Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1554

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5996
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgens de Svb bestaat geen recht meer op de AIO-uitkering vanwege de eigendom van onroerend goed in Turkije. Eisers hebben gesteld dat op de woning van eiseres in Turkije sinds 2 september 2013 conservatoir beslag ligt, zij hebben een verklaring van het Turkse kadaster overgelegd, alsmede twee arresten van het Hof van Cassatie waaruit blijkt dat de gerechtelijke procedure in Turkije nog loopt. Eisers hebben bij brief van 2 juli 2020 een statusdocument van de rechtbank in Datça overgelegd, gedateerd 30 juni 2020, waarin staat dat het conservatoir beslag nog niet is opgeheven en nog steeds zichtbaar is op de eigendomsregistratie. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de door eisers overgelegde stukken, en dan met name het op 30 juni 2020 door de rechtbank Datça opgestelde document, voldoende blijkt dat er in de te beoordelen periode conservatoir beslag lag op de woning en eisers aldus in deze periode niet over de woning konden beschikken. De rechtbank is het niet eens met verweerder dat eisers onvoldoende hebben ondernomen en tekort zijn geschoten in hun bewijsvoering, omdat niet valt in te zien op welke wijze eisers anderszins hadden kunnen aantonen dat er nog steeds conservatoir beslag ligt op de woning. Dit leidt ertoe dat eisers in de te beoordelen periode niet de mogelijkheid hadden om de vermogens- of inkomsensbestanddelen feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aan een oordeel over de (economische) waarde van de woning komt de rechtbank niet toe, aangezien deze waarde eerst van belang is als eisers over de woning kunnen beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 19/5996

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2021

in de zaak tussen

[eiser A] en [eiseres B], te [plaats A] , tezamen eisers

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Herder).

Procesverloop

Bij het eerste besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder het ouderdomspensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 maart 2018 herzien naar het pensioenbedrag voor een gehuwde.

Bij het tweede besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2019.

Bij het derde besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit III) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een AIO-aanvulling op grond van de Pw afgewezen.

Bij besluit van 11 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Namens eisers is hun gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Op 28 juli 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Bij brief van 31 augustus 2020 heeft verweerder een reactie ingezonden, onder bijvoeging van een aan eisers gezonden besluit van 13 januari 2020 en een kopie van het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter op 25 november 2019.

Bij brief van 5 november 2020 hebben eisers een reactie ingezonden.

Eisers hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Verweerder heeft bij brief van 21 januari 2021 laten weten geen behoefte te hebben om nogmaals ter zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens op 9 maart 2021 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

[eiser A] , geboren op [geboortedatum A] 1941) ontvangt sinds maart 2006 een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde (met 32% korting vanwege niet verzekerde tijdvakken). Vanaf oktober 2009 ontvangt hij van verweerder naast zijn ouderdomspensioen ook een AIO-aanvulling naar de norm voor een ongehuwde.

1.2.

Op 9 februari 2018 is eiser in [land A] in het huwelijk getreden met [eiseres B]

, geboren op [geboortedatum B] 1959). Eiseres is in augustus 2018 naar Nederland gekomen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het recht van eiser op ouderdomspensioen en AIO-aanvulling opnieuw beoordeeld en de uitkomst van deze beoordeling neergelegd in de primaire besluiten I en II. Eisers hebben op 8 februari 2019 gezamenlijk een AIO-aanvulling aangevraagd. Op deze aanvraag heeft verweerder bij het primaire besluit III beslist.

1.3.

Bij het primaire besluit I heeft verweerder het ouderdomspensioen van eiser met ingang van 1 maart 2018 herzien. In een brief van 28 maart 2019 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij, als gevolg van deze herziening, over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2019 een bedrag van € 3.242,45 te veel ouderdomspensioen heeft ontvangen.

1.4.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de AIO-aanvulling van eiser ingetrokken over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2019. Eiseres is in bezit van een woning in [land A] . De economische marktwaarde van de woning is niet bekend. Verweerder stelt niet uit te kunnen gaan van de OZB-waarde van een woning in [land A] . Nu de economische waarde van de woning in [land A] niet bekend is, kan verweerder het vermogen van eiser niet vaststellen en daarmee kan verweerder het recht op AIO-aanvulling evenmin vaststellen. Om diezelfde reden heeft verweerder bij het primaire besluit III de aanvraag van eisers om een AIO-aanvulling afgewezen. In een brief van 28 maart 2019 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij, als gevolg van deze intrekking, over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2019 een bedrag van € 3.575,73 te veel AIO-aanvulling heeft ontvangen.

