Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1859

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
05/183134-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraffen voor medeplegen van brandstichting en poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/183134-20

Datum uitspraak : 13 april 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd en ingeschreven in de Hartelborgt Opvang aan de Borgtweg 1 in (3202LJ) Spijkenisse.

Raadsman: mr. G.A.J. Purperhart, advocaat in Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 oktober 2020, 12 januari 2021 en 23 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Renkum

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven te beroven

naar het pand waar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] woonden

( [adres] )is/zijn gereden en/of voor /nabij de deur van de (kamer)woning van

die [slachtoffer 1] (kamer [nummer 1] ) en/of de (aangrenzende) (kamer) woning van die

[slachtoffer 2] en/of in een hal en/of in het trappenhuis van dat pand

een hoeveelheid terpentine en/of wasbenzine, althans (een) brandbare middel(en)

heeft/hebben uitgegoten/gegooid en/of deze heeft/hebben aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Renkum

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk

van het leven te beroven

naar het pand waar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] woonden

( [adres] )is/zijn gereden en/of voor /nabij de deur van de (kamer)woning van

die [slachtoffer 1] (kamer [nummer 1] ) en/of de (aangrenzende) (kamer) woning van die

[slachtoffer 2] (kamer [nummer 2] ) en/of in een hal en/of in het trappenhuis van dat pand

een hoeveelheid terpentine en/of wasbenzine, althans (een) brandbare middel(en)

heeft/hebben uitgegoten/gegooid en/of deze heeft/hebben aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Renkum

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige brandwonden, heeft

toegebracht, door naar het pand waar voornoemde [slachtoffer 2] woonde ( [adres]

) te rijden en/of voor/nabij de deur van de (kamer)woning ( [nummer 1] ) en/of de

(aangrenzende) (kamer)woning van die [slachtoffer 2] en/of in een hal en/of in het

trappenhuis van dat pand een hoeveelheid terpentine en/of wasbenzine, althans

(een) brandba(a)r(e)middel(en) uit te gieten en/of te gooien en/of deze aan te

steken, ten gevolge waarvan het lichaam van die [slachtoffer 2] (deels) is verbrand;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Renkum tezamen en in vereniging met een of

meer anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand voor kamerbewoning

(gelegen aan [adres] )

immers heeft /hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar opzettelijk

terpentine en/of wasbenzine, althans een of meer brandversnellend(e) middel(en),

uitgegoten en/of gegooid voor/over een deur (van [nummer 1] ) en/of in de hal

en/of op de trap en/of in het trappenhuis van dat pand

en/of vervolgens deze terpentine en/of wasbenzine, althans die/dat

brandversnellende middel(en), aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die kamer(s) en/of dat pand en/of een hond geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor (diverse andere kamers in) dat pand , in elk geval gemeen gevaar voor

goederen,

en/of levensgevaar voor [slachtoffer 2] en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of

een of meer andere (kamer)bewoner(s) van voornoemd pand , in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen,

te duchten was.

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en

met 13 juli 2020 te Renkum en/of Rotterdam en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen,

(telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting,

door die [slachtoffer 1] te mishandelen en/of meermalen , althans eenmaal

(telefonisch en of via berichtenverkeer en/of fysiek) contact met die [slachtoffer 1]

op te nemen en/of te zoeken en/of ( op 13 of 14 juni 2020) een foto van een

telefoon met daarop een bericht naar die [slachtoffer 1] te sturen met de tekst"Je wil

me naaien ? Ik geef jou tot zondag is me kk geld er niet gaat die osso europalaan

en dieren plat kijke zelf wie je wil naaien" en/of

op 14 juni 2020 een foto naar die [slachtoffer 1] te sturen , waarop is te zien dat de

trap van de begane grond naar de eerste verdieping in het pand waar die

[slachtoffer 1] woont in brand staat en/of

op 14 juni 2020 een foto van een medeverdachte ( [verdachte] ) op de plaats

delict naar die [slachtoffer 1] te sturen met daarbij de tekst "Weet met wie je

problemen zoekt"

en/of een foto van een onbekend persoon met daarbij de tekst "Dits hoe k

volgende dinsdag opsporing verzocht ga kijken, miss kom k je tegen" , althans

berichten met woorden van gelijke dreigende aard of strekking naar die

[slachtoffer 1] te sturen en/of

(na de brandstichting in het pand waar die [slachtoffer 1] een kamer bewoonde)

meermalen , althans eenmaal (telefonisch en of via berichtenverkeer en/of fysiek)

contact met die [slachtoffer 1] op te nemen en/of te zoeken en/of daarbij aan die

[slachtoffer 1] de woorden toe te voegen dat deze geld (terug) moest betalen of dat

anders de volgende keer de woning van die [slachtoffer 1] met hem erbij in brand

zou gaan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking toe te

voegen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op zondag 14 juni 2020 zijn verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] samen met medeverdachte [medeverdachte 2] vanuit Rotterdam naar de woning van [slachtoffer 1] , gelegen in een pand aan de [adres] in Renkum, gereden. [verdachte] is uitgestapt om te kijken of [slachtoffer 1] thuis was.2 Hij werd binnengelaten door [slachtoffer 2] , de buurman van [slachtoffer 1] .3 [slachtoffer 1] bleek niet thuis te zijn. Daarop zijn de verdachten met zijn drieën naar de Albert Heijn in Renkum gereden.4 Daar kocht [verdachte] vier flessen wasbenzine en twee flessen terpentine.5 Vervolgens zijn zij teruggereden naar de woning van [slachtoffer 1] . [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn uitgestapt en naar de woning gelopen met de tas met daarin de flessen wasbenzine en terpentine.6

