Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1341

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
05/019721-20 + 05/211898-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland heeft een (ex)-militair veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand wegens oplichting en militaire joyriding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/019721-20 + 05/211898-19 (gevoegd ter terechtzitting)

Datum uitspraak : 22 maart 2021

Verstek (na aanhouding niet verschenen)

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 november 2020 en 8 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/019721-20 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 april 2018, althans in of omstreeks de periode gelegen van 1 april 2018 tot en met 13 april 2018, te Angerlo, in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enige

hoeveelheid geld, te weten een geldbedrag van € 2.000,= , door toen aldaar (zakelijk weergegeven) valselijk, listiglijk en/of in strijd met de waarheid tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die er van op de hoogte waren dat verdachte werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee) te vertellen dat :

  • -

    hij, verdachte, voor een laag bedrag (€ 2.000,=) een [merk] bus (type T1) kon leveren en/of

  • -

    hij, verdachte, in Mali op missie was geweest en/of

  • -

    hij, verdachte, (ook) voor zichzelf een [merk] uit Mali liet overkomen en/of

  • -

    de te leveren [merk] zou worden aangekocht in Mali en/of

  • -

    deze (auto)bus in/omstreeks september 2018 geleverd zou worden en/of

  • -

    het wenselijk was om het geldbedrag van € 2.000,= te betalen in coupures van € 50,= en € 100,= omdat dit de betaling in Mali zou vergemakkelen en/of

daarvoor/daarbij één of meer foto's heeft getoond van een [merk] bus (type T1) en/of daarvoor/daarbij een betalingsbewijs heeft ondertekend voor de ontvangst van een bedrag van

€ 2.000,= waarin onder andere vermeld stond dat hij, verdachte, een [merk] (Type T1 van het bouwjaar 1966) via (transport van zijn werkgever) defensie uit Mali zou laten komen, welke bus dan vervolgens zou worden afgeleverd aan de [adres 2] in Angerlo,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) bewogen tot de afgifte van die € 2.000,=, althans enig geldbedrag ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode gelegen van 13 april 2018 tot en met 10 december 2019, te Angerlo, gemeente Zevenaar, en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland, opzettelijk

een geldbedrag van € 2.000,=, in elk geval enige hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag/goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als betaling voor de aankoop en levering van een autobus ( [merk] ),

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 3 september 2018, althans in of omstreeks de periode gelegen van 1 april 2018 tot en met 15 september 2018, te Angerlo, in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enige hoeveelheid geld, te weten

een geldbedrag van € 4.350,= of daaromtrent, door toen aldaar (zakelijk weergegeven) valselijk, listiglijk en/of in strijd met de waarheid tegen voornoemde [slachtoffer 3] (die er van op de hoogte was dat verdachte werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee) te vertellen dat :

  • -

    hij, verdachte, voor een laag bedrag één of meer [merk] (type T1) kon leveren en/of

  • -

    de te leveren [merk] zouden worden aangekocht in Mali en/of

  • -

    hij, verdachte, in Mali op missie was geweest en/of

  • -

    hij, verdachte, voor zich zelf ook één of meer [merk] uit Mali liet overkomen en/of

  • -

    de [merk] per militair transport (boot) naar Nederland zouden worden vervoerd en/of

  • -

    deze (auto)busjes in/omstreeks november 2018 in Nederland zouden aankomen en/of aan [slachtoffer 3] (en/of diens zonen) geleverd zouden worden en/of

daarvoor/daarbij één of meer foto's heeft getoond van een [merk] bus (type T1),waardoor voornoemde [slachtoffer 3] werd bewogen tot de afgifte van die € 4.350,=, althans enig geldbedrag ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode gelegen van 3 september 2018 tot en met 10 december 2019, te Angerlo, gemeente Zevenaar, en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van € 4.350,=, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als betaling voor de aankoop en levering van drie, althans een of meer autobussen ( [merk] ), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Onder parketnummer 05/211898-19 is verdachte ten laste gelegd dat:

hij als militair op meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 7 november 2018 tot en met 16 mei 2019, te of nabij Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, ( [type] ), bij de krijgsmacht in gebruik, als bestuurder heeft gebruikt.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05/019721-20 1

Ten aanzien van feit 1:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] , p. 16-18;

- het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 24-26;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 334-351.

