Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1737

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
05/191851-20 en 08/120749-20 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05/191851-20 en 08/120749-20 (tul)

Datum uitspraak : 9 april 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1958 te [geboorteplaats] (Polen),

op dit moment gedetineerd in de P.I. Arnhem aan de Ir. Molsweg 5 in (6834 AA) Arnhem.

Raadsvrouw: mr. R.M. Bissumbhar, advocaat in Barneveld.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 juli 2020 te Doornspijk, gemeente Elburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, heeft hij, verdachte, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de (onder)buik, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2020 te Doornspijk, gemeente Elburg aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een open wond in de buik, heeft toegebracht door met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de (onder)buik van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2020 te Doornspijk, gemeente Elburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen heeft hij, verdachte, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de (onder)buik van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Door met een mes in de onderbuik van aangever te steken heeft verdachte bewust het risico genomen dat aangever zou kunnen komen te overlijden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft algehele vrijspraak bepleit. De aangifte is volgens haar niet betrouwbaar. Daarnaast ontkent verdachte te hebben gestoken. Ten slotte is door de raadsvrouw een alternatief scenario naar voren gebracht: bij [slachtoffer] was een week voor het steekincident door [naam 1] een steekverwonding aangebracht; Op 23 juli 2020 hadden zij opnieuw ruzie.

Beoordeling door de rechtbank

Op 23 juli 2020 ontving de meldkamer van de politie omstreeks 16:11 uur een melding, afkomstig van een bungalowpark in Doornspijk.2

De verbalisanten die ter plaatse kwamen, zagen in een bungalow een man staan met veel bloed aan zijn buik en benen. Nadat de man zijn T-shirt omhoog trok, zagen verbalisanten een open wond aan de linkerkant van zijn buik en zagen zij dat een gedeelte van zijn darmen uit zijn buik hing. De naam van de man was [slachtoffer] . Verder zagen verbalisanten in de bungalow een man en een vrouw die de vloer aan het dweilen waren. Dit betroffen verdachte en [naam 1] . Verbalisanten zagen een vierde persoon rond de bungalow lopen. Dit betrof [getuige] .3

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij met de vrouw van verdachte, [naam 1] , in de slaapkamer van verdachte en [naam 1] stond. Aangever hoorde plotseling verdachte de slaapkamer binnenkomen en draaide zich naar verdachte toe. Direct daarna voelde aangever dat een mes in zijn buik werd gestoken. Aangever heeft verklaard dat verdachte het mes weer uit de buik van aangever trok en het mes meteen ging omspoelen.4

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij samen met haar vriend, aangever [slachtoffer] , in een huisje op een bungalowpark woonde. In het huisje woonde nog een ander stel, verdachte en [naam 1] . De slaapkamer van verdachte en [naam 1] bevindt zich op de benedenverdieping. Op 23 juli 2020 zag getuige aangever in de woonkamer staan, geleund tegen een stoel, met veel bloed op zijn buik en benen. [naam 1] had de politie gebeld. Getuige zag dat verdachte in de keuken een mes aan het schoonmaken was. Het was een mes met een zwart handvat en ongeveer 20 centimeter groot. Getuige zag dat verdachte daarna de vloer ging dweilen. Getuige hoorde verdachte tegen haar (getuige) zeggen dat zij moest zeggen dat [slachtoffer] met een mes op hem was afgekomen. Veel later hoorde getuige verdachte en [naam 1] met elkaar praten. Getuige hoorde dat verdachte zei dat [slachtoffer] tegen het mes was aangelopen en dat ze hun mond gingen houden.5

In het proces-verbaal van forensisch onderzoek op de plaats delict beschrijven verbalisanten dat zij in de slaapkamer op de begane grond op de muur achter de slaapkamerdeur twee bloedspoorpatronen aantroffen. Ook zagen zij diverse bloeddruppels op het dekbedovertrek en bloedsporen op de binnen- en buitenzijde van de slaapkamerdeur. Verbalisanten zagen in de badkamer een blauwe dweil staan die was bebloed. Verbalisanten zagen diverse (uitgeveegde) bloedsporen op de keukenvloer. In de linker keukenlade zagen verbalisanten drie messen die overeenkwamen met de omschrijving van het mes waarmee aangever gestoken zou zijn.6 Die drie messen zijn inbeslaggenomen.7

