Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1386

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
8925584
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst verstoorde arbeidsverhouding. Wnra. Uitleg cao-bepaling over het aanbieden van een passende regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens: 8925584 \ HA VERZ 20-211 \ SS

beschikking van de kantonrechter van 23 maart 2021

in de zaak van

Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem,

gevestigd te Arnhem,

verzoekster,

gemachtigde: P.P. [naam 1],

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster,

gemachtigde: mr. A.A. Slager.

Partijen worden hierna ODRA en [verweerster] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 10 december 2020 inclusief producties;

- het verweerschrift van 2 februari 2021 inclusief producties;

- de mondelinge behandeling van 16 februari 2021.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is op 1 november 2015 in dienst getreden bij ODRA in de functie van business controller voor 36 uur per week tegen een salaris van € 4.831,00 bruto per maand. Op de arbeidsverhouding is de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (SGO) van toepassing.

2.2.

In de cao SGO staat, voor zover in deze zaak van belang, het volgende:

§ 1 Aanvullende uitkering

Artikel 10.1 Recht op een aanvullende uitkering

1. Recht op een aanvullende uitkering heeft de oud-werknemer:

a. van wie de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW is opgezegd door de werkgever en het Van werk naar werk-traject volledig heeft doorlopen; of

b. van wie de arbeidsovereenkomst op rond van artikel 7:669 lid 3, onder d BW is opgezegd door de werkgever en minimaal 24 maanden in dienst is geweest bij de werkgever; en

c. die recht heeft op een werkloosheidsuitkering en deze krijgt.

(…)

(…)

§ 2 Na-wettelijke uitkering

Artikel 10.5 Recht op een na-wettelijke uitkering

1. De werknemer die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering als:

a. hij direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering nog steeds werkloos is; en

b. hij voor een correcte uitbetaling steeds alle gegevens doorgeeft die daarvoor nodig zijn.

2. Bij opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder d BW door de werkgever geldt als extra voorwaarde dat de reden voor het ontslag binnen de werksfeer ligt.

(…)

§ 3 Reparatie-uitkering

Artikel 10.11 Toepassing

De reparatie-uitkering geldt voor de oud-werknemer:

a. die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of

b. van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd, maar op grond van de Werkloosheidswet, zoals die gold op 31 december 2015, nog recht op een uitkering zou hebben gehad.

(…)

Artikel 10.24 Passende regeling bij verstoorde arbeidsverhouding

1. De werkgever die het voornemen heeft om de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden, treft voor die werknemer een passende regeling.

2. De werkgever betrekt bij het bepalen van de passende regeling voor zover dat redelijk en billijk is, de inhoud van paragraaf 1 en 2 van hoofdstuk 10 en artikel 7:673 BW over de toekenning van een transitievergoeding.

(…)”

2.3.

Op 27 augustus 2020 heeft de leidinggevende van [verweerster], de heer [naam 1], in een gesprek aan [verweerster] laten weten dat zij onvoldoende functioneert in haar functie, dat hij geen vertrouwen heeft dat dat op korte termijn zal veranderen en dat er verder geen plek voor [verweerster] is binnen ODRA. Hierna heeft ODRA [verweerster] een aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [verweerster] heeft dat aanbod niet geaccepteerd.

2.4.

Op 25 september 2020 heeft ODRA [verweerster] opgeroepen om haar werk te hervatten op 28 september 2020.

2.5.

Op 28 september 2020 heeft [verweerster] zich ziek gemeld.

2.6.

[verweerster] heeft vervolgens een gesprek gevoerd met mevrouw [naam 2], bedrijfsadviseur arbo en verzuim binnen ODRA. [naam 2] heeft op 1 oktober 2020 hierover, voor zover van belang, het volgende teruggekoppeld:

“Ik heb Mevr. Gesproken en zij is erg aangeslagen omtrent het voorstel van een vaststellingsregeling en haar ontslag zo vertelt zij.

Ze heeft daardoor fysiek klachten ontwikkelt waardoor zij op dit moment niet kan werken.

Ik heb lang met haar erover gesproken, gezien haar toestand waarin ze nu verkeerd acht ik haar niet in staat te kunnen hervatten in werk.

Desondanks heb ik haar aangedragen in gesprek te gaan met jullie over de voortgang.

(…)”

2.7.

