Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1411

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
05/119915-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 39-jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren in verband met twee brandstichtingen en een poging tot brandstichting in Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/119915-20

Datum uitspraak : 23 maart 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

Raadsvrouw: mr. S.R. van Laar, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 augustus 2020, 1 september 2020 en 9 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 21 april 2020 te Arnhem, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een auto, te weten een [merk 1] (met kenteken [kenteken 1] )

met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een aanmaakblokje en dat aanmaakblokje bij/onder voornoemde auto heeft gelegd, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 april 2020 tot en met 23 april 2020 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een aanmaakblokje, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een kliko/afvalcontainer en/of een of meer auto’s, te weten een [merk 2] (met kenteken [kenteken 2] ) en/of een [merk 3] (met kenteken [kenteken 3] ), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde kliko/afvalcontainer en/of auto’s en/of in de nabijheid staande goederen en/of nabijgelegen

woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van voornoemde nabijgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2020 tot en met 11 april 2020 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelbus, te weten een [merk 4] (met kenteken [kenteken 4] ) en/of een auto, te weten een [merk 4] (met kenteken [kenteken 5] ) en/of een woning gelegen aan de [adres 2] (te weten de voordeur, voorgevel, ramen en kozijnen) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde bestelbus, auto en/of woning en/of in de nabijheid staande goederen en/of nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de

bewoners van voornoemde nabijgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Kort samengevat heeft zij ter onderbouwing van dat standpunt het volgende aangevoerd. Tijdens het voorbereidend onderzoek is verdachte na een eerdere weigering nogmaals door de politie gevraagd naar de ontgrendelingscode van zijn mobiele telefoon. De raadsvrouw is van mening dat er met het stellen van een dergelijke vraag sprake was van een verhoor. Verdachte is tijdens dit verhoor niet in de gelegenheid gesteld om zich te laten bijstaan door een advocaat. Ook is het verhoor niet geverbaliseerd of conform de geldende Aanwijzing audiovisueel of auditief geregistreerd. Tijdens het verhoor zou bovendien in strijd met het pressieverbod zijn gehandeld door de betrokken politieagenten. Zij hebben tegen verdachte gezegd dat de telefoon kapot gemaakt zou worden als hij zijn code niet zou geven. Deze onrechtmatigheden vormen volgens de raadsvrouw een zodanig grote inbreuk op het recht op een eerlijk proces dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw op dezelfde gronden verzocht om tot uitsluiting van het uit de telefoon van verdachte verkregen bewijs over te gaan. Meer subsidiair heeft zij verzocht om de betrokken verbalisanten als getuige te horen en daarmee nader onderzoek te plegen naar de tijdens het verhoor opgetreden vormverzuimen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van enige onrechtmatigheid in het voorbereidend onderzoek, zodat hieraan ook geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden.

De beoordeling door de rechtbank

Voordat de rechtbank kan overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vermeende vormverzuimen, ziet zij zich eerst voor de vraag gesteld of er daadwerkelijk sprake was van een verhoorsituatie. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De Hoge Raad heeft in een recent arrest (ECLI:NL:HR:2019:314) geoordeeld dat er sprake is van een verhoor indien er door de politie vragen worden gesteld aan de verdachte die betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat met het vragen naar de ontgrendelingscode van een mobiele telefoon geen vragen zijn gesteld die gericht waren op de betrokkenheid van verdachte bij de aan hem verweten brandstichtingen. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake was van een verhoor. Nu daarvan geen sprake was, golden ook de aan een verhoor verbonden strafvorderlijke voorschriften niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een schending van het recht op verhoorbijstand, een schending van de verbaliseringsplicht of een schending van de Aanwijzing omtrent de registratie van verhoren.

Vervolgens dient de rechtbank nog te beoordelen of er sprake was van een schending van het pressieverbod. Een dergelijke schending zou zich immers ook buiten een verhoorsituatie kunnen voordoen. De rechtbank is echter van oordeel dat ook hier geen sprake van is. Het behoort tot de gebruikelijke procedure dat een verdachte eerst wordt gevraagd om de ontgrendelcode van zijn telefoon zelf te verstrekken. Indien iemand daaraan niet wenst mee te werken, verricht de politie zelf handelingen – het zogeheten ‘kraken’ – om de inhoud van de telefoon alsnog te kunnen onderzoeken. Een gevolg van deze handelingen kan zijn dat de telefoon na afloop niet meer geschikt is voor gebruik. Het meedelen van deze procedure, levert geen ongeoorloofde druk op verdachte op.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire en subsidiaire verweer verwerpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en het uit de telefoon verkregen bewijs wordt niet van gebruik uitgesloten. De rechtbank acht het evenmin noodzakelijk om de betrokken verbalisanten te horen over de vermeende vormverzuimen. Het meer subsidiaire verzoek tot het horen van getuigen wordt daarom ook afgewezen.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Algemeen

Voordat de rechtbank overgaat tot de beoordeling van het bewijs met betrekking tot de individuele feiten, zal zij eerst ingaan op twee algemene aspecten die van belang zijn voor het bewijs in de zaak als geheel.

