Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1799

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5270
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOZ. Verstrekking stukken in bezwaarfase. Artikel 6:17 Awb en artikel 40 van de Wet WOZ gaan niet zover dat op verweerder de verplichting rust om in de bezwaarfase stukken toe te zenden aan (de gemachtigde van) eiser. Betreft passief inzagerecht. De grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren behoren tot de stukken die verweerder in de bezwaarfase ter inzage dient te geven. Inhoudelijk beroep ongegrond. Verder heeft verweerder de toekenning van proceskosten in bezwaarfase onterecht gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1124
FutD 2021-1564 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1661
Belastingblad 2021/225 met annotatie van J.C. Scherff
V-N 2021/31.23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 20/5270

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Buren, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de WOZ-waarde van [ adres 1] (de woning) van € 455.000 voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019 gegrond verklaard. Verweerder heeft de WOZ-waarde verlaagd naar € 435.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) dienovereenkomstig verminderd.

Het onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Namens eiser zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] , beiden kantoorgenoot van de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [persoon 3] en [persoon 4] .

Op 24 februari 2021 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige belastingkamer. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning. Het gaat om een vrijstaande woning met tuinhuis, loods, mantelzorgwoning en overkapping. De gebruiksoppervlakte van de woning is 137 m² en de oppervlakte van het perceel is 2.963 m². Het bouwjaar van de woning is 1953.

2. De gemachtigde heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om hem, bij niet volledige tegemoetkoming aan het bezwaar, de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen. Bovendien heeft de gemachtigde verzocht om de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop verweerder de verschillen heeft verdisconteerd tussen de woning en de opgevoerde vergelijkingsobjecten, te verstrekken.

3. In de bevestiging van de ontvangst van het bezwaarschrift heeft verweerder laten weten dat de grondstaffels ter inzage liggen. De gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot inzage.

4. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder een taxatieverslag meegezonden. In de beroepsfase heeft verweerder een matrix met KOUDV- en liggingsfactoren en indexcijfers ingebracht.

Geschil

5. Tussen partijen is in geschil:

  • -

    in hoeverre er in de bezwaarfase op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 40 van de Wet WOZ verplichtingen op verweerder rusten om stukken toe te zenden aan de gemachtigde;

  • -

    wat de WOZ-waarde van de woning is;

  • -

    of verweerder terecht een matiging heeft toegepast bij het vergoeden van proceskosten in de bezwaarfase.

Beoordeling van het geschil

Stukken in de bezwaarfase

6. Eiser stelt dat verweerder door de stukken slechts ter inzage te leggen en niet toe te zenden zijn verplichtingen schendt zoals neergelegd in artikel 6:17 van de Awb en artikel 40 van de Wet WOZ. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 20181. De gemachtigde stelt dat het voor hem niet werkbaar is, wanneer hij veel belastingplichtigen bijstaat, om telkens naar het bestuursorgaan toe te reizen om stukken in te zien. Bovendien werken er meerdere personen aan een dossier en dient er een afschrift van de stukken in het dossier te zitten. Evenmin kan het volgens eiser de bedoeling zijn dat een belanghebbende zelf afreist naar het gemeentekantoor om vervolgens de stukken aan de gemachtigde te verstrekken, omdat een belastingplichtige immers niet voor niets een gemachtigde inschakelt.

7. Verweerder daarentegen stelt dat hij de aan hem opgelegde verplichtingen zoals neergelegd in artikel 6:17 van de Awb en/of artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ niet heeft geschonden en verwijst daartoe onder meer naar een uitspraak van het Hof Amsterdam van 31 juli 20182.

8. Artikel 6:17 van de Awb (geldend per 11 juni 2017) luidt als volgt:

“Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde”.

9. Artikel 7:4 van de Awb luidt als volgt:

“1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.

2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.

4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen. (…)”

10. Artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ luidt als volgt:

“De in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde”.

11. Het Hof Amsterdam heeft in de uitspraak van 31 juli 20183 die hiervoor al is aangehaald onder meer het volgende overwogen en geoordeeld:

“3. Oordeel van de rechtbank

(…)

“3. Volgens eiser is hij niet op een juiste en zorgvuldige wijze in de gelegenheid gesteld om alsnog de bezwaargronden in te dienen. Hij heeft verweerder verzocht om hem de stukken toe te zenden, maar aan dat verzoek heeft verweerder niet voldaan. Volgens eiser kon hij daarom geen bezwaargronden formuleren. Hij heeft dat ook meegedeeld aan verweerder in een brief van 21 februari 2017, maar daar heeft verweerder niet op gereageerd.