Kort daarna is er brand gesticht in het voornoemde pand. Dit pand beschikt over tien kamers, verdeeld over de begane grond en de eerste verdieping, die worden gebruikt voor kamerbewoning.7 [slachtoffer 1] is de bewoner van kamer [nummer 1] en [slachtoffer 2] woont daarnaast in kamer [nummer 2] .8 Deze kamers bevinden zich op de eerste verdieping van het pand en zijn middels een trap aan het einde van de hal nabij kamer [nummer 1] bereikbaar.9 Deze trap had brandschade. De grootste vuurbelasting had bovenaan de trap plaatsgevonden. Het brandbeeld toonde aan dat de brand over de trap naar boven was getrokken. De gangen en kamers in het pand en de gehele hal op de eerste verdieping hadden brandschade. Op de vloer tussen [beide nummers] zat een diepe inbranding, hetgeen duidt op een hoge vuurconcentratie.10 Voor de drempel van kamer [nummer 1] werden een product van subklasse kookpuntbenzine (bijvoorbeeld wasbenzine) en een product van subklasse kerosine (bijvoorbeeld terpentine) aangetroffen.11

Op het moment van de brand waren er meerdere bewoners in het pand aanwezig.12 Als gevolg van de brand heeft bewoner [slachtoffer 2] ernstige brandwonden opgelopen in zijn gelaat, in zijn hals, op zijn rug en zijn armen. Zijn lichaamsoppervlakte was voor twaalf procent verbrand en hij heeft huidtransplantaties moeten ondergaan. [slachtoffer 2] heeft enkele weken in het ziekenhuis gelegen, waarvan drie dagen op de intensive care.13 De hond van [slachtoffer 2] is als gevolg van de brand overleden.14

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot moord (feit 1 primair) en opzettelijke brandstichting (feit 2).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten. Hiertoe is, kort gezegd, aangevoerd dat er geen sprake was van voorbedachte raad, nu er bij verdachte geen sprake was van een intentie of een tevoren bedacht plan of kalm beraad dat zag op een besluit dat als gevolg mogelijk tot de dood zou leiden. Bovendien was er bij verdachte geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] .

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde opzettelijke brandstichting. Hiertoe is, kort gezegd, het volgende aangevoerd. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] vindt geen steun in het dossier. Verdachte had geen opzet op de brandstichting. Er was ook geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met verdachte [medeverdachte 1] , nu verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het feit. Verdachte is slechts behulpzaam geweest bij het feit en was op het cruciale moment niet aanwezig in het pand.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben beiden verklaard aanwezig te zijn geweest bij de brandstichting. Over de rol die zij daarbij hebben gespeeld hebben zij echter uiteenlopend verklaard.

[verdachte] heeft verklaard dat het initiatief voor de brandstichting uitging van [medeverdachte 1] . [slachtoffer 1] verkocht drugs voor [medeverdachte 1] en was [medeverdachte 1] nog geld schuldig. [medeverdachte 1] was boos, omdat [slachtoffer 1] hem niet betaalde. Hij wilde naar de woning van [slachtoffer 1] gaan om zijn geld te incasseren. Toen [slachtoffer 1] niet thuis bleek te zijn, wilde [medeverdachte 1] hem laten schrikken. Op initiatief van [medeverdachte 1] zijn ze naar de Albert Heijn gegaan en daar heeft [verdachte] de flessen wasbenzine en terpentine voor hem gekocht. Op verzoek van [medeverdachte 1] is hij meegelopen naar de woning van [slachtoffer 1] . [verdachte] heeft verder verklaard dat hij alleen op de uitkijk heeft gestaan en niet heeft gezien wat [medeverdachte 1] binnen deed. Pas toen hij de deur open deed om te kijken of [medeverdachte 1] al klaar was, zag hij dat [medeverdachte 1] de hele trap in brand had gestoken. [verdachte] was in shock.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier met betrekking tot de rol van [verdachte] een ander beeld naar voren komt dan hij in zijn verklaring heeft geschetst. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij drugs heeft verhandeld voor [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) en dat hij in de periode van de brand problemen had met [verdachte] en [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ).15

Op 12 juni 2020 is [verdachte] , na contact met [slachtoffer 1] , afgereisd naar de woning van een vriendin van [slachtoffer 1] in Rheden, [naam 1] .16 Met de telefoon van [naam 1] zijn sms-berichten gestuurd naar [slachtoffer 1] met de volgende teksten: ‘Jouw vriend zit hier bij mij te wavhten (de rechtbank begrijpt: wachten) op jou, hij heeft niks bij zich.’ ‘(…)Ben je onderweg?’ ‘Hij krijgt geld van je…’17

Die avond is met de telefoon van [medeverdachte 1] een sms gestuurd naar [slachtoffer 1] met de tekst: ‘ [verdachte] is boos’18

Uit deze berichten volgt dat [verdachte] op 12 juni 2020 naar Rheden is gegaan omdat hij nog geld kreeg van [slachtoffer 1] en dat hij ook boos was toen [slachtoffer 1] niet kwam opdagen. Dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] naar Rheden is afgereisd en voor [medeverdachte 1] geld ging halen, zoals [verdachte] ter terechtzitting heeft verklaard, is niet aannemelijk en past ook niet in het beeld van de bewijsmiddelen die hierna zullen worden besproken.

