Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1812

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-02-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
374620 FZ RK 20-2079
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Procesrecht, uitleg begrip ‘kosten rechtens’ in het familierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: 374620 FZ RK 20-2079

Datum uitspraak: 24 februari 2021

beschikking echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw]

wonende te [woonplaats vrouw] ,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. E. Lucas te Lelystad,

t e g e n

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] ,

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. M.D. Groot te Harderwijk .

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  1. het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 4 augustus 2020;

  2. het exploot van betekening van 18 augustus 2020;

  3. het journaalbericht met bijlagen van mr. Lucas van 14 augustus 2020;

  4. het journaalbericht met bijlagen van mr. Lucas van 18 augustus 2020;

  5. het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 29 september 2020;

  6. het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, ingekomen op 28 oktober 2020;

  7. het journaalbericht met bijlagen van mr. Groot van 14 januari 2021;

  8. et journaalbericht van mr. Lucas van 21 januari 2021.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 27 januari 2021 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

De vrouw en de man hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] met elkaar gehuwd.

2.2.

Zij zijn ouders van de navolgende minderjarige dochter:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [de minderjarige] .

3 Het verzoek, het verweer tevens zelfstandig verzoek en het verweer daarop

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de echtscheiding uit te spreken tussen partijen gehuwd op datum en plaats als hierboven vermeld;

  2. primair: de regeling als opgenomen in het ouderschapsplan dat nog zal worden ingediend, over te nemen in de ten deze te wijzen beschikking,

subsidiair: de hoofdverblijfplaats van de minderjarige dochter van partijen te bepalen bij de vrouw, met
- vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding ad € 500,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage als in overeenstemming zal blijken te zijn met de wettelijke maatstaven, en voorts met

- vaststelling van een zorgregeling waarbij [de minderjarige] ieder weekend tenminste één dag en aansluitende nacht bij vader zal verblijven, alsook een nader af te spreken deel van de schoolvakanties, steeds te plannen aan het begin van ieder schooljaar, op de verjaardag van vader zal [de minderjarige] bij vader kunnen zijn, op de verjaardag van moeder zal [de minderjarige] bij moeder zijn; terwijl de verjaardag van [de minderjarige] qua kinderfeestje bij moeder zal worden gehouden;

te bepalen dat de man maandelijks met een bedrag van € 1.500,-- dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, althans met een zodanig bedrag als in overeenstemming zal blijken te zijn met de wettelijke maatstaven;

te bepalen dat de vrouw voortaan alleen huurster zal zijn van de woning aan [adres 1] , met bevel aan de man deze woning te verlaten;

voorwaardelijk: voor het geval het huurrecht van de echtelijke woning niet aan de vrouw zal worden toebedeeld, de vrouw toestemming te verlenen om met de minderjarige dochter van partijen hoofdverblijf te hebben in [plaats 2] , voorlopig op het adres van haar moeder, alsmede [de minderjarige] in te schrijven op een basisschool in de nabije omgeving van dat adres;

partijen te bevelen met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en onzijdige persoon volgens de wet;

kosten rechtens.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en voor zover nader gewijzigd:

• het door de vrouw onder a, onder b primair en subsidiair, onder c en onder e voorwaardelijk verzochte af te wijzen;

• het door de vrouw onder d verzochte toe te wijzen, voor wat betreft toekenning van huurrecht van de woning aan het [adres 1] aan de vrouw, terwijl het bevel aan de man om deze woning te verlaten dient te worden afgewezen;

• het door de vrouw onder f en g verzochte toe te wijzen;

Bij zelfstandig verzoek:

  1. de echtscheiding uit te spreken tussen partijen gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] ;

  2. te bepalen, dat het minderjarige kind van partijen [de minderjarige] , wordt toevertrouwd aan de vrouw;

  3. te bepalen dat de feitelijke verblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw in [woonplaats vrouw] is, waarbij de vrouw gedurende de periode dat [de minderjarige] de basisschool [naam school] volgt in [woonplaats vrouw] zal blijven wonen;

  4. te bepalen, dat [de minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:

- de ene week van vrijdag uit school t/m zondag na het avondeten en

- de andere week van vrijdag uit school t/m maandagavond na het avondeten;

- de helft van de schoolvakanties van [de minderjarige] en

- de helft van de feestdagen;

- op de verjaardagen van de ouders van de man en zijn zuster in onderling overleg tussen partijen;

- te bepalen dat [de minderjarige] eenmaal per maand een weekeinde bij de vrouw zal verblijven, door partijen in onderling overleg te regelen;

te bepalen, dat de bijdrage van de man in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] is € 150,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk, althans dat deze bijdrage met ingang van 24 maart 2021 is € 143,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

te bepalen, dat de man € 28,- bruto per maand betaalt als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk en te bepalen, dat deze bijdrage met ingang van 24 maart 2021 is € 0,- is.