[verweerster] heeft op 15 oktober 2020 contact gehad met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft het volgende daarover teruggekoppeld:

“ Advies werkneemster vrij te stellen van werkzaamheden op grond van het ontstane arbeidsconflict en de afhandeling van het einde van het dienstverband door haar zaakwaarneemster te laten doen. Communicatie met de werknemer zelf vermijden. Werkneemster heeft klachten ten gevolge van de ontstane situatie. Oplossing is niet gelegen op medisch terrein maar in het oplossen van het ontstane conflict.”

2.8.

Op 11 november 2020 zijn partijen een mediation traject gestart met de bedoeling overeenstemming te bereiken over de voorwaarden waaronder het dienstverband van [verweerster] zal worden beëindigd. Partijen zijn echter niet tot een regeling gekomen en het mediation traject is op 27 november 2020 geëindigd.

2.9.

Op 27 november 2020 heeft ODRA [verweerster] een finaal aanbod gedaan om alsnog tot overeenstemming te komen.

2.10.

Op 30 november 2020 heeft de advocaat van [verweerster] een e-mail aan [naam 1] gestuurd, waarin, voor zover hier van belang, het volgende in staat:

“Afgelopen vrijdag na afloop van de afgebroken mediation hadden wij op jouw verzoek telefonisch contact in een poging alsnog tot een oplossing in de zaak te komen.

(…)

Vandaag deelde cliënte mij mede niet onder deze voorwaarden akkoord te willen gaan met het einde van de arbeidsovereenkomst.

(…)”

2.11.

ODRA heeft in het verzoekschrift van 10 december 2020 de volgende regeling aan [verweerster] aangeboden:

“1. Bij het bepalen van de beëindigingsdatum rekening houden met de wettelijke opzegtermijn van 2 maanden en verrekening van de tijd die gemoeid is met de behandeling van dit ontbindingsverzoek (…);

2. Het bestaande en tot aan de ontslagdatum nog op te bouwen vakantieverlof wordt volledig ingezet om tot de ontslag niet meer te werken. Voor zover het vakantieverlof hiervoor ontoereikend is, wordt werknemer vrijgesteld van werk met behoud van salaris.

3. Bij ontslag recht op een transitievergoeding, berekend naar de wettelijke normen.

4. Aanspraak op een WW-uitkering, zulks ter beoordeling van het UWV.

5. Na afloop van de reguliere WW-uitkering aanspraak op de reparatieve-uitkering naar de normen van paragraaf 3 van hoofdstuk 10 Cao SGO.”

3 Het verzoek en het verweer (met voorwaardelijke tegenverzoeken)

3.1.

ODRA verzoekt, kort samengevat, de tussen haar en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, waarbij het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op de datum waarop deze bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Verder verzoekt ODRA te bepalen dat de regeling, zoals omschreven in 2.11, een passende regeling is als bedoeld in artikel 10.24 van de cao SGO en dat ODRA geen billijke vergoeding aan [verweerster] is verschuldigd, met een compensatie van de proceskosten.

3.2.

ODRA legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen haar en [verweerster] als bedoeld in artikel 7:669, derde lid, sub g, BW. Deze verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan tijdens het proces om een regeling te treffen om de arbeidsverhouding te beëindigen. Herstel van de verstoorde arbeidsverhouding is volgens ODRA niet meer mogelijk. Daarom is er een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn is volgens ODRA ook niet mogelijk.

3.3.

Volgens [verweerster] is de arbeidsverhouding verstoord door toedoen van ODRA, die ten onrechte is uitgegaan van disfunctioneren harerzijds en daarbij direct, zonder een verbetertraject aan te bieden, heeft gestreefd naar een einde van de arbeidsovereenkomst. Daarmee heeft ODRA ernstig verwijtbaar gehandeld. Ook heeft ODRA de mediationovereenkomst geschonden. Tot slot is [verweerster] van mening dat de door ODRA aangeboden regeling niet passend is en dat zij ook in aanmerking dient te komen voor de aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering zoals opgenomen in de paragraven 1 en 2 van hoofdstuk 10 van de cao SGO.

3.4.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter primair in geval van een ontbinding op grond van de ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid en subsidiair in geval van een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding:

- te verklaren voor recht dat ODRA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld;

- de ontbinding per 1 juni 2021 te laten plaatsvinden;

- te verklaren voor recht dat de reden voor het ontslag binnen de werksfeer ligt;

- ODRA te veroordelen om, in geval eerder dan de einddatum van 1 juni 2021 werk wordt aanvaard dor [verweerster], het resterende salaris, te verhogen met de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering, tot 1 juni 2021 uit te betalen als extra vergoeding;

- te verklaren voor recht dat [verweerster] ex artikel 7:673 BW aanspraak kan maken op de transitievergoeding ter hoogte van € 10.523,06 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;

- [verweerster] ten laste van ODRA een budget terzake opleiding of scholing toe te kennen ter hoogte van € 15.000,- exclusief btw;

- [verweerster] ten laste van ODRA een billijke vergoeding toe te kennen van € 100.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;

- te verklaren voor recht dat [verweerster] aanspraak kan maken op de uitkeringen uit de cao SGO op grond van Hoofstuk 10 van die Cao, waarvan de duur en de hoogte nader door de werkgever of door de uitvoeringsorganisatie terzake die uitkeringen bepaald dient te worden;

- ODRA te veroordelen in de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde.

