Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1370

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
8598849
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bepaling erfgrens tussen twee percelen; geen sprake van onzekere grens (art. 5:47 BW), geen sprake van verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW), geen sprake van rechtsverwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 8598849 \ CV EXPL 20-2043 \ 45950

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende in [woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde: mr. E . Vels-Turan

tegen

[gedaagde]

wonende in [woonplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde: mr. A.A.P.M. Theunen.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 augustus 2020 en de daarin genoemde processtukken,

- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie,

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 8 december 2020,

- het (verkorte) proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2020,

- de pleitnotities van [gedaagde] , met als bijlage drie (lucht)foto’s,

- de akte na comparitie van [eiser] , met producties 1 en 2,

- de akte na comparitie van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 4.

1.2.

Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn eigenaren van aan elkaar grenzende percelen grond. [eiser] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als Gemeente [plaats] sectie [sectieletter] nummer [nummer 1] (hierna: [perceelnummer 1] ) en [gedaagde] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als Gemeente [plaats] sectie [sectieletter] nummer [nummer 2] (hierna: [perceelnummer 2] ). De twee percelen vormden in het verleden samen het perceel kadastraal bekend als Gemeente [plaats] sectie [sectieletter] nummer [nummer 3] hierna: ( [perceelnummer 3] ), dat in eigendom was van [vader gedaagde] (de vader van [gedaagde] ) en van [bedrijf 1] (waarvan onder meer [gedaagde] vennoot is/was). Perceel [perceelnummer 3] is vervolgens gesplitst.

2.2.

In de akte van levering van 14 mei 2001 (en de daarop volgende akte van rectificatie van 17 mei 2001 “Verzoek tot verbetering van deel [nummer 4] nummer [nummer 5] ”) is bepaald dat verkopende partij [vader gedaagde] en [bedrijf 1] percelen grond heeft geleverd aan kopende partij (onder meer) [bedrijf 2] onder meer:

“- een gedeelte van het perceel Gemeente [plaats] sectie [sectieletter] nummer [nummer 3] , ter grootte van circa zes hectare en zevenentachtig are (6.87.00 Ha.);

(…)

een en ander als schetsmatig aangegeven op de aan deze akte gehechte tweetal tekeningen;”

In artikel 2 lid 2 van de akte van levering staat het volgende:.

“Een verschil tussen de in deze akte genoemd oppervlakte (…) en de op grond van de ambtelijke meting vast te stellen daadwerkelijke oppervlakte zal tussen partijen worden verrekend tegen (…) per vierkante meter (…) zodra de uitslag van de kadastrale meting de kennisgeving door partijen is ontvangen.”

Het relevante deel van de tweede aan de akte gehechte tekening (die een vergroting is van de eerste aangehechte tekening) is hieronder weergegeven:

(tekening 1)

2.3.

Op 17 augustus 2001 heeft een medewerker van het kadaster veldwerk verricht ten behoeve van een grensaanwijs tussen de (nieuwe) percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] . Uit het veldwerk en het relaas van bevindingen blijkt dat daarbij aanwezig waren (verkoper) [vader gedaagde] en (koper) [naam 1] , adviseur van [bedrijf 2] Verder staat in het relaas van bevindingen bij “Omschrijving van de aangewezen grenzen” het volgende vermeld:

“5 m. //aan bestaand hek, bestaande uit H profielen van ijzer en + haaks daarop het verlengde van bestaand raster.”

De tekening van het kadaster (veldwerk met archiefnummer [nummer 6] ) is hieronder weergegeven:

(tekening 2)

De doorgetrokken horizontale lijn boven het nummer [nummer 3] is in rood weergegeven, evenals de daarop loodrecht staande lijn aan de rechterkant. Ook de nummers [nummer 2] en [nummer 1] zijn in rood aangegeven, hetgeen betekent dat dit nieuwe perceelsnummers zijn en een nieuwe perceelsgrens. Boven de rode doorgetrokken horizontale lijn en parallel daaraan – voor zover dat niet helemaal leesbaar is hierboven – is een horizontaal lijntje getekend, waarbij genoteerd staat “ijzer hek”.

