Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1364

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
05/239805-18, 05/012094-19, 05/136107-20, 05/071616-20, 05/094033-20, 05/120072-20, 05/183807-20 (allen gev. ttz) en 05/140213-18 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor reeks delicten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05/239805-18, 05/012094-19, 05/136107-20, 05/071616-20, 05/094033-20, 05/120072-20, 05/183807-20 (allen gev. ttz) en 05/140213-18 (tul)

Datum uitspraak : 23 maart 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Azerbeidzjan),

wonende aan de [adres 1] ,

raadsman: mr. C.W.J. de Bont, advocaat in Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 oktober 2020, 8 januari 2021 en 9 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 05/239805-18

hij op of omstreeks 17 augustus 2018 te Eerbeek, gemeente Brummen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem hardhandig en/of geweldadig met een langwerpig voorwerp gelijkend aan een parasolstok en/of plank op de arm te slaan;

parketnummer 05/012094-19

1.

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Eerbeek, gemeente Brummen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door een of meerdere malen die voornoemde [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen;

2.

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (met het kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Arnhem, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar te weten als hoofdconducteur), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door op/in de richting van het gezicht, althans het lichaam,

van die voornoemde ambtenaar te spuwen en/of te spugen, althans feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een jas en/of functiebordje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar te weten als hoofdconducteur) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5.

hij op of omstreeks 10 januari 2019 te Eerbeek, gemeente Brummen, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door:

- die voornoemde [slachtoffer 4] te duwen en/of

- op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen;

parketnummer 05/136107-20

hij op of omstreeks 2 februari 2020 te Eerbeek, gemeente Brummen, althans in Nederland,

[slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] :

- ( met kracht) bij het lichaam te grijpen/vast te pakken en/of (vervolgens) richting de straat/grond te duwen/drukken, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te trappen, en/of

- ( met kracht) vast te pakken bij de nek/hals/keel en/of (vervolgens) een armklem om de nek/hals/keel van die [slachtoffer 5] aan te leggen en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aan te trekken en/of aangetrokken te houden;

parketnummer 05/071616-20

na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging

hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Dieren, gemeente Rheden opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent van politie) en/of [slachtoffer 7] (brigadier van politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de

meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen: "ik neuk je moeder" en/of "ik neuk jullie kleine kanker dochters" en/of "vieze kankerhoeren", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

parketnummer 05/094033-20

hij op of omstreeks 6 april 2020 te Eerbeek, gemeente Brummen [slachtoffer 8] heeft mishandeld door die [slachtoffer 8] in/tegen het gezicht, althans tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen;

parketnummer 05/120072-20

1.

hij op of omstreeks 21 april 2020 te Velp, gemeente Rheden opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 9] , inspecteur van politie en/of [slachtoffer 10] , hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 11] , aspirant van politie en/of [slachtoffer 12] , hoofdagent van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen één of

meermalen de woorden toe te voegen: "Ik neuk je moeder", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 21 april 2020 te Velp, gemeente Rheden, [slachtoffer 13] heeft mishandeld door die [slachtoffer 13] vast te pakken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 13] naar, althans in de richting van, de grond is bewogen, althans ten val is gekomen en/of één of meermalen in/op het gezicht/hoofd en/of op/tegen de arm en/of het lichaam te slaan en/of te stompen;

parketnummer 05/183807-20

hij op of omstreeks 15 juli 2020, te Eerbeek, in de gemeente Brummen,

een persoon, genaamd [slachtoffer 14] , heeft bedreigd met

- verkrachting, en/of

- feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- gijzeling, en/of

- zware mishandeling,

door die [slachtoffer 14] en/of de dochter van die [slachtoffer 14] (genaamd [slachtoffer 15] ) dreigend de woorden toe te voegen: "Ik neuk je moeder, ik trek je broek van je kont af en neuk je in je kont, ik ga voor jou wel de bak in" en/of "Ik trek zo de broek van je moeders kont en ik steek mijn lul in haar" en/of "Ik sla de tanden uit je bek en ik ga voor je zitten. Ik trek hier mijn broek naar beneden en ik stop mijn lul in je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke bedreigende uitlatingen ter kennis zijn gekomen van genoemde [slachtoffer 14] , en/of door (daarbij) een dreigende houding aan te nemen ten overstaan van genoemde [slachtoffer 14] en/of genoemde [slachtoffer 15] .

