Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1202

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
05/880431-19
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ex-burgermedewerker Defensie veroordeeld voor medeplegen van verduistering en van oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/880431-19

Datum uitspraak : 15 maart 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. M.A.D. Kok, advocaat in Ermelo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 8 februari 2021 en 1 maart 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 06 februari 2019 te Apeldoorn en/of 't Harde en/of Ugchelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere, althans een kast(en) en/of stoel(en) en/of wasdroger(s) en/of wasmachine(s) en/of televisie(s) en/of stofzuiger(s) en/of

matras(sen) en/of dekbed(den) en/of koelkast(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan het ministerie van Defensie, (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 06 februari 2019 te Apeldoorn en/of 't Harde en/of Ugchelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk meerdere, althans een kast(en) en/of stoel(en) en/of wasdroger(s) en/of wasmachine(s) en/of televisie(s) en/of stofzuiger(s) en/of matras(sen) en/of dekbed(den) en/of koelkast(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan het ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker van het [afdeling] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 04 februari 2019 tot en met 06 februari 2019 te Haarlem en/of Apeldoorn en/of Voorthuizen en/of 't Harde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ongeveer 154 rolkastdeuren, althans een groot aantal rolkastdeuren, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan het ministerie van Defensie, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 04 februari 2019 tot en met 06 februari 2019 te Haarlem en/of Apeldoorn en/of Voorthuizen en/of 't Harde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk 154 rolkastdeuren, althans een groot aantal rolkastdeuren, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan het ministerie van

Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker van het [afdeling] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in of omstreeks de periode van 09 januari 2019 tot en met 07 februari 2019 te Apeldoorn en/of 't Harde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels het ministerie van Defensie heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag van

2.489,50 euro (zie p. 149 proces-dossier), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk valselijk en in strijd met de waarheid – twee

offertes/verhuisformulieren ingediend voor de verhuizing van 154 roldeurkasten, althans een groot aantal roldeurkasten ten behoeve van de [adres] en/of - voornoemde offertes/verhuisformulieren verwerkt in het digitale systeem PLANON en/of DIgi-inkoop en/of - voornoemde offertes/verhuisformulieren goedgekeurd/betaalbaar gesteld en/of - de (goedgekeurde) offertes/verhuisformulieren aan verhuisbedrijf [bedrijf] doen toekomen en/of - vervolgens de roldeurkasten afgeleverd bij (een) particulier(en) en/of op

(een) privéadres(sen).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde. Verder heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 subsidiair tenlastegelegde en aan feit 3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte was niet bevoegd de formulieren goed te keuren. Hij deed niets anders dan de in Planon ingevoerde formulieren, doorzetten naar DigiInkoop. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte op het moment van het doorzetten van de verhuisformulieren die betrekking hadden op de 154 kasten, niet de wetenschap had dat deze formulieren zagen op een particuliere overeenkomst tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte is pas eind januari 2019, ruimschoots nadat de verhuisformulieren in oktober 2018 waren doorgezet door verdachte, door [medeverdachte 1] op de hoogte gebracht van de aard van de verhuizing. [medeverdachte 1] heeft toen aangegeven dat sprake zou zijn van een 50/50 winstverdeling met betrekking tot de 154 kasten, waarna hij verdachte € 200,00 heeft overhandigd. Verdachte heeft bij de KMar eveneens verklaard dat sprake was van een 50/50 winstverdeling, maar deze verklaring zag op voornoemde uitspraak van [medeverdachte 1] eind januari 2019. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voorgaande vergissing ontstaan is doordat verdachte de vraagstelling door de KMar niet goed kon volgen vanwege zijn dyslexie en benauwdheid tijdens het verhoor. Daarnaast heeft de KMar volgens de raadsman onvoldoende doorgevraagd en zijn gesloten vragen gesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hetgeen hij verklaard heeft bij de Koninklijke arechausse (hierna: KMar) onjuist is. Er is volgens verdachte geen sprake geweest van een 50/50 verdeling. Verdachte stond tijdens de verhoren bij de KMar onder spanning en wilde graag van de verhoren af, waardoor hij zomaar iets heeft verklaard in de hoop dat de KMar hem zou laten gaan. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld welke verklaring van verdachte zij het meest betrouwbaar acht en waarvan zij dient uit te gaan.