4 De beoordeling

Verstoorde arbeidsverhouding

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669, eerste lid, BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669, derde lid, BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Uit artikel 7:669, derde lid, sub g, BW volgt dat een redelijke grond voor ontbinding is een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.2.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat er geen vertrouwen meer is tussen hen, dat de arbeidsverhouding inmiddels is verstoord en dat herstel van de arbeidsverhouding ook niet meer mogelijk is. Dat betekent dat van ODRA in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en dat er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

Herplaatsing

4.3.

[naam 1] heeft ter zitting toegelicht dat ODRA een relatief kleine organisatie is, waar gewerkt wordt in kleine teams. [verweerster] vervulde een functie binnen de bedrijfsvoering, waar geen vacatures zijn voor passende functies voor [verweerster]. Ook in de rest van de organisatie zijn volgens [naam 1] geen vacatures voor passende functies. [verweerster] heeft slechts aangevoerd dat ODRA niet heeft gekeken naar herplaatsingsmogelijkheden, maar zij heeft verzuimd concrete vacatures te noemen waar zij voor in aanmerking zou kunnen komen. Bovendien heeft [verweerster] ter zitting gezegd dat er geen basis meer is om voor ODRA te werken, ook niet in een andere functie, omdat zij geen vertrouwen heeft in het managementteam van ODRA. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat herplaatsing van [verweerster] binnen ODRA niet mogelijk is en tevens, gelet op het gebrek aan vertrouwen van [verweerster] in het managementteam van de gehele organisatie, niet in de rede ligt.

4.4.

[verweerster] heeft ter zitting nog aangevoerd dat ODRA een eventuele herplaatsingsmogelijkheid bij de Omgevingsdienst in Nijmegen niet concreet heeft gemaakt. Voor zover [verweerster] daarmee heeft willen stellen dat ODRA daardoor niet heeft voldaan aan haar herplaatsingsinspanningen, overweegt de kantonrechter als volgt. [naam 1] heeft ter zitting toegelicht dat is geïnformeerd bij de Omgevingsdienst in Nijmegen of daar mogelijke passende functies voor [verweerster] waren. Dat was mogelijk het geval en dat heeft [naam 1] tegen [verweerster] gezegd. Van ODRA kan niet verlangd worden dat zij een concrete functie bij een derde aan [verweerster] zou aanbieden. ODRA heeft immers geen zeggenschap over de werving en selectie bij een andere organisatie.

Ontbinding

4.5.

Nu een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst aanwezig is en herplaatsing van [verweerster] niet mogelijk is, wordt voldaan aan de vereisten van artikel 7:669, eerste lid, BW. De kantonrechter zal dan ook de arbeidsovereenkomst ontbinden op de grond dat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is. Ontbinding als gevolg van de ongeschiktheid van [verweerster] tot het verrichten van haar bedongen arbeid, zoals door [verweerster] gewenst, is niet aan de orde omdat de ontbinding op deze grond niet is verzocht door ODRA.

4.6.

Nu de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, zullen de verzoeken van ODRA en de tegenverzoeken van [verweerster] gezamenlijk worden besproken.

Ontbindingsdatum

4.7.

Op grond van artikel 7:671b, achtste lid, sub a, BW dient de ontbindingsdatum te worden vastgesteld, waarbij moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij reguliere opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van de periode gelegen tussen de ontvangst van het verzoek en de datum van de beschikking in mindering mag worden gebracht, met dien verstande dat een termijn van een maand resteert. Dit betekent dat in dit geval de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 mei 2021, nu tevens rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in artikel 7:672, eerste lid, BW dat opzegging van de arbeidsovereenkomst dient te geschieden tegen het einde van de maand. Voor een latere ontbindingsdatum, zoals door [verweerster] verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.