3.3.

De vrouw verzoekt de rechtbank het zelfstandig verzochte onder c, e en f af te wijzen.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

echtscheiding

4.1.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw en de man zowel de Nederlandse nationaliteit als de Turkse nationaliteit hebben. Op grond van artikel 3 van de EG-verordening 2201/2003 van 27 november 2003 komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, nu de echtgenoten de Nederlandse nationaliteit en hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

4.2.

Ingevolge artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt het Nederlandse recht of ontbinding van het huwelijk kan worden uitgesproken en op welke gronden. Nu alle voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen en het verzoek tot echtscheiding niet onrechtmatig of ongegrond is gebleken, zal de rechtbank dit toewijzen.

4.3.

De gevraagde nevenvoorzieningen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en het huurrecht van de echtelijke woning zijn eveneens voor toewijzing vatbaar, nu de man daarmee instemt. Inmiddels woont hij al elders.

hoofdverblijfplaats [de minderjarige]

4.4.

Gelet op de verzoeken van partijen stelt de rechtbank vast dat partijen het eens zijn over de hoofdverblijfplaats van hun beider dochter [de minderjarige] bij de vrouw. De rechtbank zal daarom de hoofdverblijfplaats bij de vrouw bepalen zonder daar nadere voorwaarden aan te verbinden.

verdeling zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige]

4.5.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen met behulp van het Centrum voor Jeugd en Gezin overeenstemming hebben dat zij de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] gaan delen, maar over de verdeling daarvan hebben zij geen definitieve overeenstemming bereikt. De bij de mondelinge behandeling aanwezige vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om in een tweewekelijks ritme een uitgebreid weekend bij de man vast te leggen, van vrijdag uit school tot maandagavond 18.00 uur. De rechtbank sluit daarbij aan. [de minderjarige] ziet de man zo in een regelmatig en voorspelbaar ritme, en partijen hoeven niet te overleggen over het weekend dat [de minderjarige] bij de vrouw verblijft. Duidelijkheid en regelmaat acht de rechtbank zeer belangrijk voor het welzijn van [de minderjarige] . Anders dan de moeder naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat het voor [de minderjarige] niet te onrustig is om op maandag tot 18.00 uur bij de man te verblijven. Zoals tijdens de mondelinge behandeling toegelicht gaat [de minderjarige] rond 20.00 uur naar bed, en zodoende heeft zij nog twee uur om weer te wennen bij de vrouw. De man zal zorgen dat [de minderjarige] heeft gegeten als hij haar om 18.00 uur terugbrengt bij de vrouw.

Voor wat betreft de vakantie- en feestdagen zal de rechtbank bepalen dat deze bij helfte gedeeld worden, in onderling overleg te bepalen.

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]

4.6.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot de verzoeken tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie.

ingangsdatum

4.7.

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken.

4.8.

In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om 24 februari 2021 als ingangsdatum voor de vast te stellen onderhoudsbijdrage te hanteren, zijnde de datum van de beschikking.

behoefte

4.9.

De vrouw heeft het door de man berekende netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk van € 2.252,-- per maand niet betwist, en evenmin de daarbij door de man berekende behoefte van [de minderjarige] van € 256,-- per maand. Deze behoefte van € 256,-- per maand staat daarmee in rechte vast.

draagkracht

4.10.

In beginsel dienen de man en de vrouw naar rato van ieders draagkracht in deze behoefte te voorzien. De rechtbank zal daarom hierna - voor zover daar aanleiding voor bestaat - een vergelijking van ieders (beschikbare) draagkracht maken en de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen op het punt van de draagkracht volgen en de draagkracht vaststellen aan de hand van de zo geheten “draagkrachttabel”.

4.11.

