Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1322

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3998, 19_4000 en 19_4001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is op het toegang verlenen tot een uitgaanscomplex, waar dj’s optreden, het verlaagde omzetbelastingtarief van toepassing? De rechtbank acht het niet aannemelijk dat sprake is van toegang verlenen tot muziekuitvoeringen.

Ondanks het feit dat de muziek is uitgevoerd door dj’s is niet gebleken dat wat is aangeboden, soortgelijk is aan wat op een danceparty aan de bezoekers wordt aangeboden. Niet is gebleken dat het publiek speciaal voor de dj’s komt of dat de dj’s eigen publiek meebrengen. Als in één van de vier zalen een optreden wordt gegeven, kunnen niet alle bezoekers toegang kunnen hebben tot deze zaal, omdat niet het gehele publiek in deze ene zaal past. Van de zaterdagen zijn geen gegevens van kaartverkoop beschikbaar en zijn er geen aparte toegangsbewijzen aan bezoekers verstrekt. Er is geen agenda overgelegd waarin is vermeld welke optredens hebben plaatsgevonden. Ook voor andere horecagelegenheden van eiseres is niet aannemelijk dat sprake is van toegang verlenen tot muziekuitvoeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-04-2021
V-N Vandaag 2021/830
FutD 2021-1183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 19/3998, AWB 19/4000 en AWB 19/4001

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[eiseres X] B.V., [eiseres Y] B.V. c.s. te [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 133.356. Tevens is bij beschikking € 5.023 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 65.106.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 35.131, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 1.756.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 4 juli 2019 de naheffingsaanslagen, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 juli 2019, ontvangen door de rechtbank op 17 juli 2019, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021.

Namens eiseres zijn verschenen [persoon A1] , bijgestaan door [persoon A2] en mr. [persoon A3] . Namens verweerder zijn verschenen [persoon B1] , [persoon B2] en [persoon B3] .

Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota's met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert meerdere uitgaansgelegenheden in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . Eén van de uitgaansgelegenheden is de [uitgaansgelegenheid 1] in [plaats 1] . De [uitgaansgelegenheid 1] bestaat uit vier in elkaar overlopende zalen: [uitgaansgelegenheid 1] , [uitgaansgelegenheid 2] , [uitgaansgelegenheid 3] en [uitgaansgelegenheid 4] . Het gehele uitgaanscomplex van de [uitgaansgelegenheid 1] is geopend op donderdagavond van 21.00 uur tot vrijdagochtend 05:00 uur, op vrijdagavond 21.00 uur tot zaterdagochtend 05:00 uur en van zaterdagavond 21:00 uur tot zondagochtend 05:00 uur. Het cafégedeelte is zeven dagen per week geopend.

2. Om toegang te krijgen tot de [uitgaansgelegenheid 1] betalen bezoekers entreegeld aan de deur. De prijs varieert van € 5 tot € 7, waarbij soms een hogere prijs wordt gehanteerd bij speciale evenementen. De toegang vóór 23.00 uur is gratis. Bij de garderobe dient afzonderlijk € 2 te worden betaald. Alleen bij oudjaarsavond worden de kaarten via voorverkoop verkocht. De gemiddelde uitgave aan consumpties is op de donderdag, vrijdag en zaterdag, respectievelijk € 7, € 15 en € 12 per bezoeker. De doelgroep bestaat voornamelijk uit studenten.

3. Er zijn drie verschillende soorten avonden:

  • -

    avonden waarbij geen entreegeld en garderobegeld wordt geheven;

  • -

    avonden waarbij ‘kostenbewust’ wordt geprogrammeerd, geen entreegeld wordt geheven bij binnenkomst en € 2 bij gebruik van de garderobe (doorgaans donderdag en vrijdag);

  • -

    avonden waarbij een programma van optredens wordt aangeboden, entreegeld wordt geheven bij binnenkomst en € 2 bij gebruik van de garderobe (doorgaans zaterdag en bijzondere dagen, zoals tijdens de Vierdaagse en feestdagen).