De betekenis van de WhatsApp-berichten tussen [medeverdachte] en [verdachte]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het dossier opgenomen WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] geen betrekking hebben op door hen gepleegde brandstichtingen. De berichten zouden zien op het passionele en seksuele contact tussen hen. Voor zover er over branden gesproken zou zijn, deed verdachte dit om stoer te doen en indruk te maken op [medeverdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat de in het dossier opgenomen WhatsApp-gesprekken niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan dat zij zien op het stichten van brand. Vanaf eind maart 2020 spreken [verdachte] en [medeverdachte] regelmatig met elkaar over dit onderwerp. Dit begint met een gesprek op 28 maart 2020 over de vraag of een kaarsje bij een auto al geleid heeft tot een autobrand. Hierna volgden nog meer gesprekken waarin overduidelijk wordt gesproken over het (gezamenlijk) stichten van brand. In deze gesprekken worden foto’s gestuurd van brandende of verbrande objecten en wordt er verwezen naar nieuwsberichten over verschillende branden in Arnhem. In de gesprekken worden bovendien expliciete bewoordingen gebruikt als ‘pyromaantje spelen’ en ‘even half Klarendal in brand steken’. De door de verdediging opgeworpen stelling dat de gesprekken zien op seksueel contact of het maken van indruk vindt naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier steun in het dossier. Bovendien is deze stelling gelet op wat hiervoor is overwogen buitengewoon onaannemelijk. De rechtbank zal er bij de beoordeling van de individuele feiten dan ook van uitgaan dat de gesprekken betrekking hadden op het stichten van brand door [verdachte] en/of [medeverdachte] .

Bewezenverklaring omtrent het gevaar voor goederen

In de tenlastelegging staat ten aanzien van alle feiten steeds vermeld dat er als gevolg van de brand gemeen gevaar voor (onder meer) goederen te duchten was. Deze goederen zijn ook nader gespecificeerd, waarbij ook vaak de in brand gestoken goederen (de auto’s, de bestelbus, de kliko en de woning) zijn vermeld. Het in de wet bedoelde gemene gevaar dient zich echter uit te strekken tot andere goederen dan de goederen waaraan de brand wordt gesticht. De rechtbank zal daarom de goederen waaraan de brand is gesticht niet bewezen verklaren als de goederen waarvoor gemeen gevaar bestond.

De rechtbank zal nu overgaan tot de individuele beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat het aangetroffen aanmaakblokje een verplaatsbaar object is, zodat het niet zou kunnen bijdragen aan het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze poging tot brandstichting. Het zou immers ook kunnen dat verdachte het aanmaakblokje eerder bij een barbecue in het Sonsbeekpark heeft aangeraakt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Op 21 april 2020 omstreeks 15:00 uur troffen verbalisanten op de Sonsbeeksingel een [merk 1] (met kenteken [kenteken 1] ) aan. Zij zagen dat er aan de rechterzijde op de voorbumper roetvegen zichtbaar waren. Ook zagen zij dat op het wegdek ter hoogte van de roetvegen een wit aanmaakblokje lag.2

De eigenaar van de auto, de heer [slachtoffer 1] , heeft aangifte gedaan van een poging tot brandstichting. Hij verklaarde dat hij de auto op 20 april 2020 omstreeks 23:00 uur parkeerde aan de Sonsbeeksingel. De auto was toen nog onbeschadigd. Op 21 april 2020 omstreeks 15:15 uur heeft hij geconstateerd dat er zwarte roetvoegen aan de rechterzijde van de voorbumper waren ontstaan. De aangever verklaart dat uit een beoordeling door de [merk 5] -dealer bleek dat de lak aan de onderzijde van de bumper door de brand is gaan krullen.3

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek gedaan naar het aangetroffen aanmaakblokje. Uit een bemonstering op het aanmaakblokje is een (onvolledig) DNA-profiel van een man verkregen. Dit profiel is vergeleken met andere profielen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Er werd een overeenkomst gevonden met het DNA-profiel van verdachte.4

Vervolgens is er door het NFI nader onderzoek verricht naar de bewijskracht van deze overeenkomst. Het DNA-onderzoek is beschouwd onder het hypothesepaar:

  • -

    Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte;

  • -

    Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van een willekeurige onbekende persoon, niet verwant aan verdachte.

