Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1987

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
05/216413-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

20 jaar gevangenisstraf wegens moord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/216413-20

Datum uitspraak : 20 april 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. Arnhem.

Raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

8 december 2020, 2 februari 2021 en 6 april 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 24 augustus 2020, te Arnhem,

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) op/in/door het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 augustus 2020 in Arnhem heeft verdachte vier keer met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten.2 [slachtoffer] werd zwaargewond aangetroffen in de hoek van het balkon van haar woning. Ze zat onderuit gezakt en voorovergebogen met haar hoofd op haar borst.3 Verspreid over haar lichaam waren meerdere schotletsels zichtbaar, behorende bij vijf doorschoten en twee inschoten. Er was onder meer sprake van een doorschot in het hoofd, waarbij de kogel boven op haar hoofd naar binnen is gegaan en bij haar bovenlip weer naar buiten is gekomen. Deze kogel heeft haar schedel en haar hersenen doorboord. Een andere kogel is op de overgang van de rechter bovenarm en de rug haar lichaam binnen gegaan en is vervolgens door de rechter borstholte en de rechter long gegaan en in de buikwand terecht gekomen. Deze twee schotverwondingen zijn [slachtoffer] fataal geworden.4 Op 25 augustus 2020 om 00.50 uur is zij aan haar verwondingen overleden.5 [slachtoffer] bleek op dat moment enkele tot meerdere weken zwanger te zijn.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van moord, nu hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Niet gebleken is dat verdachte met een vooropgezet plan naar de woning van [slachtoffer] , door hem [2e naam] genoemd, is gegaan. Hij ging naar haar woning om met haar te praten. Toen hij daar aan kwam en duidelijk werd dat praten geen zijn had, knapte er iets bij hem. In een hevige gemoedsbeweging heeft hij vervolgens gehandeld. Er was geen sprake van enige tijd om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Verdachte heeft dus niet de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De tijd die tussen de schoten is verstreken is bovendien een contra-indicatie voor voorbedachte raad.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat [slachtoffer] gebruik maakte van de naam [2e naam] .7 Zij wordt door vrienden en bekenden zo genoemd. Ook verdachte kent haar als [2e naam] . In het dossier wordt dan ook steeds de naam [2e naam] gebruikt. Daarom zal [slachtoffer] in het vervolg van dit vonnis ook bij de naam [2e naam] worden genoemd.

Het opzet van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [2e naam] naar het balkon is gevlucht en dat hij haar achterna is gelopen. Terwijl [2e naam] op het balkon was, heeft verdachte het vuurwapen op haar gericht en geschoten.8 Verdachte stond dus op zeer korte afstand – hooguit enkele meters – van [2e naam] op het moment dat hij de trekker overhaalde en vier keer op het lichaam van [2e naam] schoot. Deze handelingen van verdachte waren er op gericht om [2e naam] van het leven te beroven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte [2e naam] opzettelijk heeft gedood.

Moord of doodslag? Het relevante toetsingskader

De vraag die vervolgens voorligt is of verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan doodslag dan wel aan moord. De rechtbank dient daartoe te beoordelen of verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling – bijvoorbeeld in een vlaag van plotselinge, hevige woede of drift – dan wel met voorbedachte raad.

Van handelen met voorbedachte raad is sprake wanneer komt vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Om die reden is de maximumstraf voor moord hoger dan voor doodslag. Of sprake is van voorbedachte raad is soms niet eenvoudig vast te stellen. Alleen de verdachte weet immers of hij over de gevolgen van zijn daad heeft nagedacht. Als de verdachte ontkent met voorbedachte raad te hebben gehandeld, kan de rechter echter toch tot een bewezenverklaring van moord komen. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Achtergrond van het conflict

Verdachte heeft verklaard dat hij sinds enkele maanden seks had met [2e naam] . Zij kregen in maart of april 2020 contact met elkaar. Rond 15 augustus 2020 heeft [2e naam] aan verdachte verteld dat ze zwanger was van hem. Verdachte wilde het kind niet. Hij was getrouwd en had al een gezin. Hij wilde dat [2e naam] het kind liet weghalen en bood aan te betalen voor de abortus. [2e naam] wilde het kind houden.9

Op 20 augustus 2020 heeft [2e naam] het volgende bericht gestuurd naar verdachte:

