Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2058

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
05/259492-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘‘Inschattingsfout niet zodanig dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden’’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/259492-20

Datum uitspraak : 23 april 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. T. den Haan, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op 9 april 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 juli 2020 te Arnhem in de gemeente Arnhem, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

gaande in de richting van een ter hoogte van het winkelcentrum de Drieslag

aangebrachte voetgangersoversteekplaats(zebra), daarmede rijdende over de weg,

de Huissensestraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Huissensestraat), de aldaar ter hoogte van dat winkelcentrum, in zijn, verdachtes rijrichting rood uitstralende verkeerslichten en/of het zich op voormelde voetgangersoversteekplaats (zebra)

bevindende verkeer,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Huissensestraat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

terwijl die aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van voormelde reglement gestelde gebod of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig(personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de Huissensestraat), voor die voetgangersoversteekplaats (zebra) aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 en/of artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood te rijden en/of een op die voetgangersoversteekplaats (zebra) rijdende en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde bestuurster van een ander motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig scootmobiel) niet voor te laten gaan en/of

zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats (zebra) is op- en overgereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat over die voetgangersoversteekplaats (zebra) rijdende, toen voor hem, verdachte van rechts dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig, scootmobiel),

ten gevolge waarvan de bestuurster van dat andere motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig, scootmobiel) werd geslingerd en/of ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht,

dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 juli 2020 te Arnhem in de gemeente Arnhem, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting een ter

hoogte van het winkelcentrum de Drieslag aangebrachte

voetgangersoversteekplaats (zebra), daarmede heeft gereden over de weg, de

Huissensestraat en

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was

dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij, verdachte die weg (de Huissensestraat) kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

terwijl die aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn

richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop",

in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft

gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van voormelde reglement gestelde gebod of

verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig(personenauto)

niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich

op het wegdek van die weg (de Huissensestraat), voor die

voetgangersoversteekplaats (zebra) aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 en/of artikel 49 lid 2

van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood te rijden en/of een op die

voetgangersoversteekplaats (zebra) rijdende en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting

dicht van rechts genaderd zijnde bestuurster van een ander motorrijtuig

(gehandicaptenvoertuig scootmobiel) niet voor te laten gaan en/of

zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats (zebra) is op- en overgereden

en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat over die

voetgangersoversteekplaats (zebra) rijdende, toen voor hem, verdachte van rechts

dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig, scootmobiel),

ten gevolge waarvan de bestuurster van dat andere motorrijtuig

(gehandicaptenvoertuig, scootmobiel) werd geslingerd en/of ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 juli 2020 omstreeks 14:05 uur vond er een ongeval plaats in Arnhem. Verdachte reed als bestuurder van een personenauto over de Huissensestraat en kwam bij een voetgangersoversteekplaats ter hoogte van het winkelcentrum de Drieslag met zijn personenauto in botsing met een scootmobiel waarin [slachtoffer] reed.2 [slachtoffer] heeft als gevolg van dit ongeval letsel opgelopen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Voor wat betreft de mate van schuld heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gereden snelheid en het functioneren van de verkeerslichten. Niet valt vast te stellen dat verdachte door rood is gereden. De verklaring die verdachte ter plaatse zou hebben afgelegd, moet van het bewijs worden uitgesloten. De politie heeft verzuimd om hem op dat moment als verdachte aan te merken en heeft hem bovendien niet de cautie gegeven. Dit betreft een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling door de rechtbank

Verweer bewijsuitsluiting

Blijkens het proces-verbaal heeft verdachte kort na het ongeval aan verbalisant [verbalisant] verklaard dat hij het kruispunt naderde, heeft gezien dat het verkeerslicht op rood stond, maar dat hij niemand zag oversteken en daarom besloot om door te rijden.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat een agent hem vroeg of hij de bestuurder was van de [auto (merk)] , hetgeen verdachte beaamde. Verdachte ontkent dat hij heeft gezegd dat hij door rood reed, hij zou gezegd hebben dat hij door oranje reed.

Op het moment dat verdachte, al dan niet op vragen van de verbalisant, zei dat hij de bestuurder van de bij het ongeval betrokken [auto (merk)] was, had hij te gelden als verdachte. Verdachte had door verbalisant dan ook als zodanig moeten worden aangemerkt en de verbalisant had hem moeten mededelen dat hij niet verplicht was vragen te beantwoorden en dat hij recht had op rechtsbijstand door een advocaat. Dat is blijkens het proces-verbaal niet gebeurd. Ook al heeft de verbalisant vervolgens geen vragen meer gesteld en is verdachte ‘spontaan’ gaan verklaren over het verkeerslicht, vast staat dat verbalisant de confrontatie tussen hem en verdachte heeft ingeleid met een vraag naar de eventuele betrokkenheid van verdachte bij het ongeval.

Dit is een schending van een fundamenteel recht en dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Vrijspraak artikel 6 WVW

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, in welke mate.

Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Ook kan niet alleen uit de ernst van de gevolgen worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat verdachte door rood moet zijn gereden, maar hebben dit zelf niet gezien, maar afgeleid uit het feit dat zij, als ‘overstekend’ verkeer, groen licht hadden en dat verdachte daarom wel rood licht moet hebben gehad (Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 11 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] ). Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door een oranje verkeerslicht is gereden. De rechtbank is van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid uitgesloten kan worden dat het verhaal van verdachte juist is en dat verdachte dus niet door rood is gereden. Een proces-verbaal verkeersongevallenanalyse is niet opgesteld, met name is niet de correcte werking van de verkeerslichtinstallatie onderzocht, zodat geen objectief bewijs voorhanden is op grond waarvan de toedracht van het ongeval kan worden vastgesteld.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij over de Huissensestraat in Arnhem reed en hij een kruispunt met zebrapad en verkeerslichten naderde. Het stoplicht straalde op dat moment oranje licht uit. Verdachte maakte toen de keuze om door te rijden. Ter zitting heeft hij letterlijk gezegd: “Ik kwam aan en naderde oranje. Ik vond het haalbaar om door oranje te rijden.” 4 Op dat moment stak [slachtoffer] in haar scootmobiel over en is zij door de auto van verdachte geraakt.5 De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 3] , afgelegd ter zitting, waaruit volgt dat het verkeerslicht op oranje sprong toen verdachte de stopstreep naderde.6

Door aldus te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een inschattingsfout gemaakt. Deze inschattingsfout acht de rechtbank evenwel onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde misdrijf worden vrijgesproken.

Artikel 5 WVW

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gevaar-zettend rijgedrag in de zin van artikel 5 WVW.

Verdachte is op het moment dat hij het zebrapad met verkeerslichten naderde – en deze oranje licht uitstraalde – doorgereden, omdat hij dacht dat het haalbaar was. Dat is echter de verkeerde benadering. Oranje licht betekent: stoppen, tenzij dat niet meer tijdig kan (artikel 68 Rvv). Oranje licht betekent niet: doorrijden als je denkt dat het nog kan. Dat geldt des te meer wanneer de bestuurder een zebrapad nadert waar mensen staan te wachten om over te steken.

Verdachte heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht en heeft hierbij een van rechts naderende bestuurster van een scootmobiel geen voorrang verleend wat hij wel had moeten doen. Vervolgens is hij tegen haar gebotst. Het ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 9 juli 2020 te Arnhem in de gemeente Arnhem, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting en ter hoogte van het winkelcentrum de Drieslag aangebrachte voetgangersoversteekplaats (zebra), daarmede heeft gereden over de weg,

de Huissensestraat en in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Huissensestraat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of terwijl die aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop",

in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van voormelde reglement gestelde gebod of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de Huissensestraat), voor die voetgangersoversteekplaats (zebra) aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 en/of artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood te rijden en/of een op die voetgangersoversteekplaats (zebra) rijdende en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde bestuurster van een ander motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig scootmobiel) niet voor te laten gaan en/of zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats (zebra) is op- en overgereden en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat over die voetgangersoversteekplaats (zebra) rijdende, toen voor hem, verdachte van rechts dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig, scootmobiel), ten gevolge waarvan de bestuurster van dat andere motorrijtuig (gehandicaptenvoertuig, scootmobiel) werd geslingerd en/of ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

In begrijpelijk Nederlands betekent dat het volgende. Verdachte reed op 9 juli 2020 te Arnhem als bestuurder van een auto op de Huissensstraat en naderde nabij winkelcentrum De Drieslag een zebrapad met een verkeerslicht. Dat verkeerslicht had voor hem oranje/geel licht. Verdachte heeft een verkeerde keus gemaakt door niet te stoppen, maar juist door te rijden in de veronderstelling dat hij het nog wel kon halen. Hij dacht dat hij het zebrapad nog wel kon passeren voordat het verkeerslicht op groen zou springen. Dat had verdachte niet moeten doen, ook oranje geel licht betekent dat bestuurders moeten stoppen, tenzij dat echt niet meer op tijd kan. Door niet te stoppen, heeft verdachte het verkeer in gevaar gebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, bij niet nakoming te vervangen door zestig dagen hechtenis, en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, gepleit voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, omdat verdachte een gewaarschuwd man is. Daarbij komt dat sprake is van tijdsverloop en verdachte na dit incident geen nieuwe verkeersfeiten heeft gepleegd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht door in onvoldoende mate te anticiperen op het verkeer, waarbij een medeweggebruikster letsel heeft opgelopen. Dit is een ernstig feit. De dochters van het slachtoffer hebben ter zitting een verklaring voorgelezen waarin zij tot uitdrukking hebben gebracht dat het ongeval en de gevolgen daarvan een grote impact op het leven van het slachtoffer hebben gehad. Zij zal door het letsel de rest van haar leven lichamelijke beperkingen ondervinden.

Nu de rechtbank overtreding van artikel 6 WVW niet bewezen acht, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Gelet op de aard en ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht de rechtbank een taakstraf passend. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

8 De beoordeling van de civiele vordering

Ter terechtzitting is aangegeven dat de vordering van de benadeelde partij niet langer wordt gehandhaafd.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen, voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. den Otter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2021.

mr. Van Leeuwen, mr. Hovens en mr. Den Otter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Arnhem-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL06002020318791, gesloten op 4 september 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 1.

3 Proces-verbaal geneeskundige verklaring [slachtoffer] , p. 8.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 april 2021.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 11 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] .

6 Verklaring getuige [getuige 3] ter terechtzitting van 9 april 2021.