Op het veldwerk staat boven de tekening het volgende – voor zover leesbaar – genoteerd:

“NR [nummer 3] Verkoop [nummer 7] DL/NR. [nummer 8] Tek in akte

Verkoop [nummer 9] (NR [nummer 10] )

DL/Nr [nummer 11]

Tek in akte”.

2.4.

In de akte van toedeling kavelruil van 14 december 2012 is (onder meer) perceel [perceelnummer 1] toegedeeld aan [eiser] . Op het kaartje “Toedeling [eiser] ”, behorende bij de akte, staan geen perceelsgrenzen tussen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] aangegeven.

2.5.

[eiser] heeft op 12 december 2019 een grensreconstructie door het kadaster laten uitvoeren, onder andere wat betreft de grens tussen de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] . Bij de grensaanwijs waren [eiser] , zijn dochter [dochter eiser] en [buurman] (een buurman) aanwezig. In het Relaas van bevindingen van het kadaster staat het volgende vermeld onder het kopje “Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen”:

“De gereconstrueerde grens tussen de percelen [nummer 2] en [nummer 1] is aangewezen door 2 bestaande ijzeren buizen en 1 piket

De nieuwe grens bedoeld voor de splitsingen wordt gevormd door 3 ijzeren buizen en aansluiten op de meest oostelijke buis van de gereconstrueerde grens”.

Hieronder zijn (links) de tekening van het veldwerk en (rechts) het uittreksel uit de kadastrale kaart van de percelen weergegeven:

(tekening 3)

2.6.

In een brief van 18 december 2019 heeft [eiser] [gedaagde] meegedeeld dat uit de grensreconstructie is gebleken dat de omheining van [gedaagde] op het perceel van [eiser] staat. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht om de omheining te verwijderen. [gedaagde] heeft afwijzend op dit verzoek gereageerd. Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de grens tussen de percelen.

2.7.

In een brief van 11 december 2020 van een medewerker van het kadaster naar aanleiding van vragen van [eiser] in verband met de grensreconstructie van 12 december 2019 en de daarvoor gebruikte bestaande buisjes/paaltjes staat onder meer het volgende:

“Bedankt voor uw e -mail waarin u aangeeft graag te willen weten wanneer bepaalde ijzeren buisjes zijn geplaatst.


Het ontstaan van de grens tussen de percelen kadastraal bekend als [plaats] [sectieletter] [nummer 2] en [nummer 1] is terug te vinden op het Veldwerk met archiefnummer [nummer 6] .

Op dit archiefnummer kunt u ook terug vinden welke buisjes ter toentertijd zijn geplaatst waardoor deze wel bruikbaar is voor uw vraag. (…)”

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

a. voor recht verklaart dat de erfgrens tussen de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] is zoals deze is vermeld in de erfgrensreconstructie van 12 december 2019;

b. [gedaagde] beveelt de houten palen met draad ertussen op het perceel van [eiser] te verwijderen en verwijderd te houden, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 per dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft (na 14 dagen na betekening van het vonnis), met een maximum van € 25.000,00;

c. bepaalt dat wanneer [gedaagde] in verzuim blijft en de maximale dwangsom is verbeurd, [eiser] de palen en het draad zelf kan verwijderen zonder dat hier enige vergoeding aan gedaagde tegenover staat;

d. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 460,00 voor de kosten van de erfgrensreconstructie;

e . [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht. De palen met draad van [gedaagde] staan, zo blijkt uit de grensreconstructie van 12 december 2019, op het perceel van [eiser] en daarom moet [gedaagde] deze palen met draad verwijderen. De erfgrensreconstructie van 12 december 2019 is volgens [eiser] gebaseerd op de vastlegging van de grens tussen de percelen in het kadaster in 2001.

3.3.