In het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon ten aanzien van verdachte staat beschreven dat aan de voorzijde van de rechter schouder, ter hoogte van de oksel van verdachte, een bloedspoor werd geconstateerd, evenals aan de buitenzijde van de rechter pols van verdachte.8 Uit het forensisch onderzoek naar [naam 1] volgt dat onder andere ter hoogte van de buitenzijde van de linker pols, de buitenzijde van de linker hand en de binnenzijde van de rechter pink van [naam 1] , bloedsporen werden geconstateerd. Ook aan de onderzijde van de linkervoet werden bloedsporen aangetroffen. Op het T-shirt, de broek en de slippers van [naam 1] zijn bloedsporen geconstateerd.9

In de door de arts opgestelde letselbeschrijving staat vermeld dat bij aangever onder andere het volgende letsel is geconstateerd: een steekwond links onder de ribbenboog. De dikke darm van aangever was geperforeerd. Om het inwendige letsel te repareren is tweemaal een buikoperatie verricht. Het letsel resulteert in een AIS-score van 4, en wordt gekwalificeerd als ‘levensbedreigend’.10

Alternatief scenario

De hiervoor genoemde bewijsmiddelen belasten verdachte in ernstige mate. Het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario dat verdachte als dader uitsluit, acht de rechtbank niet geloofwaardig om de volgende redenen.

Volgens de verdediging zou [getuige] aangever hebben gestoken, omdat zij voor het steekincident ruzie hadden, net als een aantal dagen daarvoor waarbij aangever naar het ziekenhuis zou zijn gebracht. Voor dat scenario ziet de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten. Allereerst maakt de rechtbank uit het dossier op dat op de kleding van [getuige] geen bloedsporen zijn aangetroffen, terwijl op de kleding en het lichaam van [naam 1] en op het lichaam verdachte wel bloedsporen zijn aangetroffen. Dat sluit aan bij de aangever geschetste gang van zaken; hij heeft immers verklaard dat hij door verdachte gestoken is in het bijzijn van [naam 1] .

De stelling dat verdachte die middag alleen maar op zijn kamer zou hebben verbleven en daardoor niets meekreeg van wat zich in de woning heeft afgespeeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig gezien de ernst van de verwonding. Bovendien zijn er juist op die slaapkamer bloedsporen aangetroffen. Voor de aanwezigheid van dat opvallende bloedspoorpatroon op de muur heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven. Verder waren verdachte en [naam 1] aan het dweilen op het moment dat de politie bij de woning aan kwam. Zij bekommerden zich niet om aangever die op dat moment hevig aan het bloeden was. Dat verdachte bloed ging opdweilen zonder ervan op de hoogte te zijn van wat er was voorgevallen, of zich daarvan te vergewissen, acht de rechtbank evenmin geloofwaardig. Dat geldt ook voor zijn verklaring ter zitting, dat hij in de keuken geen mes stond af te wassen, maar eten stond te bereiden. Van belang is voorts dat verdachte mondjesmaat en pas in een latere fase van de procedure is gaan verklaren; ook dit doet afbreuk aan de aannemelijkheid van zijn (beperkte) relaas. De verklaring die daarvoor door de verdediging is gegeven, namelijk dat verdachte naar zijn zeggen is opgegroeid in een communistisch land met een geschiedenis van onderdrukking, acht de rechtbank daarvoor niet afdoende mede gezien de lange duur van zijn verblijf in Nederland.

Het door de verdediging geschetste scenario is reeds vanwege het voorgaande niet aannemelijk is geworden. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan de alternatieve lezing van de verdediging. Wat meer of anders door de verdediging is aangevoerd, kan hieraan niet afdoen en behoeft dus geen verdere bespreking meer.

