Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2119

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3839
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Keuzemogelijkheid aflossing studieschuld volgens betalingsregels van na 2020. Verweerder is tekort geschoten in de informatievoorziening jegens eiseres. Verweerder heeft verzuimd om enkele maanden voorafgaand aan aanvang aflosfase een ‘servicebrief’ te sturen. Gelet daarop en de bijzondere omstandigheden bij eiseres dient toepassing gegeven te worden aan de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 20/3839

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N. Latka),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) te Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar studieschuld volgens de betalingsregels van na 2020 afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde P.M.S. Slagter.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Verweerder heeft eiseres, bij brief van 21 oktober 2011, geïnformeerd over het feit dat zij vanaf 1 januari 2012 haar studieschuld af moet gaan betalen en dat zij mag kiezen of zij volgens de oude of nieuwe regels terug wil betalen. Indien eiseres volgens de nieuwe regels wil gaan betalen moet zij dat voor 1 december 2011 aan verweerder doorgeven. Op 10 maart 2012 heeft verweerder het verzoek van eiseres tot verlenging van haar diplomatermijn voor het hoger onderwijs toegewezen en deze termijn met 60 maanden verlengd, in verband met een bijzondere medische omstandigheid.

Verweerder heeft met zijn besluit van 6 november 2019 het maandbedrag voor de maanden januari tot en met december 2020 vastgesteld op € 221,79. Bij brief van 27 januari 2020 heeft eiseres verweerder verzocht om het termijnbedrag aan te passen. Tevens heeft zij op 27 januari 2020 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van verweerder van 6 november 2019. Bij besluit op bezwaar van 26 februari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat eiseres aan te rekenen is.

Eiseres heeft met haar brief aan verweerder verzocht over te mogen stappen op de betalingsregeling van na 2012.

2. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek van eiseres om over te stappen op een andere betalingsregeling gebaseerd op de vaststelling dat haar aflosfase is begonnen per 1 maart 2016. Eiseres heeft haar verzoek ingediend op 20 februari 2020. Dat is niet voor het begin van de aflosfase. Daarom blijven voor eiseres de oude terugbetalingsregels gelden.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder nalatig is geweest met het tijdig verstrekken van de juiste informatie om een juiste keuze te maken in welke betalingsregeling zij wilde komen van voor of na 2012 of 2018. Volgens de site van verweerder ontvangt een student als hij stopt met zijn studie vier maanden van tevoren een brief, waarin vermeld wordt dat er een keuze moet worden gemaakt voor een betalingsregeling. Oud-studenten of studenten die lang hebben doorgeleerd hebben een keuze te maken om de betalingskeuze te wijzigen van voor of na 2012. Verweerder heeft deze brief veel te vroeg verstuurd, namelijk in 2011. Eiseres was toen nog aan het studeren. Haar recht op studiefinanciering was vanwege haar leeftijd komen te vervallen. Er was geen sprake van beëindiging van de studie, noch van het voltooien van de studie. Verweerder meldt in zijn brief van 21 oktober 2011 dat eiseres de keuze heeft om de betalingsregeling te wijzigen tot 1 december 2011. De keuze voor de betalingsregeling en het daadwerkelijk beginnen met terugbetalen gaan samen. Destijds is op de brieven van verweerder gereageerd met de mededeling dat de studie voortgezet wordt en dat terugbetalen helemaal niet aan de orde was.

Vervolgens geeft verweerder negen jaar later aan, in een brief van 12 juni 2020, dat eiseres de keuze had om de betalingsregeling te kiezen/wijzigen tot aanvang van de eerste aflossing in 2016. Maar dat is tegenstrijdig met de brief van 21 oktober 2011, waarin staat dat de keuze kon worden gemaakt tot 1 december 2011. Dat betekent dat verweerder verkeerde informatie heeft verstrekt. De informatie verschilt met wat er wettelijk is bepaald. Eiseres mag ervan uitgaan dat verweerder juiste informatie verstrekt.

