Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1371

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
05/205742-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor verkrachting – onverhoeds vinger(s) in de vagina brengen levert dwang op in de zin van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/205742-20

Datum uitspraak : 23 maart 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

raadsvrouw: mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 december 2019 te Apeldoorn, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

door één of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen en bestaande dat geweld of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer feitelijkheden hierin dat verdachte

- ondanks verbaal verzet tegen van die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar vagina en/of haar hechtingen wilde zien en/of

- ( hierbij) boos op die [slachtoffer] is geworden en/of tegen die [slachtoffer] heeft geschreeuwd en/of

- ( vervolgens, toen zij haar broek en onderbroek naar beneden had getrokken) (onverhoeds) zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht/gestoken (wetende dat die [slachtoffer] hechtingen in haar vagina had en waardoor (vervolgens) deze hechtingen op spanning kwamen te staan en/of kapot gingen en/of zijn losgetrokken) en/of

- ( meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand/pijn van die [slachtoffer] en/of (hierop) heeft gezegd ‘stel je niet zo aan’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 december 2019 te Apeldoorn, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door (wetende dat die [slachtoffer] net bevallen was en hechtingen in haar vagina had) zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] te steken waardoor deze hechtingen op spanning kwamen te staan en/of kapot gingen en/of zijn losgetrokken waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en hiertoe primair aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefster geen, althans onvoldoende steun vinden in het dossier. Meer subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het ten laste gelegde handelen geen dwang oplevert en dat daarom hooguit een mishandeling bewezen kan worden verklaard.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] (aangeefster) is op 11 december 2019 in het ziekenhuis bevallen van een dochter, daarbij is de vagina van aangeefster ingeknipt en gehecht.2

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 13 december 2019 in haar woning in Apeldoorn was en dat zij op enig moment samen met verdachte boven was. Verdachte vroeg toen of hij de hechtingen van aangeefster mocht zien. Toen aangeefster had gezegd dat zij dit niet wilde, werd verdachte boos en begon hij te schreeuwen. Aangeefster was bang en heeft toen haar broek en onderbroek omlaag gedaan, omdat zij geen zin in problemen had. Verdachte ging toen door zijn knieën en stopte zijn vinger in de vagina van aangeefster. Dit duurde even en aangeefster voelde veel pijn, waarna zij de hand van verdachte wegduwde. Verdachte zag dat aangeefster pijn had; hij zei dat zij zich niet zo moest aanstellen en lachte erbij. Aangeefster zag dat er bloed aan de wijsvinger van verdachte zat. Aangeefster zag dit niet aankomen omdat zij dacht dat verdachte alleen zou kijken. Aangeefster deed haar broek omhoog en ging naar beneden. Toen zij naar de wc ging, zag zij dat er hechtingen in haar maandverband zaten en dat er hechtingen los waren. Aangeefster kon door de pijn niet meer normaal lopen.3

Getuige [getuige 1] (moeder van aangeefster) heeft verklaard dat verdachte op 13 december 2019 bij hen thuis was. Op enig moment was aangeefster met verdachte boven. Zij zag verdachte naar beneden komen en meteen zijn handen wassen. Toen aangeefster naar beneden kwam, zag [getuige 1] dat zij moeilijk liep; aangeefster liep met de benen wijd en maakte mini stapjes. [getuige 1] zag dat aangeefster waterige ogen en een hoogrode kleur op haar gezicht had. [getuige 1] zag dat aangeefster moeizaam op de bank ging zitten. [getuige 1] had de indruk dat aangeefster veel pijn had.4

Op 17 december 2019 heeft [getuige 1] het volgende van aangeefster gehoord. Verdachte wilde bij de vagina van aangeefster kijken. Toen aangeefster had gezegd dat zij dat niet wilde, was verdachte boos geworden. Aangeefster stond het toe omdat zij niet wilde dat verdachte nog verder ging flippen. Verdachte ging toen kijken en stopte zijn vingers in de vagina van aangeefster. Aangeefster voelde veel pijn en duwde verdachte weg.5

Getuige [getuige 2] (kraamhulp) heeft verklaard dat aangeefster op 13 december 2019 vanuit het ziekenhuis aan haar is overgedragen. Tijdens de overdracht werd over de fysieke gesteldheid van aangeefster verteld dat aangeefster gehecht was en dat de hechtingen er rustig uitzagen.