De rechtbank stelt vast dat de raadsman van verdachte aanwezig is geweest bij het verhoor van verdachte bij de KMar, tijdens welk verhoor verdachte bekennend heeft verklaard. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt niet dat verdachte heeft aangegeven dat hij de vraagstelling onbegrijpelijk vond, dan wel dat hij vanwege zijn dyslexie moeite heeft gehad bij het doorlezen van zijn verklaringen. Verder zijn de verklaringen van verdachte zeer gedetailleerd geverbaliseerd en vinden zij steun in de verklaringen van [medeverdachte 1] .

De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door verdachte bij de KMar afgelegde verklaringen. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar en zal daarom in dit vonnis daarvan uitgaan.

Ten aanzien van feit 1

Op 16 oktober 2018 heeft [aangever] (hierna: aangever), namens het ministerie van Defensie, aangifte gedaan van diefstal, verduistering dan wel heling van eigendommen van het ministerie van Defensie.2

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de KMar verklaard dat hij kasten, stoelen, wasdrogers, wasmachines, televisies, stofzuigers, dekbedden en koelkasten, die toebehoorden aan Defensie, heeft verkocht aan medeverdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] had hiervoor geen toestemming.3 [medeverdachte 1] heeft op 7 februari 2019 verklaard dat hij tientallen wasmachines en drogers aan [medeverdachte 3] heeft geleverd en dat hij dat al één tot anderhalf jaar doet.4 [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij voornoemde goederen besteld heeft via verdachte, die de bestellingen goedkeurde en de controle hierin had.5

Verdachte heeft bij de KMar verklaard dat [medeverdachte 1] tussen november 2018 en januari 2019 in totaal circa vier wasmachines, vier drogers, zes stofzuigers en één tv heeft opgehaald.6 Verdachte heeft ten aanzien van voornoemde goederen verklaard dat deze verkocht zijn. Verdachte wist wat [medeverdachte 1] met deze spullen ging doen en de afspraak was dat zij de winst 50/50 zouden delen. Verdachte heeft verklaard dat hij voor een wasmachine die [medeverdachte 1] bij hem heeft opgehaald, € 200,00 heeft ontvangen.7 Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij zich ervan bewust was dat de door hem genoemde goederen eigendom zijn van het ministerie van Defensie. Verder heeft verdachte over de rolverdeling verklaard dat [medeverdachte 1] de aanvrager was en verdachte de besteller. Verdachte heeft tevens verklaard dat het gezamenlijke doel was om de spullen te bestellen en er financieel beter van te worden. Verdachte heeft verklaard geen toestemming te hebben gehad om voornoemde goederen toe te eigenen.8

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande het volgende worden geconcludeerd. Verdachte heeft in zijn functie als burgermedewerker bij het [afdeling] in de periode van 1 januari 2018 tot en met 6 februari 2019 op verzoek van [medeverdachte 1] verschillende goederen besteld vanuit het bestelsysteem van het ministerie van Defensie, terwijl hij wist dat [medeverdachte 1] deze goederen zou verkopen aan een particulier. Verdachte heeft tevens goederen afkomstig uit de voorraad van het ministerie beschikbaar gesteld aan [medeverdachte 1] , terwijl hij wederom wist dat [medeverdachte 1] deze goederen zou verkopen aan een particulier. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] hebben verklaard over een 50/50 winstverdeling. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en overweegt daartoe het volgende. Verdachte had uit hoofde van zijn functie als medewerker van het [afdeling] de mogelijkheid te beschikken over de in de tenlastelegging genoemde goederen. Hierdoor kan geen sprake zijn van een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen onder partiële vrijspreking van het onderdeel “uit hoofd van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking”. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte was ten tijde van het plegen een ambtenaar. Verduistering door een ambtenaar valt niet onder het bereik van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), zodat dit onderdeel van het ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