‘Jammer, dat het zo is gelopen jij weet dat ik heel veel van je hou ... en als je alles meende wat je tegen me zei .. en dus ook van mij houdt zoals je dat elke dag meende Dan weet je dat je me niet zo kunt laten vallen. Alsof ik niet meer waard ben voor je dan een temejier. Ik verwacht niets van je maar als het nodig is dat je een vadertest doet om te staan voor jou verantwoordelijkheid dan denk ik dat zelf [naam 1] ga vertellen. Ik heb dit echt niet verdiend hoe je laatst reageerde ook niet. 't is aan jou om mij te helpen in het belang van ons kindje waar wij het hartje al mooi van hebben zien kloppen. 't is aan jou liefs [2e naam] ’ 10

Uit dit bericht volgt dat [2e naam] het kind inderdaad wilde houden en dat [2e naam] dreigde om aan [naam 1] – de vrouw van verdachte – te vertellen dat zij zwanger was van verdachte. Uiteindelijk heeft [2e naam] dit dreigement ook uitgevoerd. Op 22 augustus 2020 heeft [getuige 1] namelijk op verzoek van [2e naam] via zijn account [accountnaam] contact gezocht met [naam 2] en [naam 3] , de kinderen van verdachte.11 [getuige 1] heeft het volgende bericht naar de dochter van verdachte gestuurd: ‘Hey ik ben een vriend van [2e naam] en zij wil in contact komen met je moeder omdat je vader [2e naam] zwanger heeft gemaakt en je moeder heeft recht op de waarheid ik zal je haar nummer sturen.’12

Verdachte heeft verklaard dat zijn vrouw [naam 1] die dag als gevolg van dit bericht op de hoogte raakte van het feit dat [2e naam] zwanger was van hem. Verdachte en zijn vrouw kregen hierover ruzie en zijn vrouw gaf aan te willen scheiden.13

Maandag 24 augustus 2020

Verdachte heeft over maandag 24 augustus 2020 onder meer het volgende verklaard. Het was een normale dag. Zijn vrouw en dochter kwamen rond zes uur, half zeven in de avond terug van het werk in de bloemenzaak van zijn dochter. Verdachte wilde met zijn vrouw praten om te proberen te voorkomen dat zij zouden gaan scheiden. Echter, zijn vrouw wilde definitief scheiden en zei dat hij de woonwagen moest verlaten. Verdachte ging douchen en kleedde zich aan. Hij stak wat geld en zijn pistool bij zich. Rond dat moment kreeg zijn dochter een berichtje van [2e naam] . Zijn dochter kwam naar hem toe en zei dat [2e naam] bloemen bij haar wilde bestellen. Zijn dochter was in tranen en zei dat hij – verdachte – alles kapot had gemaakt. Daarop heeft verdachte met de telefoon van zijn dochter [2e naam] opgebeld. Hij heeft haar uitgescholden voor ‘vieze stinkhoer’ en heeft gezegd dat zijn vrouw het al wist en zij zijn kinderen met rust moest laten. Vervolgens is hij in de auto gestapt en naar de woning van [2e naam] gereden, aldus steeds verdachte.14

Deze verklaring van verdachte wordt deels ondersteund door de verklaring van [naam 2] , de dochter van verdachte. Zij heeft verklaard dat haar ouders op zaterdag [rechtbank: 22 augustus 2020] en maandag [rechtbank: 24 augustus 2020] ruzie hadden. Zij kwam die maandag rond 18.30 uur thuis van haar werk in de bloemenwinkel. Haar vader was thuis en haar moeder wilde haar vader het huis uit hebben. Haar ouders hadden het over een scheiding. Haar vader ging boos weg.15

Dat verdachte – met de telefoon van zijn dochter – inderdaad die avond naar [2e naam] heeft gebeld, wordt bevestigd door het volgende. Uit onderzoek aan de telefoon van [naam 2] is gebleken dat om 19:00:54 uur een uitgaande oproep heeft plaatsgevonden naar het telefoonnummer van [2e naam] . Deze oproep is beantwoord. Het gesprek duurde vier seconden. Vervolgens is op deze telefoon om 19:04:06 uur een whatsapp-bericht ontvangen afkomstig van [2e naam] , met de tekst: ‘Ga lekker na [naam 4] laat mij met rust ik mag best bloemen bestellen. Je moet je gewoon als vader gedragen. Was je zelf bij nu scheld je mij uitvoor kankerhoer vreemd je hield van mij… Jij heb m’n kinderen bang gemaakt.’16

[2e naam] stuurt na deze tijd berichten naar verschillende personen waarin zij aangeeft dat [verdachte] haar net heeft gebeld met een ander nummer om haar uit te schelden.