[gedaagde] betwist de juistheid van de door [eiser] gestelde erfgrens. Hij verwijst naar de akte van levering van 14 mei 2001 en de bijbehorende tekeningen. Hij heeft eerst grond tot aan het “bestaand hekwerk” verkocht en kreeg vrij snel de mogelijkheid om vijf meter terug te kopen. Dat is nooit deugdelijk ingemeten, zoals in artikel 2 lid 2 van de akte was voorgeschreven. Partijen hebben samen de perceelsgrens uitgezet, namelijk vijf meter parallel aan het oude hekwerk. Op die vijf-meter-grens heeft [gedaagde] destijds evenwijdig aan het bestaand hekwerk palen geslagen met draad, overeenkomstig het kaartje van de notaris. Het oude hekwerk is vervolgens verwijderd. [gedaagde] betwijfelt de juistheid van de meting in 2019; de meetgegevens waren immers in 2001 niet vastgelegd.

Verder stelt [gedaagde] dat hij bezitter te goeder trouw is van de strook grond. Sinds 2001 heeft hij beheersdaden verricht, zoals het aanvragen van een projectbesluit en onafgebroken onderhouds- en bouwactiviteiten, eerst van 2001 tot de kavelruil in 2012 en vervolgens tot december 2019. Hij is dus door middel van verkrijgende verjaring rechthebbende geworden.

Tot slot stelt [gedaagde] dat [eiser] de afscheiding van 2012 tot 2019 heeft gedoogd en dat [eiser] daarmee zijn recht op de strook grond heeft verwerkt.

4 De vordering en het verweer in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert dat de kantonrechter, in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, onder de voorwaarde dat de vordering in conventie wordt afgewezen:

a. een gerechtelijke grensbepaling gelast zoals bedoeld in artikel 5:47 BW met inachtneming van de meetgegevens op het kaartje behorende bij de akten van 14 en 17 mei 2001;

b. voor recht verklaart dat [gedaagde] op basis van verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond nu [gedaagde] gedurende 2001 te goeder trouw gedurende een aaneengesloten periode van meer dan tien jaar onafgebroken ondubbelzinnige bezitsdaden heeft verricht op de door [eiser] als zijn eigendom geclaimde en door [gedaagde] betwiste strook grond;

c. [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de kadastrale kosten van € 460,00;

d. [eiser] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

4.2.

[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de grens tussen de percelen onzeker is. De erfgrensreconstructie houdt volgens hem geen rekening met de erfgrensvaststelling uit de akten van 14 en 17 mei 2001. De meetgegevens van de bij die akten behorende tekening zijn nooit verwerkt in de kadastrale registers. Wat betreft de verklaring voor recht, stelt [gedaagde] dat hij bezitsdaden heeft verricht, zoals weergegeven onder 3.3. bij het verweer in conventie. De kantonrechter begrijpt deze vordering aldus dat als de onder 4.1.a gevorderde grensbepaling (deels) in zijn nadeel uitvalt, [gedaagde] zich subsidiair op verkrijgende verjaring beroept.

4.3.

[eiser] betwist dat er sprake is van een onzekere grens tussen de percelen. De kadastrale meting in december 2019 is uitgevoerd op grond van de originele nog aanwezige piketpaaltjes van achttien jaar geleden. [eiser] betwist verder dat [gedaagde] eigenaar is geworden van de strook grond op grond van verkrijgende verjaring.

5 De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

5.1.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

5.2.

In het eerst lid van artikel 5:47 BW is bepaald dat indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, ieder der eigenaars te allen tijde kan vorderen dat de rechter de grens bepaalt.

5.3.

In geschil is allereerst of de grens tussen de percelen van partijen onzeker is in de zin van artikel 5:47 lid 1 BW. Artikel 5:47 is pas van toepassing als geen van beide buren in staat is te bewijzen waar de grens loopt. Als één van partijen stelt dat de grens zeker is, moet eerst worden onderzocht of die erin slaagt de juiste grens aan te wijzen. Als die partij erin slaagt, is dus geen sprake van een onzekere grens. In dit geval stelt [eiser] dat de grens zeker is en dat die loopt conform de kadastrale grensreconstructie van 12 december 2019. Daarom zal hieronder allereerst worden beoordeeld of de grens die [eiser] stelt zeker is en de gevorderde verklaring voor recht in conventie (in beginsel) dus kan worden toegewezen. Als kan worden vastgesteld dat die grens zeker is, dan is een grensbepaling op grond van artikel 5:47 BW niet meer aan de orde en kan de reconventionele eis tot grensbepaling niet worden toegewezen. Dan resteert nog de beoordeling van het verweer/de reconventionele eis van [gedaagde] met betrekking tot verkrijgende verjaring.