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat verdachte van het tenlastegelegde onder parketnummer 05/120072-20 voor zover gepleegd tegen [slachtoffer 9] en [slachtoffer 12] moet worden vrijgesproken. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 5 onder parketnummer 05/012094-19, parketnummer 05/136107-20, parketnummer 05/183807-20 vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/012094-19 heeft de verdediging een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces gedaan, nu verdachte zich bedreigd voelde door de mannen en dacht dat zij een mes bij zich hadden. Ten aanzien van feit 4 onder parketnummer 05/012094-19 heeft de verdediging vrijspraak bepleit, nu geen sprake is van schade. Ten aanzien van parketnummer 05/071616-20 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte boos en gefrustreerd was en dat de verbalisanten het uitgelokt hebben. Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/120072-20 heeft de verdediging betoogd dat in geval verdachte de woorden uitgesproken zou hebben, hij dit uit frustratie deed en om die reden vrijgesproken dient te worden. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 05/120072-20 heeft de verdediging een beroep op noodweer gedaan. Volgens de verdediging is verdachte niet begonnen met het geweld.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en heeft daarbij acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. De door de verdediging gevoerde verweren zullen verderop bij de beoordeling worden besproken.

Ten aanzien van parketnummer 05/239805-18 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2018 aan het klussen was in de tuin van de woning aan de [adres 2] in Eerbeek. Op enig moment zag en hoorde [slachtoffer 1] dat de buurjongen van [adres 1] een plank van de schutting trok en met de plank in zijn richting kwam. [slachtoffer 1] kreeg een klap op zijn linker bovenarm. [slachtoffer 1] zag dat de buurjongen half over de schutting hing met de plank in zijn handen. Toen [slachtoffer 1] thuis kwam, zag hij dat hij op zijn linker bovenarm een wondje en blauwe plekken had. Daarnaast voelde hij pijn aan zijn arm.2

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [verdachte] , de buurjongen van [adres 1] , op enig moment een voorwerp pakte en over de schutting sloeg. [getuige 1] zag dat hij [slachtoffer 1] op zijn arm/schouder raakte.3

Ten aanzien van parketnummer 05/012094-19 4

Feiten 1 en 2

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2019 bij cafetaria [naam 1] in Eerbeek was en dat hij zijn auto onbeschadigd naast de cafetaria had geparkeerd. Toen hij weer in zijn auto stapte, werd het bestuurdersportier opengetrokken door een jongen die hij eerder in de cafetaria had getroffen. Op het moment dat [slachtoffer 2] wegreed, hoorde hij een doffe knal bij de achterzijde van zijn auto. [slachtoffer 2] zag dat er een deuk in de achterklep van zijn auto zat.

Even later zag [slachtoffer 2] dezelfde jongen voor de cafetaria staan. Hij ging naar buiten om verhaal te halen. De jongen sloeg toen plots [slachtoffer 2] vol in zijn gezicht. [slachtoffer 2] zakte toen in elkaar en voelde direct pijn. Toen [slachtoffer 2] probeerde op te staan, kreeg hij weer vuistslagen in zijn gezicht.5

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer 2] het volgende letsel had: een gezwollen neus, een bloedneus, een scheurtje in het slijmvlies van het linkerneusgat en in de neusvleugel, gezwollen oogleden en een bloeduitstorting in de oogleden.6

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2019 bij cafetaria [naam 1] in Eerbeek was. Op enig moment zag hij dat een jongen een blikje Red Bull tegen de achterkant van een auto gooide. [getuige 2] zag dat de auto daardoor beschadigd raakte; er zat een deuk in van ongeveer 15 x 5 cm. Even later zag [getuige 2] de man die in de auto had gezeten waartegen het blikje was gegooid bij de ingang van de cafetaria staan. [getuige 2] zag toen dat de jongen die het blikje had gegooid ook richting de cafetaria liep. De jongen liep naar de man en gaf hem een duw en vervolgens een klap op zijn neus. De jongen deed dit met kracht en met zijn vuist. Nadat de jongen en de man uit elkaar waren gehaald, sloeg de jongen nogmaals met zijn vuist twee keer tegen het hoofd van de man. [getuige 2] zag dat het hoofd van de man onder het bloed zat en dat zijn neus dik en blauw was.7

