Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2095

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
8512524
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hinder door bamboehaag. Aangevoerd privacybelang van hinderaar meegewogen in de hindernorm. Dat belang verdient in dit geval geen bescherming als gehinderde bereid is zijn bovenramen ondoorzichtig te maken. Bevel tot inkorting van 7 meter naar 3,62 meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8512624 \ CV EXPL 20-4683 \ 398

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. P.W.J.C. van Peer

tegen

1 [gedaagde]

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partijen

gemachtigde M. Spierings

Partijen worden hierna [eiser], [gedaagde] en [gedaagde 2] genoemd. Gedaagde partijen worden gezamenlijk [gedaagde] c.s. genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 oktober 2020 (hierna: het tussenvonnis)

- de akte uitlating van [eiser] van 25 november 2020 met een productie

- de akte van uitlating van [gedaagde] c.s. van 3 februari 2021 met twee producties.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

Van het tussenvonnis is op 28 oktober 2020 abusievelijk niet de laatste versie uitgesproken. De beslissingen in de laatste versie zijn dezelfde als in de uitgesproken versie. De motivering in de laatste versie is echter iets uitgebreider. De kantonrechter zal deze uitgebreidere motivering hieronder opnemen. Deze komt in de plaats van de eerdere motivering. Het gaat om de overwegingen 4.4 tot en met 4.9 van het tussenvonnis. Deze worden hier vervangen door de navolgende overwegingen 4.4 tot en met 4.9 met de uitgebreidere motivering:

De bamboehaag

4.4

Artikel 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het ontnemen van licht. Of het veroorzaken van hinder – bijvoorbeeld door het ontnemen van licht – onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235) en de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (HR 21 oktober 2005, ECLI:HR:2005:AT8823).

4.5

De vraag is of er sprake is van onrechtmatige hinder. Hierbij is van belang dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat de bamboehaag er staat voor zijn privacy. [eiser] heeft immers zijn woning uitgebreid richting het perceel van [gedaagde], waardoor hij bij [gedaagde] naar binnen kan kijken en uitzicht heeft op het balkon van [gedaagde]. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij zijn tuin mag inrichten hoe hij wil en graag in een groene omgeving woont, wat verminderd wordt door de aanbouw van [eiser]. Op zijn beurt heeft [eiser] aangevoerd dat hij de dakramen (op de eerste verdieping) aan de zijde van het perceel van [eiser] wil afplakken met ondoorzichtig folie, zodat er vanuit die ramen niet op het perceel van [gedaagde] kan worden gekeken.

4.6

De kantonrechter overweegt dat er, gelet op de omstandigheden en de wederzijdse belangen, sprake is van onrechtmatige hinder. Vooropgesteld moet worden dat de hoogte van de bamboehaag (van minimaal 7 meter) op een afstand van ongeveer 6 meter van de woning van [eiser] het uitzicht (ook voor zover dat verder reikt dan het dakterras van [gedaagde]) vrijwel volledig wegneemt en een ‘opgesloten gevoel’ creëert. Daarnaast staat voldoende vast dat de bamboehaag een aanmerkelijke reductie van de lichtinval op het perceel van [eiser] meebrengt. Verder is de haag in relatief korte tijd tot de huidige hoogte gekomen en heeft zij, zelfs in de groene omgeving van de beide percelen te gelden als een niet-‘ortsübliche’ en dus atypische exoot. Er is daarom sprake van aanmerkelijke hinder, die de gemiddelde bewoner van ook een woonwijk als de onderhavige in beginsel niet hoeft te verwachten. Daarnaast geldt nog het volgende. Dat [gedaagde] in beginsel zijn tuin mag inrichten zoals hem goeddunkt, heeft niet tot het gevolg dat hij geen rekening hoeft te houden met de belangen van [eiser]. Verder is de huidige hoogte van de bamboe niet vereist om in een groene omgeving te wonen, zoals [gedaagde] aanvoert. Ook met een lagere hoogte is er voldoende groen (ook in de omgeving) om in een groene omgeving te wonen, daarvoor is bamboe met die hoogte niet de enige oplossing. Daarnaast heeft [gedaagde] met betrekking tot zijn beroep op privacy, naar het oordeel van de kantonrechter, geen belang bij de huidige hoogte van de bamboe, indien [eiser] de ramen aan de zijde van het perceel van [gedaagde] afplakt met ondoorzichtige folie, waartoe hij zich ter zitting bereid verklaarde. Datzelfde belang van [gedaagde] wordt op de begane grond gewaarborgd, zoals [eiser] onvoldoende betwist heeft betoogd, door een hoogte van de haag van 3 ½ meter. Kennelijk is [eiser] bereid om daarmee genoegen te nemen. Op die hoogte zou [eiser] vanaf de begane grond niet op het balkon van [gedaagde] moeten kunnen kijken, zodat de privacy van [gedaagde] voldoende blijft gewaarborgd. De aanmerkelijke hinder wordt dus daardoor voldoende gereduceerd, terwijl de belangen van [gedaagde] niet zo’n hoge haag vereisen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van onrechtmatige hinder bij een haag van meer dan 3 ½ meter hoog, op voorwaarde dat [eiser] de ramen van zijn bovenverdieping, voor zover die zicht hebben op het dakterras van [gedaagde], ondoorzichtig maakt.

4.7

[eiser] vordert echter dat de bamboe zodanig wordt gesnoeid dat de afname van bezonning minder dan 30% bedraagt. Gesteld noch gebleken is hoe hoog de bamboe is bij een afname van bezonning van 30%. [eiser] wordt daarom in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte uit te laten. Daarop mag [gedaagde] bij antwoordakte reageren.