Op 13 juni 2020 is er met de telefoon van [verdachte] een sms-bericht gestuurd naar [slachtoffer 1] met de tekst: ‘je wil me naaien? Ik geef jou tot zondag is me kk geld er niet dan gaat die osso europalaan en dieren plat kijk zelf wie je wil naaien’.19

Verdachte heeft pas in een zeer laat stadium, ter terechtzitting, verklaard dat hij dit bericht niet heeft verstuurd, maar dat [medeverdachte 1] op dat moment zijn telefoon had. Hij heeft voor die bewering nog geen begin van aannemelijkheid aangedragen. Het is ook niet logisch dat [medeverdachte 1] , op het moment dat verdachte toevallig zijn telefoon in de auto laat liggen, besluit om een dreigend bericht te sturen met de telefoon van verdachte, anders dan dat hij verdachte er reeds op 13 juni 2020 in zou willen luizen. Daarvoor bestaat echter geen enkele aanwijzing. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank staat daarom vast dat [verdachte] dit bericht zelf naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd. Uit de inhoud van dit bericht volgt dat hij kennelijk ‘genaaid’ werd door [slachtoffer 1] , nog geld van [slachtoffer 1] tegoed had en hem tot zondag de tijd gaf om te betalen.

Daar komt bij dat [verdachte] na de brand een Snapchat-filmpje heeft opgenomen waarbij hij zichzelf filmt met op de achtergrond de brandende trap met daarbij de tekst: ‘Weet met wie je grappen maakt’.20

[verdachte] heeft hier wisselend over verklaard. In eerste instantie heeft hij verklaard dat hij het filmpje heeft doorgestuurd naar anderen, maar niet naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , omdat hij liep te pronken met iets dat hij niet zelf had gedaan. Ter zitting heeft hij vervolgens verklaard dat [medeverdachte 1] hem de opdracht gaf dit filmpje te maken. Verdachtes verklaring dat hij dat filmpje in opdracht van [medeverdachte 1] moest maken is alleen al onaannemelijk nu hij het filmpje niet daadwerkelijk naar [medeverdachte 1] heeft doorgestuurd. De rechtbank acht ook die verklaring van verdachte dus ongeloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank past het maken van een dergelijk filmpje niet in het beeld van iemand die niks met de brandstichting te maken heeft of wil hebben en erg geschrokken is van wat zijn vriend daar, buiten zijn weten, heeft gedaan.

Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de handelingen van [verdachte] in de periode na de brand.

Op 6 juli 2020 heeft een Whatsapp-gesprek plaatsgevonden tussen een verbalisant die optrad als politieel informatie inwinner ( [nummer 3] ) en [verdachte] . In dit gesprek is onder meer het volgende gezegd:

[nummer 3] : Opent gesprek en vraagt of [verdachte] even kan praten

[verdachte] : “Over wat”

[nummer 3] : Ik zeg dat ik begrepen heb dat er iets aan de hand is

[verdachte] : “Welke Torie”

[nummer 3] : Ik zeg tussen [verdachte] en [slachtoffer 1]

[verdachte] : “Hij moet mij mijn geld gwn geven”

[nummer 3] : Ik zeg dat ik ook daarom contact opneem.

[verdachte] : “Ewa hoe gaan we dt regelen”

[nummer 3] : Ik vraag wat er precies aan de hand is en om hoeveel geld het gaat.

[verdachte] : “Broer er is niks gaande wil me geld gwn anders heeft ie probleem

Is helemaal niks man 5 barkie”

[nummer 3] : Ik vraag waarvoor [slachtoffer 1] zo bang is.

[verdachte] : “Broer wacht al een maand.

Gaat wel Barkie bonus op sws

Laat m betalen nan”

[nummer 3] : Ik zeg dat ik voor [slachtoffer 1] ga betalen.

[verdachte] : “Wrm appt hij mij niet broer

Wollah hij s een kk boerenzoon

Hb lauw met m gedaan

Hij wil me naaien die hond”

[nummer 3] : Ik vraag wat er aan de hand is.

[verdachte] : “Hb m gwn gegund bro"

[nummer 3] : Ik vraag waarom [slachtoffer 1] zijn huis niet in durft.

[verdachte] : “Omdt K boys op m ga sturen”

[nummer 3] : Ik zeg bereid te zijn te betalen maar dan moet het wel klaar zijn

[verdachte] : “100%

Als je me 6 barkie geeft

Horen jullie nooit meer wat vn me”21

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] ook in dit gesprek spreekt over ‘mijn geld’. Dat er geld zou moeten worden betaald aan [medeverdachte 1] , zoals verdachte beweert, blijkt op geen enkele wijze. Uit het gesprek volgt bovendien dat [verdachte] , ook na de brand, nog steeds geld van [slachtoffer 1] wil zien en [slachtoffer 1] een probleem heeft als hij niet betaalt.

Daar komt bij dat [verdachte] in een (getapt) telefoongesprek met [slachtoffer 1] op 6 juli 2020 onder meer zegt: ‘(…) Als jij je gewoon aan je afspraken had gehouden was er niks gebeurd toch? (…)’.22 Hieruit leidt de rechtbank af dat de brand in de woning van [slachtoffer 1] volgens [verdachte] kennelijk het gevolg is van het feit dat [slachtoffer 1] zich niet aan zijn afspraken heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de voorgaande bewijsmiddelen dat [verdachte] een meer leidende rol heeft gehad in het conflict dan uit zijn eigen verklaring naar voren komt. De rechtbank acht zijn verklaring daarover dan ook niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [medeverdachte 1] , dat [slachtoffer 1] drugs verkocht voor hem en [verdachte] en hij hen nog geld moest betalen voor de laatste levering drugs, steun vindt in deze bewijsmiddelen. De rechtbank zal daarom uitgaan van deze verklaring.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en [verdachte] (na het bezoek aan de Albert Heijn) werden binnengelaten door de buurman van [slachtoffer 1] . De buurman ging weer terug naar zijn kamer. Er zat een paar meter afstand tussen de kamer van de buurman en de kamer van [slachtoffer 1] . Ze klopten aan bij de kamer van [slachtoffer 1] om te kijken of hij thuis was. De buurman kwam weer uit zijn kamer en zei dat [slachtoffer 1] niet thuis was. Vervolgens pakte [verdachte] de wasbenzine en terpentine en goot deze uit bij de deur van [slachtoffer 1] . [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 1] om de flessen aan hem te geven en dit heeft [medeverdachte 1] gedaan. Ook heeft [medeverdachte 1] een fles opengemaakt en aan [verdachte] gegeven. [verdachte] maakte een spoor van vloeistof van de deur via de trap naar beneden. Ze gingen samen naar beneden en vervolgens stak [verdachte] de uitgegoten vloeistof aan. Hierdoor ontstond een brand die rustig op de trap naar boven ging. Daarna zijn zij beiden weggerend, bij [medeverdachte 2] in de bus gestapt en weggereden.23