4. Op de avonden waarbij kostenbewust wordt geprogrammeerd komen gemiddeld een á twee dj’s met (vooralsnog) minder naamsbekendheid. Het programma van optredens is opgebouwd rond een bepaald (muziek)thema en wordt verzorgd door de aanwezige dj’s.

5. In 2016 is ongeveer € 145.000 uitgegeven aan artiesten, € 110.000 aan marketing en € 60.000 aan onderhoud licht, geluid en techniek. In 2017 is ongeveer € 150.000 uitgegeven aan artiesten en € 65.000 aan onderhoud licht, geluid en techniek.

Geschil

6. In geschil is welk omzetbelastingtarief van toepassing is op de entree- en garderobegelden tijdens de avonden waarbij kostenbewust wordt geprogrammeerd en tijdens de avonden waarbij een programma van optredens wordt aangeboden. Daarbij gaat het om de vraag of sprake is van het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen in de zin van onderdeel d van post b.14 van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van immateriële schade en een integrale proceskostenvergoeding.

7. Niet in geschil is dat de dj’s kwalificeren als artiesten.

8. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de verzuimboete kan worden verminderd tot nihil.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 98 van de Btw-richtlijn is het de lidstaten toegestaan een verlaagd tarief toe te passen op de in bijlage III bij de Btw-richtlijn vermelde categorieën goederen en diensten. Bijlage III vermeldt onder 7. het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.

10. Op grond van post b.14, onderdeel d, van Tabel I bij de Wet OB zijn aan het verlaagde tarief onderworpen de prestaties bestaande in het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera’s, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen.

11. In de memorie van toelichting bij het desbetreffende voorstel van wet1 is onder meer het volgende opgemerkt:

“Op grond van de btw-tarieflijst kan het verlaagde tarief worden toegepast op onder meer het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, concerten, musea, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen. De bijlage sluit derhalve geen enkele culturele prestatie uit van de toepassing van het verlaagde tarief. Mede in verband hiermee heb ik besloten evenmin restrictief te zijn, en voor te stellen in Nederland in dezen dezelfde reikwijdte te geven aan de toepassing van het verlaagde tarief. In verband hiermee is in de wettekst expliciet aangegeven dat onder muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen ook zijn begrepen opera’s, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets.”

12. In een besluit van de staatssecretaris van Financiën2 is het volgende opgenomen met betrekking tot deze post:

“Bij het verlenen van toegang tot de in de post genoemde podiumkunsten gaat het om optredens van de uitvoerders van de in de post bedoelde podiumkunsten waarvoor afzonderlijk toegang wordt verleend. Dat wil zeggen dat voor de optredens daadwerkelijk aparte toegangsbewijzen worden verstrekt. Zo heeft de post geen betrekking op het verlenen van toegang tot bijvoorbeeld een discotheek of buitenterrein, waarbij het optreden van de artiest(en) een ondergeschikte betekenis heeft en waarbij voor dat optreden geen afzonderlijke toegangsprijs in rekening wordt gebracht (...)

Muziekfestivals (een samenvoeging van verscheidene muziekuitvoeringen) kunnen in hun totaliteit worden aangemerkt als een muziekuitvoering in de zin van de post.

Dance-parties zijn evenementen waarbij diskjockeys en/of live-muzikanten optreden. Deze parties zijn als muziekuitvoeringen in de zin van de post te beschouwen.”

13. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij toegang verleent tot mini-muziekfestivals die kwalificeren als een mengvorm van een muziekuitvoering en een danceparty. Volgens eiseres zijn de feiten hetzelfde als bij de uitgaansgelegenheid waarover het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 10 november 2020.3 Als er al verschillen zijn, dan betreffen dat verschillen op ondergeschikte punten die geen doorslaggevende betekenis hebben. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat er acht tot tien dj’s aanwezig zijn tijdens de (voornamelijk zaterdag-)avonden waarbij een programma van optredens wordt aangeboden. Ook treden vj’s en mc’s (vocale artiesten) op. Naast deze artiesten zijn er ook dansers, video- en lichtkunstenaars aanwezig. Volgens eiseres betaalt men entreegeld om toegang te krijgen tot de muziekuitvoering. Er zijn strategische en commerciële redenen om de entree voor de muziekuitvoering gedeeltelijk niet bij de deur maar bij de garderobefaciliteit te heffen. Men betaalt niet afzonderlijk voor het in bewaring geven van een jas of tas. Volgens eiseres heeft verweerder de bewijslast dat het verlaagde tarief niet van toepassing is.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op de avonden waarbij entree- en/of garderobegelden worden geheven, sprake is van muziekuitvoeringen, maar dat de bezoekers niet uitsluitend of hoofdzakelijk daarvoor naar de [uitgaansgelegenheid 1] komen. Het motief van de bezoeker is een gezellige avond uit om te dansen, te drinken, van de muziek te genieten en om te socializen. Het optreden van de artiest heeft een ondergeschikte betekenis. Om die reden verleent eiseres geen toegang tot een muziekuitvoering. Volgens verweerder zijn de feiten en omstandigheden van de uitgaansgelegenheid waarover het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld in de hiervoor genoemde uitspraak niet vergelijkbaar met de situatie bij de [uitgaansgelegenheid 1] .

15. De rechtbank zal eerst ingaan op de avonden bij de [uitgaansgelegenheid 1] waarbij een programma van optredens wordt aangeboden, voornamelijk de zaterdagen. Eiseres heeft overzichten gemaakt van in 2016 ontvangen entreegelden en daarbij behorende kosten. De entreeprijzen zijn niet als een afzonderlijk item in de administratie verwerkt. Op deze overzichten zijn bij de afzonderlijke dagen namen van dj’s vermeld. Er is geen agenda overgelegd waarin is vermeld welke optredens hebben plaatsgevonden.

16. Eiseres heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat het verlaagde tarief van toepassing is op de entreegelden. De andersluidende stelling van eiseres kan dan ook niet als juist worden aanvaard De verklaring van eiseres ter zitting dat gemiddeld acht tot tien dj’s per avond optreden komt niet overeen met de gegevens die zijn verstrekt. Op de zaterdagen zijn namelijk gemiddeld drie á vier dj’s vermeld in de overzichten. Verder is niet gebleken dat het publiek speciaal voor de dj’s komt of dat de dj’s eigen publiek meebrengen. Daarnaast heeft eiseres ter zitting verklaard dat de doelgroep (voornamelijk) bestaat uit studenten die een beperkt budget hebben om te besteden. Volgens eiseres was het streven om op zaterdag gemiddeld 1.000 mensen te ontvangen. Eiseres heeft voorverkoopoverzichten van [thema C] 2018 overgelegd waaruit volgens eiseres blijkt dat ongeveer 20% van de kaarten is besteld door mensen in de gemeente [plaats 1] en het overgrote deel is besteld door mensen uit de provincie [naam provincie] . Van de zaterdagen in 2016 en 2017 zijn geen gegevens van kaartverkoop beschikbaar en zijn er geen aparte toegangsbewijzen aan bezoekers verstrekt. Een oudjaarsfeest uit 2018 is volgens de rechtbank niet representatief voor de zaterdagen in onderhavige jaren. Daar komt bij dat in het verslag van het hoorgesprek is vermeld dat sinds 2018 meer is geprogrammeerd vanwege de aantrekkende economie en om bij te blijven bij de concurrentie.

17. Ondanks het feit dat de muziek is uitgevoerd door dj’s is niet gebleken dat wat is aangeboden, soortgelijk is aan wat op een danceparty aan de bezoekers wordt aangeboden. Hoewel eiseres ter zitting heeft verklaard dat vaak dansers, video- en lichtkunstenaars aanwezig zijn in één van de zalen, blijkt dit niet uit de overgelegde stukken. Daarbij komt dat als in één van de vier zalen een optreden wordt gegeven niet alle bezoekers toegang kunnen hebben tot deze zaal, omdat niet het gehele publiek van de [uitgaansgelegenheid 1] in deze ene zaal past. Maar een klein gedeelte van het publiek zal het optreden kunnen zien. Ook is niet gebleken dat gedurende de gehele openingstijd in alle zalen optredens zijn geweest. Door het betalen van entree verkrijgt de bezoeker dus toegang tot het uitgaanscomplex, maar niet de garantie om te kunnen zien wat op het podium gebeurt.

