Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1175

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
05-145971-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

24-jarige Poolse man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden voor het veroorzaken van een verkeersongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/145971-18

Datum uitspraak : 12 maart 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ),

wonende [adres] .

Raadsman: mr. E.M. Steller, advocaat in Schiphol.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

26 februari 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Kootwijkerbroek in de gemeente Barneveld, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende

over de weg, Laageinderweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte

niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of op het voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde rijstrook/weggedeelte van die weg is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen

met een op die/dat rijstrook/weggedeelte van die weg rijdend ander voertuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de

Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft

overschreden en/of gevaarlijk heeft ingehaald;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Kootwijkerbroek in de gemeente Barneveld, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Essenerweg, daarmede heeft gereden over de weg, Laageinderweg en

in strijd met het gestelde in artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft gehouden om zoveel mogelijk rechts te houden en/of op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook/weggedeelte van die weg (Laageinderweg) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die/dat rijstrook/weggedeelte van die weg (Laageinderweg) rijdend ander voertuig (personenauto), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 augustus 2017 omstreeks 20:06 uur vond een ongeval plaats in Kootwijkerbroek.2 Verdachte reed als bestuurder van een personenauto over de Laageinderweg en kwam met zijn personenauto in botsing met de personenauto waarin [slachtoffer 1] reed. In de auto van verdachte zaten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] als inzittenden.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben als gevolg van dit ongeval letsel opgelopen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), met de daarbij tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheden. Voor wat betreft de mate van schuld heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van een zeer hoge mate van schuld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging voldoet het bloedonderzoek niet aan de strikte waarborgen nu niet is vast te stellen of het bloed op de juiste wijze is afgenomen, verpakt en verzegeld. Niet vastgesteld kan worden, vanwege de afbraak tijd, dat het alcoholgehalte te hoog was toen verdachte ging rijden. Verder is niet vast te stellen dat verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en is het VOA-rapport op die punten (onderzoek bevroren snelheidsmeter) ondeugdelijk. Zo is onder meer geen sprake geweest van een frontale botsing, is niet gebleken dat geen sprake was van een meervoudige botsing en is de informatie over de vergelijking van de stappenmotor en het wegvallen van de spanning onvoldoende. Verder is aangevoerd dat het letsel van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet als zwaar lichamelijk letsel is te kwalificeren.

Het subsidiair tenlastegelegde (art. 5 WVW) kan wel worden bewezen nu verdachte op de verkeerde weghelft is terechtgekomen, aldus de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank

Voor beoordeling van deze zaak zijn in de kern de volgende aspecten van belang: de inhaalmanoeuvre die verdachte uitvoerde, de snelheid waarmee hij de auto bestuurde en de vraag of hij onder invloed van alcohol was en welk type verkeersfout dit dan oplevert (artikel 6 danwel 5 WVW), alsmede de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de slachtoffers.

De inhaalmanoeuvre

Uit het rapport Verkeers Ongevallen Analyse (VOA) blijkt dat de Laageinderweg ongeveer 4,25 breed is en niet verdeeld in rijstroken. Naast de rijbaan lag aan beide zijden een betonnen strook van ongeveer 0,5 meter, direct daar aan grenzend een grasberm.4

Getuige [getuige 1]5 heeft verklaard dat hij fietste over de Laageinderweg en werd ingehaald door een auto die hem met hoge snelheid naderde. Die auto passeerde hem strak. Kort voor de getuige reed de auto rechts de berm in. De bestuurder kreeg de auto wel weer vlot uit de berm maar deed dit met zeer hoge snelheid. Hij reed met hoge snelheid de weg weer op en reed met dezelfde snelheid door. Getuige schat die snelheid op 90 of 100 km/u. Het ging gruwelijk hard, aldus de getuige. De auto reed vol frontaal tegen een tegemoetkomende auto.

Een andere getuige, [getuige 2]6, reed in zijn auto de auto van (naar later blijkt:) verdachte tegemoet. Hij zag dat die auto een fietser inhaalde. Dat gebeurde vlak voor getuige. Toen de auto de fietser had ingehaald, moest die auto getuige ontwijken. Getuige zag de auto naar - voor hem - links gaan. De auto reed veel harder dan toegestaan. De [auto] die bij de aanrijding betrokken was, reed achter de getuige.

Betrokkene [slachtoffer 1]7, reed in zijn auto ( [auto] ) verdachte tegemoet. Hij zag de auto die (naar later blijkt:) door verdachte werd bestuurd al slingerend op hem af komen en de gehele weg gebruiken. Enkele seconden daarna raakten zij in botsing.

