rechtsverhouding is. Met andere woorden deze vordering kan niet opgesplitst (“gedeeld”) worden tussen [ged.conv./eis.reconv.] en haar broer en zussen. Omdat deze vordering niet deelbaar is heeft het hof [ged.conv./eis.reconv.] bevolen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, haar broer en zussen in het geding op te roepen. Dit heeft [ged.conv./eis.reconv.] gedaan. Haar broer en zussen zijn vervolgens in de procedure verschenen met dezelfde raadsman als [ged.conv./eis.reconv.] en hebben verklaard zich te scharen aan de zijde van [ged.conv./eis.reconv.] . Zij zijn daarmee partij geworden in de procedure die in eerste instantie alleen gold tussen Prinsen Geerligs en [ged.conv./eis.reconv.] . Anders dan Prinsen Geerligs aanvoert hoeven de broer en zussen teneinde partij te worden geen zelfstandige vordering in te stellen. Omdat er sprake is van een processuele ondeelbare rechtsverhouding heeft de vordering die [ged.conv./eis.reconv.] had ingesteld dezelfde gevolgen voor haar broer en zussen. Er is een arrest gewezen op tegenspraak tussen alle partijen. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend. Daarmee heeft het arrest van het hof van 30 juli 2019 tevens gezag van gewijsde gekregen tegen de broer en zussen (zie hetgeen overwogen is in r.o. 4.7).

4.10.

Prinsen Geerligs heeft nog gesteld dat ondanks dat de broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] in het geding in hoger beroep zijn betrokken (en verschenen) hun recht om vernietiging van het testament te vorderen op dat moment was verjaard conform artikel 4:54 lid 2 BW. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat artikel 4:54 BW ziet op verjaring van de vordering tot vernietiging en niet op de door het hof toegewezen grondslag die leidt tot nietigheid. De door [ged.conv./eis.reconv.] ingestelde vorderingen hebben geresulteerd in een absolute nietigheid conform 3:34 lid 2 BW. Dit geldt voor alle betrokken deelgenoten op dezelfde manier. Conform het arrest is de nietigheidsgrond gelegen in een stoornis van de geestvermogens van erflater die een redelijke waardering van de belangen die bij de uiterste wilsbeschikking in zijn testament zijn betrokken belette en dat de wil tot het maken van deze uiterste wilsbeschikking bij erflater ontbrak. Door dit wilsgebrek wordt het testament geacht nooit bestaan te hebben. De redenering van Prinsen Geerligs dat het testament slechts ten dele nietig zou zijn staat hier haaks op. Als deze denkwijze zou worden gevolgd dan zou dit alsnog nog leiden tot een gedeeltelijk geldige wilsbeschikking van iemand wiens wil daartoe ontbrak. Het enkele feit dat de broer en zussen geen zelfstandige vordering hebben ingesteld leidt er niet toe dat dit wilsgebrek ten aanzien van hun aandeel wordt geheeld of dat anderszins de gedane – en nietig verklaarde – wilsbeschikking nog enige kracht toekomt. Evenmin is op enige andere grondslag reden om te oordelen dat Prinsen Geerligs de erfdelen van de broer en zussen van [ged.conv./eis.reconv.] toekomt.

4.11.

Prinsen Geerligs heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de nietigheid van het testament relatieve werking heeft een overweging van het hof in het tussenarrest genoemd en gewezen op uitlatingen tijdens de mondelinge behandelingen. Prinsen Geerligs kan hier echter geen rechten aan ontlenen omdat het noch in het tussenarrest noch in het proces-verbaal om een einduitspraak gaat. Het hof heeft in het tussenarrest (r.o. 4.32 daarvan) en ter zitting geconstateerd dat de positie van [ged.conv./eis.reconv.] ongeacht de uitkomst in het incidenteel hoger beroep weinig zou veranderen omdat zij immers steeds 1/4e erfgenaam is. Prinsen Geerligs heeft daar kennelijk de conclusie aan verbonden dat haar eigen positie en die van de broer en zussen ook niet afhankelijk was van de uitkomst in incidenteel hoger beroep. Met andere woorden: Prinsen Geerligs concludeerde hieruit dat ook zij steeds 3/4e erfgenaam zou zijn. Dit is onjuist en kan ook niet uit de overweging van het hof worden opgemaakt. De rechtbank verstaat de overweging van het hof zo dat zij [ged.conv./eis.reconv.] voorhield wat haar positie zou zijn indien zij zich zou neerleggen bij de beslissing van het hof in principaal hoger beroep in het geval het incidentele hoger beroep zou falen en wat haar positie zou zijn indien haar incidentele vordering in hoger beroep zou slagen. Een gelijk erfdeel als erfgenaam in beide gevallen zou een afweging voor [ged.conv./eis.reconv.] kunnen zijn om zich neer te leggen bij de uitkomst in principaal beroep en bijvoorbeeld niet-ontvankelijkheid uit te lokken in incidenteel hoger beroep door haar broer en zussen niet op te roepen in de procedure. Het hof refereert hier slechts aan het erfdeel van [ged.conv./eis.reconv.] in de genoemde gevallen, niet dat van Prinsen Geerligs. Voor zover Prinsen Geerligs een beroep heeft gedaan op voornoemde overweging van het hof mag dat haar dan ook om die reden niet baten. Het betreft een niet dragende overweging die partijen slechts aanspoort om in het licht van een mogelijk uitkomst voor één van de partijen de voortgang van de procedure te overwegen en geeft geen eindbeslissing over de nietigheid van het testament noch over de positie van Prinsen Geerligs in dat geval.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat Prinsen Geerligs geen erfgenaam is van erflater en daarom geen verdeling van de nalatenschap van erflater kan vorderen. De vorderingen van Prinsen Geerligs worden daarom afgewezen.