18. Nu voor de avonden waarbij een programma van optredens wordt aangeboden niet het verlaagd tarief van toepassing is op de entreegelden, komt de rechtbank niet toe aan behandeling van de vraag welk tarief van toepassing is voor de avonden waarbij kostenbewust wordt geprogrammeerd, noch aan de vraag of de € 2 die bij de garderobe wordt betaald, moet worden aangemerkt als entreegeld. Tijdens deze avonden zijn namelijk gemiddeld één of twee dj’s aanwezig in het gehele uitgaanscomplex en zijn er onvoldoende feiten om te concluderen dat hetgeen wordt aangeboden vergelijkbaar is met wat op een danceparty aan de bezoekers wordt aangeboden.

19. Eiseres heeft in haar nadere stukken van 7 en 8 januari 2021 onder meer gegevens verstrekt van de andere horecagelegenheden van eiseres. Volgens eiseres zijn de feiten en omstandigheden in alle horecagelegenheden vergelijkbaar. De door eiseres overgelegde stukken geven de rechtbank geen aanleiding om over de andere van de fiscale eenheid deel uitmakende horecagelegenheden anders te oordelen dan voor de [uitgaansgelegenheid 1] .

20. Gelet op vorenstaande heeft verweerder de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.

Conclusie

21. De conclusie is dat de beroepen tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting ongegrond dienen te worden verklaard. Het beroep tegen de boetebeschikking dient wél gegrond te worden verklaard. Omdat eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

22. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.4 Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid5 is het in dit geval niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.

23. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres ontvangen op 13 december 2017. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is zestien maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met zestien maanden overschreden. Afgerond naar boven is dit drie maal een half jaar. In dit geval is sprake van meer zaken, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk maar één keer het tarief van € 500 per half jaar toe. Daarbij is de overschrijding van de redelijke termijn berekend vanaf de datum van ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift.6 Dit betekent een schadevergoeding van € 1.500 (drie keer een half jaar maal € 500). De uitspraken op bezwaar van verweerder zijn van 4 juli 2019. Dit is dertien maanden langer dan zes maanden. Verweerder moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van dertien gedeeld door zestien maanden maal € 1.500 is (afgerond) € 1.219. De Staat moet de rest betalen, dus € 281. De rechtbank zal verweerder en de Staat veroordelen om deze bedragen aan eiseres te betalen.

24. Eiseres verzoekt om een hogere vergoeding voor de geleden immateriële schade vanwege bijzondere omstandigheden. Volgens eiseres is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, beginselen van fair play en goede procesorde, voelt zij zich onheus bejegend en ongelijk behandeld ten opzichte van vergelijkbare horecaondernemers, wordt zij geconfronteerd met een groot behandelteam en is sprake van onprofessioneel (pest)gedrag door verweerder. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of hiervan sprake is nu er, gelet op de regels genoemd in het arrest van de Hoge Raad, geen mogelijkheid is om een hogere vergoeding voor immateriële schade toe te kennen dan hiervoor is vermeld.

Proceskostenvergoeding

25. Eiseres heeft verzocht om integrale vergoeding van (proces)kosten. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht die tot vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar moeten leiden. De rechtbank acht dergelijke omstandigheden echter niet aanwezig. Dit behoeft gelet op de arresten van de Hoge Raad van 4 februari 20117 en van 30 augustus 19968 geen nadere motivering.

26. Omdat het beroep tegen de boetebeschikking gegrond zal worden verklaard, vindt de rechtbank wel aanleiding verweerder te veroordelen in de forfaitaire kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.219;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding tot een bedrag van € 281;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 1.598;

  • -

    draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.W. Monteiro, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. P.C. Quak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Kamerstukken II 1995-1996, 24 428, nr. 3, blz. 9.

2 Besluit van 4 september 2014, nr. BLKB 2014/123M, Stcrt. 2014, 26112.

3 ECLI:NL:GHARL:2020:9475.

4 ECLI:NL:HR:2016:252.

5 Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.

6 Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad.

7 ECLI:NL:HR:2011:BP2995.

8 ECLI:NL:HR:1996:AA2060.