Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1962

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
C/05/385798 / KG RK 21-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondelinge wrakingsbeslissing; vermoeden van een band tussen rechter en advocaat wederpartij maar niet gebaseerd op concrete feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/385798 / KG RK 21-227

proces-verbaal van de mondelinge beslissing van 8 april 2021

van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekers]

wonende te [Woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekers,

advocaat mr. Y. Wong te Amsterdam

strekkende tot de wraking van

mr. M.L. Braaksma

rechter in deze rechtbank

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 23 maart 2021

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 29 maart 2021

  • -

    de schriftelijke reactie van de wederpartij in de bodemzaak van 30 maart 2021

  • -

    de wrakingszitting van 8 april 2021.

1.2.

Ter zitting heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan, die in uitgewerkte vorm, met de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, als volgt luidt.

2 De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

3 De beoordeling

3.1.

De wrakingskamer geeft hiervoor de volgende motivering.

3.2.

Verzoekers hebben blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Verzoekers hebben een vermoeden dat de rechter op enige wijze een band heeft met de advocaat van de wederpartij, mr. [belanghebbende 1] , omdat zij beiden werkzaam zijn geweest bij een rechtsbijstandsverzekeraar en hun namen in hetzelfde artikel van Mr.-Online worden genoemd. Deze band tussen de rechter en mr. [belanghebbende 1a] , ontstaan bij een rechtsbijstandsverzekeraar of ontstaan uit de samenwerking voor het artikel, leidt bij verzoekers tot het bestaan van enige vrees ten aanzien van de rechterlijke onpartijdigheid.

3.3.

De rechter heeft niet in de wraking berust en als volgt gereageerd. Zij weerspreekt dat sprake is van een band tussen haar en mr. [belanghebbende 1a] , bij haar weten heeft zij hem nimmer gesproken of ontmoet en evenmin ooit met hem samengewerkt.

3.4.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.5.

De vrees van verzoekers dat de rechter niet onpartijdig is mist feitelijke grondslag. Ter zitting is duidelijk geworden dat de rechter en mr. [belanghebbende 1a] niet in dezelfde periode werkzaam zijn geweest bij ARAG. Ten aanzien van de totstandkoming van het artikel uit 2010 hebben de rechter en mr. [belanghebbende 1a] beiden verklaard dat zij elkaar niet hebben gezien of gesproken, laat staan te hebben samengewerkt. De rechter en mr. [belanghebbende 1a] hebben beiden tevens verklaard dat zij ook overigens elkaar nooit hebben gezien of gesproken. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Het feit dat de rechter en mr. [belanghebbende 1a] beiden bij een rechtsbijstandsverzekeraar hebben gewerkt én dat zij beiden – apart van elkaar – zijn benaderd voor een artikel is daartoe onvoldoende. Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

Deze mondelinge beslissing is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter,

mr. A.F. Germs-de Goede en mr. Y.H.M. Marijs, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. [Persoon x] en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2021 en vastgelegd op 8 april 2021.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.