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 13 januari 2019 bij cafetaria [naam 1] in Eerbeek was en dat daar een incident met een andere bezoeker heeft plaatsgevonden.8

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen waardoor [slachtoffer 2] ten val is gekomen en dat verdachte de auto van [slachtoffer 2] heeft beschadigd.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] slechts een duw heeft gegeven omdat hij zich bedreigd voelde door de mannen en dacht dat zij een mes bij zich hadden. Hij duwde uit zelfverdediging omdat [slachtoffer 2] op hem kwam afgerend.

De lezing van verdachte dat er slechts sprake zou zijn geweest van een duw vindt zijn weerlegging in bovenstaande bewijsmiddelen. Daarnaast acht de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat er sprake zou zijn geweest van een mes en dat [slachtoffer 2] al dan niet met een mes op verdachte is afgerend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces ook niet.

Feiten 3 en 4

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 12 januari 2019 werkzaam was als conducteur op het traject Zutphen-Wijchen en dat hij tijdens een controle in Arnhem een OV-chipkaart van een man had ingenomen omdat de OV-chipkaart van een ander bleek te zijn. Toen de man te horen kreeg dat hij de OV-chipkaart niet terug zou krijgen, werd de man boos. Op enig moment greep de man [slachtoffer 3] bij zijn jas en trok daar het functiebordje van af. Daardoor ontstond er een gat in de jas van [slachtoffer 3] . Nadat de man verzocht was de trein te verlaten, spuugde hij uit het niets [slachtoffer 3] in zijn gezicht. [slachtoffer 3] voelde het speeksel op zijn gezicht, ogen en lippen.9

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij in de trein zat en op enig moment hoorde dat iemand “blijf van mij af” riep. Toen hij keek wat er aan de hand was, zag hij een reiziger met een plaatje van de conducteur in zijn hand staan. [getuige 3] zag dat de reiziger de trein uitstapte, richting de conducteur liep en de conducteur in zijn gezicht spuugde.10

Verdachte heeft zich op 12 januari 2019 gemeld op het politiebureau en verklaard dat hij een conflict heeft gehad met een conducteur op het station Velperpoort.11

De rechtbank acht de vernieling/beschadiging van het functiebordje niet bewezen, nu het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt.

Feit 5

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 10 januari 2019 zijn hond in Eerbeek aan het uitlaten was en dat op enig moment een man aan zijn jas begon te trekken. Toen [slachtoffer 4] zich omdraaide, gaf de man hem een duw in zijn rug. Even later kwam de man in de richting van [slachtoffer 4] rennen. De man gaf toen met zijn rechtervuist een klap op de linker kaak van [slachtoffer 4] .12

Het dossier bevat een foto van het gezicht van [slachtoffer 4] . Door de politie is beschreven dat op die foto is te zien: een rode verkleuring op de kaak en het oor.13

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op 10 januari 2019 twee mannen op straat ruzie zag maken en dat daarbij geduwd en getrokken werd. [getuige 4] had de indruk dat de Turks uitziende man de confrontatie opzocht en van geen ophouden wist.14

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 4] een duw heeft gegeven.15