De militaire kamer kwalificeert het door verdachte verzonnen en door hem lang volgehouden verhaal omtrent zijn missie naar en zijn contacten in Mali, het aankopen en het militair transport van de [merk] busjes en de verschillende redenen van de vertraging van dit transport, als een samenweefsel van verdichtsels. Het in die context tonen van foto’s van [merk] busjes door verdachte die hij van het internet gehaald had, kwalificeert de militaire kamer als listige kunstgrepen.

Ten aanzien van feit 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 3] , p. 261-263;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] , p. 267;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 533-538.

De militaire kamer kwalificeert het door verdachte verzonnen en door hem lang volgehouden verhaal omtrent zijn missie naar en zijn contacten in Mali, het aankopen en het militair transport van de [merk] busjes en de verschillende redenen van de vertraging van dit transport, als een samenweefsel van verdichtsels. Nu niet valt te bewijzen dat verdachte in de tenlastegelegde periode foto’s van een [merk] type T1 aan [slachtoffer 3] heeft getoond, aangezien verdachte de eerste foto’s die hij van internet heeft gehaald pas op 5 november 2018 aan [slachtoffer 3] heeft gestuurd, valt zijn handelen onder feit 2 – anders dan bij feit 1 – niet tevens als listige kunstgrepen te kwalificeren.

Parketnummer 05/211898-19 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , p. 28-29;

- een ander schriftelijk bescheid, te weten het overzicht ritstaten november 2018 tot en met mei 2019, p. 19-25.

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 533-538.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

parketnummer 05/019721-20

1. primair

hij op of omstreeks 13 april 2018, althans in of omstreeks de periode gelegen van 1 april 2018 tot en met 13 april 2018, te Angerlo, in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enige

hoeveelheid geld, te weten een geldbedrag van € 2.000,= , door toen aldaar (zakelijk weergegeven) valselijk, listiglijk en/of in strijd met de waarheid tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die er van op de hoogte waren dat verdachte werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee) te vertellen dat :

  • -

    hij, verdachte, voor een laag bedrag (€ 2.000,=) een [merk] bus (type T1) kon leveren en/of

  • -

    hij, verdachte, in Mali op missie was geweest en/of

  • -

    hij, verdachte, (ook) voor zichzelf een [merk] uit Mali liet overkomen en/of

  • -

    de te leveren [merk] zou worden aangekocht in Mali en/of

  • -

    deze (auto)bus in/omstreeks september 2018 geleverd zou worden en/of

  • -

    het wenselijk was om het geldbedrag van € 2.000,= te betalen in coupures van € 50,= en € 100,= omdat dit de betaling in Mali zou vergemakkelijken en/of

daarvoor/daarbij één of meer foto's heeft getoond van een [merk] bus (type T1) en/of daarvoor/daarbij een betalingsbewijs heeft ondertekend voor de ontvangst van een bedrag van

€ 2.000,= waarin onder andere vermeld stond dat hij, verdachte, een [merk] (Type T1 van het bouwjaar 1966) via (transport van zijn werkgever) defensie uit Mali zou laten komen, welke bus dan vervolgens zou worden afgeleverd aan de [adres 2] in Angerlo,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) bewogen tot de afgifte van die € 2.000,=, althans enig geldbedrag;

2. primair

hij op of omstreeks 3 september 2018, althans in of omstreeks de periode gelegen van 1 april 2018 tot en met 15 september 2018, te Angerlo, in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enige hoeveelheid geld, te weten

een geldbedrag van € 4.350,= of daaromtrent, door toen aldaar (zakelijk weergegeven) valselijk, listiglijk en/of in strijd met de waarheid tegen voornoemde [slachtoffer 3] (die er van op de hoogte was dat verdachte werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee) te vertellen dat :

  • -

    hij, verdachte, voor een laag bedrag één of meer [merk] (type T1) kon leveren en/of