1.5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de rechtbank om het treffen van een voorlopige voorziening verzocht. In die laatste procedure hebben eisers gesteld dat op de woning van eiseres in [land A] sinds 2 september 2013 conservatoir beslag ligt, een verklaring van de [land A] kadaster overgelegd alsmede twee arresten van het Hof van Cassatie van 5 maart 2018 en 1 april 2019 waaruit blijkt dat de gerechtelijke procedure in [land A] nog loopt. Op 18 december 2019 hebben eisers het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, na overleg met verweerder, ingetrokken. In onderhavig geding hebben eisers bij brief van 2 juli 2020 een statusdocument van de rechtbank in Datça overgelegd, gedateerd 30 juni 2020, waarin staat dat het conservatoir beslag nog niet is opgeheven en nog steeds zichtbaar is op de eigendomsregistratie.

1.6.

Ter zitting hebben eisers naar voren gebracht dat verweerder naar aanleiding van de ingetrokken voorlopige voorziening een AIO-aanvulling heeft toegekend in de vorm van een geldlening vanaf de datum waarop eisers de aanvraag hebben ingediend. Omdat de gerechtelijke procedures in [land A] al lopen vanaf 2013 en er geen zicht is op een vlotte afdoening kan niet worden gesteld dat eisers op korte termijn over voldoende middelen kunnen beschikken. Eisers hebben ter zitting eveneens een toelichting gegeven op de gerechtelijke procedure(s) in [land A] . Volgens eisers is de lange rechtsgang in [land A] terug te voeren op de omstandigheid dat er onduidelijkheid is geweest over de (relatieve) competentie van de rechtbank. De zaak is in het verleden in [land A] aanhangig gemaakt bij een niet-bevoegde rechtbank. Inmiddels is de zaak doorverwezen naar de bevoegde rechtbank, maar er is geen zicht op een uitspraak binnen afzienbare tijd. Volgens eisers dient de bijstand dan ook om niet te worden verleend, omdat artikel 48, tweede lid, onderdeel a van de Pw het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening slechts toestaat indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal kunnen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en daarvan, gezien de gerechtelijke procedures in [land A] , in dit geval geen sprake is.

1.7.

De rechtbank heeft het onderzoek op 28 juli 2020 heropend en verweerder verzocht om een afschrift te overleggen van het besluit waarmee een AIO-aanvulling in de vorm van een geldlening is toegekend, alsmede om een reactie te geven op de door eisers op 2 juli 2020 overgelegde stukken en de verwijzing van eisers naar artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a van de Participatiewet (Pw).

1.8

Bij brief van 31 augustus 2020 heeft verweerder een kopie overgelegd van een besluit van 13 januari 2020, waarmee aan eisers met ingang van 18 december 2019 (de datum van intrekking van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening) een AIO-aanvulling is toegekend in de vorm van een geldlening. Verweerder herhaalt het eerder ingenomen standpunt dat een uitleg over conservatoir beslag naar [land A] recht nog altijd ontbreekt en dat eisers niet hebben aangetoond dat een dergelijk beslag ertoe leidt dat zij niet langer over het beslagen goed kunnen beschikken. Volgens verweerder is het aan eisers om duidelijkheid te verschaffen over de termijn waarbinnen de gerechtelijke procedures in [land A] zullen zijn afgerond. Ook wijst verweerder erop dat er al geruime tijd conservatoir beslag op de woning in [land A] rust, en dat niet is gebleken dat eisers maatregelen hebben genomen om het beslag op te laten heffen of zich op een andere manier te verweren tegen het beslag. Indien het zo is dat eisers geen actie hebben ondernomen dan dient dit voor rekening en risico van eisers te blijven.

1.9.

In een reactie van 5 november 2020 handhaven eisers hun ingenomen standpunt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2019:1916 en ECLI:NL:CRVB:2019:2611). Daarnaast benadrukken zij dat ook zij niet kunnen aangeven op welke termijn de gerechtelijke procedures in [land A] afgerond zullen zijn. Opheffen van het conservatoir beslag is geen optie omdat de procedure nog steeds loopt met betrekking tot de rechtmatige eigenaar van de woning. Zolang de procedure loopt blijft het beslag van kracht.