Zekere grens?

5.4.

[gedaagde] heeft aanvankelijk gesteld dat de meetgegevens van de bij de akten van 14 en 17 mei 2001 behorende tekening nooit zijn verwerkt in de kadastrale registers. Echter, uit de na de mondelinge behandeling door partijen overgelegde stukken blijkt dat er op 17 augustus 2001 een kadastrale grensaanwijs heeft plaatsgevonden. Uit het veldwerk en het bijbehorende relaas van bevindingen van die grensaanwijs blijkt afdoende dat daarbij uit is gegaan van de tekeningen bij de akte van 14 mei 2001. Op de tekening van het kadaster staat een stuk hek getekend (“ijzer hek”, zie 2.3.) en evenwijdig daaraan (ten zuiden van dat stuk hek) is de (nieuwe) erfgrens tussen de percelen getrokken. Op het veldwerk bij de tekening staat de aantekening “Tek bij akte” en wordt onder meer verwezen naar het nummer van de akte van 17 mei 2001 (“ [nummer 8] ”). Op de tekening bij de akte staat datzelfde stuk hek aangegeven als “bestaand hekwerk”, met daaronder (ten zuiden van dat hekwerk) weergegeven de perceelsgrens. Deze tekeningen komen dus met elkaar overeen. In het relaas van bevindingen van 2001 staat bij situering van de grens ook vermeld dat deze loopt “5 m. // (parallel) aan bestaand hek”; ook dit komt overeen met de (aanwijzing op de) tekening bij de akte van 14 mei 2001 (“grens 5 m // (parallel) aan bestaand hekwerk”). Dit alles wijst erop dat, anders dan [gedaagde] stelt, bij de kadastrale meting van 17 augustus 2001 de grens (de doorgetrokken lijn ten zuiden van het hek) zoals weergegeven op de tekening bij de akte van 14 mei 2001 als uitgangspunt is genomen. Het stukje grond dat [gedaagde] stelt te hebben ‘teruggekocht’ is daarmee dus wel degelijk verwerkt in het kadaster in 2001 en daarmee is dus uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 2.2 van de akte. In ieder geval heeft [gedaagde] niet gesteld, ook niet na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld na de mondelinge behandeling, dat los van de kadastrale vastlegging nog op een andere wijze uitvoering aan artikel 2.2 van de akte zou of had moeten worden gegeven maar dat dit nooit is gebeurd. Dat is verder ook niet gebleken. Tot slot wordt nog opgemerkt dat als de kadastrale tekening/kaart uit 2019 (zie 2.5.) wordt vergeleken met de tekening bij de akte uit 2001 (zie 2.2.), deze met elkaar overeen lijken te komen. Hoewel de kantonrechter dit niet doorslaggevend acht voor het hierboven al gegeven oordeel, kan dit wel worden gezien als een (meer algemene) aanwijzing dat al uitvoering is gegeven aan het bepaalde in de akte van 2001.

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat er na 2001 geen kadastrale meting of grensreconstructie meer is verricht, ook niet toen [eiser] in 2012 eigenaar werd van perceel [perceelnummer 1] . De nog aanwezige kadastrale grensmarkeringen die in 2019 als uitgangspunt zijn genomen, moeten dus die van 2001 zijn, zoals ook door het kadaster wordt aangenomen (zie de brief van 11 december 2020, in 2.7.). [gedaagde] heeft dat overigens onvoldoende gemotiveerd betwist, hetgeen ook geldt voor de stelling van [eiser] dat de grensreconstructie van 2019 op die van 2001 is gebaseerd. [gedaagde] stelde immers dat er in 2001 geen kadastrale grensbepaling of meting is geweest en dat is onjuist gebleken.