  • -

    de te leveren [merk] zouden worden aangekocht in Mali en/of

  • -

    hij, verdachte, in Mali op missie was geweest en/of

  • -

    hij, verdachte, voor zich zelf ook één of meer [merk] uit Mali liet overkomen en/of

  • -

    de [merk] per militair transport (boot) naar Nederland zouden worden vervoerd en/of

  • -

    deze (auto)busjes in/omstreeks november 2018 in Nederland zouden aankomen en/of aan [slachtoffer 3] (en/of diens zonen) geleverd zouden worden en/of

daarvoor/daarbij één of meer foto's heeft getoond van een [merk] bus (type T1), waardoor voornoemde [slachtoffer 3] werd bewogen tot de afgifte van die € 4.350,=, althans enig geldbedrag ;

parketnummer 05/211898-19

hij als militair op meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 7 november 2018 tot en met 16 mei 2019, te of nabij Apeldoorn, in elk

geval in Nederland, (telkens) opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, ( [type]

), bij de krijgsmacht in gebruik, als bestuurder heeft gebruikt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/019721-20 levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

oplichting

Ten aanzien van feit 2 primair:

oplichting

Het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/211898-19 levert op:

opzettelijk wederrechtelijk enig motorrijtuig gebruiken, dat bij de krijgsmacht in gebruik is, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/019721-20 en 05/211898-19 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte, ten tijde van het plegen van de misdrijven opperwachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee, heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan oplichting. Hij heeft een verhaal verzonnen over een missie in Mali en een contact dat hij daar had opgedaan en dat [merk] busjes kon leveren. Vervolgens heeft verdachte mensen uit zijn eigen omgeving benaderd van wie hij wist dat zij hierin geïnteresseerd waren. Het ging om mensen die hij al langere tijd kende en die wisten dat hij werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee. Verdachte heeft deze positie misbruikt door hen te overtuigen en hen vervolgens nadat zij betaald hadden, meerdere maanden aan het lijntje te houden. Zo verzon hij steeds nieuwe redenen waarom de levering vertraagd was, ondanks het feit dat hij zelf al vanaf het begin wist dat er geen busjes waren om te kunnen leveren. Verdachte heeft door een web van leugens het vertrouwen van de slachtoffers, die dit verhaal lange tijd geloofd hebben, ernstig beschaamd.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan militaire joyriding. Verdachte heeft veelvuldig misbruik gemaakt van dienstauto’s van Defensie door er privé mee te rijden. Door het op doortrapte wijze invullen van de aanvraagformulieren – door bijvoorbeeld een aanvraag CMH (Centraal Militair Hospitaal) te doen – heeft verdachte lastige vragen en het invullen van verdere gegevens kunnen omzeilen. Verdachte heeft aldus met grote regelmaat en op grote schaal het vertrouwen van zijn toenmalige werkgever geschonden.

De militaire kamer rekent hem deze feiten zwaar aan.

Anderzijds houdt de militaire kamer ook rekening met de gevolgen die de feiten voor verdachte hebben gehad, zoals zijn ontslag bij de Koninklijke Marechaussee, en het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en het onderzoek ter terechtzitting. Onder andere omstandigheden zou een dergelijk feitencomplex wellicht aanleiding geven om een hogere straf op te leggen, maar gelet hierop acht de militaire kamer de eis van de officier van justitie passend. De militaire kamer zal, gelet op het gegeven dat de feiten van enige tijd geleden zijn en verdachte in de tussentijd niet opnieuw in aanraking is geweest met politie en justitie, bij de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van 2 jaren opleggen.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben in verband met het onder parketnummer 05/019721-20 feit 1 bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. Uit de toelichting van deze vorderingen blijkt dat voor het materiële deel van de schade geldt dat deze door zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] is opgevoerd. Deze schadepost zal de militaire kamer derhalve alleen bespreken bij de vordering van meneer [slachtoffer 1] . Voor de immateriële schade begrijpt de militaire kamer dat deze door hen beiden apart is gevorderd. Deze post zal aldus per vordering apart besproken worden.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 2.400,- aan materiële schade en € 250,- aan smartengeld. De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 200,- aan smartengeld. Telkens vermeerderd met de wettelijke rente en er is ook om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ter zitting hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog verzocht het materiële deel van de vordering aan te vullen voor wat betreft de door hen opgenomen vakantiedagen om de zittingen te kunnen bijwonen. Er is voor deze post geen bedrag genoemd.