Transitievergoeding

4.8.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding. [verweerster] heeft verzocht om een transitievergoeding ter hoogte van € 10.523,06 bruto. ODRA heeft dit bedrag niet betwist, zodat de kantonrechter dit bedrag zal toewijzen. De transitievergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een maand na 1 mei 2021 tot de dag der algehele voldoening.

Billijke vergoeding

4.9.

[verweerster] heeft in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht aan haar een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:671b, achtste lid, aanhef en onder c, BW. Op grond van dit artikel kan de kantonrechter in het geval het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren.

4.10.

[verweerster] heeft aangevoerd dat ODRA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat ODRA vanaf het begin heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband en [verweerster] niet in de gelegenheid is gesteld haar functioneren te verbeteren. Verder heeft ODRA volgens [verweerster] ernstig verwijtbaar gehandeld door een deel van de inhoud van de mediation in het verzoekschrift te zetten, waardoor, volgens [verweerster], de mediationovereenkomst is geschonden.

4.11.

De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat ODRA [verweerster] op 27 augustus 2020 heeft laten weten van mening te zijn dat [verweerster] niet geschikt is voor haar functie en dat ODRA er geen vertrouwen in heeft dat haar functioneren zal kunnen verbeteren. Uit de stukken blijkt dat ODRA [verweerster] slechts een week later drie opties heeft gegeven, die allemaal gericht zijn op het beëindigen van het dienstverband tussen partijen. Uit de correspondentie tussen partijen, en uit hetgeen ODRA ter zitting naar voren heeft gebracht, ontstaat het beeld dat ODRA vervolgens zeer voortvarend heeft geprobeerd tot een regeling te komen, waarbij het dienstverband met [verweerster] zou worden beëindigd. Dat [verweerster] door deze snelle gang van zaken is overrompeld en dat vervolgens bij haar een gevoel van wantrouwen is ontstaan, dat heeft bijgedragen aan de ontstane verstoorde arbeidsverhouding, is begrijpelijk. Dat kan ODRA worden verweten. ODRA heeft ter zitting ook erkend dat tijdens het proces bepaalde aspecten niet goed zijn verlopen. De kantonrechter is echter van oordeel dat ODRA niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het is de kantonrechter namelijk niet gebleken dat ODRA opzettelijk een verstoorde arbeidsverhouding heeft willen creëren, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst kon worden beëindigd. Dat heeft [verweerster] wel gesteld, maar in het geheel niet onderbouwd. Dat ODRA op een andere wijze grovelijk haar verplichtingen niet is nagekomen heeft [verweerster] ook niet onderbouwd.

4.12.

Ten aanzien van de gestelde schending van de mediationovereenkomst overweegt de kantonrechter als volgt. Vast staat dat het mediation traject is geëindigd op 27 november 2020 en dat ODRA na het mislukken van dit mediation traject een finaal aanbod heeft gedaan aan [verweerster] in een ultieme poging nog tot overeenstemming te komen. Dat dit aanbod is gedaan na afloop van het mediation traject heeft de advocaat van [verweerster] tevens per e-mail bevestigd (zie 2.10). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ODRA dan ook niet de mediationovereenkomst geschonden door de inhoud van dit finale aanbod in het verzoekschrift te zetten. Dat dit finale aanbod sterk overeenkomt met hetgeen partijen in mediation hebben besproken, doet aan dat oordeel niet af. Nu het doel van de mediation was om tot overeenstemming te komen over de voorwaarden waaronder het dienstverband zou worden beëindigd, is het immers vanzelfsprekend dat het finale aanbod dezelfde punten bevat.

4.13.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat ODRA niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat de door [verweerster] verzochte verklaring voor recht en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding worden afgewezen.

Bovenwettelijke uitkeringen

4.14.

Vast staat dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op grond van een verstoorde arbeidsverhouding en dat ODRA op grond van artikel 10.24 van de cao SGO in dat geval [verweerster] een passende regeling diende aan te bieden, waarbij de aanvullende uitkering, geregeld in artikel 10.1 van de cao SGO, en de na-wettelijke uitkering, geregeld in artikel 10.5 van de cao SGO, worden betrokken voor zover dat redelijk en billijk is. ODRA heeft bij de door haar aangeboden regeling de transitievergoeding en de reparatie-uitkering, geregeld in artikel 10.11 van de cao SGO, betrokken, maar niet de aanvullende en na-wettelijke uitkeringen. [verweerster] voert aan dat dit wel had moeten gebeuren en dat de aangeboden regeling daardoor niet passend is.

4.15.