Het verkregen DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker als hypothese 1 waar is dan als hypothese 2 waar is.5

De rechtbank is van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek bruikbaar zijn voor het bewijs. De stelling van de raadsvrouw dat een aanmaakblokje een verplaatsbaar object is, is op zich juist. De rechtbank ziet echter geen reden om in dit geval te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel. Er is immers geen enkele omstandigheid aangevoerd of anderszins gebleken die aannemelijk maakt dat juist op deze locatie een aanmaakblokje met daarop het DNA van verdachte is aangetroffen zonder dat verdachte betrokken zou zijn bij de poging tot brandstichting aan de auto. De rechtbank zal dit verweer dan ook verwerpen.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er tussen 20 april om 23:00 uur en 21 april om 15:00 uur een poging tot brandstichting heeft plaatsgevonden aan een [merk 1] (kenteken [kenteken 1] ) door een brandend aanmaakblokje bij of onder de auto te plaatsen. De rechtbank stelt verder vast dat op dit aanmaakblokje het DNA-profiel van verdachte is vastgesteld.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting aan deze auto. De rechtbank acht eveneens bewezen dat er als gevolg hiervan gemeen gevaar te duchten is geweest voor andere goederen. De betreffende auto stond immers op een parkeerstrook, waarop ook andere auto’s parkeren. Verder stond de auto in de directe nabijheid van woningen. Als er inderdaad een brand was ontstaan, bestond er het gevaar dat deze zou overslaan naar deze goederen.

De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Subsidiair heeft zij gesteld dat er geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en dat er evenmin sprake was van medeplegen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Op 22 april 2020 omstreeks 0:55 uur (de rechtbank begrijpt: 23 april 2020) zagen verbalisanten dat er aan de Rosendaalsestraat in Arnhem een auto in brand stond. Het betrof een [merk 2] met kenteken [kenteken 2] . De brandweer was op dat moment al bezig de brandende auto te blussen. Verbalisanten zagen dat er naast de [merk 2] een [merk 3] met kenteken [kenteken 3] stond. Deze auto had brandschade.6 Verder zagen verbalisanten dat op de Schutterstraat ter hoogte van [nummer 1] een afvalcontainer in brand stond.7

De eigenaar van de [merk 2] , de heer [slachtoffer 2] , heeft aangifte gedaan van brandstichting aan zijn auto. Hij verklaarde dat hij de auto op 22 april 2020 omstreeks 18:00 uur had geparkeerd aan de Rosendaalsestraat. De auto was op dat moment nog in goede staat. Op 23 april 2020 omstreeks 1:30 uur werd aangever gewekt door de politie en constateerde hij dat zijn auto was uitgebrand.8

De eigenaar van de [merk 3] , mevrouw [slachtoffer 3] , heeft aangifte gedaan van brandstichting aan haar auto. Zij verklaarde dat zij de auto op 22 april 2020 omstreeks 17:00 uur had geparkeerd. De auto was toen nog onbeschadigd. Op 23 maart 2020 (de rechtbank begrijpt: 23 april 2020) omstreeks 1:00 uur zag zij dat haar auto in brand stond. Op dezelfde dag omstreeks 7:00 uur constateerde zij dat de gehele achterzijde van de auto zwartgeblakerd was en dat de auto op meerdere plekken brandschade vertoonde.9

De heer [slachtoffer 4] heeft namens de eigenaar aangifte gedaan van brandstichting aan de kliko. Aangever zag op 23 april 2020 omstreeks 1:00 uur dat de papierkliko in brand stond. Deze kliko stond vlak tegen de muur aan. Een agent heeft de kliko van de muur weggetrokken, waarna deze is geblust. Door de brand is de muur beschadigd geraakt en was deze zwart geblakerd.10

Er heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden naar de branden aan de [merk 2] en de [merk 3] . Uit dit onderzoek volgt dat gezien het totale brandbeeld de brand is ontstaan bij de [merk 2] , waarna de [merk 3] ook vlam vatte. Opzettelijke brandstichting is volgens de onderzoeker meer aannemelijk dan welke andere oorzaak dan ook. Ook is gebleken dat er als gevolg van de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was.11

Verbalisanten hebben de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] geanalyseerd en hierover het volgende geverbaliseerd:

‘Op 23 april 2020 om 10:42 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Goedemorgen kanjer”

Op 23 april 2020 om 10:47 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : “Grr" en daarna een rood

hartje, het getal 100 en een brandend vuur icoontje”

Op 23 april 2020 om 11:25 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "En veilig thuis gekomen

vannacht?"