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat, kort na het eerdere bezoek, dezelfde jongen weer voor de deur stond samen met een andere jongen. Zij kwamen weer voor zijn buurman [slachtoffer 1] . Hij heeft de jongens gezegd dat ze aan moesten kloppen. De jongens liepen naar de deur van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is zijn kamer weer in gegaan. Vervolgens heeft hij nog een keer gekeken en toen stonden de jongens er nog. [slachtoffer 2] had niet het idee dat er toen iets aan de hand was. Hij ging weer zijn kamer in en hoorde vervolgens één of twee minuten later het brandalarm afgaan. Toen hij vervolgens zijn kamerdeur opende, kreeg hij een vlammenzee in zijn gezicht.24

Op grond van het voorgaande en hetgeen reeds is vastgesteld acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich samen schuldig hebben gemaakt aan opzettelijke brandstichting (feit 2) door terpentine en wasbenzine uit te gieten voor de deur van kamer [nummer 1] , in de hal en als spoor over de trap in het trappenhuis van het pand en deze vloeistof (in totaal maar liefst 6 liter) vervolgens aan te steken. Hierdoor ontstond niet alleen levensgevaar voor [slachtoffer 2] , maar ook voor de andere kamerbewoners die op dat moment thuis waren. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat het oplopen van ernstige brandwonden en/of het inademen van rook tot de dood kunnen leiden. Uit het feit dat het pand en de kamers ernstige brandschade hebben opgelopen, volgt dat tevens sprake was van gemeen gevaar voor goederen.

Nu [slachtoffer 1] niet thuis was, bestond er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor hem. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Voornoemde handelingen zijn daarnaast ook ten laste gelegd als poging tot moord, dan wel poging tot doodslag (op [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ), dan wel zware mishandeling (van [slachtoffer 2] ).

Opzet

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachten opzet hadden op de dood van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] .

Nu vast staat dat [slachtoffer 1] niet thuis was op het moment van de brand en dat verdachte dit ook wist, acht de rechtbank poging tot moord, dan wel poging tot doodslag op [slachtoffer 1] niet bewezen, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] ligt dit anders. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van feit 2 reeds is overwogen, concludeert de rechtbank dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] bij de brand zou komen te overlijden. Dat de verdachten met hun gedragingen willens en wetens deze aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende.

[verdachte] en [medeverdachte 1] waren op de hoogte van de aanwezigheid van [slachtoffer 2] in het pand en het feit dat zijn kamer zich vlakbij de kamer van [slachtoffer 1] bevond. Hij had immers de deur voor hen geopend en zij hadden hem zijn kamer in zien gaan. Voor de kamer van [slachtoffer 1] zijn zowel sporen van wasbenzine als van terpentine aangetroffen. Hieruit leidt de rechtbank af dat voor de kamer van [slachtoffer 1] minimaal twee flessen brandversnellers moeten zijn uitgegoten. In totaal zijn bij de brandstichting zes flessen brandversnellers gebruikt. Dat bij het gebruik van een dergelijke hoeveelheid brandbare vloeistoffen de brand niet beperkt zou blijven tot een vuurtje voor de deur van [slachtoffer 1] , moet ook voor verdachten volstrekt duidelijk zijn geweest. Sterker nog: door met deze vloeistoffen een spoor door de woning te trekken, onder andere over de hele trap die [slachtoffer 2] de kortst mogelijke vluchtweg zou kunnen verschaffen, stuurden zij willens en wetens aan op een grote brand.

Concluderend is dus het oordeel van de rechtbank dat verdachten (voorwaardelijk) opzet hadden op de dood van [slachtoffer 2] .

Poging tot moord of poging tot doodslag?

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [verdachte] en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij moord moet bewezen worden dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet volgt dat de verdachten een plan hadden beraamd om [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Op 13 juni 2020 heeft [verdachte] een sms-bericht gestuurd naar [slachtoffer 1] met de tekst: ‘je wil me naaien? Ik geef jou tot zondag is me kk geld er niet dan gaat die osso europalaan en dieren plat kijk zelf wie je wil naaien’.25

De rechtbank overweegt dat in dit bericht weliswaar mogelijk aanwijzingen kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, maar voor zover dit al het geval is, ziet dit plan naar het oordeel van de rechtbank op het stichten van brand om [slachtoffer 1] een lesje te leren en niet op het om het leven brengen van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht dus niet wettig bewezen dat de verdachten tevoren daadwerkelijk het plan hadden opgevat om [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachten voorafgaand aan het handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning hebben gehad. De rechtbank overweegt als volgt.

