Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1750

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5887
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan een bedrijf dat kermisattracties maakt een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een loods die zal worden gebruikt voor de opslag van kermisattracties en materialen respectievelijk laden en lossen daarvan. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen.

In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of verweerder de loods terecht als een bijbehorend bouwwerk heeft bestempeld en aldus toepassing heeft mogen geven aan artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht om de omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/5887 en 19/5917

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

1. [eiser] [adres],

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),

2. [eiser] [adres],
3. [eiser], [adres],

4. [eiser] [adres],

5. [eiseres] [adres], te [woonplaats],

samen eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, verweerder
(gemachtigden: G.J. Bomer en J.E.G. Boessenkool).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een

omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 23 april 2018 heeft verweerder de bezwaren van eisers, onder aanvulling van de motivering van het primaire besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft dit besluit bij uitspraak van 25 maart 2019, nrs. 18/2688 en 18/2950, vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 27 september 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eisers deels gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het primaire besluit aangevuld en voorzien in een nadere motivering.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit 1 beroepen ingesteld.

Bij besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder dit besluit deels gewijzigd. De beroepen tegen het bestreden besluit 1 zijn op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021. Eiser 1 en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook eiser 3 en eiser 5 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij zijn [belanghebbende] en [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Derde-partij exploiteert een bedrijf dat kermisattracties maakt op het adres [locatie] in [woonplaats]. Verweerder heeft aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een loods op de percelen met nummers [locatie].
De loods zal worden gebruikt voor opslag van kermisattracties en materialen én laden en lossen. Eisers wonen in de directe nabijheid.


Besluitvorming

2. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Neede, bedrijventerreinen 2011’ én de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’ en ‘Waarde - Archeologische Verwachting 3’. Op de percelen [locatie] en [locatie] rust de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1'. De functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' rust op perceel 193. Op grond van artikel 5.1, onder c, van het bestemmingsplan zijn de gronden met laatstgenoemde functieaanduiding uitsluitend bestemd voor bedrijven in categorie 1, 2 en 3.1 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het bedrijf van derde-partij valt onder categorie 3.2. Het project is daarom in strijd met het bestemmingsplan.

Verweerder meent dat hij in zijn besluitvorming toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).


Heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor planologisch strijdig gebruik?

3. Eisers betwisten dat verweerder een omgevingsvergunning heeft verleend voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Uit de enkele opmerking in het bestreden besluit onder het kopje “Conclusie” dat verweerder wil meewerken aan een afwijking van het bestemmingsplan, blijkt volgens eisers niet dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Dat een vergunning voor planologisch strijdig gebruik niet is verleend blijkt volgens eisers ook uit het feit dat de voorschriften van de verleende omgevingsvergunning enkel zien op de bouwactiviteit in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.

3.1

In verweerders besluitvorming staat dat voor de realisatie van de loods kan worden afgeweken op grond van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor; dat het project niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening én dat is besloten om de vergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a en 2°, van de Wabo. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus duidelijk dat verweerder (ook) een omgevingsvergunning heeft verleend voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het betoog van eisers slaagt niet.

Is de omgevingsvergunning in strijd met de goede ruimtelijke ordening verleend?
4. Eisers 2 t/m 5 betwisten dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat het akoestisch onderzoek van Buro Tideman waarop verweerder zich baseert onvolledig is omdat de geluidsoverlast die het gevolg is van de tests van kermisattracties, niet is onderzocht. Ook stellen deze eisers dat de woningen aan de [adres], [adres] en [adres] ten onrechte niet in het akoestisch onderzoek zijn betrokken.

4.1

Dit betoog slaagt evenmin. Hoewel op de zitting desgevraagd namens derde-partij is aangegeven dat maandelijks tests plaatsvinden waarbij muziek en andere geluiden worden geproduceerd en in het akoestisch onderzoek dus ten onrechte wordt opgemerkt dat de tests plaatsvinden zonder muziek, kan dit eisers niet baten. Onweersproken is namelijk dat de tests plaatsvinden op het terrein vóór de loods, zoals door derde-partij op de zitting is uitgelegd. De tests houden geen verband met de bouw of het gebruik van de loods en daarmee ook niet met de omgevingsvergunning waar deze procedure op ziet. Indien eisers 2 t/m 5 wensen op te komen tegen de geluidsemissie die uitgaat van de tests van kermisattracties, dan kunnen zij desgewenst bij verweerder een verzoek om handhaving indienen. Dit is echter een aparte procedure die losstaat van hetgeen in deze procedure wordt behandeld.