Op 23 april 2020 om 11:37 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : “Ja zekers.alleen kut foon

weer leeg”

Op 23 april 2020 wordt er op de telefoon van verdachte [verdachte] tussen 15:16 en 15:48 uur

artikelen bekeken over branden die de afgelopen nacht hebben plaatsgevonden.

Om 15:48 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte] : “Kijk mijn handywork”

Vervolgens worden drie foto’s naar [medeverdachte] verstuurd, een van een brandende kliko-

container, een van een afgebrande auto en een van politie die ter plaatse onderzoek doet, allen

geplaatst op de Gelderlander.nl: (…)

Op 23 april 2020 om 15:49 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte] : “Nu maar even mee kappen anders wordt het te gek haha”. Gevolgd door een icoontje van brandend vuur en een rood hartje.

Op 23 april 2020 om 17:15 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : "Haha alle branden waren net op de NOS”

Op 23 april 2020 om 17:42 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] . “Ik hoorde gister sirenes, dus had al gelijk gekeken en zag jouw route haha”.12

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 22 op 23 april 2020 meerdere branden gesticht zijn in Arnhem. Het gaat daarbij om branden aan een kliko en een [merk 2] (met kenteken [kenteken 2] ), deze laatste brandstichting heeft tot gevolg gehad dat ook een [merk 3] (met kenteken [kenteken 3] ) vlam heeft gevat. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het WhatsApp-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] blijkt dat [verdachte] gedurende die nacht niet steeds thuis was. Enige tijd later stuurt [verdachte] foto’s van een brandende kliko en een afgebrande auto, waarbij hij schrijft: ‘kijk mijn handywork’. Ook merkt hij op dat hij nu maar even moet stoppen, omdat het anders te gek wordt. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] het horen van sirenes in verband brengt met de route van [verdachte] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk stichten van brand aan de hiervoor genoemde goederen. De rechtbank acht eveneens bewezen dat als gevolg van deze branden gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij personen te duchten is geweest. Het gevaar voor goederen volgt uit het forensisch onderzoek naar de autobranden en uit de verklaring van aangever [slachtoffer 4] . Hij stelde dat als gevolg van de klikobrand schade is opgetreden aan de muur. Het gevaar voor personen volgt uit de verklaring van [slachtoffer 4] dat een politieagent de brandende kliko van de muur heeft weggetrokken en dat de muur door de brand al was beschadigd. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de brand zonder ingrijpen had kunnen overslaan naar de woning waarvoor de kliko stond, met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de daarin aanwezige bewoners tot gevolg. De rechtbank zal het verweer voor wat betreft dit punt dan ook verwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte de branden samen met iemand anders heeft gesticht. Het door [verdachte] verstuurde WhatsApp-bericht (‘kijk my handywork’) lijkt zelfs op het tegendeel te duiden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Voor het overige acht de rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Subsidiair heeft zij gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

De heer [slachtoffer 6] heeft aangifte gedaan van brandstichting van zijn [merk 4] bestelauto (met kenteken [kenteken 4] ). Hij verklaarde dat hij op 10 april 2020 omstreeks 20:15 uur zijn bestelauto parkeerde in de [straatnaam] te Arnhem, ter hoogte van [nummer 2] . Alles in en om de bus was op dat moment nog intact en onbeschadigd. Op 11 april 2020 omstreeks 1:50 uur werd door een omwonende een brand aan de bestelauto ontdekt. De auto is daardoor volledig afgebrand en total loss verklaard.13

Mevrouw [slachtoffer 5] is de bewoonster van de woning aan de [adres 2] te Arnhem. Zij verklaart in haar aangifte dat zij in de nacht van 10 op 11 april 2020 zag dat de voorkant van een blauwe bus in brand stond. Deze bus stond voor de voordeur van haar woning. De vlammen raakten haar voordeur, waardoor deze in brand raakte. Deze voordeur was de enige in- en uitgang van de woning. Aangeefster en haar kinderen hebben zich daarom van het balkon in de tuin van de buurman moeten laten zakken om in veiligheid te komen. Verder heeft aangeefster verklaard dat haar auto, een [merk 4] ( [kenteken 5] ), door de brand schade heeft opgelopen aan de linker voorzijde.14

Er heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden naar deze brand. Uit dit onderzoek volgt dat naast de auto ook de voordeur van de woning aan de [adres 2] deels verbrand en verkoold was. De voorgevel van de woning was tot aan de dakgoot beroet. Op de plaats delict werden tussen de bestrating en het linker voorwiel vluchtige organische componenten gemeten. De onderzoeker concludeert dat als gevolg van de brand gemeen gevaar te duchten is geweest voor goederen en voor de in de woningen aan de [adres 2] en 4 aanwezige bewoners. Voor deze bewoners was sprake van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.15

Verbalisanten hebben de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] geanalyseerd en hierover het volgende geverbaliseerd:

‘Op vrijdag 10 april om 22:15 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] :”Zal ik zo nog langskomen"

Om 22:15 uur stuurt [verdachte] het bericht aan [medeverdachte] : “Even half klarendal in de brand steken zo”.