Parketnummer 05/136107-20 16

Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij op 2 februari 2020 samen met zijn vriendin in de bus (lijn 43 richting Eerbeek) zat. Bij de halte Ringlaan, gelegen aan de Loenenseweg in Eerbeek, stapten [slachtoffer 5] en zijn vriendin rond 17.14 uur uit. [slachtoffer 5] zag dat een andere passagier, een jonge man, direct na hen ook uitstapte. [slachtoffer 5] voelde toen dat hij door de jonge man van achteren stevig werd beetgepakt en van uit het niets naar de grond werd gewerkt. [slachtoffer 5] kon zich niet verzetten omdat hij stevig werd vastgehouden. Nadat de jonge man van [slachtoffer 5] af was getrokken, vroeg [slachtoffer 5] wat hij verkeerd had gedaan. De jonge man reageerde daar niet op en sloeg [slachtoffer 5] meermaals met gebalde vuist op zijn lichaam. [slachtoffer 5] zag en voelde dat de jonge man hem schopte tegen zijn bovenbeen. Even later werd [slachtoffer 5] door de jonge man beetgepakt; de jonge man hield [slachtoffer 5] om zijn nek vast in een soort wurggreep. Terwijl hij dit deed, sloeg hij [slachtoffer 5] met zijn vuist op de borst. [slachtoffer 5] voelde daardoor pijn in zijn borst. In de avond had [slachtoffer 5] last van rug en borst.17

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij samen met [slachtoffer 5] uit de bus stapte enzag dat [slachtoffer 5] ineens op de grond lag en dat een jongen die ook in de bus had gezeten, bovenop [slachtoffer 5] lag. Toen [slachtoffer 5] op was gestaan, werd hij door de jongen geslagen. Even later zag [getuige 5] dat de jongen [slachtoffer 5] in een soort wurggreep om zijn nek pakte waardoor [slachtoffer 5] niets meer kon. Zij zag dat [slachtoffer 5] toen door de jongen werd geslagen.18

De camerabeelden van de desbetreffende busrit zijn door de politie uitgekeken en beschreven. Op de camerabeelden is onder meer te zien dat [slachtoffer 5] en [getuige 5] rond 17.13 uur uitstappen en dat zij gevolgd worden door een man. Ook is te zien dat [slachtoffer 5] en [getuige 5] langs de zijkant van de bus over de stoep lopen en dat de man achter hun aan loopt.19

Verdachte is door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] herkend als de man die op de camerabeelden te zien is en achter [slachtoffer 5] en [getuige 5] liep.20

De rechtbank is van oordeel dat deze herkenningen betrouwbaar zijn. Door de verbalisanten zijn duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken gegeven. Daarnaast hebben de verbalisanten eerder (meermaals) met verdachte te maken gehad. Hun herkenning vindt bovendien steun in de verklaring van verdachte, namelijk dat hij op 2 februari 2020 tegen de avond in de bus (lijn 43) richting Eerbeek zat.21

Parketnummer 05/071616-20 22

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van aanhouding stelt de rechtbank vast dat verdachte tegen verbalisanten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] , terwijl zij verdachte aan het aanhouden waren, het volgende heeft geroepen: “Ik neuk je moeder”, “Ik neuk jullie kleine kanker dochters” en “vieze kankerhoeren”.23

Dat verdachte boos en gefrustreerd was, doet niet af aan het beledigende karakter van deze woorden. Ook is niet aannemelijk geworden dat verdachte door de verbalisanten is uitgelokt. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Parketnummer 05/094033-20 24

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2021;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, p. 3-4.

Parketnummer 05/120072-20 25

Feit 1

Naar aanleiding van een melding over een conflict waren verbalisanten [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] op 21 april 2020 in Velp ter plaatse. Toen [slachtoffer 10] op enig moment naar verdachte liep, zag hij dat [slachtoffer 11] bij hem stond. [slachtoffer 10] zag en hoorde dat verdachte toen riep: “Ik neuk jullie moeder”.26

Dat verdachte dit uit frustratie zou hebben geroepen, doet niet af aan het beledigende karakter van deze woorden.

Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt niet dat de woorden gericht waren tegen verbalisanten [slachtoffer 9] en [slachtoffer 12] . Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Feit 2

Aangever [slachtoffer 13] heeft verklaard dat hij op 21 april 2020 samen met [naam 2] en [naam 3] bij het station in Velp was en dat zij aan het wachten waren op [getuige 6] . Op enig moment zag [slachtoffer 13] [naam 4] , de zus van [getuige 6] , lopen. [slachtoffer 13] zag dat [naam 4] gevolgd werd door een man en hoorde dat [naam 4] zei dat de man haar steeds achtervolgde. [slachtoffer 13] zag dat de man bij hem, [naam 2] en [naam 3] kwam staan. Op de vraag van [naam 3] of de man misschien even wilde gaan zitten, reageerde de man beledigend. De man keek boos en gaf meermaals aan dat zij niet wisten wie hij was en dat zij op moesten passen.

