Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1923

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
05/225574-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand na gegrondverklaring inhouding rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2021/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/225574-20

Raadkamernummer : 20/9480

Datum uitspraak : 16 april 2021

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] , hierna: ‘verzoeker’,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

te dezer zaak woonplaats kiezende aan de [adres 2] , 3811 HN Amersfoort, ten kantore van zijn advocaat mr. H. Seton.

De procedure

Het verzoekschrift is op 11 november 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Vanwege de maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van het Coronavirus, waardoor een zitting in aanwezigheid van alle partijen mogelijk lange tijd op zich laat wachten, is na overleg met de advocaat, verzoeker en het Openbaar Ministerie besloten de standpunten schriftelijk uit te wisselen.

De officier van justitie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Het verzoekschrift is in de openbare raadkamer van 16 april 2021 behandeld.

Verzoeker en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Het verzoek

In het verzoekschrift heeft verzoeker verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte kosten ten behoeve van de strafzaak, te weten:

  • -

    € 358,16 ter zake kosten rechtsbijstand;

  • -

    PM de forfaitaire vergoeding voor het indienen/behandelen van het

onderhavige verzoekschrift.

De standpunten van partijen

Tegen het inhouden van het rijbewijs is door verzoeker een klaagschrift ingediend welk klaagschrift bij beslissing van 1 oktober 2020 gegrond is verklaard. In artikel 164 lid 8 WVW 1994 is de mogelijkheid opgenomen een klaagschrift in te dienen tegen de beslissing tot inhouding van het rijbewijs. Artikel 552a leden 4 t/m 6 Sv zijn op die procedure van overeenkomstige toepassing verklaard. In lid 9 van artikel 164 WVW is de mogelijkheid opgenomen een verzoekschrift tot schadevergoeding in te dienen als de zaak zonder oplegging van straf of maatregel eindigt.

Op 20 april 2016 heeft de rechtbank Gelderland overwogen dat de procedure ex artikel 552a Sv (oud) gelijkgesteld kan worden aan de procedure ex artikel 164 lid 8 WVW 1994 en dat dientengevolge het verzoek tot vergoeding van de kosten raadsman gemaakt ten behoeve van het indienen van het klaagschrift tot teruggave van het rijbewijs voor vergoeding in aanmerking komt indien het klaagschrift gegrond is verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat met het begrip “zaak” de strafzaak wordt bedoeld en niet ook de procedure ex artikel 164 lid 8 WVW 1994. De strafzaak tegen verzoeker is nog niet geëindigd en derhalve is niet voldaan aan het vereiste van artikel 530 tweede lid Sv.

Bij mail van 18 maart 2021 heeft de advocaat gereageerd op de conclusie van de officier van justitie en het volgende aangevoerd. De beslissing van de rechtbank Gelderland en andere lagere rechters dateren van na het arrest HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757, te weten 20 april 2016. Bovendien heeft de Hoge Raad, ondanks de kaders die de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013 heeft aangegeven (r.o. 4.4.) in het geval dat in 2015 voor lag, zijn terughoudende opstelling laten bepalen door de veronderstelling dat de wetgever bij de aangekondigde herziening van het Wetboek van Strafvordering mogelijk de onderhavige regelgeving (ingrijpend) zou herzien (r.o.4.5.2.) hetgeen niet is gebeurd. De advocaat persisteert.

Bij mail van 25 maart 2021 is de officier van justitie verzocht te reageren op voornoemd standpunt van de advocaat maar een reactie is niet ontvangen.

De beoordeling

Vooropgesteld moet worden dat het Wetboek van Strafvordering een gesloten systeem van strafvorderlijke schadevergoedingen kent, verspreid over enkele wetsbepalingen en gericht op enkele specifieke situaties. Er is geen algemene bepaling die recht geeft op vergoeding van schade die is geleden door strafvorderlijk optreden, anders dan artikel 6:162 BW, in welk geval de burgerlijke rechter bevoegd is. Het onderhavige verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor het indienen van een klaagschrift als bedoeld in artikel 164 lid 8 WVW, gericht tegen de invordering en inhouding van het rijbewijs, heeft geen wettelijke grondslag, om de volgende redenen.