Om 22:15 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : ”Oh ja [verdachte] , ik ben ff met de kids bezig maar dat kan”

Om 22:15 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Haha”

Om 22:15 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] 5 x het icoon “brandend vuur”.

Om 22:45 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Wou je pyromaantje spelen”

Om 22:46 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : “Tot zo”

Op zaterdag 11 april 2020 om 02:40 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht:

"Yo, lekker ding, volgens mij is die shit overgeslagen naar dat huis ernaast. De hele fucking buurt staat buiten, what the fuck, ik hou van jou lekker ding, ik kon geen foto maken, want iedereen staat daar, toch”

Om 02:41 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Bij [naam 1] ”

Opmerking verbalisant: Op de [adres 3] te Arnhem is woonachtig [naam 1] , zijnde de vader van twee kinderen van [medeverdachte] .

Om 02:44 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht: "Ja, bij [naam 1] ja. Ik probeer je te bellen, maar je neemt niet op. Er staat hier een bende jongen. Er staat een speciaal team, alles is afgezet, onderzoek, brandweer, de hele mikmak. Iedereen uit de buurt, iedereen heeft de deur los. Fuck ze... Nice. Ik maak een foto. Fuck ze, jongen. Lekker naar huis, chillen, niets mee te maken, loopen, lekker. Langs [naam 2] om te kijken of ze nog... Nee hoor, fuck it, nice. Ik loop lekker naar beneden, bijna thuis, over vijf minuten ben ik thuis, bank lekker liggen, foto van meer auto 's in de brand steken, we moeten zorgen dat als we er 1 in de brand steken dat er meer in de brand gaan. Da’s beter. Ik houd van jou lekker ding"

Om 02:47 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht:“Ik hou van jou lekker ding. Voortaan gaan we meer in de shit steken. Spreek je morgen ja, slaap lekker, sweet dreams, doei, lekker ding”

(…)

Om 03:07 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht: "Slaap zacht, kleine

pyromaan”.

Om 03:07 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Haha zie al foto's van [naam 1] zijn buurvrouw op fb”.

Om 03:07 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Jij ook mede ‘pyromaan’’

Om 03:08 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht: "Ja s mooi kut, want eh... we hadden die dingen van zijn auto afmoeten halen. Als ze niet branden moet je ze weghalen”

(…)

Om 03:12 uur stuurt [medeverdachte] een afbeelding aan [verdachte]

(…)

Om 03:25 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : "Brand wel nice”

Om 03:25 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : “Op de foto”

Om 03:25 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : "Hahha"

Om 03:26 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Dacht ik ook, maar dat huis heeft ook aardige skate denk ik, als ik foto kijk” en "Skate is schade"

(…)

Om 11:35 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht:

Ben je nog wezen kijken op de plaats delict?”

Om 11:35 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] het audiobericht: "Nee, maar nog wel een krantenknipsel zag ik staan in de gelderlander. Er was... een bus is afgebrand en er was eh... ff kijken... de ramen van twee woningen zijn eruit geklapt, die van de deur zijn eruit geklapt, een lantaarnpaal is ontwricht, een fiets is in de fik gevlogen en omliggende auto’s hebben schade van de ramen en . . .(ntv)

Opmerking verbalisant: Op de website gelderlander.nl was de volgende tekst geplaatst over de autobrand aan de [straatnaam] te Arnhem, die in de nacht van 10 op 11 april 2020 plaatsvond: "De brandweer kon niet alle schade voorkomen aan de woonhuizen. Door de hitte van de brand knapten een aantal ruiten van twee woningen. Hiernaast raakten omliggende auto 's beschadigd, vloog een fiets in de brand, smolten regenpijpen weg en moest ook een lantaarnpaal het ontgelden".

Om 11:35 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] het audiobericht: “Er was een lekker fikkie gemaakt”

Om 11:37 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : "Dat hebben we goed gedaan he? 100-100, hihi”

(…)

Om 11:42 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : 'Wat een zooitje die auto”

Om 11:42 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Schade”

Om 11:42 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht: “Nou we hebben het wel goed gedaan gisteren toch? Of niet? Heb je genoten? Lekker he? Nice"

Om 11:43 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Moet not vragen heb je genoten, voor mijn al normaal”

Om 11:43 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht: “Ok, ja voor mij niet eh.. Ik doe dat normaal nooit, dat soort dingen. Nou moet ik me eigen druk gaan maken of ze ons hebben gezien of zo, what the fuck.... Hmm.. Ik hou van jou, lekker ding"

(…)

Om 17:35 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : “(…) hoe zagenndie huizen eruit?”