[gedaagde] stelt in de akte na comparitie nog dat uit nadere analyse blijkt dat de landmeter in 2019 geen rekening heeft gehouden met de coördinaten uit 2001 en ook niet met de aantekeningen behorende bij het veldwerk uit 2001 dat de aanwijzing destijds expliciet is aangewezen door partijen “5 meter parallel aan bestaand hek bestaand uit H profielen van ijzer en ongeveer haaks daarop het verlengde van bestaand raster”. Voor zover [gedaagde] verwijst naar de aantekeningen in het relaas van bevindingen uit 2001, is hierboven al geoordeeld dat daaraan met de grensaanwijs in 2001 uitvoering is gegeven (en dat die samenhangt met het bepaalde in de notariële akten van 14 en 17 mei 2001 en de bijbehorende tekening). Deze waren dus al verwerkt door het kadaster in 2001 en terug te vinden in de grensmarkeringen van 2001, zodat in 2019 niet alsnog rekening hoefde te worden gehouden met die aantekeningen uit 2001. Aan de stelling van [gedaagde] dat er significante verschillen zijn als de reconstructiecoördinaten van 2019 met die van 2001 worden vergeleken, gaat de kantonrechter voorbij. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien hoe deze coördinaten met elkaar kunnen worden vergeleken en wat daaruit vervolgens is af te leiden. Uit de stukken blijkt dat voor de coördinaten in 2001 een andere nummering is aangehouden dan voor die in 2019 en dat de coördinaten niet één op één hetzelfde zijn. Daarmee staat echter nog niet vast, zonder nadere duiding, dat in 2019 met de coördinaten uit 2001 geen rekening is gehouden.

5.6.

De slotsom luidt dat de grens tussen de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] loopt zoals [eiser] heeft gevorderd en dat er dus geen sprake is van een onzekere grens als bedoeld in artikel 5:47 lid 1 BW. Een gerechtelijke grensbepaling op grond van dit artikel is daarom niet aan de orde en de eis in reconventie onder a is dus niet toewijsbaar.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de betwiste strook grond inmiddels door middel van verkrijgende verjaring eigendom is geworden van [gedaagde] .

Verkrijgende verjaring?

5.7.

[gedaagde] beroept zich op artikel 3:99 BW, waarin is bepaald dat rechten op onroerende zaken (waaronder grond) door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaar. [gedaagde] stelt dat hij op zijn perceel [perceelnummer 2] te goeder trouw ondubbelzinnig onafgebroken bezitsdaden heeft verricht. Hij heeft het perceel afgepaald en onderhouden en hij heeft er een bouwtitel op verkregen en er huurwoningen gerealiseerd. Het stuk van zijn perceel dat aan het perceel van [eiser] grenst heeft hij gebruikt als bouwplaats voor opslag van bouwmaterialen. [eiser] betwist dat sprake is van goede trouw en van zodanige bezitsdaden dat [gedaagde] daardoor eigenaar is geworden van de strook grond. Er is geen bebouwing op of tegen de strook waarover partijen een geschil hebben. Verder is ook niet gebleken dat de strook grond in bezit is genomen. Het maaien van het gras op de strook is onvoldoende, aldus [eiser] .

5.8.

In artikel 3:11 BW is bepaald dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

Oftewel, voor goede trouw bij inbezitneming van een onroerende zaak (waaronder grond) geldt dus dat de gebruiker, in dit geval [gedaagde] , in de veronderstelling moet zijn dat hij eigenaar is. Hij moet daarvoor duidelijke aanwijzingen hebben. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Er is in 2001 een grensaanwijs geweest en uit de kadastrale gegevens uit 2001 blijkt dat de vader van [gedaagde] daar destijds bij aanwezig was. Hij was dus op de hoogte van de vaststelling van de erfgrens en dat was – zoals hierboven al is geoordeeld – conform de tekening bij de akte van levering van 14 mei 2001. Het hek had in 2001 dus geplaatst moeten worden conform de kadastrale grensaanwijs van 17 augustus 2001. Dat is niet gebeurd en [gedaagde] was dus (althans zijn vader) niet te goeder trouw in 2001 toen hij de erfafscheiding (de palen met draad) heeft geplaatst.

Dat [gedaagde] niet zelf maar zijn vader destijds de palen met draad heeft geplaatst, doet daaraan niet af. [gedaagde] had in de gegeven omstandigheden (de betrokkenheid en aanwezigheid van zijn vader bij de grensaanwijs) behoren te weten dat het hek niet conform de grensaanwijs is geplaatst. [gedaagde] was dus geen bezitter te goeder trouw in de zin van artikel 3:99 BW en het beroep op verjaring slaagt dus niet.