Zo stuurt zij op 24 augustus 2020 om 19:11:59 uur een whatsapp-bericht naar [getuige 2] met de tekst: ‘ [verdachte] belde net om mij uit te schelden wtf met weer ’n ander nummer’17

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte nadat [2e naam] contact zocht met zijn dochter het besluit heeft genomen om naar de woning van [2e naam] toe te gaan.

Verdachte gaat naar de woning van [2e naam]

Op camerabeelden van het woonadres van verdachte is te zien dat verdachte rond 19:09:40 uur de standplaats van zijn woonwagen heeft verlaten.18

Verdachte heeft verklaard dat hij naar de woning ging om met [2e naam] te praten. Hij wilde haar wakker schudden, desnoods ‘door haar een dreun te verkopen’. Hij wilde haar in persoon vertellen dat zij moest stoppen hem en zijn kinderen te benaderen. Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Vaststaat dat verdachte zijn pistool bij zich had toen hij naar [2e naam] ging. Verdachte heeft verklaard dat hij dit vuurwapen 24 uur per dag bij zich droeg, bij voorkeur in een zak van zijn pantalon, precies zoals op de beelden te zien is geweest. Verdachte heeft verklaard dit te hebben gedaan in verband met zijn werk als goudhandelaar om zich te kunnen verdedigen tegen een overval. Deze verklaring acht de rechtbank echter hoogst onwaarschijnlijk. Door als bonafide goudhandelaar en marktkoopman een vuurwapen zo makkelijk zichtbaar bij zich te dragen zou verdachte voortdurend het risico lopen dat het bezit van het vuurwapen opgemerkt werd, met alle gevolgen – waaronder strafrechtelijke vervolging – van dien. Daar komt bij dat – als verdachte daadwerkelijk altijd een wapen op zak heeft gehad – zijn dochter, die bij hem in huis woonde, het vuurwapen op enig moment moet hebben gezien. Zijn dochter heeft echter verklaard dat zij haar vader nog nooit met een wapen heeft gezien.19

De rechtbank volgt deze verklaring van verdachte dan ook niet en gaat er vanuit dat verdachte het vuurwapen die avond bewust bij zich heeft gestoken om mee te nemen naar [2e naam] . Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit een aanwijzing dat verdachte naar [2e naam] toe ging met het doel haar om het leven te brengen. Daar komt het volgende bij.

De deur van de woning van [2e naam] is met kracht kapot gemaakt en lag in twee delen.20

Verdachte heeft daarover verklaard dat hij bij de deur van [2e naam] ’s woning heeft aangeklopt en heeft gezegd dat zij open moest doen, omdat hij met haar wilde praten. Toen [2e naam] weigerde de deur te openen en hem zei dat ze alles kapot zou maken en zijn kinderen er ook aan zouden gaan, werd het zwart voor zijn ogen. Vervolgens is hij dwars door de deur heen gelopen.

Deze verklaring vindt geen enkele steun in het dossier. Geen van de buurtbewoners die als getuigen zijn gehoord, heeft namelijk verklaard dat verdachte voor de deur nog iets zou hebben gezegd. Geen van hen heeft verklaard een mannenstem te hebben gehoord.

Zo heeft getuige [getuige 3] , die recht onder [2e naam] woonde op de tweede woonlaag, verklaard dat hij op het portaal voor zijn woning stond toen hij een forse man met een kaal hoofd naar de derde woonlaag zag lopen, waar [2e naam] woont. Direct daarop hoorde de getuige het geluid van harde klappen. Hij omschrijft het geluid als het intrappen van een voordeur. Bij het intrappen van die deur zei of riep de man niets.21

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte naar boven is gelopen en dat hij niet heeft getracht eerst een gesprek aan te gaan met [2e naam] , maar dat hij direct haar voordeur heeft ingebeukt. Dat [2e naam] door de voordeur van haar woning nog iets heeft gezegd waardoor verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling raakte, is dus niet gebleken. Integendeel, naar het oordeel van de rechtbank spreekt uit de wijze waarop verdachte het flatgebouw heeft betreden, naar de derde woonlaag is gelopen en direct op gewelddadige wijze de woning van [2e naam] heeft betreden juist een grote mate van doelgerichtheid en vastberadenheid.

Gebeurtenissen in de woning

Verdachte heeft verklaard dat [2e naam] , na zijn binnenkomst, direct naar het balkon liep en dat hij achter haar aan is gelopen. Zij trok de balkondeur hard dicht en daardoor knapte het glas.22

Dit vindt steun in de verklaringen van getuigen.