Op enig moment zijn [slachtoffer 13] , [naam 2] en [naam 3] weggelopen. De man liep toen achter hen aan en begon [slachtoffer 13] te porren met zijn ellenboog. Zij vroegen de man weg te gaan maar de man reageerde niet, waarna zij de politie belden. Toen [getuige 6] de politie aan de lijn had, pakte de man de telefoon van [getuige 6] en trok deze uit haar hand. [slachtoffer 13] duwde hierop de man, waarna de man op [slachtoffer 13] afliep en hem vastpakte. [slachtoffer 13] kwam ten val en de man kwam bovenop hem zitten. De man begon [slachtoffer 13] met twee gebalde vuisten en met kracht te slaan op zijn arm, achterhoofd en lichaam. Door de klappen heeft [slachtoffer 13] last van zijn achterhoofd en rug.27

Getuige [getuige 6] ( [getuige 6] ) heeft verklaard dat toen zij de politie belde, de man naar haar toe kwam en haar telefoon vastpakte. [slachtoffer 13] is toen tussen hen ingesprongen en kwam ten val. [getuige 6] zag dat de man toen op [slachtoffer 13] insloeg.28

Verdachte heeft verklaard dat hij op het station in Velp was en dat hij met de drie jongens wilde praten.29

Op grond van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 13] naar de grond heeft gebracht en hem heeft geslagen.

Door de verdediging is een beroep op noodweer gedaan. Verdachte heeft daartoe gesteld dat één van de jongens ineens uithaalde en de raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich mocht verdedigen tegen de duw die hij kreeg van [slachtoffer 13] .

Dat een van de jongens ineens naar verdachte uithaalde vindt weerlegging in bovenstaande bewijsmiddelen en acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden. In zoverre kan het beroep op noodweer dus niet slagen. Uit die verklaringen blijkt verder dat verdachte [slachtoffer 13] en [getuige 6] is gaan volgen en daarbij [slachtoffer 13] is gaan porren. Toen [getuige 6] de politie wilde bellen heeft verdachte de telefoon uit de hand van [getuige 6] getrokken. Dat uit de hand trekken van de telefoon was de aanleiding voor [slachtoffer 13] om verdachte te duwen. Naar het oordeel van de rechtbank was deze duw een proportionele reactie op het handelen van verdachte. Het handelen van [slachtoffer 13] was daarom niet wederrechtelijk, waardoor het beroep op noodweer van verdachte faalt. Er was immers geen sprake van verdediging gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 13] . Het verweer wordt verworpen.

Parketnummer 05/183807-20 30

Aangever [slachtoffer 14] heeft verklaard dat zij op 15 juli 2020 samen met haar dochter bij hun woning in Eerbeek was. Op enig moment zag zij haar buurman (verdachte) in zijn voortuin staan. [slachtoffer 14] zag dat de buurman een intimiderende houding had en bij haar dochter stond. Toen [slachtoffer 14] naar de buurman liep, begon de buurman het volgende te schreeuwen: “Ik neuk je moeder”, “Ik trek je broek van je kont af en neuk je in je kont”, “Ik ga voor jou wel de bak in”, en “Ik sla je op je bek”. Toen de buurman dit schreeuwde, stond hij bijna tegen [slachtoffer 14] aan. [slachtoffer 14] voelde zich bedreigd en was bang dat de buurman haar iets aan zou doen.31

Getuige [slachtoffer 15] (dochter van [slachtoffer 14] ) heeft verklaard dat vlak nadat zij samen met haar moeder thuis was gekomen, de buurman (verdachte) tegen haar begon te praten. [slachtoffer 15] reageerde niet op de buurman, waarna hij zei: “Ik trek de broek van je moeders reet af en ik stop mijn lul er in”. [slachtoffer 15] zag dat de buurman zich op enig moment tegen haar moeder keerde en riep: “Ik sla de tanden uit je bek en ik ga voor je zitten” en “Ik trek hier mijn broek naar beneden en ik stop mijn lul in je”. [slachtoffer 15] werd hier bang van.32