Rechtsverwerking?

5.9.

[gedaagde] stelt dat [eiser] in 2012, toen hij eigenaar werd van [perceelnummer 1] , de perceelsgrenzen had moeten controleren. Dat heeft hij nagelaten. Pas in 2019 heeft [eiser] , in het kader van een grondruil met een andere buurman, de juistheid van de erfgrens gecontroleerd. Tot die tijd heeft [eiser] de erfafscheiding van [gedaagde] dus gedoogd en daarmee zijn rechten verwerkt, aldus [gedaagde] .

5.10.

Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat enkel tijdsverloop of enkel stilzitten van de wederpartij onvoldoende is om rechtsverwerking aan te nemen. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2872).

5.11.

De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld als gevolg waarvan bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken. Evenmin heeft [gedaagde] in het kader van het beroep op rechtsverwerking gesteld dat hij onredelijk zou worden benadeeld als [eiser] zijn aanspraak op de strook grond alsnog geldend zou maken. [gedaagde] heeft ter zitting wel gesteld dat het maaien van de strook grond achter de woningen op zijn perceel bemoeilijkt zou worden als het hek verplaatst wordt, maar niet is gesteld of gebleken (bijvoorbeeld uit foto’s van de situatie ter plaatse) dat daardoor sprake zou zijn van onredelijke benadeling. [eiser] heeft dit overigens ook betwist. [gedaagde] heeft hoofdzakelijk gesteld dat [eiser] eerder de juistheid van de erfgrens had behoren te controleren, hetgeen neerkomt op de stelling dat [eiser] door tijdsverloop dan wel stilzitten zijn rechten heeft verwerkt. Dat is onvoldoende, zoals uit de hierboven genoemde vaste rechtspraak blijkt, om rechtsverwerking aan te nemen. Het beroep op rechtsverwerking van [gedaagde] slaagt dus niet.

Conclusie

5.12.

Dit alles betekent dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht (onder a in conventie) zal worden toegewezen. Ook de vorderingen van [eiser] over verwijdering van de palen en draad (onder b en c in conventie) zullen worden toegewezen, omdat [gedaagde] met de palen en draad inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser] . De gevorderde dwangsom die is verbonden aan het bevel tot verwijdering van de palen met draad zal worden vastgesteld op € 500,00 per dag en de maximale dwangsom zal worden beperkt tot € 15.000,00. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 460,00 voor de kosten van de erfgrensreconstructie, zoals in conventie is gevorderd onder d.

De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde kosten voor de erfgrensreconstructie (onder b en c in reconventie) zullen worden afgewezen.

5.13.

[gedaagde] wordt zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt opgemerkt dat de rechtbank bij [eiser] een te hoog griffierecht in rekening heeft gebracht: € 124,00 in plaats van € 83,00. Het verschil tussen deze bedragen zal door de rechtbank aan [eiser] worden terugbetaald; [gedaagde] zal een bedrag van € 83,00 aan griffierecht aan [eiser] moeten vergoeden, zoals is bepaald in de beslissing. De (in conventie) gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, zoals in de beslissing staat vermeld.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat de erfgrens tussen de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] is zoals deze is vermeld in de kadastrale erfgrensreconstructie van 12 december 2019;

6.2.

beveelt [gedaagde] de houten palen met draad ertussen op het perceel van [eiser] te verwijderen en verwijderd te houden, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan de in 6.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt;

6.4.

bepaalt dat wanneer [gedaagde] in verzuim blijft ten aanzien van de verwijdering van de palen en de draad en de maximale dwangsom is verbeurd, [eiser] de palen en het draad zelf kan verwijderen zonder dat hier enige vergoeding aan [gedaagde] tegenover staat;

6.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 460,00;

6.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] begroot op € 105,08 aan dagvaardingskosten, € 83,00 aan griffierecht en € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde, en € 124,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan;

6.7.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

6.8.

wijst de vorderingen af;

6.9.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] begroot op € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.10.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.M. Breimer en in het openbaar uitgesproken op