Op 10 april 2019 heeft [aangeefster] (hierna: aangeefster), namens het ministerie van Defensie, aangifte gedaan van verduistering van 154 roldeurkasten. Aangeefster heeft van de Koninklijke Marechaussee vernomen dat twee van haar medewerkers, [medeverdachte 1] en verdachte, 154 roldeurkasten hebben verkocht aan een particulier. Volgens aangeefster hadden [medeverdachte 1] en verdachte uit hoofde van hun functie weliswaar de mogelijkheid om over die roldeurkasten te beschikken, maar hadden zij echter niet het recht of de toestemming die kasten te verkopen.9

Aangeefster heeft tevens op 10 april 2019, namens het ministerie van Defensie, aangifte gedaan van oplichting. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden geen toestemming om het verhuisbedrijf namens het ministerie van Defensie in te huren voor de verhuizing van de verduisterde kasten.10

Er zijn twee offertes in DigiInkoop aangetroffen die betrekking hebben op een verhuizing van in totaal 504 goederen. Op de offertes staat vermeld dat de goederen naar Apeldoorn worden vervoerd. Een deeltransport naar Voorthuizen staat daar niet op vermeld.11

[medeverdachte 1] heeft bij de KMar verklaard op 6 februari 2021, zonder toestemming, 154 kasten die toebehoorden aan het ministerie van Defensie te hebben geleverd aan medeverdachte [medeverdachte 2] .12 [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat de rekening van [bedrijf] in tweeën is geknipt. Volgens [medeverdachte 1] is dit gedaan omdat anders sprake was van een groot bedrag en dit mogelijk argwaan zou wekken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat bij een dusdanig grote hoeveelheid kasten, de rekening in tweeën moet worden geknipt. [medeverdachte 1] regelde alles met het verhuisbedrijf, waarna verdachte de betaling goedkeurde. Volgens [medeverdachte 1] zou verdachte cash geld van hem ontvangen. [medeverdachte 1] en verdachte zouden nog niet hebben besproken hoeveel geld dit zou zijn. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij dacht dat hij verdachte de helft zou hebben gegeven.13

De telefoon van [medeverdachte 1] is getapt. Op 29 januari 2019 is [medeverdachte 1] gebeld door verdachte14:

[medeverdachte 1] wordt gebeld door [verdachte] . Ik sta nu bij je hok zegt [verdachte] .

Oh oke.

[medeverdachte 1] :

Want daar ben ik zo klaar mee anders moet je maar ff wachten. Anders leg ik het wel boven in mijn la neer met jou naam erop.

[verdachte] :

Is goed jong

[medeverdachte 1] :

Want dat is een beetje link als er niemand is.

[verdachte] :

Is goed jong

[medeverdachte 1] :

En dan hebben we het gelijk wel over de verhuizing van volgende week want we moeten even zien hoe we dat doen. Maar daar heb ik het al met [voornaam] over gehad en die heeft er niet zoveel moeite mee dat hij wat minder krijgt. Want ik moet wel [aangever] tevreden houden anders krijgen we daar gedonder mee.

[verdachte] :

Ja ja ja ja

Verdachte heeft bij de KMar verklaard dat hij de twee offertes van [bedrijf] begin januari 2019 betaalbaar heeft gesteld vanuit DigiInkoop. Verdachte wist toen dat de kasten naar [medeverdachte 2] zouden gaan, omdat hij dit in oktober of november 2018 telefonisch had vernomen van [medeverdachte 1] .15 Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij en [medeverdachte 1] een 50/50 winstverdeling overeen waren gekomen.16

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende conclusie. Verdachte heeft in zijn functie als burgermedewerker bij het [afdeling] in de periode van 9 januari 2019 tot en met 7 februari 2019 op verzoek van [medeverdachte 1] twee verhuisformulieren van [bedrijf] ingeboekt in DigiInkoop, terwijl hij wist dat deze verhuisformulieren zagen op vervoer van 154 kasten naar een particulier, te weten [medeverdachte 2] . Deze formulieren zijn opzettelijk in twee delen in het systeem gezet, zodat deze formulieren een minder strenge keuring zouden krijgen. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] hebben verklaard over een 50/50 winstverdeling. Gelet op het voorgaande is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde, nu verdachte uit hoofde van zijn functie als medewerker van het [afdeling] de mogelijkheid had te beschikken over de 154 kasten.