Standpunt

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft het materiële deel van € 2.000,- voor het busje kan worden toegewezen. Ten aanzien van de aanvulling van de vordering heeft de officier van justitie de militaire kamer gevraagd gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Hierbij heeft de officier van justitie verzocht de wettelijke rente toe te kennen en vordert de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voor het overige deel aan materiële schade en smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Overweging van de militaire kamer

Nu de vordering voor wat betreft de € 2.000,- naar het oordeel van de militaire kamer voldoende is onderbouwd en haar redelijk voorkomt, kan dit bedrag volledig worden toegewezen.

Met betrekking tot het deel van de vordering dat ziet op de beveiligingscamera’s komt de

militaire kamer tot een andere overweging. Dit bedrag is naar het oordeel van de militaire

kamer geen schade welke rechtstreeks voortkomt uit het bewezenverklaarde feit. Nu er

geen rechtstreeks verband is tussen de gestelde schade en het bewezenverklaarde feit, kan de

benadeelde partij in zijn vordering niet worden ontvangen en deze slechts bij de burgerlijke

rechter aanbrengen.

Ten aanzien van het immateriële deel van beide vorderingen is de militaire kamer met de

officier van justitie van oordeel dat, ondanks dat de feiten voor de benadeelden veel impact

hebben gehad, er geen sprake is van aangetoond psychisch letsel. Om deze reden zal de

militaire kamer de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor wat betreft de gevorderde

immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partijen

kunnen dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partijen hebben ter zitting na afloop van het requisitoir van de officier van justitie getracht hun vordering aan te vullen met de kosten die zij gemaakt hadden voor het opnemen van vakantiedagen om de zittingen bij te wonen. Gelet op artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering kan dit slechts tot aan het requisitoir. Dit deel van de vordering zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals dit is gevorderd. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 13 april 2018.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen rente is daar niet bij inbegrepen.

De vorderingen van [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met het onder parketnummer 05/019721-20 feit 2 bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.350,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ter zitting heeft [slachtoffer 3] zijn vordering aangevuld voor de door hem gemaakte kosten voor het inhuren van een kraanmachinist om zijn werk uit te voeren op de dagen dat hij de zitting heeft bijgewoond. Het gaat om een bedrag van € 765,-.

Standpunt

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft het materiële deel van € 4.350,- voor het busje kan worden toegewezen. Ten aanzien van de aanvulling van de vordering heeft de officier van justitie de militaire kamer gevraagd gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Hierbij heeft de officier van justitie verzocht de wettelijke rente toe te kennen en vordert de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Overweging van de rechtbank

Nu de vordering voor wat betreft de € 4.350,- naar het oordeel van de militaire kamer voldoende is onderbouwd en haar redelijk voorkomt, kan dit bedrag volledig worden toegewezen.

Ten aanzien van het ter zitting aangevulde deel van de vordering zal de militaire kamer gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Er zal een bedrag van € 765,- worden toegewezen.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag van € 4.350,- vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals dit is gevorderd. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 3 september 2018. Voor het bedrag van € 765,- geldt dat de wettelijke rente ook wordt toegewezen en toewijsbaar is vanaf 8 maart 2021.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen rente is daar niet bij inbegrepen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht;

- 166 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

10 De beslissing

De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

 bepaalt, dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 en daarnaast een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] :

 veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/019721-20 - feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 80 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vorderingen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

 veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/019721-20 - feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 5.115,- (zegge: vijfduizendeenhonderdvijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4350,- vanaf 3 september 2018 en over een bedrag van € 765,- vanaf 8 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 5.115,- (zegge: vijfduizendeenhonderdvijftien euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 204 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs, rechters en kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Roelfsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door kapitein [naam] , Koninklijke Marechaussee, Cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27AZ/19-400038, gesloten op 30 december 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door kapitein [naam] , Koninklijke Marechaussee, Cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27AZ/19-400031, gesloten op 23 augustus 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.