Ook staat er op de site van verweerder dat er vier maanden voor het beëindigen van de studie een brief wordt verstuurd met daarin een keuzemogelijkheid voor de oude of nieuwe betalingsregeling. Dat is niet gebeurd. Ook staat er dat je zonder de brief de betalingsregeling niet kunt wijzigen.

Het is niet correct dat verweerder stelt dat de bewindvoerder van eiseres mogelijk nalatig is geweest. Verweerder is zelf nalatig geweest door geen informatie te verstrekken aan de bewindvoerder dat er sprake is van een keuzemogelijkheid. Daarom was de bewindvoerder niet op de hoogte van deze keuzemogelijkheid. Aangezien de correspondentie via de bewindvoerder liep was eiseres hiervan ook niet op de hoogte. De site van verweerder geeft aan dat de brief over de betalingskeuze vier maanden voorafgaand aan de aflosfase naar de mentor of bewindvoerder dient te worden verzonden. Dat is in dit geval niet gebeurd.

De oude betalingsregeling is primitief en stamt uit de tijd dat veel zaken anders geregeld waren. Het huidige maandbedrag is te hoog om in de komende 15 jaar waarin afgelost moet worden als gezin financieel gezond draagkrachtig te zijn.

Het is juist dat de aanvraag voor de nieuwe betalingsregeling gedaan is op 20 februari 2020. Daarmee is in beginsel niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 10a.2 van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF 2000). Het bevreemdt eiseres dat verweerder haar verzoek niet heeft opgevat als een beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de WSF 2000. Eiseres heeft kenbaar gemaakt met welke omstandigheden zij te maken had en ook kenbaar gemaakt dat echt fouten zijn gemaakt in haar situatie. Eiseres heeft te maken gehad met ziekte en stond zij vanwege haar gesteldheid onder bewindvoering, waarbij zij geheel niet bij machte was in die periode om een keuze te maken alvorens over te gaan tot keuze van een betalingsregeling.

Verweerder dient te beseffen dat van een burger niet kan worden verwacht dat zij de WSF 2000 kent en behoort te kennen. Voor informatievoorziening kan eiseres – op het moment dat zij bij machte was om dergelijke keuzes te maken – slechts terecht op de site en kan zij slechts uitgaan van de brieven die door verweerder worden verzonden. De brief is niet ontvangen in de periode 2016 (moment waarop de keuze gemaakt had kunnen worden) en de site geeft slechts aan dat een dergelijke brief verzonden zal worden voorafgaand aan een keuzemoment.

Eiseres heeft in de periode van 2014 tot 2017 veelvuldig te maken gehad met psychoses, suïcidale gevoelens, nierproblemen en versleten heupen. Zij was niet in staat om voor zichzelf te zorgen op het keuzemoment.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiseres nu niet alsnog over kan stappen naar de nieuwe betalingsregeling. De essentie van artikel 10a.2 van de WSF 2000 is dat een keuze moet worden gemaakt/een verzoek moet worden ingediend voordat de verplichting tot terugbetaling begint. Uit de wet volgt niet dat een brief, zoals gestuurd op 21 oktober 2011, aan de debiteur moet worden gestuurd. Het is een serviceverlening aan de debiteur. Verweerder is daarom ook niet nalatig geweest in de informatieverstrekking. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres op de hardheidsclausule niet kan slagen. De hardheidsclausule is bedoeld voor omstandigheden waarin de wetgever niet kan voorzien. Daarvan is hier geen sprake, aangezien verweerder wel een servicebrief naar eiseres verstuurd heeft. Eiseres is deze brief echter vergeten. Volgens verweerder is er gelet op de omstandigheden geen ruimte om de hardheidsclausule toe te passen.

5.1.

Artikel 10a.2, eerste lid, van de WSF 2000 bepaalt dat een debiteur die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen op aanvraag, zijn schuld af kan lossen op grond van paragraaf 6.1, waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als:

a. een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, of;

b. een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld in artikel 12.14, vijfde lid.

5.2.