Om 17:39 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Zwart voordeur helemaal afgebrand onder ramen eruit boven geknapt”

Om 17:46 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Regenpijp weg gesmolten en heel veel zwart”

Om 18:06 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] : “Nice”

Om 21:19 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] het audiobericht: “lk ben echt benieuwd om morgen ff die zwarte vlek daar te zien, wat we aangesticht hebben... nice, lekker lekker"

Om 21:20 uur antwoordt [medeverdachte] aan [verdachte] : "Ja is echt mooi te zien haha”.16

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 10 op 11 april 2020 meerdere branden zijn gesticht in Arnhem. Het gaat daarbij om branden aan een auto van het merk [merk 4] (met kenteken [kenteken 5] ) en een bestelbus van [merk 4] (met het kenteken [kenteken 4] ). De brand aan deze bestelbus is overgeslagen naar de voordeur van een woning aan de [adres 2] .

Verder stelt de rechtbank op grond van de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] vast dat zij op de avond van 10 april 2020 contact met elkaar hadden en dat er werd gesproken over het stichten van brand, over het spelen van pyromaan en over een daarop volgende ontmoeting. Enige tijd na de hiervoor genoemde branden hebben zij weer contact en wordt er gesproken over de branden en de gevolgen daarvan. Daarbij wordt specifiek gerefereerd aan branden die in de [straatnaam] plaatsgevonden hebben. In de passages over deze branden noemen zij elkaar ‘pyromaan’ en ‘mede-pyromaan’. Later die dag zegt [verdachte] tegen [medeverdachte] dat ze het goed gedaan hebben en dat hij zich druk moet maken of ze gezien zijn. Enige tijd later stuurt [verdachte] nogmaals een bericht waarin hij zegt dat hij benieuwd is naar de zwarte vlek van wat zij hebben aangesticht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk stichten van brand waardoor de bestelbus, de auto en de voordeur van de woning vlam hebben gevat. Uit de inhoud van de WhatsApp-berichten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er hierbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van de brandstichtingen. De rechtbank acht eveneens bewezen dat als gevolg van deze branden gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten is geweest. Dit baseert zij in het bijzonder op de opgenomen resultaten van het forensisch onderzoek.

De rechtbank acht het onder feit 3 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.

4 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 21 april 2020 te Arnhem, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een auto, te weten een [merk 1] (met kenteken [kenteken 1] )

met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een aanmaakblokje en dat aanmaakblokje bij/onder voornoemde auto heeft gelegd, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 april 2020 tot en met 23 april 2020 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een aanmaakblokje, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een kliko/afvalcontainer en/of een of meer auto’s, te weten een [merk 2] (met kenteken [kenteken 2] ) en/of een [merk 3] (met kenteken [kenteken 3] ), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde kliko/afvalcontainer en/of auto (de [merk 3])’s en/of in de nabijheid staande goederen en/of nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van voornoemde nabijgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2020 tot en met 11 april 2020 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een bestelbus, te weten een [merk 4] (met kenteken [kenteken 4] ) en/of een auto, te weten een [merk 4] (met kenteken [kenteken 5] ) en/of een woning gelegen aan de [adres 2] (te weten de voordeur, voorgevel, ramen en kozijnen) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde bestelbus, auto en/of woning en/of in de nabijheid staande goederen en/of nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de

bewoners van voornoemde nabijgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2 en feit 3, telkens:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

6 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat in geval van een bewezenverklaring dient te worden volstaan met een gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overstijgt. Zij heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan het stichten van meerdere branden. Hij heeft een bestelauto in brand gestoken, waardoor ook de voordeur van een woning en een andere auto vlam hebben gevat. De voordeur van deze bovenwoning was de enige in- en uitgang voor de in het pand aanwezige bewoners. Zij hebben zich van het balkon moeten laten zakken om zichzelf in veiligheid te brengen. De woning en de personenauto hebben door de brand schade opgelopen. De bestelauto en de inhoud daarvan zijn volledig uitgebrand, zodat de auto total loss werd verklaard. Ruim een week later heeft verdachte zich, ondanks de heftige gevolgen van deze branden, schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting aan een geparkeerde auto, waarbij gevaar bestond voor in de nabijheid staande auto’s en huizen. Ten slotte heeft hij brand gesticht aan een auto’s en een kliko. De kliko stond tegen de muur van een woning en de auto in de nabijheid van andere auto’s. Bij deze branden was ook sprake van gevaar voor personen en goederen.

