Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2142

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
ARN _20_835
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 7.5, tweede lid Arbeidsomstandighedenbesluit; bestuurlijke boete; onderzoek ter plaatse; voorzienbaarheid van de overtreding en verwijtbaarheid; matigingsgrond noodzakelijke randvoorwaarden voor een veilige werkwijze toegekend. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 20/835


uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.G.W. Meijers),

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.O.A. Korff).

Procesverloop

In het besluit van 14 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Deze boete is opgelegd naar aanleiding van een bedrijfsongeval op de [bedrijf] van eiseres in [woonplaats].

In het besluit van 10 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 18.900.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een beeldverbinding plaatsgevonden op 15 februari 2021. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde Meijers, bedrijfsjurist in dienst van BTE Nederland B.V., en [naam] en [naam], respectievelijk veiligheidskundige en operations manager bij eiseres. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend.

Op 25 maart 2021 heeft de rechtbank een onderzoek ter plaatste ingesteld, op de locatie van het bedrijfsongeval. Daarbij waren dezelfde personen aanwezig als bij de zitting van 15 februari 2021. Namens verweerder was bovendien M.M.J. Aarnink aanwezig, de arbeidsinspecteur die het boeterapport van 23 april 2019 heeft opgesteld.

Aansluitend heeft de rechtbank aldaar een nadere zitting gehouden, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. Het bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden bij een machine voor de productie van betonbanden. De machine, genaamd MASA 1, bestaat een plankentransport en een persgedeelte. Er was een storing. Het persgedeelte is uitgezet. Om te helpen bij het oplossen van de storing is het latere slachtoffer op het plankentransport geklommen, waardoor het plankentransport in werking trad en de voet van het slachtoffer beklemd raakte.

2. Aan de boete ligt ten grondslag dat eiseres artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) heeft overtreden doordat het plankentransport niet was uitgeschakeld en spanningsloos was gemaakt. Deze bepaling luidt als volgt:

“Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.”

Overtreding?

3. Eiseres heeft aangevoerd dat het plankentransport en het persgedeelte twee afzonderlijke arbeidsmiddelen zijn, dat de storing in het persgedeelte was, en het niet-uitschakelen van het plankentransport daarom geen overtreding van artikel 7.5, tweede lid, van het Arbobesluit is.

3.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van één arbeidsmiddel. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De werking van de MASA 1 komt aan de orde in het boeterapport van 23 april 2019, in de getuigenverklaringen bij dat rapport, en in het rapport dat eiseres na het ongeval heeft opgesteld en dat als bijlage 8 bij het boeterapport is gevoegd. Uit hetgeen in deze stukken over de werking van de MASA 1 is vermeld, leidt de rechtbank af de MASA 1 weliswaar uit een plankentransport en een persgedeelte bestaat, maar dat deze functioneel zodanig zijn verbonden dat de MASA 1 als één arbeidsmiddel moet worden beschouwd. In dit verband wijst de rechtbank erop dat in het rapport van eiseres (bijlage 8 bij boeterapport) is vermeld dat bij een storing in de plankenaanvoer de bandenmachine (het persgedeelte) met de noodstop wordt stilgezet, dat de plankenaanvoer op de handbediening wordt gezet, en de hydroliekpomp voor de plankenaanvoer wordt uitgezet, en dat ook uit deze werkwijze de functionele verbinding tussen plankenaanvoer en persgedeelte blijkt. Ook in het plan van aanpak bij de Risico Inventarisatie & Evaluatie van 16 november 2017 wordt de MASA 1 in het kader van de veiligheid als één geheel beschouwd en beoordeeld.

3.2.

Eiseres heeft op 16 maart 2021 een artikel over machineveiligheid overgelegd getiteld “Haken en ogen”. Dit artikel maakt het voorgaande niet anders, reeds omdat dit artikel over de Machinerichtlijn 2006/42/EG gaat, en niet over het begrip arbeidsmiddel in de Arbowetgeving.

3.3.

De conclusie is dat artikel 7.5, tweede lid, van het Arbobesluit is overtreden omdat het plankentransport niet was uitgeschakeld en spanningsloos was gemaakt.

Voorzienbaarheid overtreding

4.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat de verwijtbaarheid voor de overtreding geheel ontbreekt omdat niet voorzienbaar was dat het slachtoffer over een 2 meter hoog hek zou klimmen.

4.2.

Op foto 1 van bijlage 7 bij het boeterapport is het hek om de plankentoevoer te zien, namelijk het hek met de horizontale bovenkant rechts van een gele paal. Links van die gele paal staat het persgedeelte en is een stukje hek met een schuine bovenkant te zien tussen de gele paal en het persgedeelte. Het lijkt alsof dat schuine hek vast zit aan de gele paal. Maar dat is niet het geval. Tijdens het onderzoek ter plaatse is gebleken dat het schuine hek achter de gele paal langs loopt en dat tussen de gele paal en het schuine hek een ruimte is waar een persoon doorheen kan. Het slachtoffer heeft de rechtbank laten zien hoe hij op de machine is geklommen, namelijk eerst een voet op een apparaat dat op de grond staat, dan een voet op een geel metalen uitsteeksel, en vervolgens een voet op een horizontale u-balk, waarna hij over het schuine hek op de machine kon stappen.