Voor het beantwoorden van deze vraag is het van belang op welk moment de verdachten het besluit hebben genomen om brand te stichten. Uit het feit dat de verdachten voorafgaand aan de brandstichting (bij het tweede bezoek van die dag aan het pand) zich er nogmaals van hebben vergewist of [slachtoffer 1] thuis was, leidt de rechtbank af dat zij nog steeds op zoek waren naar hem (voor de inning van geld) en dat zij op het moment dat hij niet thuis bleek te zijn, het besluit hebben genomen om daadwerkelijk tot brandstichting over te gaan. In elk geval op dat moment ontstond voor de verdachten de gelegenheid tot beraad en bezinning.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat tussen het moment waarop hij de jongens voor het laatst zag staan en er niks aan de hand leek en het moment dat hij een vlammenzee in zijn gezicht kreeg een tijdsbestek zat van één of twee minuten. Tussen het besluit om brand te stichten en het daadwerkelijk aansteken van de brand zijn dus slechts enkele minuten verstreken.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een zodanig korte tijdsspanne, dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld. Dit betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van poging tot moord (feit 1 primair).

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan poging tot doodslag (feit 1 subsidiair).

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1] (feit 3), met uitzondering van de strofe over ‘opsporing verzocht’.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 3. Hiertoe is aangevoerd dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu niet blijkt dat de foto’s van de brandende trap en de foto van een onbekend persoon met de tekst ‘Dits hoe k volgende dinsdag opsporing verzocht ga kijken, miss kom k je tegen’ [slachtoffer 1] hebben bereikt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door [verdachte] en [medeverdachte 1] werd bedreigd. Zij belden hem vaak en stuurden hem sms’jes. Ze hadden gezegd dat hij voor zondag de rest van het geld aan hen moest betalen. Als hij dat niet deed, zouden ze naar Renkum komen om het geld op te halen. Ze zeiden dat ze afgelopen zondagmiddag (de rechtbank begrijpt: zondag 14 juni 2020) naar Renkum zouden komen. Hij is zijn woning uit gegaan, omdat hij bang was.26

Op 13 juni 2020 is met de telefoon van [verdachte] een sms-bericht gestuurd naar [slachtoffer 1] met de tekst: ‘je wil me naaien? Ik geef jou tot zondag is me kk geld er niet dan gaat die osso europalaan en dieren plat kijk zelf wie je wil naaien’.27 De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 2 reeds overwogen dat vast staat dat dit bericht door [verdachte] naar [slachtoffer 1] is gestuurd.

Op grond van het voorgaande – en in de context van hetgeen hiervoor onder de feiten 1 en 2 bewezen is verklaard – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met brandstichting door hem dit bericht te sturen.

De rechtbank stelt vast dat het dossier, behoudens de verklaring van [slachtoffer 1] , geen bewijsmiddelen bevat waaruit volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] hem hebben mishandeld. Voor dit deel van de tenlastelegging ontbreekt het wettig bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Verdachte zal ook worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de foto’s van de brandende trap, al dan niet voorzien van de tekst ‘weet met wie je problemen zoekt’ en de foto van een onbekend persoon met daarbij de tekst ‘Dits hoe k volgende dinsdag opsporing verzocht ga kijken, miss kom k je tegen’. Uit het dossier volgt namelijk niet dat deze foto’s naar [slachtoffer 1] zijn gestuurd, dan wel hem op enige andere wijze hebben bereikt.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet volgt dat [verdachte] na de brandstichting tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij geld moest betalen, omdat anders zijn woning de volgende keer met hem erbij in brand zou gaan. Deze woorden zijn namelijk geuit in een gesprek tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ook van dit deel van de tenlastelegging zal verdachte dus worden vrijgesproken.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Renkum

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk

van het leven te beroven

naar het pand waar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] woonden

( [adres] ) is/zijn gereden en/of voor /nabij de deur van de (kamer)woning van

die [slachtoffer 1] (kamer [nummer 1] ) en/of nabij de (aangrenzende) (kamer)woning van die

[slachtoffer 2] (kamer [nummer 2] ) en/of in de hal en/of in het trappenhuis van dat pand

een hoeveelheid terpentine en/of wasbenzine, althans (een) brandbare middel(en)

heeft/hebben uitgegoten/gegooid en/of deze heeft/hebben aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Renkum tezamen en in vereniging met een of

meer anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand voor kamerbewoning

(gelegen aan [adres] )

immers heeft /hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar opzettelijk

terpentine en/of wasbenzine, althans een of meer brandversnellend(e) middel(en),

uitgegoten en/of gegooid voor/over een deur (van [nummer 1] ) en/of in de hal

en/of op de trap en/of in het trappenhuis van dat pand

en/of vervolgens deze terpentine en/of wasbenzine, althans die/dat

brandversnellende middel(en), aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die kamer(s) en/of dat pand en/of een hond geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor (diverse andere kamers in) dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen,

en/of levensgevaar voor [slachtoffer 2] en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of

een of meer andere (kamer)bewoner(s) van voornoemd pand, in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen,

te duchten was;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en

met 13 juli 2020 te Renkum en/of Rotterdam en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen,

(telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting,

door die [slachtoffer 1] te mishandelen en/of meermalen , althans eenmaal

(telefonisch en of via berichtenverkeer en/of fysiek) contact met die [slachtoffer 1]

op te nemen en/of te zoeken en/of (op 13 of 14 juni 2020) een foto van een

telefoon met daarop een bericht naar die [slachtoffer 1] te sturen met de tekst "Je wil

me naaien? Ik geef jou tot zondag is me kk geld er niet gaat die osso europalaan

en dieren plat kijke zelf wie je wil naaien" en/of

op 14 juni 2020 een foto naar die [slachtoffer 1] te sturen, waarop is te zien dat de

trap van de begane grond naar de eerste verdieping in het pand waar die

[slachtoffer 1] woont in brand staat en/of

op 14 juni 2020 een foto van een medeverdachte ( [verdachte] ) op de plaats

delict naar die [slachtoffer 1] te sturen met daarbij de tekst "Weet met wie je

problemen zoekt"

en/of een foto van een onbekend persoon met daarbij de tekst "Dits hoe k

volgende dinsdag opsporing verzocht ga kijken, miss kom k je tegen", althans

berichten met woorden van gelijke dreigende aard of strekking naar die

[slachtoffer 1] te sturen en/of

(na de brandstichting in het pand waar die [slachtoffer 1] een kamer bewoonde)

meermalen, althans eenmaal (telefonisch en of via berichtenverkeer en/of fysiek)

contact met die [slachtoffer 1] op te nemen en/of te zoeken en/of daarbij aan die