Drie bomen

4.8

De vordering met betrekking tot het verwijderen van de bomen kan worden ingesteld wanneer er strijd is met het bepaalde in het eerste lid van artikel 5:42 BW waar wordt bepaald dat het niet geoorloofd is binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven. Lid 2 van voormeld artikel bepaalt vervolgens dat de in lid 1 bedoelde afstand voor bomen twee meter en voor heesters en heggen een halve meter bedraagt. Nog daargelaten of het beroep op verjaring van [gedaagde] slaagt, heeft het volgende te gelden.

4.9

Tussen partijen staat vast dat de bomen waar het [eiser] om gaat binnen twee meter van de grenslijn van de erven staan. In beginsel is dat niet geoorloofd. Toch kan dit niet leiden tot een toewijsbare vordering tot verwijdering van de beuken, gelet op de zwaarte van de wederzijdse belangen bij behoud dan wel verwijdering van de bomen. Hetgeen [gedaagde] onder 14 en 15 van de conclusie van antwoord aanvoert moet naar het oordeel van de kantonrechter worden gelezen als beroep op het afwegen van die belangen in het licht van artikel 3:13 BW. In dat verband stelt [eiser] dat de twee beuken ervoor zorgen dat een derde beuk minder goed zal groeien. Ook stelt hij dat de beuken op den duur schaduw geven en problemen zullen veroorzaken aan het rieten dak van [eiser]. Dit zijn in het onderhavige geval echter onvoldoende belangen om [gedaagde] op te dragen de twee beuken te verwijderen, met alle kosten van dien. Het is niet in te zien waarom de twee beuken moeten wijken voor de derde beuk. Daarnaast heeft [eiser] met het oog op zijn rieten dak de derde beuk ook niet verwijderd en is er slechts sprake van een toekomstige vrees voor schade aan het rieten dak. Daarnaast heeft [eiser], voor zover er daarbij geen sprake is van misbruik van een recht, de mogelijkheid om de overhangende takken te (laten) verwijderen op grond van artikel 5:44 BW.

Daarnaast heeft [eiser] onvoldoende belang om de vordering tot het verwijderen van de kastanjeboom toe te wijzen. Zo heeft [eiser] het terras en de muur aangelegd nadat de kastanjeboom (al tijden) was geplant en heeft hij de wortels onder zijn terras al verwijderd. Ook is er hierbij sprake van een mogelijk toekomstige gebeurtenis, waarvan niet zeker is wanneer en of er sprake zal zijn van schade door de kastanjeboom. Tevens kan [eiser] op een later moment ook een beroep doen op het in artikel 5:44 BW bepaalde.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat [eiser], gelet op de wederzijdse belangen, in redelijkheid tot het vorderen van verwijdering van de bomen heeft kunnen komen (artikel 3:13 BW), waardoor het beroep van [eiser] op het in artikel 5:42 BW bepaalde niet slaagt.

2.2

Gegeven de verduidelijking aan het slot van de ingelaste ‘nieuwe’ overweging 4.6 heeft de kantonrechter dus al beslist dat de door de haag veroorzaakte hinder in het onderhavige geval onrechtmatig is als de haag niet wordt ingekort tot 3,50 meter en [eiser] de ramen van zijn bovenverdieping, voor zover deze uitzicht geven op het dakterras van [gedaagde], ondoorzichtig heeft gemaakt. De in dit oordeel opgesloten belangenafweging – ook als die afweging beperkt zou zijn tot gevallen van onevenredigheid à la artikel 3:13 lid 2 BW – wordt mogelijk gemaakt door de zorgvuldigheidsnorm waarnaar artikel 6:162 BW verwijst en zij wordt ook verondersteld in het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2005 (ECLI:HR:2005:AT8823).

2.3

In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld aan te geven hoe de door hem bepleite hoogte van de bamboehaag zich verhoudt tot de in zijn vordering opgenomen eis dat de afname van de bezonning door de haag minder dan 30% bedraagt. Blijkens zijn akte uitlating brengt die eis mee dat de haag niet hoger dan 3,62 meter mag zijn. Nu dat meer is dan 3,50 meter zal de vordering tot het snoeien van het bamboe niet verder worden toegewezen dan tot 3,62 meter. Aan die veroordeling zullen dwangsommen worden verbonden als gevorderd.

2.4

[gedaagde] c.s. verzoekt het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens [gedaagde] c.s. groeit het bamboe na inkorting niet meer aan. De kantonrechter kan dat niet bevestigen, nu dit geen feit van algemene bekendheid is en het de kantonrechter niet is toegestaan die bevestiging eventueel op het internet te zoeken (en een debat hierover tot onnodige vertraging zou leiden). Het verzoek zal daarom niet worden ingewilligd. Wel zal aan de veroordeling een termijn van een maand worden verbonden, welke termijn ingaat de dag nadat [eiser] de ramen van zijn bovenverdieping, voor zover deze uitzicht geven op het dakterras van [gedaagde], ondoorzichtig zal hebben gemaakt. Mocht [gedaagde] binnen die termijn in hoger beroep gaan, dan kan hij zo nodig via de weg van artikel 351 Rv bij het hof de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen.

2.5

Nu partijen op meerdere punten over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1

verklaart [eiser] in zijn vordering jegens [gedaagde 2] niet-ontvankelijk;

3.2

veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de bamboehaag in te korten (en ingekort te houden, voor zoveel van toepassing) tot 3,62 meter boven het maaiveld, welke termijn ingaat de dag nadat [eiser] de ramen van zijn bovenverdieping, voor zover deze uitzicht geven op het dakterras van [gedaagde], ondoorzichtig zal hebben gemaakt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat aan de verplichting tot snoeien (en gesnoeid te houden, voor zoveel van toepassing) niet wordt voldaan, tot een maximum van € 10.000,-;

3.3

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af;

3.5

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op