Getuige [getuige 7] (buurman van [slachtoffer 14] ) heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte] voor de dochter van [slachtoffer 14] stond en aan het schreeuwen was. [getuige 7] zag kort daarop dat [verdachte] zich tegen [slachtoffer 14] richtte, voor haar ging staan en weer begon te schreeuwen. [getuige 7] zag dat [verdachte] telkens een zichtbare dreigende houding had.33

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

parketnummer 05/239805-18

hij op of omstreeks 17 augustus 2018 te Eerbeek, gemeente Brummen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem hardhandig en/of gewelddadig met een langwerpig voorwerp gelijkend aan een parasolstok en/of plank op de arm te slaan;

parketnummer 05/012094-19

1.

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Eerbeek, gemeente Brummen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door een of meerdere malen die voornoemde [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen;

2.

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (met het kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Arnhem, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar te weten als hoofdconducteur), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door op/in de richting van het gezicht, althans het lichaam,

van die voornoemde ambtenaar te spuwen en/of te spugen, althans feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 12 januari 2019 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een jas en/of functiebordje, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] (werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar te weten als hoofdconducteur) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5.

hij op of omstreeks 10 januari 2019 te Eerbeek, gemeente Brummen, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door:

- die voornoemde [slachtoffer 4] te duwen en/of

- op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen;

parketnummer 05/136107-20

hij op of omstreeks 2 februari 2020 te Eerbeek, gemeente Brummen, althans in Nederland,

[slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] :

- ( met kracht) bij het lichaam te grijpen/vast te pakken en/of (vervolgens) richting de straat/grond te duwen/drukken, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te trappen, en/of

- ( met kracht) vast te pakken bij de nek/hals/keel en/of (vervolgens) een armklem om de nek/hals/keel van die [slachtoffer 5] aan te leggen en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aan te trekken en/of aangetrokken te houden;

parketnummer 05/071616-20

hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Dieren, gemeente Rheden opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent van politie) en/of [slachtoffer 7] (brigadier van politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen: "ik neuk je moeder" en/of "ik neuk jullie kleine kanker dochters" en/of "vieze kankerhoeren", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

parketnummer 05/094033-20

hij op of omstreeks 6 april 2020 te Eerbeek, gemeente Brummen [slachtoffer 8] heeft mishandeld door die [slachtoffer 8] in/tegen het gezicht, althans tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen;

parketnummer 05/120072-20

1.

hij op of omstreeks 21 april 2020 te Velp, gemeente Rheden opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 9] , inspecteur van politie en/of [slachtoffer 10] , hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 11] , aspirant van politie en/of [slachtoffer 12], hoofdagent van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen één of

meermalen de woorden toe te voegen: "Ik neuk je moeder", althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 21 april 2020 te Velp, gemeente Rheden, [slachtoffer 13] heeft mishandeld door die [slachtoffer 13] vast te pakken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 13] naar, althans in de richting van, de grond is bewogen, althans ten val is gekomen en/of één of meermalen in/op het gezicht/hoofd en/of op/tegen de arm en/of het lichaam te slaan en/of te stompen;

parketnummer 05/183807-20

hij op of omstreeks 15 juli 2020, te Eerbeek, in de gemeente Brummen,

een persoon, genaamd [slachtoffer 14] , heeft bedreigd met

- verkrachting, en/of

- feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- gijzeling, en/of

- zware mishandeling,

door die [slachtoffer 14] en/of de dochter van die [slachtoffer 14] (genaamd [slachtoffer 15] ) dreigend de woorden toe te voegen: "Ik neuk je moeder, ik trek je broek van je kont af en neuk je in je kont, ik ga voor jou wel de bak in" en/of "Ik trek zo de broek van je moeders kont en ik steek mijn lul in haar" en/of "Ik sla de tanden uit je bek en ik ga voor je zitten. Ik trek hier mijn broek naar beneden en ik stop mijn lul in je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke bedreigende uitlatingen ter kennis zijn gekomen van genoemde [slachtoffer 14] , en/of

door (daarbij) een dreigende houding aan te nemen ten overstaan van genoemde

[slachtoffer 14] en/of genoemde [slachtoffer 15] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

parketnummers 05/239805-18, 05/012094-19 (feiten 1 en 5), 05/136107-20, 05/094033-20 en 05/120072-20 (feit 2), telkens

