Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1623

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 263
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG; inzagerecht; geen misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 20/263


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2021

in de zaak tussen

[naam A] , te [plaats A] , eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.C. van Graafeiland).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser om inzage van zijn persoonsgegevens.

Bij besluit van 10 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door

mr. T. Gillhaus en mr. M.J.A. Hanhart, als vervangers van zijn gemachtigde.

Overwegingen

De van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.

1. Eiser heeft in 2016 bij verweerder een verzoek ingediend op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) om inzage van de persoonsgegevens die van hem werden verwerkt. In de bezwaarprocedure naar aanleiding van dat verzoek heeft de Commissie van Advies voor Bezwaarschriften en Klachten van de provincie Gelderland aan verweerder verzocht om informatie over de schaal waarop eiser soortgelijke verzoeken en bezwaarschriften bij andere bestuursorganen had ingediend. Bij brief van 3 januari 2017 (brief 2017) heeft verweerder aan de commissie informatie hierover verstrekt. Uit deze brief blijkt dat verweerder contact had opgenomen met het Interprovinciaal Overleg (IPO), provincies en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

2. Eiser heeft bij brief van 10 juli 2019 op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG) aan verweerder verzocht om een overzicht van de ontvangers van door verweerder verwerkte persoonsgegevens. Daarbij heeft eiser verwezen naar het door hem in 2015 ingediende verzoek om IT-gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en het door hem in 2016 ingediende verzoek op grond van de Wbp. Bij het verzoek heeft eiser een kopie gevoegd van de brief 2017.

3. In het primaire besluit heeft verweerder een overzicht verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens en meegedeeld dat de persoonsgegevens zijn gedeeld met de Commissie Rechtsbescherming (voorheen de Commissie van Advies voor Bezwaarschriften en Klachten). Eiser heeft bezwaar gemaakt en daarbij, onder verwijzing naar de brief 2017, gesteld dat met vele andere bestuursorganen contact is geweest. In een mailwisseling heeft eiser dit nader toegelicht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaard.

4. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag ligt.

De ratio van het inzagerecht van artikel 15 van de AVG is dat een betrokkene in staat wordt gesteld om te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Een recht op inzage bestaat alleen als dat doel wordt nagestreefd. Als het inzagerecht wordt ingezet voor een afwijkend doel is sprake van misbruik van recht.

Volgens verweerder volgt het misbruik van recht in de onderhavige procedure uit

  • -

    de betrokkenheid van (de gemachtigde van) eiser bij misbruik van recht in eerdere Wob-procedures,

  • -

    de omstandigheid dat eiser verzoekt om informatie die hem reeds bekend is, en

  • -

    het procesgedrag in de onderhavige inzageprocedure.

5. Op de beroepsgronden van eiser zal in het navolgende – voor zover nodig – worden ingegaan.

6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is van misbruik van recht sprake indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.1 Dit betekent dat er een zekere mate van evidentie moet zijn dat rechten zonder redelijk doel of voor een ander doel zijn aangewend, voordat tot misbruik van recht geconcludeerd kan worden.

7. Met inachtneming van voorgaande overweging, heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser met het verzoek van 10 juli 2019 misbruik heeft gemaakt van zijn inzagerecht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

7.1.

In het verzoek van 10 juli 2019 heeft eiser meegedeeld dat verweerder in verband met zijn verzoeken uit 2015 en 2016 persoonsgegevens van hem verwerkt, dat uit de brief 2017 blijkt dat verweerder persoonsgegevens heeft gedeeld, en verzocht om een overzicht van de ontvangers. Naar de inhoud beoordeeld is dit verzoek in overeenstemming met het doel van artikel 15 van de AVG, welk artikel er – onder meer – toe strekt dat degene van wie persoonsgegevens worden verwerkt het recht heeft om te vernemen aan welke ontvangers zijn persoonsgegevens zijn verstrekt.

7.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel van het verzoek niet was om de gevraagde informatie te verkrijgen, omdat eiser reeds beschikte over de brief 2017 en dus al wist aan welke ontvangers persoonsgegevens waren verstrekt. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De informatie in de brief 2017 houdt verband met de bezwaarprocedure die destijds liep. Het verzoek is bovendien 2 jaar en 6 maanden na de brief 2017 gedaan.

Omdat niet uitgesloten is dat verweerder buiten het kader van de zaak waar de brief 2017 op ziet, of ná die brief, nog persoonsgegevens heeft gedeeld met derden, valt niet in te zien dat de omstandigheid dat eiser al beschikte over de brief 2017 tot de conclusie moet leiden dat het doel van eiser niet was om van het inzagerecht van artikel 15 van de AVG gebruik te maken.

De rechtbank merkt nog op dat uit de wijze waarop het verzoek is ingericht geenszins kan worden afgeleid dat eiser heeft geprobeerd om verweerder op het verkeerde been te zetten, wat een aanwijzing had kunnen zijn dat eiser met het verzoek een ander doel zou hebben nagestreefd. Eiser heeft in het verzoek immers vermeld op basis van welke zaken verweerder zijn persoonsgegevens verwerkt, en hij heeft de brief 2017 bij het verzoek gevoegd.

7.3.

Ook het maken van bezwaar is niet aan te merken als misbruik van recht omdat het primaire besluit, gelet op de brief 2017, onvolledig was en bovendien geen uitsluitsel gaf of verweerder, buiten hetgeen in de brief 2017 is vermeld, persoonsgegevens van eiser heeft gedeeld met derden.

7.4.

De omstandigheid dat de gemachtigde van eiser en eiser eerder in het kader van Wob-procedures niet-ontvankelijk zijn verklaard, is onvoldoende om in de onderhavige procedure tot het oordeel te komen dat sprake is van misbruik van recht.2

7.5.

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat het procesgedrag van eiser in de onderhavige zaak een aanwijzing is dat sprake is van misbruik van recht. De omstandigheid dat eiser heeft verzocht om telefonisch te worden gehoord, en hetgeen verweerder heeft aangevoerd over het verzoek om proceskostenvergoeding, de vermelding van het rekeningnummer en de machtiging, is daarvoor onvoldoende.

7.6.

Tot slot overweegt de rechtbank dat ook indien hetgeen verweerder heeft aangevoerd in onderling verband wordt beschouwd, niet is voldaan aan de eis dat eiser met een zekere mate van evidentie zijn inzagerecht zonder redelijk doel of voor een ander doel heeft gebruikt.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Omdat verweerder een inhoudelijk besluit moet nemen op het bezwaarschrift bestaat geen mogelijkheid voor de rechtbank om de zaak finaal te beslissen. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. De rechtbank zal hiervoor een termijn van 4 weken vaststellen. Er is geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden, zoals door eiser verzocht.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder om de proceskosten van eiser te vergoeden. Deze kosten bedragen € 1.068 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, met een waarde per punt van € 534) voor rechtskundige bijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser die € 1.068 bedragen;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 1 april 2021

De griffier is buiten staat om

deze uitspraak te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage:

Algemene verordening gegevensbescherming, artikel 15

Recht van inzage van de betrokkene

1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

[…]

c. de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1587

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:181.