Proceskosten

4.13.

Prinsen Geerligs Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [ged.conv./eis.reconv.] in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [ged.conv./eis.reconv.] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 102.96

- griffierecht 304,00

- salaris advocaat 1.126,00 (2,0 punt × tarief € 563)

Totaal € 1.532,96

4.14.

De nakosten worden toegewezen zoals vermeld in het dictum.

in reconventie

De kern van het geschil

4.15.

De reconventionele vordering ziet op de vraag of er sprake is van een onrechtmatige gedraging van Prinsen Geerligs omdat zij de nalatenschap van erflater heeft beheerd terwijl zij geen erfgenaam was. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Daartoe is het volgende redengevend.

Het toetsingskader

4.16.

Op grond van artikel 6:162 BW jo 6:163 BW ontstaan er een plicht tot schadevergoeding indien er sprake is van een onrechtmatige gedraging (doen of nalaten) (1), die de dader kan worden toegerekend (2), waardoor er schade is ontstaan (3), er causaal verband is tussen de onrechtmatige gedraging en de schade (4) en er is voldaan aan het relativiteitsvereiste (5). Artikel 612 Rv bepaalt dat een rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt de schade voor zover mogelijk in het vonnis begroot. Indien begroting van de schade niet mogelijk is, spreekt de rechter een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat. Voordat een zaak verwezen kan worden naar een schadestaat procedure moet de eisende partij wel voldoende stellen dat sprake is van schade. De drempel voor deze stelplicht ligt niet hoog, maar indien onvoldoende gesteld is dat er schade is, kan de zaak niet verwezen worden naar de schadestaatprocedure. Overigens is het ontstaan van schade ook een voorwaarde voor het ontstaan van een schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:162 BW.

4.17.

Indien er schade is ontstaan aan een gemeenschap, zoals een nalatenschap, kan op grond van artikel 3:171 BW elk van de deelgenoten van de gemeenschap ten behoeve van de nalatenschap procederen. Het is hiervoor niet noodzakelijk dat alle deelgenoten procespartij worden in de procedure. Wel dient de procederende deelgenoot, op straffe van niet-ontvankelijkheid, kenbaar te maken dat hij procedeert namens de gemeenschap.

Toegepast op deze zaak

4.18.

[ged.conv./eis.reconv.] vordert vergoeding van de schade. Uit de stellingen en de formulering van de vorderingen in reconventie maakt de rechtbank op dat de vorderingen worden ingesteld namens de nalatenschap. Zij kan daarom – conform artikel 3:171 BW - ontvangen worden in haar vorderingen.

4.19.

[ged.conv./eis.reconv.] stelt dat Prinsen Geerligs zich onrechtmatig heeft gedragen door als vereffenaar op te treden en te beschikken over de goederen van de nalatenschap ondanks dat zij daartoe niet bevoegd was. Prinsen Geerligs betwist dat zij als vereffenaar is opgetreden of over enig goed van de nalatenschap heeft beschikt. Prinsen Geerligs stelt dat zij niet het feitelijk beheer had over de inboedel en dat zij, in afwachting van de uitkomst van de rechtszaken, ook geen beheer is gaan voeren over de nalatenschap. Volgens Prinsen Geerligs had [ged.conv./eis.reconv.] het feitelijk beheer over de goederen, zij had goed contact met erflater tot zijn overlijden.