Voor zover het netto besteedbare inkomen (NBI) groter of gelijk is aan een bedrag van € 1.660,-- netto per maand zal de draagkracht worden bepaald aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 975 of toepasselijke forfaitaire bijstandsnorm + eventuele correctie)]. Voor zover het NBI kleiner is dan een bedrag van € 1.410,-- netto per maand wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25,-- per maand voor één kind.

4.12.

Partijen zijn het er over eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,-- per maand bedraagt.

4.13.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de draagkracht van de man. De man stelt zijn netto besteedbaar inkomen tot 24 maart 2021 op € 2.273,-- per maand, en vanaf 24 maart 2021 op € 1.875,-- per maand omdat op dat moment zijn WW-uitkering vervalt. De vrouw stelt dat de daling van de draagkracht van de man kan worden opgevangen door de beëindigingsvergoeding die is voortgevloeid uit de beëindiging van een eerder dienstverband. De man heeft vervolgens toegelicht dat deze beëindigingsvergoeding is gebruikt voor een gezamenlijk appartement in Turkije. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat het bedrag van de beëindigingsvergoeding is overgemaakt op een gezamenlijke rekening, en van die rekening naar een rekening van de man om uiteindelijk het appartement in Turkije af te betalen. De beëindigingsvergoeding valt zodoende in de gemeenschap van goederen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende komen vast te staan dat de beëindigingsvergoeding niet kan worden aangewend voor mogelijk inkomensverlies.

4.14.

De vrouw heeft weliswaar de draagkracht van de man betwist, maar zij heeft dat niet nader onderbouwd met door haar overgelegde berekeningen. Gelet op de beschikbare inkomensgegevens van de man over 2020 (salarisstroken [werkgever man] ) is de rechtbank van oordeel dat de overgelegde berekeningen van de man een reëel beeld geven van zijn netto besteedbaar inkomen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van de man zoals overgelegd bij journaalbericht van 22 januari 2021.

4.15.

Op basis van deze besteedbare maandinkomens en aan de hand van de draagkrachtformule, heeft de man tot 24 maart 2021 een draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van afgerond € 431,-- per maand, en vanaf 24 maart 2021 een draagkracht van afgerond € 236,-- per maand.

draagkrachtvergelijking

4.16.

De man dient in de behoefte van [de minderjarige] bij te dragen volgens de formule "eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind".

4.17.

Tot 24 maart 2021 bedraagt de totale draagkracht van partijen € 456,-- per maand (de man € 431,-- en de vrouw € 25,--). De behoefte van [de minderjarige] is vastgesteld op € 256,-- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:

- het aandeel van de man (draagkracht man/totale draagkracht x behoefte) afgerond € 242,-- per maand.

4.18.

Vanaf 24 maart 2021 bedraagt de totale draagkracht van partijen afgerond € 261,-- per maand (de man € 236,-- en de vrouw € 25,--). De behoefte van [de minderjarige] is vastgesteld op € 256,-- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:

- het aandeel van de man (draagkracht man/totale draagkracht x behoefte) afgerond € 231,-- per maand.

de zorgkorting

4.19.

De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door hem eventueel verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar.

4.20.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op overwegingen heeft de rechtbank de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] verdeeld. Omdat de man gedurende de tijd dat [de minderjarige] bij hem verblijft reeds voor een deel in natura in de kosten van [de minderjarige] voorziet dan wel kan voorzien, brengt de rechtbank op het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] in mindering een percentage van de hiervoor overwogen behoefte van [de minderjarige] van € 256,-- per maand. De rechtbank volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. De man heeft gemiddeld twee dagen per week de zorg voor [de minderjarige] , zodat een percentage van 25 geldt. Aangezien de behoefte € 256,--per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 64,-- per maand. De eerder afgeleide bijdragen wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw dient te betalen:

  • -

    tot 24 maart 2021 een bedrag van € 178,-- (€ 242 - € 64) per maand.

  • -

    vanaf 24 maart 2021 een bedrag van afgerond € 167,-- (€ 232 – € 64) per maand.

4.21.

Deze bijdragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal de rechtbank vaststellen.

bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw

4.22.

De vrouw heeft het door de man berekende netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk van € 2.252,-- per maand niet betwist. De man heeft op grond van dit netto besteedbaar gezinsinkomen een netto behoefte naar voren gebracht van € 1.199,--, gebruteerd uitkomend op een bedrag van € 1.702,-- per maand. Dit bedrag is niet nader betwist door de vrouw en daarom zal de rechtbank daarvan uitgaan.