Getuige [getuige 4] is de directe buurvrouw van [2e naam] . Zij heeft verklaard dat zij meerdere bonken hoorde. Het klonk alsof een hele grote kledingkast van de trap af werd gegooid. Niet veel later hoorde zij de buurvrouw schreeuwen: ‘Niet doen, niet doen, alsjeblieft niet doen’. Vervolgens hoorde zij gestommel en glasgerinkel. Ze stond op het balkon en zag glasscherven vliegen op het balkon van de buurvrouw. Vervolgens hoorde zij drie of vier doffe klanken.23

Een anoniem gebleven getuige heeft verklaard dat hij glas hoorde breken. Daarna zag hij [2e naam] het balkon op komen. Zij schreeuwde iets naar de man en daarna hoorde hij twee schoten gelost worden.24

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij drie harde klappen hoorde. Het klonk als een deur die dichtsloeg. Daarna hoorde bij gerommel uit de woning van de buurvrouw en hoorde bij haar schreeuwen: ‘au, niet doen’. Vervolgens hoorde hij vier doffe klappen.25

De rechtbank stelt vast dat de bonken en de harde klappen die de getuigen hebben gehoord passen bij het inbeuken van de voordeur door verdachte. Het gestommel en het glasgerinkel dat getuigen hebben gehoord, passen bij het beeld dat [2e naam] (vervolgens) naar het balkon is gevlucht en verdachte haar is gevolgd.

Verdachte heeft verklaard dat [2e naam] , toen hij in de woning stond, nogmaals zei dat ze alles kapot zou maken, ook zijn kinderen. Hierdoor knapte er opnieuw iets bij verdachte en daarop heeft hij in een waas zijn pistool gepakt, zich omgedraaid en zonder te kijken op haar geschoten.

De rechtbank vindt deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verschillende getuigen hebben verklaard gehoord te hebben dat [2e naam] schreeuwde, maar geen van hen heeft gehoord dat zij iets dergelijks heeft gezegd. Bovendien ligt het naar het oordeel van de rechtbank ook niet in de rede dat [2e naam] op dat moment nog dreigementen zou uiten richting verdachte. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook de gebeurtenissen van enkele dagen daarvoor.

Op 21 augustus 2020 heeft [2e naam] bij de politie melding gemaakt van het feit dat zij die ochtend door verdachte was bedreigd. Verdachte was volgens [2e naam] die ochtend in haar woning geweest en was tegen haar tekeer gegaan waar haar kinderen bij waren. Hij had onder meer gezegd dat hij haar iets aan zou doen als zij het kind niet uit haar buik zou verwijderen.26

De telefoon van verdachte bevond zich op 21 augustus 2020 tussen 09:44 uur en 09:49 uur in de directe omgeving van de woning van [2e naam] .27

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij op 21 augustus 2020 vroeg in de ochtend hoorde dat [2e naam] en [verdachte] ruzie hadden. [2e naam] had haar zwangerschap kenbaar gemaakt op Facebook en [verdachte] wilde dat deze berichten verwijderd werden. Zij hoorde [2e naam] op een gegeven moment aan hem vragen of hij haar bedreigde. Getuige hoorde de deur dichtslaan en zag verdachte weglopen. De kinderen van [2e naam] waren die ochtend thuis.28

Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat [2e naam] bedreigd werd door [verdachte] . Zij herinnerde zich de tekst van één van de berichten nog. Daarin stond: ‘ik maak je helemaal kapot, je moet dat kind weg laten halen’. Vrijdag 21 augustus 2020 was [verdachte] bij [2e naam] binnengekomen. Hij had de kinderen naar de slaapkamer gestuurd en ze hadden erge ruzie gemaakt. Getuige heeft toen de kinderen meegenomen. De kinderen vertelden haar dat [verdachte] heel boos was en dat hij hen naar de slaapkamer had geduwd. De kinderen vertelden dat [2e naam] en [verdachte] tegen elkaar schreeuwden. Zij hadden gehoord dat hun moeder bedreigd was en zij waren erg bang.29

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat de kinderen van [2e naam] haar hadden verteld dat [verdachte] en mama een paar dagen voordat mama dood ging hele erge ruzie kregen. [verdachte] kwam het huis in en zij moesten van hem naar hun kamer. Zij hoorden ruzie en geschreeuw tussen [2e naam] en [verdachte] . [verdachte] wilde niet dat de baby zou komen en daarover hadden [verdachte] en [2e naam] ruzie.30