4. De rechtbank is het niet met eiser eens. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet verplicht is om de stukken aan eiser toe te zenden. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit artikel 7:4 van de Awb. Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb bevat alleen een verplichting om de stukken ter inzage te leggen gedurende ten minste een week voor de hoorzitting. Aan deze verplichting heeft verweerder voldaan en verweerder heeft eiser van de ter inzage legging op de hoogte gesteld in de per aangetekende post verzonden brief van 23 februari 2017.

(…)6. Eiser heeft vervolgens geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om de stukken in te zien en was evenmin bereikbaar voor een telefonische hoorzitting. In de aangetekend verzonden brief van 8 februari 2017 is eiser in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen de bezwaargronden in te dienen. Nu eiser van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Van een onzorgvuldige handelwijze door verweerder is geen sprake.”

(…) 5. Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. De omstandigheid dat de heffingsambtenaar niet bij separaat bericht heeft gereageerd op belanghebbendes verzoek tot het aanleveren van alle zaakstukken geeft het Hof geen aanleiding tot een ander oordeel. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne.

Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe:

5.2.

In de Memorie van Toelichting op artikel 7:4, tweede lid, Awb is omtrent het inzagerecht het volgende vermeld (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 149) :

“Het inzagerecht, geregeld in het tweede lid, is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Zoveel mogelijk moet vermeden worden dat het bestuursorgaan zijn beslissing doet steunen op informatie welke de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen. Ongewenst ook is de situatie dat pas in een latere fase (bijvoorbeeld bij de administratieve rechter) een belanghebbende kennis kan nemen van stukken die voor hem in een eerdere fase ontoegankelijk waren. De consequentie daarvan zou immers kunnen zijn dat geschilpunten die in de bezwaarfase definitief beslist hadden kunnen worden indien alle stukken bekend waren geweest, zonder voldoende noodzaak tot een procedure voor de administratieve rechter leiden. In beginsel dient het bestuursorgaan daarom rapporten, adviezen en beleidsnota’s die aan de beroepsinstantie plegen te worden toegezonden, ook reeds in de bezwaarschriftprocedure voor belanghebbenden ter inzage te leggen. De bepaling eist derhalve niet meer, dan dat stukken die de belanghebbende in een eventuele procedure voor de rechter toch al zou kunnen inzien, reeds in de bezwaarschriftprocedure voor hem ter kennisneming beschikbaar zijn.”

Het Hof leidt uit de laatste twee volzinnen van deze passage af dat de wetgever bewust een onderscheid heeft gemaakt tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden; in de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 Awb enkel een (passief) inzagerecht.”

12. Uit de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam en de daarin aangehaalde passage uit de parlementaire toelichting leidt de rechtbank af dat de verplichtingen van het bestuursorgaan in enerzijds de bezwaarfase en anderzijds de beroepsfase verschillen. Verder houdt artikel 7:4 van de Awb, ten aanzien van de bezwaarfase, slechts een passief inzagerecht in. Dat betekent dat verweerder in de bezwaarfase geen verplichting heeft om stukken aan een belanghebbende toe te sturen. In beginsel volstaat het dan wanneer een mogelijkheid tot inzage in de stukken wordt geboden.

13. Ten aanzien van de term ‘verstrekken van gegevens’ zoals opgenomen in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ stelt de rechtbank voorop dat deze term algemeen is geformuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ geen verderstrekkende verplichting voor verweerder voort dan hij op grond van artikel 7:4 van de Awb heeft. Het verstrekken van gegevens in de zin van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ reikt dan ook niet verder dan dat verweerder in de bezwaarfase de verplichting heeft om aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen op diens verzoek de mogelijkheid te bieden om de gegevens in te zien die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.

14. Vervolgens komt de rechtbank toe aan beoordeling van de vraag of en, zo ja, in hoeverre artikel 6:17 van de Awb een verplichting voor verweerder inhoudt om in de bezwaarfase stukken aan een gemachtigde toe te sturen. De rechtbank merkt op voorhand op dat eiser zich in zijn beroepschrift beroept op de tekst van artikel 6:17 van de Awb zoals die gold vóór 11 juni 2017, namelijk:

“Indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of het beroep te beslissen, de daarop betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.”