Verdere bewijsoverwegingen en conclusie

De rechtbank acht de verklaringen van aangever over de toedracht betrouwbaar, omdat hij specifiek en concreet heeft verklaard over de relevante bijzonderheden zoals de plaats waar gestoken is (slaapkamer beneden), wie daarbij aanwezig waren (bloedsporen bij verdachte en [naam 1] ), het schoonmaken en opbergen van het mes en het dweilen van de bloedsporen. Die relevante details vinden steun in de verklaringen van [getuige] , het sporenonderzoek en de bevindingen van verbalisanten die als eerste ter plaatse kwamen. Dat uit het politieonderzoek niet (voldoende) duidelijk is geworden wat precies de aanleiding is geweest voor het steekincident, doet aan dit oordeel over de bewijsvraag niet af. Vaststaat wel dat verdachte fors onder invloed van alcohol was.11

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die op 23 juli 2020 in Doornspijk aangever met opzet in zijn onderbuik heeft gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. In de buikstreek bevinden zich vitale en kwetsbare onderdelen van het menselijk lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat met een wapen zoals het hier gebruikte grote mes, dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door met een mes van die lengte in de buik van aangever te steken heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat één of meer vitale onderdelen zouden worden geraakt en dat aangever als gevolg van de dan ontstane verwonding zou kunnen overlijden.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 23 juli 2020 te Doornspijk, gemeente Elburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, heeft hij, verdachte, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de (onder)buik, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging iemand van het leven te beroven. Verdachte heeft – om een voor de rechtbank onduidelijke reden – aangever met een mes in zijn onderbuik gestoken. Door zijn handelen heeft verdachte aangever een ernstige en levensbedreigende verwonding toegebracht. Twee levensreddende operaties waren vervolgens nodig. Na het steekincident heeft verdachte zich in het geheel niet om aangever bekommerd, maar was hij – terwijl aangevers darmen uit zijn buik puilden en hij in en rond om de woning liep – alleen maar bezig met het opruimen van sporen. Dat aangever het steekincident heeft overleefd is geenszins aan verdachte te danken. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Dit geldt ook voor de proceshouding van verdachte. Verdachte wil kennelijk geen enkele verantwoordelijkheid nemen voor zijn handelen. Vaststaat wel dat hij fors onder invloed van alcohol was.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 21 februari 2021 volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Wel blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om verdachte een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank zal een hogere straf op te leggen dan de strafeis van de officier van justitie, omdat die eis geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 14.960,30 aan materiële schade en € 2.539,70 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de onderbouwing van de vordering ontbreekt.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, een en ander zoals hierna te melden.

Materiële schade

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering ten aanzien van de kosten voor vervoer ambulance (€ 859,25) en kosten voor ziekenhuisopname
(€ 14.101,05) nu hiervoor elke onderbouwing onderbreekt.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Anders dan door de officier van justitie en de verdediging aangevoerd, is wel sprake van enige onderbouwing. Vaststaat immers dat de benadeelde partij meermalen is geopereerd aan het in potentie dodelijke letsel en daarvoor een aantal weken in het ziekenhuis heeft verbleven, welk voorval hem naast schrik en angst ook fysieke pijn heeft bezorgd. De mate waarin het voorval gevolgen heeft gehad voor het werk van aangever is niet komen vast te staan en zal niet worden meegewogen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, het procesdossier en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank de immateriële schadevergoeding in elk geval aannemelijk geworden tot een bedrag van € 2.000,00 en zal zij dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2020 tot de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 08/120749-20)

De politierechter van de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft verdachte op 5 augustus 2020 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen nu verdachte moet te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Het betreffende vonnis is immers gewezen nadat het tenlastegelegde feit is gepleegd. Verdachte heeft aldus geen nieuw strafbaar feit gepleegd binnen de proeftijd.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het tenlastegelegde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Overijssel locatie Almelo van 5 augustus 2020 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken (parketnummer 08/120749-20).

Dit vonnis is gewezen door mr. T.N. Ritzer (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en
mr. G. Hilberink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2021.

mr. G. Hilberink is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLO 600-2020344388, gesloten op 30 november 2020, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 132-134

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 101

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 120-122

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 106-107

6 Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 143-145

7 Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, 144

8 Proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, p. 185.

9 Proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, p. 201.

10 Letselbeschrijving door GGD-arts [naam 2] , opgenomen in het aanvullend proces-verbaal, p. 2

11 Een schriftelijk bescheid, te weten de uitslag van de alcoholademanalyse: 650 µg/l, p. 27