Op 21 augustus 2020 om 10:49 uur heeft [2e naam] een bericht op Facebook geplaatst met onder meer de volgende tekst: ‘Bah nooit meer zo doen met m’n kinderen erbij. Nooit meer bellen nooit meer aan m’n deur uit het oog uit ’t hart (…)’31

Op 21 augustus 2020 rond 14.20 uur heeft verdachte vier berichten gestuurd naar [2e naam] . Deze berichten zijn door hem verwijderd. Vervolgens stuurt [2e naam] de volgende berichten: ‘Ik laat me niet bedreigen’ en ‘Heb er al foto van gemaakt van alles dus als anderen jou zeggen dat je mij zo behandeld moet je mij niet bedreigen ik wil dat je mij met rust laat.’32 Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit – en uit het feit dat verdachte in de daaropvolgende berichten niet ontkennend reageert op de bewering van [2e naam] dat hij haar bedreigd heeft – worden afgeleid dat de door verdachte verstuurde en verwijderde berichten een bedreigend karakter hadden.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte op 21 augustus 2020 bij [2e naam] thuis is geweest en haar heeft bedreigd in het bijzijn van haar kinderen. De rechtbank acht het aannemelijk dat [2e naam] als gevolg van deze bedreigingen bang was. Dat [2e naam] ook op de dag van het schietincident erg bang was blijkt uit het volgende.

Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat [2e naam] haar om 19:14 uur belde en vertelde dat [verdachte] haar zojuist weer gebeld had met een ander nummer. Hij zei dat hij eraan kwam en haar dood zou schieten. [2e naam] was alleen en ze stond op het balkon. Ze was echt heel bang.33 [2e naam] vroeg aan getuige of haar kinderen daar mochten blijven. [2e naam] was heel erg in paniek toen ze belde en zei: ‘Hij gaat door totdat ik er niet meer ben’.34

Om 19:22 uur heeft [2e naam] een bericht gestuurd naar de wijkagent, waarin staat dat zij zojuist weer lastig was gevallen door [verdachte] .35

Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat [2e naam] altijd zei dat ze naar balkon zou rennen en om hulp zou roepen als haar iets zou overkomen.36 Direct nadat verdachte binnenkwam heeft [2e naam] zich naar het balkon begeven.

Om 19:26:15 uur heeft [2e naam] 112 gebeld.37

De rechtbank concludeert dat uit al deze feiten en omstandigheden volgt dat [2e naam] erg bang was op het moment dat verdachte, de persoon die haar al eerder bedreigd had, haar voordeur inbeukte. Het is zeer onaannemelijk dat [2e naam] in die situatie en onder die omstandigheden nog heeft gedreigd de kinderen van verdachte kapot te maken.

De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte op enig moment – voor de deur of in de woning – (door opmerkingen van [2e naam] ) in een plotselinge gemoedsopwelling is geraakt. Integendeel, uit de eerdere bedreigingen volgt naar het oordeel van de rechtbank juist dat het voor verdachte kennelijk een reële optie was om [2e naam] iets aan te doen.

Verdachte schiet op [2e naam]

Terwijl [2e naam] op het balkon stond, heeft verdachte vier keer op haar geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij in een waas zijn pistool in de richting van het balkon heeft gehouden, heeft weggekeken en vervolgens in een fractie van een seconde heeft geschoten.

Reeds gelet op het feit dat verdachte vier kogels heeft afgevuurd en deze kogels [2e naam] (gelet op het aantal in- en doorschoten) allemaal hebben geraakt, acht de rechtbank deze verklaring zeer ongeloofwaardig. Daar komt bij dat het schot door het hoofd van boven op het hoofd naar beneden is gegaan en door de lip van het slachtoffer naar buiten is gekomen. De wijze waarop deze kogel haar hoofd heeft doorboord, ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank het beeld dat verdachte bewust en gericht heeft geschoten op [2e naam] .

Dit beeld vindt steun in het volgende.

[2e naam] heeft om 19:26:15 uur 112 gebeld. Dit meldkamergesprek, dat 32 seconden duurde, is uitgewerkt. Daaruit volgt dat [2e naam] eerst zegt: ‘nee alsjeblieft niet doen’, vervolgens ‘één één twee help’, ‘au, au au’ en ‘ik ga dood, ik ga dood’. Daarna krijgt de centralist geen contact meer met [2e naam] en zijn er alleen achtergrondgeluiden hoorbaar. De centralist zet de melding door naar de meldkamer in Arnhem en vervolgens is alleen een kreunend en gorgelend geluid hoorbaar.38

Op camerabeelden van de [adres 2] in Arnhem van 24 augustus 2020 zijn onder meer een vrouwenstem en de schoten te horen. De tijd van deze camerabeelden liep ruim twee minuten voor op de werkelijke tijd. Onder meer het volgende is te horen:

19:28:12 uur Een schreeuw van een vrouw, een soort gehuil, paniek hoorbaar in de stem.