Per 11 juni 2017 is de wettekst gewijzigd4 in die zin dat de waar de oude wettekst vermeldt “toezending aan” de gemachtigde, dit in de nieuwe tekst is gewijzigd in “stelt ter beschikking aan” de gemachtigde. De wijziging is in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht tot stand gekomen om de terminologie techniek-neutraal te maken. Een inhoudelijke wijziging heeft de wetgever hier echter niet mee bedoeld.5

15. Eiser stelt dat artikel 6:17 van de Awb zo opgevat moet worden dat het een verplichting voor een bestuursorgaan inhoudt om in bezwaarfase bepaalde stukken toe te zenden aan gemachtigde. De rechtbank verwerpt deze stelling. Artikel 6:17 van Awb gaat over de goede procesorde en gaat niet verder dan dat in het geval er een gemachtigde is, de plicht bestaat aan hem de stukken te zenden6 die naar de eisende partij zouden worden gezonden. Het artikel heeft geen betrekking op de vraag voor welke stukken een toezendplicht geldt. Zoals hiervoor overwogen is er in de bezwaarfase geen verplichting tot toezending van stukken aan de belastingplichtige. Artikel 6:17 van de Awb brengt hierin geen verandering.7

16. Het voorgaande toegepast op onderhavig geschil leidt tot het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren behoren tot de gegevens die op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ op verzoek moeten worden verstrekt. Zij houden immers een waardering in van de kenmerken van de woning van eiser en van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft deze gegevens in beroep verstrekt, zodat in elk geval toen aan het bepaalde in artikel 40 van de Wet WOZ is voldaan.

17. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze gegevens ook in de bezwaarfase zijn aan te merken als stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Dit volgt uit het door eiser genoemde arrest van 17 augustus 2018 van de Hoge Raad. Verweerder had gemachtigde dus een mogelijkheid moeten bieden om de stukken in te zien. Verweerder heeft aan dit vereiste voldaan voor wat betreft de grondstaffel, maar niet voor wat betreft de KOUDV- en liggingsfactoren. Door deze stukken niet al in de bezwaarfase aan de gemachtigde van eiser ter inzage te geven of ter beschikking te stellen, heeft verweerder niet voldaan aan de door de Hoge Raad in het arrest van 17 augustus 2018 geformuleerde eis van inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de vastgestelde WOZ-waarde van de woning.

18. De rechtbank ziet in het hiervoor vastgestelde gebrek geen reden om de uitspraak op bezwaar te vernietigen, omdat niet is gebleken dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. De grondstaffel lag ter inzage in de bezwaarfase en in beroep heeft eiser over alle informatie kunnen beschikken die ten grondslag ligt aan de vastgestelde WOZ-waarde. Wel ziet de rechtbank reeds hierom aanleiding om verweerder te gelasten het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

De WOZ-waarde van de woning

19. Eiser is het niet eens met de vastgestelde WOZ-waarde van de woning en bepleit een waarde van € 415.000.

20. Verweerder heeft de waarde van de woning onderbouwd met een bij het verweerschrift overgelegd taxatierapport van taxateur [persoon 4] . In dit taxatierapport is de waarde van de woning bepaald op € 440.000. Naast gegevens van de woning bevat het taxatierapport gegevens van een viertal vergelijkingsobjecten, te weten [adres 2] [nummer] en [nummer] te [plaatsnaam] , [adres 3] [nummer] te [plaatsnaam] en [adres 4] [nummer] te [plaatsnaam] . Volgens verweerder is voldoende rekening gehouden met de door eiser gestelde waardedrukkende factoren.

21. De bewijslast dat de aan de woning toegekende waarde juist is ligt bij verweerder. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat de door hem vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin met voormeld taxatierapport en de toelichting ter zitting geslaagd.

22. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de in het taxatierapport genoemde vergelijkingsobjecten niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat type, bouwjaar, ligging, en onderhoudstoestand betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de woning, maar verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen voldoende rekening is gehouden. Zo heeft verweerder met het hanteren van grondstaffels voldoende rekening gehouden met het afnemend grensnut. Bovendien heeft verweerder in verband met de ligging van de woning een neerwaartse correctie van 25% toegepast op de grondwaarde, waarmee eiser zich ter zitting akkoord heeft verklaard. Verweerder heeft de verkoopprijzen geïndexeerd naar de waardepeildatum door middel van het indexcijfer, dat tot stand is gekomen door marktanalyse en waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen vrijstaande en repeterende bouw. Voor alle vergelijkingsobjecten geldt hetzelfde indexcijfer.

23. Uit het taxatierapport komt naar voren dat één van de bijgebouwen van de woning een mantelzorgwoning is met bouwjaar 2019, een oppervlakte van 91 m² en een toegekende waarde van € 50.050. Eiser heeft eerst ter zitting gesteld dat op grond van de Waarderingsinstructie 2016 van de Waarderingskamer een tijdelijke voorziening als een mantelzorgwoning niet meegenomen moet worden. De rechtbank zal aan de stelling van eiser voorbij gaan, omdat deze pas ter zitting is ingenomen en verweerder hierdoor in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft aangegeven dat hij niet alle vragen van de rechtbank op dit punt kon beantwoorden, omdat hij ter zitting over onvoldoende feitelijke informatie over de mantelzorgwoning beschikte. Het had op de weg van eiser gelegen om dit punt in een eerder stadium punt op te werpen, zodat verweerder de gelegenheid had gehad om zich voor te bereiden.

24. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikte waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond voor zover het betrekking heeft op de WOZ-waarde.

Kostenvergoeding bezwaarfase

25. Tot slot is in geschil de door verweerder in de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding.

26. De rechtbank stelt voorop dat op 11 juni 2020 een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden, waarbij de gemachtigde en verweerder 33 bezwaren hebben behandeld. In twee zaken zijn de bezwaren gegrond verklaard door verweerder, waaronder in onderhavige zaak.

27. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder aan eiser een vergoeding voor verleende rechtsbijstand toegekend van in totaal € 405,16. Verweerder is daarbij voor het indienen van het bezwaar uitgegaan van € 261 (1 punt met wegingsfactor 1) en heeft de toegekende vergoeding voor het horen gematigd tot € 144,16. Verweerder is daarbij uitgegaan van een tijdsbesteding van 34,6 minuten voor de hoorzitting (30 minuten voorbereidingstijd en 4,6 minuten voor de hoorzitting) en een maximaal uurtarief van de gemachtigde van € 250.

28. Eiser stelt dat de vergoeding voor het horen niet gematigd had mogen worden, omdat er terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Omdat in onderhavige zaak het forfaitaire uurtarief uiteindelijk ver beneden het bedrag van € 250 per uur ligt, is het volgens eiser onterecht dat verweerder een matiging heeft toegepast.

29. Verweerder meent dat er voor het bijwonen van de telefonische hoorzitting wel aanleiding bestaat om af te wijken van het forfaitaire stelsel van het Bpb. Volgens verweerder is sprake van bijzondere omstandigheden omdat het bezwaar is toegelicht op een hoorzitting waarop 33 zaken zijn behandeld in 153 minuten tijd waardoor de werkelijke kosten van rechtsbijstand lager zijn dan het forfait voor een hoorzitting van € 261.

30. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt voor kostenvergoeding de forfaitaire bedragen zoals opgenomen in het Bpb hebben te gelden. Voor een afwijking van de forfaitaire bedragen kan aanleiding bestaan als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die bedragen leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.8 Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.9 Uit de nota van toelichting bij het Bpb volgt dat artikel 2, derde lid, van het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. In die gevallen kan een bestuursorgaan of de rechter de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen. Daarbij mag geen afbreuk worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten, aldus de toelichting. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast.10

31. De bewijslast dat sprake is van een uitzonderingssituatie rust op verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het licht van de gemotiveerde betwisting door eiser, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de forfaitaire bedragen. Het enkele feit dat er tijdens één hoorzitting 33 bezwaren zijn behandeld, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat verweerder niet heeft gesteld of overigens is gebleken dat het bij die hoorzitting om objecten ging met gelijksoortige kenmerken, waardoor de gemachtigde tijdswinst kon behalen door een gezamenlijke behandeling. Ook het aantal gegrond verklaarde bezwaren is van belang. Voor de twee gegronde bezwaren bedraagt een forfaitair bepaalde vergoeding (naar de destijds geldende tarieven) voor de hoorzitting € 522. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat dit dermate disproportioneel is dat aanleiding bestaat die vergoeding te matigen als gevolg van bijzondere omstandigheden.11
Deze beroepsgrond slaagt dus.

Conclusies

32. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd voor zover deze ziet op de vergoeding van kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar. De rechtbank zal de vergoeding van de kosten in bezwaar vaststellen op € 530 (1 punt voor het maken van bezwaar en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 265 en een wegingsfactor 1), waarbij in aftrek komt het bedrag dat verweerder reeds aan kostenvergoeding in bezwaar heeft betaald. De vergoeding van de kosten in beroep stelt de rechtbank vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

33. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de kostenvergoeding in bezwaar;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.598;

- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.W. Monteiro, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede, mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. van Schelven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 ECLI:NL:HR:2018:1316.

2 ECLI:NL:GHAMS:2018:2706.

3 In gelijke zin Hof Amsterdam 29 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:518 en Hof Amsterdam 30 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1878.

4 Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht, Staatsblad 2016, 288.

5 Kamerstukken II 2014/2015, 34059, nr. 3 (Memorie van Toelichting).

6 Hoge Raad 20 september 2000, ECLI.NL:HR:2000:AA7148.

7 In gelijke zin Gerechtshof Den Haag 9 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2480.

8 Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990.

9 Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415.

10 Nota van toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken, Staatsblad 2014, 411.

11 Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2676.