Artikel 164 lid 9 WVW geeft de mogelijkheid tot vergoeding van schade die is geleden door de invordering en inhouding van het rijbewijs (bijvoorbeeld de kosten van vervangend vervoer, gederfd inkomen vanwege het niet gebruik kunnen maken van het rijbewijs, vergelijkbaar met de regeling van artikelen 533 en 534 ter zake van ondergane voorlopige hechtenis). De kosten van rechtsbijstand in de klaagprocedure van lid 8 vallen hier niet onder.

Artikelen 529 en 530 Sv openen de mogelijkheid een vergoeding toe te kennen voor sommige kosten die de (gewezen) verdachte heeft gemaakt ten behoeve van de strafzaak, waaronder de kosten van rechtsbijstand, indien die strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. In artikel 529 lid 5 (ook van toepassing voor de schaderegeling van artikel 530, zie lid 4 daarvan) wordt deze schadevergoedingsmogelijkheid van overeenkomstige toepassing verklaard voor een aantal andere procedures van het Wetboek, namelijk procedures inzake terbeschikkingstelling en klaagschriften inzake beslag als bedoeld in artikelen 552a t/m 552b Sv). De klaagprocedure van artikel 164 lid 8 WVW wordt hierbij niet genoemd.

Anders dan verzoeker stelt, betekent de verwijzing in artikel 164 lid 8 WVW naar artikel 552a vierde en zesde lid Sv, niet dat daarmee de klaagschriftprocedure alsnog via de achterdeur onder het bereik van de schadevergoedingsbepaling worden gebracht. Deze verwijzing ziet immers alleen op enkele processuele onderwerpen als de vraag welke rechtbank bevoegd is, binnen welke termijn het klaagschrift moet ingediend (lid 4) en de mogelijkheid van elektronische indiening (lid 6) (terzijde wordt opgemerkt dat de wetgever kennelijk nog steeds niet de bij invoering van artikel 164 lid 6 WVW abusievelijk vervallen verwijzing naar de openbare behandeling, thans neergelegd in lid 7, heeft hersteld). Waarom de wetgever heeft gekozen voor het in artikel 164 lid 8 WVW opnemen van verwijzingen naar artikel 552a Sv, is te lezen in de conclusie van advocaat-generaal F.W. Bleichrodt voorafgaande aan HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757; NJ 2016/6 m.nt. JMR, nrs 20 e.v. Uit deze verwijzing kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om via deze, het moet gezegd, wel erg omslachtige weg, de regeling van de schadevergoeding van artikelen 529 en 520 Sv van overeenkomstige toepassing te laten zijn op de klaagschriftprocedure van artikel 164 lid 8 WVW.

Ook wetssystematisch is er geen reden de schadevergoedingsregeling van toepassing te achten op de klaagschriftprocedure van artikel 164 lid 8 WVW. Laatstgenoemde procedure is accessoir aan de latere strafzaak bij de politierechter of kantonrechter, hetgeen een verschil is met de beklagprocedures van artikel 552a Sv inzake beslag of van artikel 12 Sv inzake beklag over niet vervolging, op welke procedure de schadevergoedingsregeling wel van overeenkomstige toepassing is verklaard (HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566; NJ 2013/402). In zoverre kan aansluiting worden gezocht bij de overweging van het gerechtshof Den Haag, dat kosten rechtsbijstand in de klaagschriftprocedure ex artikel 164 lid 8 WVW 1994 -ongeacht de uitkomst van die procedure- dienen te worden beschouwd als kosten van rechtsbijstand in de strafzaak (Hof Den Haag 18 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2129). Anders gezegd: indien de strafzaak betreffende het verkeersdelict waarvoor het rijbewijs is ingehouden, uiteindelijk eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr, kan de gewezen verdachte kosten rechtsbijstand claimen waaronder dan ook de kosten betreffende de klaagschriftprocedure zijn begrepen. In alle andere gevallen is er geen grondslag en geen rechtvaardiging voor vergoeding van de kosten van de klaagschriftprocedure.

Kortom. Er is geen enkele reden anders te beslissen dan de Hoge Raad heeft gedaan in HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566; NJ 2013/402.

Verzoeker is daarom niet ontvankelijk.

De beslissing

De raadkamer:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2021.

Binnen één (1) maand na betekening van deze beslissing kan daartegen hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.