4.20.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge het arrest Prinsen Geerligs nooit erfgenaam is geweest. Ook de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap, die ná het arrest plaatsvond, heeft nooit effect gesorteerd. Prinsen Geerligs is daarom ook nooit vereffenaar geweest. Zij had zoals [ged.conv./eis.reconv.] met juistheid stelt geen recht of titel om de nalatenschap te beheren. Hierbij is van belang om vast te stellen of er beheer is geweest door Prinsen Geerligs en vervolgens op welke grondslag dit dan heeft plaatsgevonden en daarna of dit beheer dan tot een onrechtmatige daad zou kunnen leiden. De rechtbank ziet aanleiding om te beginnen met het gevoerde feitelijke beheer. De stelling van [ged.conv./eis.reconv.] dat Prinsen Geerligs feitelijk beheer heeft gevoerd over de inboedel of de nalatenschap en daarover heeft beschikt is door [ged.conv./eis.reconv.] niet verder onderbouwd. [ged.conv./eis.reconv.] is na het arrest in het bezit gekomen van een verklaring van erfrecht waarmee zij zelf inzicht kan krijgen in de feitelijke situatie van erflater ten tijde van overlijden en de omvang van de schade. Zij had haar vordering daarom beter moeten kunnen onderbouwen. Onduidelijk is nu op welke feiten zij de door haar gestelde beheersdaden van Prinsen Geerligs baseert. In het licht van de gemotiveerde betwisting van Prinsen Geerligs kan daarom niet vastgesteld worden dat Prinsen Geerligs feitelijk beheer heeft gevoerd over de nalatenschap. Uit het verweer van Prinsen Geerligs volgt immers dat zij de nalatenschap bewust onbeheerd heeft gelaten in afwachting van wat komen ging. Dit volgt ook uit de beschikbare feiten. Er is geen boedelbeschrijving, geen uitkering aan Prinsen Geerligs, geen bemoeienis met de inboedel en evenmin is aangifte erfbelasting gedaan. Prinsen Geerligs deed dus niets. Voor zover de vordering in reconventie ziet op beheerhandelingen van Prinsen Geerligs met betrekking tot de nalatenschap zal zij dus worden afgewezen.

De vraag is dan of Prinsen Geerligs aansprakelijk is voor schade omdat zij juist níét heeft gehandeld, of zoals de vordering in reconventie het verwoordt: verzuimd heeft dit te doen.

Een grondslag hiervoor zou onrechtmatige daad kunnen zijn, echter is dit door [ged.conv./eis.reconv.] niet aangevoerd. Zij stelt slechts dat Prinsen Geerligs “aansprakelijk is voor de door haar toerekenbaar verzuim veroorzaakte schade”. Hoewel het mogelijk kan zijn dat het bewust achterwege laten van zaakwaarneming in een dergelijk geval onrechtmatigheid met zich brengt, heeft [ged.conv./eis.reconv.] dit niet gesteld. Evenmin heeft zij gesteld dat Prinsen Geerligs een wettelijke plicht had om wél beheer te voeren of dat zij in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hiermee heeft [ged.conv./eis.reconv.] op dit onderdeel onvoldoende gesteld terwijl dit wel op de weg van [ged.conv./eis.reconv.] lag. Het partijdebat heeft zich dan niet gericht op deze grondslag. [ged.conv./eis.reconv.] ’ onvoldoende stelling komt voor haar risico, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.21.

Uit de stellingen van partijen maakt de rechtbank voorts op dat de inboedel bij het overlijden van erflater zich bevond in zijn woning in een instelling van de J.P. van Bent Stichting en dat de inboedel daarna -mogelijk- door de J.P. van Bent Stichting zijn geschonken aan andere bewoners. Het is in dat geval de J.P. van Bent Stichting die zonder recht of titel over de inboedel behorende tot de nalatenschap heeft beschikt. [ged.conv./eis.reconv.] heeft – mede in het licht van r.o. 4.20 - onvoldoende gesteld waarom Prinsen Geerligs aansprakelijk zou zijn voor deze gedraging van de J.P. van Bent Stichting, zodat dit niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.

4.22.

Uit het voorgaande volgt dat niet geoordeeld kan worden dat sprake is van een onrechtmatige gedraging van Prinsen Geerligs jegens de nalatenschap. De rechtbank wijst daarom zowel de vordering tot schadevergoeding als het verzoek om verwijzing naar de schadestaatprocedure af.

4.23.

De vordering tot het verstrekken van bescheiden treft hetzelfde lot. Prinsen Geerligs heeft betwist dat zij de gevorderde bescheiden bezit en [ged.conv./eis.reconv.] heeft onvoldoende gesteld, althans onderbouwd, dat de opgevraagde bescheiden in bezit zijn van Prinsen Geerligs. Prinsen Geerligs deed niets en [ged.conv./eis.reconv.] heeft niet aangevoerd op grond waarvan Prinsen Geerligs de genoemde bescheiden zou moeten hebben gemaakt/opgevraagd of bewaard. De rechtbank ziet deze grondslag ook niet. Dit leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen evenals de in reconventie gevorderde dwangsom.

Proceskosten

4.24.

[ged.conv./eis.reconv.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van Prinsen Geerligs in reconventie veroordeeld. De kosten aan de zijde van Prinsen Geerligs worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 563,00 (2,0 punt × 0,5 × tarief € 563)

Totaal € 563,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Prinsen Geerligs in de proceskosten, aan de zijde van [ged.conv./eis.reconv.] tot op heden begroot op € 1.532,96,

5.3.

veroordeelt Prinsen Geerligs in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Prinsen Geerligs niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt [ged.conv./eis.reconv.] in de proceskosten, aan de zijde van Prinsen Geerligs Stichting tot op heden begroot op € 563,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.