4.23.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.14 is overwogen gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar inkomen van de man van afgerond € 1.874,-- per maand.

4.24.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.059,-- per maand en van een woonlast van de man van € 915,-- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aan de advocaat van de vrouw genoegzaam aangetoond dat hij deze woonlasten daadwerkelijk draagt voor een appartement in [werkgever man] . De advocaat van de vrouw heeft verklaard deze kosten niet langer te betwisten. Daarnaast wordt rekening gehouden met de navolgende lasten op maandbasis:
- de gemiddelde basishuur huur van € 230,--;
- de totale premie Zorgverzekeringswet van € 129,--, vermeerderd met het verplicht eigen risico van afgerond € 35,-- per maand en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 33,-- per maand.

4.25.

Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het draagkrachtloos inkomen van de man op € 1.875,--, en de draagkrachtruimte voor partneralimentatie op € 0,-- per maand.

4.26.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om partneralimentatie daarom afwijzen.

proceskosten

4.27.

De vrouw heeft ten aanzien van de proceskosten verzocht om ‘kosten rechtens’, en de man heeft verzocht dit verzoek toe te wijzen. Partijen hebben hun standpunten niet nader toegelicht. Gelet daarop overweegt de rechtbank dat het begrip ‘kosten rechtens’ in dit geval opgevat moet worden als een verzoek aan de rechtbank om een beslissing te nemen over de verdeling van de proceskosten. In de omstandigheid dat de man en de vrouw echtelieden zijn, ziet de rechtbank reden de kosten van deze procedure gelijkelijk bij helfte te delen.

uitvoerbaar bij voorraad

4.28.

Het verzoek deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is toewijsbaar, behoudens ten aanzien van de beslissing omtrent de echtscheiding.

4.29.

Het verzoek de beslissing omtrent het huurrecht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal de rechtbank niet toewijzen omdat de bij beschikking voorlopige voorzieningen van 8 juli 2020 gegeven voorziening omtrent de woning van kracht blijft totdat de beslissing omtrent het huurrecht in kracht van gewijsde gaat.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] ;

5.2.

beveelt dat partijen met elkaar overgaan tot verdeling van de gemeenschap ten overstaan van een (door hen zelf te kiezen) notaris;

5.3.

benoemt – echter alleen voor het geval dat zij over de keuze van een notaris niet tot overeenstemming kunnen komen – mr. H. Stitselaar, notaris gevestigd te Harderwijk , of diens waarnemer of opvolger en bepaalt dat:

  1. ls de vrouw niet meewerkt aan de verdeling, mr. T.C. Putters, advocaat te Harderwijk , als haar vertegenwoordiger zal optreden;

  2. als de man niet meewerkt aan de verdeling, mr. A.J. Verweij, advocaat te Ermelo, als zijn vertegenwoordiger zal optreden;

5.4.

bepaalt dat de vrouw, vanaf de dag waarop de beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand, huurster is van de woning aan [adres 1] ;

5.5.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige dochter van partijen:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] te [geboorteplaats minderjarige] , bij de vrouw zal zijn;

5.6.

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] voornoemd aldus:

  1. dat [de minderjarige] een weekeinde per veertien dagen bij de man zal verblijven van vrijdag uit school tot maandagmiddag 18.00 uur (na het avondeten), waarbij de man [de minderjarige] vrijdag ophaalt uit school en op maandag terugbrengt bij de vrouw;

  2. dat het contact tijdens de feest- en vakantiedagen bij helfte wordt gedeeld, in onderling overleg af te spreken;

5.7.

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] voornoemd aan de vrouw zal betalen vanaf de datum van de beschikking € 178,-- (honderd achtenzeventig euro) per maand, en vanaf 24 maart 2021 € 168,-- (honderd achtenzestig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing omtrent de echtscheiding;

5.9.

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

5.10.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.M. Bögemann, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2021.

BIJLAGEN:

Berekening nbi van de man tot 24 maart 2021 (NBI 1)

Berekening nbi van de man vanaf 24 maart 2021 (NBI 2)

Berekening kosten [de minderjarige]

Berekening draagkrachtruimte partneralimentatie