4.2

Ook de stelling van eisers dat de woningen aan de [adres], [adres] en [adres] niet in het onderzoek van Buro Tideman zijn betrokken, leidt niet tot het door eisers gewenste resultaat omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat in het akoestisch onderzoek van Buro Tideman wel gekeken is naar de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen aan de [adres], [adres] en [adres]. Die woningen staan dichterbij de loods dan de woningen op nummers 16a, [adres] en [adres]. Eisers 2 t/m 5 hebben niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat ter plaatse van de verdergelegen woningen 16a, [adres] en [adres] een hogere geluidsbelasting te verwachten is. Volgens de rechtbank heeft verweerder in het door eisers gestelde daarom geen aanleiding hoeven zien om het akoestisch rapport van Buro Tideman niet ten grondslag te leggen aan zijn besluitvorming.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

Heeft verweerder artikel 4, onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor terecht toegepast?

5. Eisers betogen dat verweerder geen toepassing kan geven aan artikel 4, onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor omdat de te bouwen loods geen bijbehorend bouwwerk is. Eisers stellen dat alle op het terrein gesitueerde gebouwen als hoofdgebouw moeten worden aangemerkt omdat deze gebouwen in dezelfde mate noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de loods een bijbehorend bouwwerk is dat hoort bij het gebouw waar de kermisattracties worden vervaardigd tot eindproduct. Op de plattegrond in het verweerschrift is dit gebouw aangeduid als gebouw C. Volgens verweerder is dit het hoofdgebouw.

5.2

Op grond van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor is binnen de daar gegeven randvoorwaarden de bouw van een bijbehorend bouwwerk mogelijk. In alle gevallen moet er op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor een hoofdgebouw op hetzelfde perceel aanwezig zijn.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor wordt namelijk onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat gebouw C een hoofdgebouw is als bedoeld in artikel 1 van Bijlage II van het Bor. Ter beantwoording van de vraag of de aangevraagde loods een bijbehorend bouwwerk is, is het van belang om te bepalen of de loods functioneel verbonden is met gebouw C. Uit de Nota van Toelichting1 en vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)2 volgt dat er sprake moet zijn van een gebruik van het bijbehorend bouwwerk dat in planologisch opzicht gerelateerd is aan het gebruik van het hoofdgebouw om te kunnen spreken van functionele verbondenheid. Daarbij zijn de feitelijke omstandigheden van belang. Uit de stukken blijkt en op de zitting is desgevraagd door derde-partij toegelicht dat gebouw C wordt gebruikt voor vervaardiging van kermisattracties. Als de loods eenmaal gebouwd is, kunnen daarin de in gebouw C vervaardigde kermisattracties en de voor dit productieproces benodigde materialen worden opgeslagen. Ook kunnen er laad- en losactiviteiten plaatsvinden die de verplaatsing van kermisattracties en materialen tussen gebouw C en de loods mogelijk maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de te bouwen loods in planologisch opzicht gerelateerd aan het gebruik van gebouw C. Gelet op het feitelijke gebruik, is de loods bovendien functioneel verbonden met gebouw C. De stelling van eisers dat alle gebouwen op het terrein als een hoofdgebouw moeten worden gezien gelet op de geldende bestemming, zou impliceren dat bij al die afzonderlijke hoofdgebouwen de mogelijkheid bestaat om vergunningvrij bij te bouwen. Blijkens de zojuist aangehaalde Nota van Toelichting, is dat niet de bedoeling van de regeling voor vergunningvrij bouwen. Die regeling moet bovendien restrictief worden uitgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de te bouwen loods terecht als een bijbehorend bouwwerk heeft bestempeld en aldus toepassing heeft mogen geven aan artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor om de omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het betoog van eisers slaagt niet.

Was verweerder bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen?
6. Eisers 2 t/m 5 betogen dat verweerder onbevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen omdat geen verklaring van geen bedenkingen is gevraagd aan de gemeenteraad.

6.1

Een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is op basis van artikel 6.5 van het Bor slechts nodig indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3˚, van de Wabo. Dat is hier niet aan de orde. Reeds daarom slaagt het betoog van eisers 2 t/m 5 niet.

Heeft verweerder de omgevingsvergunning mogen verlenen?

7. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.


Wat betekent dit voor deze zaak?

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.A. Nijmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Gelo, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Stb 2010, 143, p. 132 e.v.

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1878.