De vraag die beantwoord moet worden is wat moet worden verstaan onder een passende regeling in het geval een dienstverband wordt beëindigd vanwege een verstoorde arbeidsverhouding die, zoals in het geval van [verweerster], niet aan de werknemer te verwijten is. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de uitleg van een cao-bepaling aan op de tekst van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst en de eventuele toelichting daarbij, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe die bepaling hoort. Het komt daarbij niet aan op de bedoelingen van de partijen van de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de toelichting zijn gesteld. Bij een dergelijke uitleg kan onder meer rekening worden gehouden met elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de mogelijke tekstinterpretaties zouden kunnen leiden (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6601).

4.16.

De kantonrechter stelt vast dat artikel 10.24 van de cao SGO geen nadere informatie geeft over wat moet worden verstaan onder een passende regeling in het geval een dienstverband wordt beëindigd vanwege een niet aan de werknemer te verwijten verstoorde arbeidsverhouding. Deze nadere informatie volgt evenmin uit de overige bepalingen in de cao ten aanzien van het beëindigen van een dienstverband. Tevens stelt de kantonrechter vast dat er geen schriftelijke toelichting op de cao SGO bestaat. Dat betekent dat de kantonrechter dient uit te gaan van de tekst van artikel 10.24 van de cao SGO, gelezen in het licht van de overige bepalingen in de cao. In dat verband overweegt zij als volgt. Niet in geschil is dat een aanspraak op de aanvullende en na-wettelijke uitkeringen in ieder geval bestaat indien het dienstverband is beëindigd vanwege het disfunctioneren van een werknemer. Niet valt in te zien waarom dat in geval van beëindiging van het dienstverband vanwege een niet aan de werknemer te verwijten verstoorde arbeidsverhouding anders zou moeten zijn. ODRA heeft dat ook niet toegelicht. De kantonrechter acht het dan ook redelijk en billijk dat [verweerster], in geval dat in de toekomst aan de orde mocht zijn, aanspraak kan maken op de aanvullende en na-wettelijke uitkeringen.

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster], in het geval dat zij aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, tevens aanspraak kan maken op de reparatie-uitkering op grond van artikel 10.11 van de cao SGO.

4.18.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de door ODRA aangeboden regeling niet passend is in de zin van artikel 10.24 van de cao SGO. De kantonrechter zal in het navolgende bepalen dat een passende regeling in de zin van artikel 10.24 van de cao SGO inhoudt dat [verweerster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering, de na-wettelijke uitkering en de reparatie-uitkering, zoals geregeld in de artikelen 10.1, 10.5 en 10.11 van de cao SGO. Daarbij merkt de kantonrechter op dat de aanspraak op deze bovenwettelijke uitkeringen slechts bestaat voor zover [verweerster] een recht zou hebben, of in het geval van de reparatie-uitkering een recht zou hebben gehad, op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Of deze aanspraak in de toekomst bestaat kan op dat moment slechts worden beoordeeld door de desbetreffende uitvoeringsinstantie (UWV).

Vakantieverlof/vrijstelling van werk

4.19.

ODRA heeft nog verzocht te bepalen dat [verweerster] tot aan haar ontslagdatum vrijgesteld dient te worden van werk, waarbij zij haar vakantieverlof dient op te nemen. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. In beginsel worden de vakantiedagen vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer. Een werknemer kan dan ook niet door de werkgever verplicht worden haar vakantiedagen op te nemen. Niet is gebleken dat er in dit geval een wettelijke grondslag bestaat voor afwijking van dit uitgangspunt. De kantonrechter wijst dit verzoek dan ook af.

Scholingsbudget

4.20.

[verweerster] heeft verzocht om een budget terzake opleiding of scholing toe te kennen ter hoogte van € 15.000,00 exclusief btw. [verweerster] heeft echter verzuimd dit verzoek van enige toelichting of onderbouwing te voorzien. Bovendien bestaat voor het toewijzen hiervan geen wettelijke grondslag. De kantonrechter wijst dit verzoek dan ook af.

Proceskosten

4.21.

Gelet op de uitkomst van deze procedure acht de kantonrechter het redelijk dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2021;

5.2.

bepaalt dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding van € 10.523,06 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf een maand na 1 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

bepaalt dat een passende regeling in de zin van artikel 10.24 van de cao SGO in dit geval inhoudt dat [verweerster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering, zoals geregeld in artikel 10.1 van de cao SGO, de na-wettelijke uitkering, zoals geregeld in artikel 10.5 van de cao SGO en de reparatie-uitkering, zoals geregeld in artikel 10.11 van de cao SGO;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. S. Scherff en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.