[slachtoffer 1] de woorden toe te voegen dat deze geld (terug) moest betalen of dat

anders de volgende keer de woning van die [slachtoffer 1] met hem erbij in brand

zou gaan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking toe te

voegen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair:

medeplegen van poging tot doodslag

feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten is

feit 3:

bedreiging met brandstichting

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het adolescentenstrafrecht wordt toegepast en verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie die gelijk is aan het voorarrest, met daarnaast een forse voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Hiertoe is, kort gezegd, aangevoerd dat zowel de psycholoog van het NIFP als de reclassering hebben geadviseerd tot toepassing van het jeugdstrafrecht, nu er bij verdachte noodzaak en mogelijkheden bestaan tot pedagogische beïnvloeding. Daarnaast is aangevoerd dat voor de feiten 1 en 2 rekening dient te worden gehouden met het feit dat sprake is van samenloop.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan brandstichting en poging tot doodslag op [slachtoffer 2] . Zij hadden drugs geleverd aan [slachtoffer 1] en toen hij hen niet betaalde en zijn telefoon niet meer opnam, besloten ze vanuit hun woonplaats Rotterdam naar zijn woning in Renkum te gaan om het geld te incasseren. [slachtoffer 1] bleek niet thuis te zijn en om duidelijk te maken dat zij er niet van gediend waren dat [slachtoffer 1] hen niet betaalde, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] brand gesticht in het pand waarin hij op de eerste verdieping een kamer huurde. Hierbij hebben zij in totaal zes flessen wasbenzine en terpentine gebruikt, die verdachte kort daarvoor bij de plaatselijke Albert Heijn had gekocht. Ondanks het feit dat de verdachten [slachtoffer 2] even daarvoor de kamer naast die van [slachtoffer 1] in hadden zien gaan, hebben zij de vloeistoffen voor die kamerdeur uitgegoten, een spoor gemaakt over de trap naar beneden en deze vloeistoffen vervolgens aangestoken. Hierdoor ontstond een heftige brand. De verdachten hebben het risico dat [slachtoffer 2] , een volkomen onschuldig slachtoffer, bij de brand om het leven zou komen willens en wetens op de koop toegenomen.

[slachtoffer 2] is door de brand voor het leven getekend. Hij heeft bij het openen van zijn kamerdeur een vlammenzee in zijn gezicht gekregen, waardoor hij ernstige brandwonden heeft opgelopen in zijn gelaat, in zijn hals, op zijn rug en zijn armen. Zijn lichaamsoppervlakte was voor twaalf procent verbrand en hij heeft huidtransplantaties ondergaan. [slachtoffer 2] heeft enkele weken in het ziekenhuis gelegen, waarvan drie dagen op de intensive care. Zijn dierbare hond is bij de brand om het leven gekomen. Hij wordt, door de brandwonden die hij heeft opgelopen, dagelijks aan de brand herinnerd.

Door hun handelen hebben de verdachten niet alleen levensgevaar veroorzaakt voor [slachtoffer 2] , maar ook voor de andere kamerbewoners die op dat moment thuis waren. Als gevolg van de brand is het pand onbewoonbaar verklaard, waardoor enkele bewoners dakloos zijn geraakt. Veel van hun bezittingen zijn bovendien verloren gegaan of beschadigd geraakt door de brand.

Verdachte was kennelijk niet onder de indruk van de brand en de ernstige gevolgen daarvan. Direct na de brandstichting heeft hij een filmpje gemaakt waarop hijzelf te zien is met op de achtergrond de brandende trap. Hierbij plaatste hij de tekst: ‘weet met wie je problemen zoekt’. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte het stoer vond wat hij had gedaan en hiermee wilde pronken. In plaats van berouw te tonen heeft verdachte bovendien na de brandstichting ook weer opnieuw contact gezocht met [slachtoffer 1] om hem te bewegen tot betaling van zijn schuld. Hierbij werd door verdachte aangegeven dat [slachtoffer 1] niet zo zielig moest doen. Kennelijk bekommerde verdachte zich allerminst om de gevolgen van zijn daden, maar had hij nog steeds alleen oog voor zijn doel, namelijk geld incasseren van [slachtoffer 1] . Dit toont aan hoe weinig scrupules verdachte kent bij het plegen van deze zware feiten.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting door [slachtoffer 1] een bericht te sturen dat zijn huis plat zou gaan als hij niet zou betalen. Als gevolg hiervan voelde [slachtoffer 1] zich dusdanig bedreigd dat hij besloot zijn woning te verlaten.

De rechtbank acht voor deze ernstige feiten geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat sprake is van eendaadse samenloop.

De raadsman heeft, in navolging van de adviezen van de psycholoog en de reclassering, de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. De rechtbank overweegt dat bij iemand met de leeftijd van verdachte het uitgangspunt is dat hij wordt berecht conform het volwassenenstrafrecht. Op dit uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt, indien hiertoe redenen worden gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om daartoe over te gaan. Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn medeverdachte [slachtoffer 1] wilden dwingen tot het betalen van zijn schuld en hierbij, ondanks alle risico’s en mogelijke gevolgen, het gebruik van zware middelen als brandstichting niet hebben geschuwd. De bewezenverklaarde feiten zijn zo ernstig, dat er geen aanleiding bestaat tot het toepassen van jeugdstrafrecht. Bij dit oordeel neemt de rechtbank ook het handelen van verdachte na de brandstichting in ogenschouw. De enkele omstandigheid dat er bij verdachte nog mogelijkheden worden gezien tot opvoedkundige beïnvloeding maakt dit oordeel niet anders.