De rechtbank overweegt dat het hier gaat om zeer ernstige strafbare feiten. Het stichten van brand in de nabijheid van woningen of goederen kan leiden tot buitengewoon ernstige gevolgen. De rechtbank weegt bij de straftoemeting mee dat er bij verdachte sprake was van twee brandstichtingen waarbij ook gevaar voor personen bestond. Brandstichtingen als deze zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, de omwonenden en de samenleving als geheel. Uit de op de zitting afgelegde slachtofferverklaringen blijkt dat de gevolgen van de branden voor de slachtoffers nog tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. De rechtbank weegt bovendien mee dat de door verdachte gestichte branden onderdeel waren van een veel grotere reeks branden in Arnhem. Verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het ontstaan en vergroten van de maatschappelijke onrust.

De rechtbank betrekt verder bij de straftoemeting dat verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en de consequenties daarvan. Uit de WhatsApp-gesprekken tussen hem en [medeverdachte] blijkt dat hij al na de brand van 10 op 11 april 2020 op de hoogte was van de ingrijpende gevolgen van zijn daden. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om hierna nog twee keer brand te stichten in de buurt van huizen en andere goederen. Verdachte heeft daarmee willens en wetens grote risico’s genomen met het welzijn van andere mensen en met hun eigendommen. Uit de WhatsApp-gesprekken blijkt bovendien dat [verdachte] en [medeverdachte] samen een zeker genoten een gevoel van trots ontleenden aan hun handelingen. Een onverschillige, respectloze en onverantwoordelijke houding is ronduit stuitend. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij geen rekening heeft gehouden met de angst en het gevoel van onveiligheid die de branden bij de samenleving in het algemeen en de omwonenden in het bijzonder hebben veroorzaakt.

Het aantal feiten, de ernst van de feiten en de houding van de verdachte maken naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van meerdere jaren passend en geboden. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering bij een ontkennende houding van de verdachte geen mogelijkheden ziet voor succesvolle begeleiding. Nu verdachte ook op de zitting zijn aandeel in de branden niet heeft erkend, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend en geboden.

9 De beoordeling van de civiele vorderingen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.100,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat niet duidelijk is of de schade aan de bumper daadwerkelijk is hersteld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering af te wijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de eerder opgenomen bewijsmiddelen voldoende blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden. De heer [slachtoffer 1] heeft al in zijn aangifte verklaard dat de poging tot brandstichting ervoor heeft gezorgd dat de lak op de voorbumper opgekruld is en hierbij verwezen naar een beoordeling door de [merk 5] -dealer. Ook gaf hij toen al aan dat de kosten voor het herstel hiervan volgens de [merk 5] -dealer € 1.100,00 zouden bedragen. Het dossier bevat ook een foto van de schade aan de voorbumper (zie pagina 187).

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schadepost daarmee voldoende is onderbouwd. Ook komt het gevorderde bedrag de rechtbank niet onredelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Verdachte is vanaf 21 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 3)

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in haar persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek.

Een verzoek om schadevergoeding dat hierop is gegrond, zal in beginsel moeten worden onderbouwd met concrete gegevens (bijvoorbeeld medische/psychische gegevens). Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat een dergelijke aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden die conclusie rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in deze zaak sprake is. De benadeelde partij is immers slachtoffer geworden van een ingrijpende bandstichting bij haar woning. Zij werd geconfronteerd met een brandende voordeur, terwijl dit de enige in- en uitgang was van de bovenwoning. Op dat moment was de benadeelde partij samen met haar kinderen in de woning aanwezig. Zij heeft uiteindelijk zichzelf en haar kinderen in veiligheid moeten brengen door zichzelf en haar kinderen van het balkon naar beneden te laten zakken. De nadelige gevolgen daarvan zijn zo evident dat de rechtbank de door de benadeelde partij overgelegde onderbouwing als voldoende beschouwt.

Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 500,00 toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Verdachte is vanaf 11 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 21.450,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat voor € 16.700,00 aan materiële schadevergoeding en voor € 12.000,00 aan smartengeld. Benadeelde heeft hierop een bedrag van € 7.250,00 aan reeds vergoede schade in mindering gebracht. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de raadsvrouw

De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht het smartengeld te matigen, bijvoorbeeld tot 500 euro. Verder heeft zij gesteld dat de kosten voor de antidiefstalsloten, het navigatiesysteem en de post ‘overig’ onvoldoende zijn onderbouwd, zodat deze kosten niet kunnen worden toegewezen. Dit geldt ook voor de op pagina 6 van de vordering opgenomen kosten voor schoolboeken en het gereedschap, omdat deze posten eerder in de vordering al zijn opgevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Materieel

De rechtbank is van oordeel dat uit de eerder opgenomen bewijsoverwegingen voldoende blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden. De rechtbank constateert dat de gevorderde kosten ten aanzien van de motorkleding, de motoronderdelen, het gereedschap (zoals opgevoerd op pagina 3 van de vordering), de schoolspullen (zoals opgevoerd op pagina 3 van de vordering), jassen en kleding, hangmat en gordijnen niet door de verdediging zijn betwist. Deze kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.