Op grond van artikel 10a.2, tweede lid, van de WSF 2000 kan een debiteur een aanvraag als bedoeld in het eerste lid uitsluitend indienen voor de aanvang van zijn aflosfase.

5.3.

In artikel 11.5 van de WSF 2000 is bepaald dat onze Minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing kan laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

6.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aflosfase van de studieschuld van eiseres is begonnen per 1 maart 2016 en dat eiseres haar aanvraag als bedoeld in artikel 10a.2, eerste lid, van de WSF 2000 niet voor 1 maart 2016 heeft ingediend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van een situatie zoals beschreven in artikel 11.5 van de WSF 2000, waarin kan worden afgeweken van de bepaling dat de aanvraag voor aanvang van de aflosfase dient te worden ingediend.

6.2.

De rechtbank constateert dat op de site van verweerder de volgende passage is opgenomen met de betrekking tot het overstappen naar andere terugbetalingsregels:

“Overstappen

Als u mag overstappen naar andere terugbetalingsregels, krijgt u van ons een brief. Die brief krijgt u een paar maanden voordat uw aflosfase begint. Hebt u de brief gehad en wilt u overstappen? Geef dan uw keuze door in Mijn DUO. Doe dit voor de start van de aflosfase. Daarna is overstappen niet meer mogelijk.”.

6.3.

Eiseres heeft op 21 oktober 2011 een ‘servicebrief’ van verweerder ontvangen. Daarin wordt haar meegedeeld dat zij per 1 januari 2012 studieschuld af moet gaan lossen en gevraagd om, als zij volgens de nieuwe aflosregels wil gaan aflossen, dat zij dat voor 1 december 2011 moet laten weten. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor eiseres, nu zij na 1 januari 2012 verder studeerde en aflossing daarom niet aan de orde was, geen noodzaak om op deze ‘servicebrief’ te reageren. Uit de formulering van de tekst op de site van verweerder, met name ‘krijgt u van ons een brief’, maakt de rechtbank op dat verweerder altijd, wanneer een belanghebbende mag overstappen naar andere terugbetalingsregels, een paar maanden voordat de aflosfase begint een brief stuurt. Gelet op deze informatie mocht eiseres erop vertrouwen dat zij, wanneer zij daarvoor in aanmerking kwam, een nieuwe ‘servicebrief’ zou gaan ontvangen. Verweerder heeft verzuimd om eiseres, voor de aflosfase op 1 maart 2016, deze nieuwe ‘servicebrief’ toe te sturen. Verweerder is daarom tekortgeschoten in zijn communicatie over de keuzemogelijkheid jegens eiseres. Eiseres is daarmee fors financieel benadeeld. Het strikt vasthouden aan het vereiste in artikel 10a.2, tweede lid, van de WSF 2000, dat de aanvraag om de schuld af te mogen lossen op grond van de regels van paragraaf 6.1 van de WSF 2000 moet worden ingediend voor aanvang van de aflosfase, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Gelet hierop en de bijzondere (medische) omstandigheden waarin eiseres verkeerde, waarbij zij zelf niet in staat was om haar eigen belangen goed te behartigen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 11.5 van de WSF 2000. Dat heeft tot gevolg dat de bepaling van artikel 10a.2, tweede lid, van de WSF 2000 in de situatie van eiseres buiten toepassing moet worden gelaten. Verweerder dient eiseres in de gelegenheid te stellen haar schuld af te lossen op grond van de regels van paragraaf 6.1 van de WSF 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van verweerder op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 februari 20201 niet, omdat daarin, in tegenstelling tot de situatie van eiseres, wel enkele maanden voor de start van de aflosfase een ‘servicebrief’ door verweerder was verstuurd.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt wegens een gebrek in de motivering voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het betreft namelijk een vaststelling van de hoogte het maandbedrag dat eiseres aan verweerder moet betalen op grond van de aflosregels van paragraaf 6.1 van de WSF 2000 en dat is bij uitstek aan verweerder. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068, -;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Peters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RBMNE:2020:1331.