[getuige 2] is op 13 december 2019 met aangeefster mee naar huis gegaan. Het ging toen heel erg goed met aangeefster. [getuige 2] had niet de indruk dat zij ergens pijn had. Ook liep aangeefster normaal. Op 14 december 2019 controleerde [getuige 2] de vagina van aangeefster. Zij constateerde toen dat de vagina van aangeefster gezwollen en pijnlijk was; de hechtingen stonden strak gespannen en dat hoorde niet. Ook zag [getuige 2] ten opzichte van de dag ervoor een duidelijk verschil in het gedrag van aangeefster en de manier van lopen. Aangeefster klaagde over pijn en liep moeilijk. [getuige 2] schreef in haar verslag over 16 december 2019 dat de hechtingen gecontroleerd waren door de verloskundige, dat de hechtingen losser zaten en dat aangeefster een schrikreactie bij de aanraking had. 6

Getuige [getuige 3] (verloskundige) heeft verklaard dat een collega van haar op 16 december 2019 de knip van aangeefster controleerde en dat aangeefster daarbij vol paniek en dissociatie reageerde. De collega van [getuige 3] constateerde dat alle hechtingen eruit waren en dat de huid los en opgezet was. Ook had aangeefster aangegeven dat zij meer last had.7

Verdachte heeft ontkend dat hij met aangeefster boven is geweest en dat hij met zijn vinger in haar vagina is geweest.

Conclusie

Aangeefster heeft op verschillende momenten bij de politie uitgebreide en gedetailleerde verklaringen afgelegd over wat er op 13 december 2019 heeft plaatsgevonden. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank consistent en worden op onderdelen ondersteund door de verklaringen van de getuigen. Uit die verklaringen blijkt het volgende:

  • -

    bij de overdacht aan de kraamhulp op 13 december 2019 waren de hechtingen van aangeefster in orde en ging het heel erg goed met haar;

  • -

    diezelfde dag was aangeefster met verdachte boven in de woning van haar moeder. Toen verdachte beneden kwam, waste hij meteen zijn handen. Toen aangeefster beneden kwam, liep zij met de benen wijd en had zij waterige ogen. Aangeefster leek pijn te hebben;

  • -

    op 14 december 2019 constateerde de kraamhulp dat de vagina van aangeefster gezwollen en pijnlijk was en dat de hechtingen strak gespannen stonden, hetgeen niet hoorde. Ook de manier van lopen was anders en aangeefster gaf aan pijn te hebben;

  • -

    op 16 december 2019 constateerde een verloskundige dat de hechtingen bij aangeefster eruit waren en dat de huid ter plaatse los en opgezet was;

  • -

    op 17 december 2019 vertelde aangeefster haar moeder wat er op 13 december 2019 was gebeurd.

Gelet op de verklaringen en het tijdspad dat daaruit volgt, heeft de rechtbank geen reden om aan de verklaringen van aangeefster te twijfelen. Immers volgt hieruit dat er iets met de hechtingen van aangeefster moet zijn gebeurd en dat zij alleen met verdachte boven was.

Dat er sprake zou zijn van een valse aangifte of dat door het gedrag van aangeefster de hechtingen zouden zijn losgeraakt is onvoldoende onderbouwd en vindt bovendien geen steun in de overige verklaringen. De rechtbank passeert dit alternatieve scenario en acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig. Dat de verklaringen van aangeefster op detailniveau tegenstrijdigheden bevatten doet daar niet aan af. De verklaringen worden immers op de punten waarop de tenlastelegging ziet ondersteund door de getuigenverklaringen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aangeefster een kwetsbaar meisje van (destijds) 17 jaar oud was met de nodige beperkingen.