19:28:50 uur Een vrouw schreeuwt: ‘nee, alsjeblieft niet doen’.

19:28:57 uur De vrouw roept nog iets en gelijk daarop is een eerste knal hoorbaar.

19:29:01 uur Een vrouw roept: ‘au, au, au’ en ‘kan er niks aan doen’. De vrouw huilt hierbij onverstaanbaar.

19:29:07 uur Tweede knal. Daarna is alleen achtergrond geluid hoorbaar.

19:29:32 uur Derde knal.

19:29:37 uur Vierde knal.39

De rechtbank stelt vast dat tussen het eerste en het vierde schot sprake is van een tijdsverloop van 40 seconden en er tussen de vier schoten telkens tussenpozen zitten van respectievelijk tien, 25 en vijf seconden.

Uit de voorgaande bewijsmiddelen volgt dat [2e naam] na het eerste schot al hoorbaar was geraakt. Zij riep onder meer ‘au, au, au’, ‘kan er niks aan doen’ en ‘ik ga dood, ik ga dood’. Tien seconden later volgde het tweede schot. Vanaf dat moment kreeg de centralist geen contact meer met [2e naam] en waren alleen nog achtergrondgeluiden hoorbaar. Op dat moment moet [2e naam] al ernstig gewond en weerloos zijn geweest. Vervolgens verstrijken er maar liefst 25 seconden voordat verdachte opnieuw de trekker overhaalt. Weer vijf seconden later volgt het vierde schot.

De rechtbank overweegt dat deze handelswijze niet te verenigen is met het beeld van iemand die in een waas vier kogels op iemand afvuurt. Het overhalen van de trekker vereist telkens een bepaalde mate van bewustheid, zeker als tussen de schoten zoveel tijd verstrijkt. Dat verdachte, nadat [2e naam] al volledig uitgeschakeld was, na bijna een halve minuut nog een derde en een vierde kogel heeft afgevuurd, draagt bij aan het beeld dat sprake was van een afrekening: [2e naam] moest dood.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier geen aanwijzingen volgen dat verdachte met een ander doel naar [2e naam] toe ging dan om met haar af te rekenen. Geen enkele handeling van verdachte duidt erop dat hij iets anders van plan was dan haar te doden. Verdachte heeft – de rechtbank heeft hiervoor ook al zo benoemd – doelgericht en vastberaden gehandeld.

De rechtbank stelt vast dat tussen het moment dat verdachte van huis is vertrokken met het plan [2e naam] om het leven te brengen en het lossen van het eerste schot ongeveer zeventien minuten zijn verstreken. Gedurende deze tijd heeft verdachte zich kunnen beraden en had hij zich kunnen bedenken. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft zijn plan doorgezet en uitgevoerd.

Conclusie

De rechtbank concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op zijn besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Voor de rechtbank staat dan ook vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank acht daarnaast geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte [2e naam] opzettelijk en met voorbedachte raad heeft doodgeschoten en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij, op of omstreeks 24 augustus 2020, te Arnhem,

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) op/in/door het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Moord.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aansluiting dient te worden gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken voor doodslag worden opgelegd, namelijk een gevangenisstraf tussen de acht en twaalf jaar. Daarbij heeft de verdediging verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte kampt met schuldgevoelens. Daarnaast is verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte in aanleiding naar het feit door het slachtoffer tot wanhoop is gedreven, het feit dat hij publiekelijk is vernederd op Facebook en het voortbestaan van zijn gezin en zijn kinderen werden bedreigd. Tot slot is verzocht rekening te houden met de veranderende regels met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Mocht de rechtbank aanleiding zien aan te nemen dat sprake is geweest van een disproportionele aanhouding, dan zou hier in straf verminderende zin rekening mee kunnen worden gehouden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft [2e naam] vermoord. Hij heeft een vuurwapen bij zich gestoken en is naar haar woning toe gereden. Daar heeft hij haar voordeur ingebeukt en is haar woning binnengestormd. Nadat [2e naam] naar het balkon was gevlucht en dus geen kant meer op kon, heeft verdachte zijn vuurwapen op haar gericht en de trekker overgehaald. In totaal heeft hij vier keer geschoten, met steeds lange tussenpozen. [2e naam] was na het tweede schot al volledig weerloos en uitgeschakeld. Toch besloot verdachte nog een derde en vierde kogel op haar af te schieten. De rechtbank kan de handelswijze van verdachte niet anders karakteriseren dan als een kille, meedogenloze en uiterst gewelddadige afrekening.