2. Eiser heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen de herziening van het ouderdomspensioen met ingang van 1 maart 2018. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat deze herziening (het primaire besluit I) niet in geschil is. In deze zaak ligt dan ook de vraag voor of verweerder terecht de AIO-aanvulling van eiser over de periode van maart 2018 tot en met maart 2019 heeft ingetrokken, omdat het vermogen van eiser niet is vast te stellen, en of verweerder om diezelfde reden terecht de aanvraag voor een AIO-aanvulling van eisers van 8 februari 2019 heeft afgewezen.

3.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2018 tot en met 31maart 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in deze periode nog steeds als eigenaar van de woning in het [land A] Kadaster stond geregistreerd.

3.2.

Gezien de aan de intrekking van het recht op AIO-aanvulling van eiser ten grondslag gelegde motivering is de intrekking alleen gebaseerd op het standpunt van verweerder dat de economische waarde van het onroerend goed in [land A] niet kan worden vastgesteld en dat aldus niet kan worden beoordeeld of deze waarde de vermogensgrens voor gehuwden te boven gaat. De rechtbank begrijpt de intrekking van het recht van eiser op AIO-aanvulling dan ook zo dat verweerder het subject van bijstand vanaf 1 maart 2018 als echtpaar heeft beschouwd. Daarmee gaat zowel de intrekking van eisers recht op AIO-aanvulling als de afwijzing van de aanvraag van eisers over de vraag hoe hoog het vermogen was en of hierover kon worden beschikt. De omstandigheid dat verweerder aan eisers met ingang van 18 december 2019 AIO-aanvulling in de vorm van een geldlening heeft toegekend zal de rechtbank buiten beschouwing laten, omdat deze toekenning is gelegen buiten de in onderhavige zaak te beoordelen periode.

4.1.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB rechtvaardigt het feit dat een onroerende zaak op naam van een betrokkene staat geregistreerd in een officieel eigendomsregister de vooronderstelling dat die zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.1

4.2.

Eveneens volgens vaste rechtspraak moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat de betrokkene de mogelijkheid heeft vermogens- of inkomsensbestanddelen feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Een betrokkene kan niet over middelen beschikken indien daar conservatoir beslag op ligt.2

4.3.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de door eisers overgelegde stukken, en dan met name het op 30 juni 2020 door de rechtbank Datça opgestelde document, voldoende blijkt dat er in de te beoordelen periode conservatoir beslag lag op de woning en eisers aldus in deze periode niet over de woning konden beschikken. De rechtbank is het niet eens met verweerder dat eisers onvoldoende hebben ondernomen en tekort zijn geschoten in hun bewijsvoering, omdat niet valt in te zien op welke wijze eisers anderszins hadden kunnen aantonen dat er nog steeds conservatoir beslag ligt op de woning.

Dit leidt ertoe dat eisers in de te beoordelen periode niet de mogelijkheid hadden om de vermogens- of inkomsensbestanddelen feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aan een oordeel over de (economische) waarde van de woning komt de rechtbank niet toe, aangezien deze waarde eerst van belang is als eisers over de woning kunnen beschikken.

Voorstaande leidt ertoe dat zowel de intrekking van het recht op een AIO-aanvulling van eiser over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 maart 2019 als de afwijzing van de aanvraag van eisers om een AIO-aanvulling op een onjuiste feitelijke grondslag berust.

4.4.

Eisers stellen dat het recht op AIO-aanvulling om niet zal moeten worden verleend en heeft in dit verband verwezen naar artikel 48, tweede lid, onderdeel a van de Pw. De rechtbank onderschrift dit standpunt van eisers. Artikel 48, tweede lid, onderdeel a van de Pw staat het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening slechts toe indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal kunnen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en daarvan was, gezien de gerechtelijke procedures in [land A] , in de te beoordelen periode geen sprake.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij door verweerder is beslist op de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten II en III.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat zij over onvoldoende gegevens beschikt om de hoogte van het recht op AIO-aanvulling te kunnen vaststellen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist op de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten II en III;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten II en III met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht groot € 47,- aan hen vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van

J. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 31 maart 2021

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 CRvB 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2611.

2 CRvB 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3341.