De rechtbank zal wel in strafverminderende zin rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat hij nog niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat de rol van verdachte bij de brandstichting groter is geweest dan de rol van diens medeverdachte. Verdachte was degene die vooraf dreigde met brandstichting, de brandversnellers kocht, de vloeistoffen uitgoot en de brand als het ware opeiste door het maken van een filmpje van de brandende trap.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

Algemene overweging met betrekking tot de civiele vorderingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat de vordering te complex van aard zijn en behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

De rechtbank overweegt dat niet in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen ingewikkeld van aard zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vorderingen geen onevenredige belasting vormen voor het strafproces en zal hieronder per vordering een inhoudelijk oordeel geven over de toewijsbaarheid.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met de poging tot doodslag en de brandstichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 8.420,07 aan materiële schade en € 100.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schadeposten kan worden toegewezen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Als gevolg van de poging tot doodslag en de brandstichting heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Benadeelde heeft zware brandwonden opgelopen aan zijn hoofd, schouders en armen. Hij heeft bijna een maand in het ziekenhuis gelegen, waaronder enige tijd op de intensive care. Benadeelde is meerdere keren geopereerd en heeft huidtransplantaties ondergaan. Hij is voor de rest van zijn leven getekend door blijvende en ontsierende littekens, die op plaatsen zitten waar zij niet of lastig bedekt kunnen worden en waarmee hij dagelijks wordt geconfronteerd.

Daarnaast is bij benadeelde sprake van geestelijk letsel als gevolg van de feiten. Benadeelde is een volstrekt onschuldig slachtoffer. Als gevolg van de brand is hij zijn huis kwijtgeraakt, zijn huisdieren raakten gewond en zijn hond, die hem ontzettend dierbaar was, is overleden. Het was een zeer traumatische ervaring voor benadeelde en hij is doorverwezen naar een psycholoog.

Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 100.000,00 begroten.

Wettelijke rente

Over de toegewezen bedragen voor telefoonkosten, reiskosten, ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kosten voor extra huur, de kosten voor medicatie en het eigen risico (in totaal € 5.243,69) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 13 april 2021, zijnde de datum van het vonnis.

Over de overige toegewezen schadeposten (in totaal € 103.176,38) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 juni 2020.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met de brandstichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.760,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde kosten van het eigen risico à € 385,00 niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd uit niet is gebleken dat benadeelde is doorverwezen voor separate traumabehandeling, zodat niet kan worden gesteld dat sprake is van een causaal verband tussen deze schade en de feiten. Voor het overige heeft de verdediging zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De telefoonkosten à € 25,00 zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Ten aanzien van de kosten voor de vernielde goederen overweegt de rechtbank als volgt. Het pand is als gevolg van de brand onbewoonbaar verklaard en veel goederen zijn verloren gegaan, dan wel ernstig beschadigd geraakt. Onder die omstandigheden is het aannemelijk dat het niet mogelijk is aankoopbonnen en/of foto’s aan te leveren ter onderbouwing van de schade. Dit hoeft er naar het oordeel van de rechtbank niet toe te leiden dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is wel van oordeel dat benadeelde relatief hoge kosten heeft opgevoerd. De hoogte van deze kosten is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Dit maakt dat de rechtbank gebruik zal maken van haar schattingsbevoegdheid en deze kosten naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van in totaal € 2.000,00 zal begroten. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Met betrekking tot de kosten voor het eigen risico over het jaar 2021 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de bij de vordering gevoegde e-mail van IrisZorg volgt dat benadeelde weliswaar is doorverwezen voor traumabehandeling, maar dat deze verwijzing ziet op eerder opgelopen trauma’s en zij niet kunnen beoordelen of sprake is van een separaat trauma dat verband houdt met de brand. Nu de rechtbank niet kan vaststellen of sprake is van schade die rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit, zal zij benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de telefoonkosten en de vernielde goederen (totaal € 2.025,00) kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de bedreiging en de brandstichting is de benadeelde immers op andere wijze in de persoon aangetast, doordat een diepe inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit. De brandstichting was een gerichte actie tegen benadeelde om hem te dwingen tot betaling over te gaan. Dit moet erg beangstigend zijn geweest. Als gevolg van de brand is benadeelde bovendien dakloos geraakt.

Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op het gevorderde bedrag van € 2.500,00 begroten.

Wettelijke rente

Over de toegewezen bedragen voor de vernielde goederen en de immateriële schade (totaal € 4.500,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 juni 2020.

Over de toegewezen telefoonkosten (€ 25,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 13 april 2021, zijnde de datum van het vonnis.

Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met de brandstichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.397,50 aan materiële schade en € 2.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Nu de gevorderde bedragen voor telefoonkosten, vernielde goederen en hogere huurkosten de rechtbank redelijk voor komen en verdachte voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is, zal de rechtbank dit deel van de vordering toewijzen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de brandstichting is de benadeelde immers op andere wijze in de persoon aangetast. Bij benadeelde is sprake van psychische klachten waarvoor zij is doorgestuurd naar de praktijkondersteuner. De brand heeft een diepe inbreuk is gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit. Als gevolg van de brand is benadeelde namelijk haar woonruimte en persoonlijke bezittingen kwijtgeraakt.

Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,00 begroten.

Wettelijke rente

Over de toegewezen bedragen voor de vernielde goederen en de immateriële schade (totaal € 4.945,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 juni 2020.