En waarom? Duidelijk is geworden dat verdachte wilde dat [2e naam] het kind weg liet halen. [2e naam] wilde het kind echter houden. Verdachte heeft daarop besloten dat [2e naam] , een moeder van twee jonge kinderen, dood moest. Daarom heeft hij haar uit het leven geschoten en hun ongeboren kind het recht op leven ontnomen. Daarmee heeft verdachte zijn probleem – dat hij zelf had veroorzaakt – op een gruwelijke manier op proberen te lossen. Wat hij er echter mee heeft veroorzaakt is dat de dochters van [2e naam] , die hij nota bene kende en die ook op hem gesteld waren, hun moeder is ontnomen.

Verdachte heeft met de moord op [2e naam] aan haar dochters en haar naaste familie, vrienden en bekenden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Dit is ter terechtzitting ook indringend naar voren gebracht in de voorgedragen slachtofferverklaring van de dochters van [2e naam] en door haar broer, die gebruik heeft gemaakt van zijn spreekrecht.

Een dergelijk gruwelijk en gewelddadig feit wordt daarnaast ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving in het algemeen. Het behoeft geen betoog dat hiermee sterke gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg zijn gebracht. Gelet op het gewelddadige karakter van het feit en de onomkeerbare en onherstelbare gevolgen ervan is de rechtbank van oordeel dat alleen een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is.

Bij het bepalen van de hoogte van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank ook de volgende omstandigheden, zij het beperkt, meegewogen. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte al in een relatief vroeg stadium heeft bekend dat hij degene was die de fatale schoten heeft gelost. Uit het reclasseringsadvies van 30 november 2020 volgt daarnaast dat de moord mogelijk situationeel bepaald is en dat er sprake is van een laag recidiverisico. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat verdachte ter zitting spijt heeft betuigd en dat deze spijt oprecht over lijkt te komen. Daarnaast is ook het leven van verdachte in zekere zin verwoest. Maar voorop staat toch dat verdachte zelf – en niemand anders – daarvoor verantwoordelijk is. Het is verdachte geweest die ervoor heeft gekozen [2e naam] op gewelddadige wijze van het leven te beroven.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat bij de aanhouding van verdachte disproportioneel geweld is gebruikt, gaat de rechtbank daaraan voorbij, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat daarvan sprake is geweest. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding rekening te houden met de aanstaande veranderingen met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar passend en geboden.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] hebben in verband met de moord op [2e naam] vorderingen tot schadevergoeding ingediend.

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] vorderen ieder € 20.000,00 aan affectieschade. [benadeelde 3] en [benadeelde 4] vorderen ieder € 17.500,00 aan affectieschade.

[benadeelde 5] vordert een bedrag van € 2.336,55 aan materiële schade, wegens gemaakte kosten voor de uitvaart.

De benadeelde partijen hebben verzocht de vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen allen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] dienen te worden toegewezen. Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering moeten worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van een nauwe affectieve relatie tussen benadeelden en het slachtoffer.

Overweging van de rechtbank

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

De nabestaanden van het slachtoffer, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (dochters), [benadeelde 3] (moeder) en [benadeelde 4] (pleegmoeder) hebben vergoeding van affectieschade gevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat het vorderen van affectieschade vanaf 1 januari 2019 mogelijk is voor de in artikel 6:108, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen.

Uitgangspunt is dat de kring van gerechtigden is beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe affectieve band met het slachtoffer te hebben. De rechtbank stelt vast dat elk van de benadeelde partijen die deze vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, tot deze kring van gerechtigden behoort en bij haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.

De rechtbank stelt voorop dat de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet inhoudelijk zijn betwist. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze vorderingen toewijzen.

De vorderingen van [benadeelde 3] (moeder) en [benadeelde 4] (pleegmoeder) zijn wel betwist.