De rechtbank zal verdachte van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde partieel wederom vrijspreken van het onderdeel “uit hoofd van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking” en overweegt daartoe het volgende, nu verdachte als ambtenaar niet onder het bereik van artikel 322 Sr valt.

Tot slot kwalificeert de rechtbank het ten aanzien van feit 3 bewezenverklaarde handelen, bestaande uit het in twee delen indienen van de formulieren in DigiInkoop, met weglating van de daadwerkelijke bestemming van de kasten, als listige kunstgrepen.

De rechtbank acht gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde zoals hierna weergegeven.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit 1 en feit 2 subsidiair en onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 06 februari 2019 te Apeldoorn en/of 't Harde en/of Ugchelen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk meerdere, althans een kast(en) en/of stoel(en) en/of wasdroger(s) en/of wasmachine(s) en/of televisie(s) en/of

stofzuiger(s) en/of matras(sen) en/of dekbed(den) en/of koelkast(en), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele toebehoorden aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als

medewerker van het [afdeling] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op in of omstreeks de periode van 04 februari 2019 tot en met 06 februari 2019 te Haarlem en/of Apeldoorn en/of Voorthuizen en/of 't Harde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk 154 roldeurkasten, althans een groot aantal rolkastdeuren, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele toebehoorden aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker van het [afdeling] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in of omstreeks de periode van 09 januari 2019 tot en met 07 februari 2019 te Apeldoorn en/of 't Harde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels het ministerie van Defensie heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag van

2.489,50 euro (zie p. 149 proces-dossier), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk valselijk en in strijd met de waarheid – twee offertes/verhuisformulieren ingediend voor de verhuizing van 154 roldeurkasten, althans een groot aantal roldeurkasten ten behoeve van de [adres] en/of - voornoemde offertes/verhuisformulieren verwerkt in het digitale systeem PLANON en/of DIgi-inkoop en/of - voornoemde offertes/verhuisformulieren goedgekeurd/betaalbaar gesteld en/of - de (goedgekeurde) offertes/verhuisformulieren aan verhuisbedrijf [bedrijf] doen toekomen en/of - vervolgens de roldeurkasten afgeleverd bij (een) particulier(en) en/of op

(een) privéadres(sen).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde:

medeplegen van verduistering, meermaals gepleegd;

ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde:

medeplegen van verduistering;

ten aanzien van feit 3

medeplegen van oplichting.

5 De strafbaarheid van de feiten.

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in het voordeel van verdachte rekening dient te worden gehouden met het volgende. Verdachte is een first offender. Daarnaast kampt verdachte met gezondheidsproblemen, te weten een vernauwde kransslagader.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich over een periode van een ruim een jaar schuldig gemaakt aan veelvuldige verduistering, in vereniging gepleegd. Het betrof een samenwerking, waarbij verdachte een minder grote rol heeft gespeeld dan zijn medeverdachte. Desalniettemin is de bijdrage van verdachte cruciaal geweest. Naast verduistering heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie. Door zijn handelen heeft verdachte zijn oud-werkgever, het ministerie van Defensie, financiële schade toegebracht. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen van het ministerie van Defensie ernstig geschaad. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij overheidsgelden heeft gebruikt om zichzelf financieel te verrijken.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 december 2020 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat het feiten uit 2018 betreft.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van 4 uren ter zake van de tijd in inverzekeringstelling doorgebracht, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf 4 uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter), mr. G.W.B. Heijmans en

mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Hadžić, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2021.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] en [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, district Landelijke en Buitenlandse Eenheden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 190505.1030.0724, gesloten op 19 november 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 100 tot en met 102.

3 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 366, p. 367, p. 371, p. 373 en p. 376.

4 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 364.

5 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 363.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 489.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 490.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 492.

9 Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , p. 103-104.

10 Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , p. 105-106.

11 Proces-verbaal van bevindingen financiële transacties [bedrijf] , p. 148-149, met bijlagen p.150 en 151.

12 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 357-358.

13 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 374.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 478-479.

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 488.

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 490.