Over de toegewezen bedragen voor telefoonkosten en huurkosten (totaal 1.452,50) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 13 april 2021, zijnde de datum van het vonnis.

Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met de brandstichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.779,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Overweging van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu de gevorderde bedragen voor telefoonkosten, vernielde goederen en geleend geld de rechtbank redelijk voor komen en verdachte voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is, zal de rechtbank de vordering toewijzen.

Wettelijke rente

Over het toegewezen bedrag voor vernielde goederen (€ 935,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 juni 2020.

Over de toegewezen bedragen voor telefoonkosten en geleend geld (totaal € 1.844,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 13 april 2021, zijnde de datum van het vonnis.

Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met de brandstichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.520,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.720,00, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hiertoe is aangevoerd dat de vordering met betrekking tot het contante geld onvoldoende is onderbouwd. Voor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Overweging van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Ten aanzien van de schadepost ‘contant geld’ overweegt de rechtbank als volgt. Uit de rekeningafschriften die ter onderbouwing bij de vordering zijn gevoegd, volgt dat benadeelde gedurende een langere periode contante opnamen heeft gedaan voor in totaal een bedrag van € 2.800,00. Echter, uit de toelichting volgt dat benadeelde een deel van dit geld gebruikte voor levensonderhoud en het overige spaarde. Hierdoor is voor de rechtbank niet vast te stellen welk bedrag aan contant geld zich nog in de woning bevond ten tijde van de brand.

De behandeling van deze schadepost levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Nu de gevorderde bedragen voor telefoonkosten, de vernielde goederen en schilderijen de rechtbank redelijk voor komen en verdachte voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is, zal de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 3.720,00 toewijzen.

Wettelijke rente

Over de toegewezen bedragen voor de vernielde goederen en de schilderijen (totaal € 3.695,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 juni 2020.

Over het toegewezen bedrag voor telefoonkosten (€ 25,00) is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 13 april 2021, zijnde de datum van het vonnis.

Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] (de eigenaar van het pand) heeft in verband met de brandstichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 148.587,04 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 99.977,57, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Overweging van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de schadepost ‘taxatiekosten’ voldoende is onderbouwd en redelijk voor komt. Nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade, is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de taxatiekosten tot een hoogte van € 1.500,00 kan worden toegewezen.

Met betrekking tot de schadepost ‘huurderving’ stelt de rechtbank vast dat enige onderbouwing van deze schade ontbreekt. Daarnaast volgt uit de vordering tot schadevergoeding niet eenduidig welk bedrag reeds door de verzekeraar is uitgekeerd in verband met de brandschade aan het pand. De rechtbank is van oordeel dat het in deze fase van het geding te belastend zou zijn voor het strafproces indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld de vordering nader te onderbouwen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van deze schadeposten. De benadeelde partij kan deze schadeposten nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 14 juni 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Ten aanzien van alle benadeelde partijen: hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het de gehele schadebedragen (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 157, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met de feiten onder nummer 1 subsidiair en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 108.420,07 aan materiële schade en smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 103.176,38 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 5.243,69 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 108.420,07 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 103.176,38 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 5.243,69 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 130 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 en 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 4.525,00 aan materiële schade en smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.500,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 25,00 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 4.525,00 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 4.500,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 25,00 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 55 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 6.397,50 aan materiële schade en smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.945,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 1.452,50 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 6.397,50 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 4.945,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 1.452,50 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 66 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 2.779,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 935,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 1.844,00 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 2.779,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 935,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 1.844,00 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 37 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 3.720,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.695,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 25,00 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 3] , een bedrag te betalen van € 3.720,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 3.695,00 vanaf 14 juni 2020 en over een bedrag van € 25,00 vanaf 13 april 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 47 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 4] , een bedrag te betalen van € 1.500,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, Districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, documentcode 20200903.0800, onderzoek [naam 2] / ON4R020089, gesloten op 6 augustus 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 3 november 2020; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 januari 2021 (aanvullende processen-verbaal, niet doorgenummerd).

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 januari 2021 (aanvullend proces-verbaal, niet doorgenummerd); proces-verbaal van verhoor getuige, p. 121.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 3 november 2020; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 januari 2021 (aanvullende processen-verbaal, niet doorgenummerd).

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 januari 2021 (aanvullend proces-verbaal, niet doorgenummerd); proces-verbaal van bevindingen, p. 456-458.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 3 november 2020; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 januari 2021 (aanvullende processen-verbaal, niet doorgenummerd).

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 86.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 121.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 86-87.

10 Proces-verbaal forensisch onderzoek woning, p. 475-476.

11 Proces-verbaal forensisch onderzoek woning, p. 476, 478; NFI-rapport betreffende onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, p. 502-507.

12 Proces-verbaal forensisch onderzoek woning, p. 477.

13 Letselrapportage opgesteld door forensisch arts [naam 3] d.d. 14 september 2020 (dit rapport is nagekomen en maakt derhalve geen onderdeel uit van het doorgenummerde dossier).

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 86.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 220.

16 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 23 maart 2021.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 259 en 358 en 359.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 259 en 362.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 768, 770; proces-verbaal van bevindingen, p. 715, 731.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 732-733; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 januari 2021 (aanvullend proces-verbaal, niet doorgenummerd).

21 Proces-verbaal heimelijke informatie inwinning, p. 695-696.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 848.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 3 november 2020 (dit betreft een aanvullend proces-verbaal dat geen onderdeel uitmaakt van het doorgenummerde procesdossier).

24 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 121.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 768, 770; proces-verbaal van bevindingen, p. 715, 731.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 167-169; proces-verbaal van verhoor aangever, p. 182-183.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 768, 770; proces-verbaal van bevindingen, p. 715, 731.