Door de weigering van aangeefster haar hechtingen te laten zien te negeren, boos op haar te worden en daarbij tegen haar te schreeuwen heeft verdachte een dermate dreigende situatie gecreëerd dat de vrees van aangeefster (voor geweld) gerechtvaardigd was. Door vervolgens zonder toestemming of aankondiging, (onverhoeds) toch zijn vinger(s) in de vagina te brengen, levert dit, mede door het onverhoedse karakter van het seksueel binnendringen, dwang op in de zin van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde verkrachting.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 13 december 2019 te Apeldoorn, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

door één of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen en bestaande dat geweld of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer feitelijkheden hierin dat verdachte

- ondanks verbaal verzet tegen van die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar vagina en/of haar hechtingen wilde zien en/of

- ( hierbij) boos op die [slachtoffer] is geworden en/of tegen die [slachtoffer] heeft geschreeuwd en/of

- vervolgens, toen zij haar broek en onderbroek naar beneden had getrokken (onverhoeds) zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht/gestoken (wetende dat die [slachtoffer] hechtingen in haar vagina had en waardoor (vervolgens) deze hechtingen op spanning kwamen te staan en/of kapot gingen en/of zijn losgetrokken) en/of

- ( meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand/pijn van die [slachtoffer] en/of (hierop) heeft gezegd ‘stel je niet zo aan’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

‘verkrachting’.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangeefster.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in het geval het tot een veroordeling komt, geen gevangenisstraf op leggen. Volgens de verdediging is de oplegging van een gevangenisstraf een te forse reactie en zal dit veel gevolgen voor verdachte hebben. Daarnaast heeft de verdediging verzocht geen contactverbod op te leggen, nu artikel 14c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat in dat geval van rechtswege ook reclasseringstoezicht wordt opgelegd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van aangeefster, een destijds 17-jarig meisje met wie hij een relatie had. Deze verkrachting vond thuis plaats, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen, op de dag dat aangeefster na haar bevalling uit het ziekenhuis kwam, met veel hechtingen als gevolg van een zware bevalling. Verdachte was hiervan op de hoogte maar heeft zich niets aangetrokken van de fysieke en psychische kwetsbaarheid van aangeefster onder die omstandigheden. Verdachte heeft daarnaast het vertrouwen geschonden dat aangeefster in relaties in het algemeen en in verdachte als haar partner in het bijzonder, moest kunnen stellen. Uit het dossier komt naar voren dat het feit veel invloed op aangeefster heeft gehad en nog steeds heeft. Uit een brief van de klinisch psycholoog volgt dat zij na het feit angstig is en nachtmerries en herbelevingen heeft, hetgeen op PTSS-klachten duidt. De rechtbank neemt het verdachte ernstig kwalijk dat hij kennelijk zijn eigen lust- dan wel machtsgevoelens heeft laten prevaleren boven de belangen van aangeefster en daarbij geen enkel oog heeft gehad voor de gevolgen hiervan voor haar.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 8 februari 2021. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies van 5 maart 2021.

Wat betreft de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en komt daarom tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal bepalen dat 6 maanden daarvan voorwaardelijk zullen worden opgelegd en zal daaraan een proeftijd van 3 jaren verbinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod met het slachtoffer op te leggen. Het feit heeft enige tijd geleden plaatsgevonden en niet is gebleken dat verdachte de afgelopen maanden contact met het slachtoffer heeft gezocht.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.000,-- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, nu de schadepost onvoldoende is onderbouwd.

De overweging van de rechtbank

Het recht op vergoeding van smartengeld als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in zijn eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde verkrachting een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen en dat dit letsel moet bestaan uit een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft echter ook bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Hierbij valt met name te denken aan zedenzaken, waarin het strafbare feit een dusdanig ernstige inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en reeds daarom smartengeld toegewezen kan worden. Het vaststellen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is dan voor de vergoeding van smartengeld niet nodig.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Daarbij constateert de rechtbank dat de vordering wat betreft de concrete gevolgen voor de benadeelde partij in beperkte mate is onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank, naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, een bedrag van € 1.000,-- toewijzen. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 13 december 2019. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.000,-- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.000,-- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2019 aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en

mr. I.W.M. Olthof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2021.

mr. I.W.M. Olthof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, dienst regionale recherche, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ONRBC20637, proces-verbaalnummer 2019561354, gesloten op 22 juli 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het kraamdossier, p. 35.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 9-16 en het proces-verbaal van verhoor van aangeefster, p. 22-24.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 54-55.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 56.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 58-61.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 63-65.