De rechtbank overweegt dat er omstandigheden denkbaar kunnen zijn waaronder vergoeding van affectieschade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dat geval kan de vordering met een beroep op artikel 6:2 lid 2 BW, dat zich slechts leent voor zeer uitzonderlijke gevallen, worden afgewezen. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2014/15, 34 257, 3, p. 15) volgt onder meer dat de feitelijke invulling van de persoonlijke relaties slechts in zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen aan de orde dienen te kunnen worden gesteld, gelet op het feit dat discussies over de feitelijke invulling van op zichzelf zeer nauwe persoonlijke betrekkingen voor de naasten belastend en precair zijn.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen. Zij overweegt hiertoe het volgende.

[benadeelde 3] , de moeder van het slachtoffer, heeft het slachtoffer op jonge leeftijd achtergelaten bij haar tante (en latere pleegmoeder) [benadeelde 4] . Ondanks het feit dat niet duidelijk is hoe het contact tussen moeder en slachtoffer in de periode voorafgaande aan haar dood was, is de rechtbank van oordeel dat dit niets afdoet aan de affectieve relatie tussen een moeder en haar kind. Tussen een kind en een ouder bestaat immers een onvoorwaardelijke (bloed)band en dat maakt dat het verlies van een kind pijn doet, ongeacht de mate van contact. De schadeveroorzakende gebeurtenis heeft er bovendien voor gezorgd dat het hebben van een band met het slachtoffer ook nimmer meer mogelijk is in de toekomst.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4] , de tante en pleegmoeder van het slachtoffer overweegt de rechtbank dat het slachtoffer vanaf haar derde levensjaar bij [benadeelde 4] en haar gezin heeft gewoond. Zij is door haar opgevoed en verzorgd als één van haar eigen kinderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een nauwe affectieve band tussen hen kan worden verondersteld en dat deze gelijkgesteld kan worden met de band tussen een moeder en haar kind.

De rechtbank acht een vergoeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook niet onaanvaardbaar. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande uitgaan van de normbedragen en de gevorderde bedragen ter zake geleden affectieschade toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, in de zin van kosten van lijkbezorging. Op grond van artikel 51f, tweede lid, juncto artikel 6:108 Burgerlijk wetboek (BW) komen kosten voor lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank overweegt dat de vordering niet inhoudelijk is betwist. De vordering is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen.

Ten aanzien van alle vorderingen: wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Verdachte is ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen vanaf 24 augustus 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de civiele vorderingen

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] van de volgende bedragen aan materiële schade/smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [benadeelde 1] € 20.000,00 24 augustus 2020

2. [benadeelde 2] € 20.000,00 24 augustus 2020

3. [benadeelde 3] € 17.500,00 24 augustus 2020

4. [benadeelde 4] € 17.500,00 24 augustus 2020

5. [benadeelde 5] € 2.336,55 24 augustus 2020

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade/smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag Gijzeling

1. [benadeelde 1] € 20.000,00 85 dagen

2. [benadeelde 2] € 20.000,00 85 dagen

3. [benadeelde 3] € 17.500,00 85 dagen

4. [benadeelde 4] € 17.500,00 85 dagen

5. [benadeelde 5] € 2.336,55 25 dagen

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 april 2021.

mr. H.C. Leemreize is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek Gelre (ON4R020112), gesloten op 13 januari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2021; proces-verbaal van bevindingen, p. 150-154; proces-verbaal forensisch onderzoek woning, p. 1113; kennisgeving van inbeslagneming, p. 515; NFI-rapport munitieonderzoek, p. 525-526.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 312.

4 NFI-rapport, pathologieonderzoek d.d. 2 september 2020 (nagekomen).

5 Proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek, p. 979.

6 NFI-rapport, pathologieonderzoek d.d. 2 september 2020 (nagekomen).

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 196.

8 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2021.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2021.

10 Bijlage 2 (extraction rapport) bij proces-verbaal van bevindingen, gesloten op 1 maart 2021, p. 78 (nagekomen).

11 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 225.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 230.

13 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2021.

14 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2021.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 694.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1402-1404.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1299; proces-verbaal van bevindingen, p. 835-836.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 132, 135-136.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 696.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 307.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 571.

22 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2021.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 549.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 622-623.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 561.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 237-240.

27 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen t.a.v. 21 augustus 2020, gesloten op 1 februari 2021 (nagekomen).

28 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 261-262; proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2021 (nagekomen).

29 Proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2021 (nagekomen).

30 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 803.

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 209.

32 Bijlage 2 (extraction rapport) bij proces-verbaal van bevindingen, gesloten op 1 maart 2021, p. 80 (nagekomen).

33 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 771.

34 Proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2021 (nagekomen).

35 Proces-verbaal van bevindingen, p. 194.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 613.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 305.

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. 305-306.

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 150-154.