De rechtbank is van oordeel dat het aldus vrij makkelijk was om vanaf de kant waar de foto is genomen op de machine te klimmen. Het standpunt van eiseres dat de verwijtbaarheid geheel ontbreekt omdat niet voorzienbaar was dat het slachtoffer vanaf deze kant op de machine zou klimmen, wordt daarom niet gevolgd.

4.3.

De verklaringen van het slachtoffer, ook tegenover de rechtbank tijdens het onderzoek ter plaatse, dat hij dit nooit eerder heeft gedaan, dat hij eigenlijk niet goed begrijpt waarom hij zo op de machine is geklommen, en dat hij een domme fout heeft gemaakt, maken niet dat de verwijtbaarheid geheel ontbreekt.

Matiging?

5. Artikel 1, lid 11, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel) luidt als volgt:

“Indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, kan dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.”

Eiseres stelt zich op het standpunt dat aan elk van de matigingsgronden is voldaan.

Inventarisatie risico’s en ontwikkeling veilige werkwijze?

5.2.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van een risico inventarisatie en ook niet dat een veilige werkwijze is ontwikkeld bestaande uit het uitschakelen en spanningsloos maken van de MASA 1 voordat een storing wordt verholpen.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in de Risico Inventarisatie & Evaluatie van 16 november 2017 een storing niet als mogelijk risico is onderkend.

Uit de verklaringen van het slachtoffer en de andere werknemers van eiseres, die bij het boeterapport zijn gevoegd, blijkt niet dat in geval van een storing een standaard werkwijze wordt gevolgd die veilig is. Eiseres heeft erop gewezen dat de werknemers toolboxmeetings moeten bijwonen. Er is echter niet gebleken dat een veilige werkwijze is ontwikkeld die in een toolboxmeeting aan bod is geweest.

Dat betekent dat niet aan deze matigingsgrond is voldaan.

Noodzakelijke randvoorwaarden?

5.3.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat de machine is voorzien van een noodstopvoorziening die voor iedereen toegankelijk is, en dat de machine door middel van de hoofdschakelaar druk- en spanningsloos kan worden gemaakt.

Volgens het bestreden besluit gaat het bij noodzakelijke randvoorwaarden om inspanningen zoals het ervoor zorgen dat arbeidsmiddelen ter beschikking worden gesteld die deugdelijk en geschikt zijn voor het conform de veilige werkwijze verrichten van de werkzaamheden.

Uit de stukken en het onderzoek ter plaatse is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat de machine is voorzien van mogelijkheden om te worden uitgeschakeld en drukloos en spanningsloos te worden gemaakt voordat een storing wordt verholpen. Aldus heeft eiseres een arbeidsmiddel ter beschikking gesteld dat deugdelijk en geschikt is voor het conform een veilige werkwijze verrichten van de werkzaamheden.

Het standpunt van verweerder dat niet aan de noodzakelijke randvoorwaarden is voldaan om de mogelijkheden om de machine uit te schakelen en drukloos en spanningsloos te maken niet zijn gecreëerd en ter beschikking gesteld met het oog op de uitvoering van een veilige werkwijze volgt de rechtbank niet. De vraag of aan de noodzakelijke randvoorwaarden is voldaan kan immers worden beoordeeld los van de vraag of een veilige werkwijze is ontwikkeld.

Dat betekent dat aan deze matigingsvoorwaarde is voldaan.

Adequate instructies en adequaat toezicht?

5.4.

Omdat geen veilige werkwijze is ontwikkeld voor een storing, kan logischerwijs ook geen sprake zijn van adequate instructies aan de werknemers over de uitvoering van een veilige werkwijze, en ook niet van adequaat toezicht op het naleven van een veilige werkwijze.

Aan deze matigingsgronden is niet voldaan.

Conlusies

6. Gelet op nummer 5.3. had verweerder de boete met 25% moeten matigen. Dat betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de boete vast te stellen op

€ 14.175 (€ 5.400 x 0,75 x 3,5) en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6.1.

In de gronden van beroep van 4 maart 2020 heeft eiseres verzocht om vergoeding van de kosten van de gemachtigde van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen omdat sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand1. De vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand bedraagt € 1.602 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, 0,5 punt voor onderzoek ter plaatse, 0,5 punt voor nadere zitting, met een waarde per punt van € 534). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    stelt de boete vast op € 14.175 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 1.602;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 354 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1975, r.o. 3.