“mishandeling”;

parketnummers 05/012094-19 (feit 2) en 05/012094-19 (feit 4)

“opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”;

parketnummer 05/012094-19 (feit 3)

“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”;

parketnummers 05/071616-20, 05/120072-20 (feit 1), telkens

“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”;

parketnummer 05/183807-20

“bedreiging met verkrachting, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en zware mishandeling”.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 115 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een klinische opname voor de duur van 12 maanden, een meldplicht en het meewerken aan begeleid en/of beschermd wonen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de verdediging verzocht de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd. De verdediging vindt het belangrijk dat verdachte zo snel mogelijk met zijn behandeling kan starten.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging, drie beledigingen, zes mishandelingen en twee vernielingen. Alle zijn ernstige feiten. Verdachte heeft zich telkens zonder aanleiding agressief tegen onbekenden, buren en verbalisanten gedragen. Deze personen werden plotseling geconfronteerd met een agressieve man. Dergelijk stuitend gedrag is niet alleen beangstigend voor de slachtoffers, maar leidt ook tot onrust en angst in de maatschappij. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat sommigen van hen erg geschrokken zijn van hetgeen hen is aangedaan. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Integendeel, hij probeert de schuld bij de slachtoffers te leggen.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 11 januari 2021. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens (onder andere) geweldsfeiten en een vernieling.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op Pro Justitia rapport (psychiatrisch onderzoek) van 3 november 2020 en een advies van Reclassering Nederland van 21 december 2020.

Uit het Pro Justitia rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een psychotische stoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Door de deskundige kan geen advies worden gegeven in hoeverre de bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, maar aannemelijk is dat de stoornissen wel een doorwerking hebben gehad. Buiten detentie heeft verdachte weinig beschermende factoren waardoor het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst als hoog wordt ingeschat. Door de deskundige wordt geconcludeerd dat dit zonder behandeling onveranderd blijft en dat behandeling en begeleiding daarom noodzakelijk is om de kans op herhaling binnen aanvaardbare grenzen te krijgen. Ook door de reclassering wordt geconcludeerd dat verdachte weinig beschermende factoren heeft en dat de kans op recidive met gevaar voor de veiligheid van zichzelf en anderen groot is. Volgens de reclassering dient verdachte klinisch behandeld te worden omdat een ambulant begeleidingskader onvoldoende mogelijkheden biedt om tot gedragsverandering en verbetering van de situatie van verdachte te komen. Daarom wordt door de reclassering als bijzondere voorwaarde geadviseerd om verdachte (onder meer) klinisch te laten behandelen. De rechtbank verenigt zich met bovenstaande adviezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor dit soort feiten, in een dergelijke frequentie en op een voor de slachtoffers veelal plotselinge wijze gepleegd, een gevangenisstraf de enige gepaste reactie. De rechtbank achter het ter voorkoming van recidive daarnaast van groot belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek. De door de officier van justitie geëiste straf is daarvoor passend. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 115 dagen voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Tot slot zal de rechtbank bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Door de deskundigen wordt geconcludeerd dat het risico op soortgelijke delicten hoog is zolang er geen behandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan en dadelijke uitvoerbaarheid is geboden.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] (05/012094-19, feiten 1 en 2), [slachtoffer 3] (05/012094-19, feit 3) en [slachtoffer 5] (05/136107-20) hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.050,50 aan materiële schade en € 500,-- aan smartengeld, de benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 350,-- aan smartengeld en de benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 394,82 aan materiële schade en € 320,-- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast hebben de benadeelde partijen verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente.

Daarnaast heeft de officier van justitie telkens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De verdediging heeft in geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering te verklaren nu het verschil in materiële schade tussen de aangifte en de vordering niet nader is onderbouwd.