De rechtbank zal, ondanks de betwisting, ook de gevorderde kosten voor het navigatiesysteem toewijzen. Dat er een navigatiesysteem in de bestelbus zat, blijkt uit de door de benadeelde partij bij de vordering gevoegde foto’s. Het betreft hier een in het dashboard geïnstalleerd navigatiesysteem. Daarmee is voor de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat dit navigatiesysteem als gevolg van de brand verloren is gegaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke apparaten kostbaar zijn. Gelet hierop acht de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk, zodat het toegewezen kan worden.

De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat de volgende posten onvoldoende zijn onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen: de antidiefstalsloten, de post ‘overig’, de schoolboeken (zoals vermeld op pagina 6), het diverse gereedschap (zoals vermeld op pagina 6) en de spanbanden. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij heeft verder de waarde van de verbrande bestelauto gevorderd als materiële schade. Deze schade is door de benadeelde partij begroot op € 8.000,00. Uit de vordering en de bijlagen volgt dat verzekeraar [naam 3] de waarde van de bestelauto heeft vastgesteld op een bedrag van € 7.250,00 en dit bedrag heeft uitgekeerd. De benadeelde partij heeft niet nader onderbouwd dat en waarom de bestelauto meer waard zou zijn geweest dan het bedrag dat door [naam 3] is vergoed. De rechtbank zal de benadeelde partij vanwege het ontbreken van deze onderbouwing niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank een bedrag van € 6.100,00 euro aan materiële schade toewijsbaar. De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dit bedrag toewijzen.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Verdachte is vanaf 11 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Immaterieel

Op grond van artikel 6:106 BW kan een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van immateriële schade indienen als hij door het handelen van de wederpartij in zijn persoon is aangetast. Een verzoek om schadevergoeding dat hierop is gegrond, zal in beginsel moeten worden onderbouwd met concrete gegevens. Daarbij moet worden gedacht aan medische gegevens over de diagnose en behandeling van psychische klachten, die het gevolg zijn van het handelen van de wederpartij. Van deze hoofdregel kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. Deze gevallen zijn beperkt tot situaties waarbij de aard en de ernst van de normschending als voldoende kunnen worden beschouwd om aan te nemen dat er sprake is van een aantasting in de persoon.

De benadeelde partij heeft op de zitting uitgelegd dat de bestelauto voor hem erg dierbaar was. Hij had het achterste deel omgebouwd tot werkplaats, zodat hij de auto ook kon gebruiken voor zijn technische opleiding en zijn hobby’s. Daarnaast bracht hij erg veel tijd door in de auto, waardoor deze een beetje als een tweede huis was gaan voelen.

De rechtbank stelt voorop dat het enorm frustrerend is als een dergelijk dierbaar bezit zonder enige reden in brand wordt gestoken en daardoor onbruikbaar wordt. De rechtbank begrijpt dat dit heftige emoties heeft opgewekt bij de benadeelde partij. Toch ziet de rechtbank geen wettelijke mogelijkheid om op grond hiervan een immateriële schadevergoeding toe te kennen. De vordering is niet onderbouwd met nadere informatie of concrete gegevens over eventuele psychische klachten die de benadeelde partij als gevolg van de brand ervaart. De vordering biedt om die reden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de brandstichting in de bestelauto heeft geleid tot een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ook is er geen sprake van een uitzonderingssituatie zoals die hiervoor is gedefinieerd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het onder feit 1 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.100,00 (elfhonderd euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 1.100,00 (elfhonderd euro) aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 21 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het onder feit 3 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van € 500,00 (vijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 10 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het onder feit 3 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van € 6.100,00 (eenenzestig honderd euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 6] , een bedrag te betalen van € 6.100 (eenenzestig honderd euro) aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 65 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. G.M. van den Broek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Elbersen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON4R020060 ( [naam 4] ), gesloten op 24 juli 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 185.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 193-194.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 199-200.

5 Rapportage DNA-onderzoek door NFI, p. 208-209.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 348.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 348.

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 351.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 367-368.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , p. 376-377.

11 Proces-verbaal forensisch onderzoek vervoermiddel, p. 356.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 478-479.

13 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] , p. 301.

14 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] , p. 322-323.

15 Proces-verbaal forensische opsporing plaats delict, p. 309.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 471 t/m 477.