De overwegingen van de rechtbank

[slachtoffer 2] (05/012094-19, feiten 1 en 2)

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze schadeposten volledig kunnen worden toegewezen (€ 1.050,50).

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de mishandeling heeft de benadeelde partij immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het smartengeld volledig kan worden toegewezen (€ 500,--), nu de hoogte daarvan haar niet onevenredig voorkomt.

[slachtoffer 3] (05/012094-19, feit 3)

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Doordat de benadeelde partij in zijn gezicht is gespuugd, is hij in zijn eer of goede naam aangetast. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 200,-- begroten. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.

[slachtoffer 5] (05/136107-20)

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De schadeposten ‘reiskosten’ en ‘verlofuren’ zijn voldoende onderbouwd, komen redelijk voor en zullen volledig worden toegewezen (€ 65,82). Ten aanzien van de schadepost ‘mobiele telefoon’ heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd waarom in eerste instantie de vervanging van het scherm werd gevorderd en later de vergoeding van een nieuwe telefoon. Wel staat vast dat het scherm was vernield. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en ten aanzien van deze schadepost een bedrag van € 90,-- toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de mishandeling heeft de benadeelde partij immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het smartengeld volledig kan worden toegewezen (€ 320,--), nu de hoogte daarvan haar niet onevenredig voorkomt.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Verdachte is telkens wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf de data waarop de feiten zijn gepleegd. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/140213-18)

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 9 oktober 2018 opgelegde voorwaardelijke straf reeds is gelast.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank is gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63, 57, 266, 267, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 115 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

  • -

    de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich binnen twee dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Reclassering Nederland (mevr. [naam 5] , telefoonnummer [telefoonnummer] ) en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich klinisch zal laten behandelen en zich daartoe zal laten opnemen bij een forensische behandelkliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich hierbij houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven. Indien de reclassering een overgang naar een ambulante behandeling, begeleid wonen en/of maatschappelijke opvang noodzakelijk acht, zal verdachte meewerken aan een indicatiestelling en plaatsing;

  • -

    de bijzondere voorwaarde dat verdachte zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen en/of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering. Verdachte zal zich hierbij houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling (in overleg met de reclassering) heeft opgesteld. Het verblijf zal de gehele proeftijd duren of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

  • -

    de overige voorwaarde dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    de overige voorwaarde dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis;

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met de feiten 1 en 2 onder parketnummer 05/012094-19 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.550,50 aan materiële schade en smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.550,50 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met feit 3 onder parketnummer 05/012094-19 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 200,-- aan smartengeld, met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 200,-- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 4 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/136107-20 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van € 475,82 aan materiële schade en smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 5] een bedrag te betalen van € 475,82 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 9 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 9 oktober 2018 voorwaardelijk opgelegde straf (parketnummer 05/140213-18).

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Bertens, voorzitter, mr. C.J.M. van Apeldoorn en

mr. I.W.M. Olthof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2021.

mr. T. Bertens en mr. I.W.M. Olthof zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018536889, gesloten op 28 november 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 3-4.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 9.

4 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019045086, gesloten op 30 januari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 13-14.

6 De geneeskundige verklaring, p. 21.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 26-27.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2021.

9 Het proces-verbaal van aangifte, p. 8-9.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 36-37.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 47.

12 Het proces-verbaal van aangifte, p. 5-6.

13 De foto in de bijlage van de aangifte, p. 7.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 34.

15 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2021.

16 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020052824, gesloten op 21 mei 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

17 Het proces-verbaal van aangifte, p. 4-5.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11-12.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 22.

20 De processen-verbaal van bevindingen, p. 26, 30 en 31.

21 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 35.

22 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020121743, gesloten op 19 maart 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

23 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2021 en het proces-verbaal aanhouding, p. 5-6.

24 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020150322, gesloten op 7 april 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

25 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020178873, gesloten op 29 april 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

26 Het proces-verbaal van aanhouding, p. 6-7.

27 Het proces-verbaal van aangifte, p. 15-16.

28 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 18-19.

29 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2021.

30 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Noord-en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020329135, gesloten op 16 juli 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

31 Het proces-verbaal van aangifte, p. 27-28.

32 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 29-30.

33 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 32.