Uit het VOA-rapport blijkt verder dat er een vaag afgetekend spoor is waargenomen in de voor verdachte rechter berm. Het spoor ging 66,3 meter voor de botsplaats de berm in en kwam er ongeveer 45,6 meter voor de botsplaats weer uit. Uit de krassporen op het wegdek volgt dat de botsing plaatsvond op de voor [slachtoffer 1] bestemde weghelft.8

Verdachte heeft verklaard9 dat hij een fietser passeerde en dat hij op dat moment een auto zag vanuit de tegenovergestelde richting. Het is een smalle weg. Om de tegenligger ruimte te geven, moest hij voor de fietser rijden. Hij zag de tegenligger pas toen hij voor die fietser kwam, toen de auto uit die bocht hem tegemoet kwam. Hij reed naar rechts om ruimte te maken voor de tegenligger. Toen hij extreem rechts in de berm reed, verloor hij de controle over de auto. Daarna voelde hij de klap. Het zicht is beperkt door de bomen aan de linkerkant van de weg. Verdachte kent de weg, hij rijdt daar iedere dag.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze bewijsmiddelen dat verdachte op gevaarlijke wijze een inhaalmanoeuvre heeft uitgevoerd op een zeer smalle weg, terwijl de verkeerssituatie voor hem op dat moment onvoldoende overzichtelijk was.

De gevoerde snelheid

Volgens het VOA-rapport is de maximum toegestane snelheid ter plaatse 60 km/uur.10

Uit verdachtes verklaring blijkt dat hij te hard reed. De vraag is of dit een beperkte overschrijding is geweest zoals hij zelf zegt (ongeveer 70 km/u) of een forsere overschrijding.

In het VOA-rapport is beschreven dat de snelheidsmeter van verdachtes auto (na de botsing) nabij de 95 (stil)stond (“bevroren kilometerstand”). Nader onderzoek aan de hand van 5 criteria heeft plaatsgevonden om de betrouwbaarheid van die stand te onderzoeken. Daaruit volgt dat die stand betrouwbaar is.11

Het verweer van de verdediging dat er geen frontale botsing heeft plaatsgevonden en er dus niet aan een van die criteria is voldaan, wordt door de rechtbank verworpen omdat in het rapport voldoende specifiek en concreet is uiteengezet dat en waarom daarvan wel kan worden gesproken gezien een overlapping van ongeveer 35% met de [auto] . Daar komt bij dat aan de linkerzijde van verdachtes auto een zekeringenkast was gemonteerd, waarbij door de botsingen sluitingen zijn veroorzaakt en waarna de spanningsuitval is opgetreden. Overigens rechtvaardigen de foto’s en de beschrijvingen van de schade aan de auto’s naar het oordeel van de rechtbank ook naar normaal spraakgebruik de conclusie dat sprake is geweest van een frontale botsing.

Vervolgens is door de VOA aan de hand van een computersimulatieprogramma, dat rekent volgens natuurkundige wetmatigheden, berekend dat een indicatieve botssnelheid van 101 km/u ten aanzien van verdachtes auto en 66 km/u ten aanzien van de [auto] het best paste bij het volgen van de aangetroffen sporen op het wegdek en bij de eindposities van beide voertuigen.12

De rechtbank ziet derhalve geen reden voor twijfel aan de bevindingen van de VOA met betrekking tot de door verdachte gevoerde snelheid, te minder gezien de hiervoor aangehaalde verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Wat de verdediging heeft aangevoerd omtrent de stappenmotor-vergelijking, het uitsluiten van een meervoudige botsing en het wegvallen van de spanning, is gezien de uitgebreide en specifieke toelichting in het VOA-rapport zo algemeen, dat dit als onvoldoende onderbouwd kan worden verworpen en dus geen verdere bespreking behoeft. De rechtbank concludeert derhalve dat sprake is geweest van een forse, ernstige overschrijding van de maximumsnelheid.

Alcoholgebruik

Niet ter discussie staat dat en waarom er gronden waren om verdachte aan een bloedonderzoek te onderwerpen: er lagen lege en volle blikken bier in zijn auto. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de dag van het ongeval na thuiskomst van het werk (hij werkte die dag tot 14.30 uur) één of twee halve liters bier heeft gedronken, een na thuiskomst en een vlak voordat hij ging rijden; heel misschien nog een biertje.13

Het NFI heeft op 5 september 2017 gerapporteerd dat sprake is van een bloedalcoholgehalte van 1,23 promille. De rechtbank merkt op dat dit ruimschoots twee keer zoveel is als toegestaan.

De vraag is echter of de resultaten van het bloedonderzoek gebruikt mogen worden, nu verbalisant [verbalisant 1] in een op 22 februari 2018 opgemaakt proces-verbaal heeft vermeld dat hij tijdens de bloedafname alle relevante gegevens heeft genoteerd in zijn notitieblok en naderhand heeft verwerkt op het politiebureau in een mutatie in BVH, maar dat hij er “nu” achter kwam dat die gegevens niet juist zijn opgeslagen in BVH en niet meer in de mutatie staan; de gegevens staan ook niet meer in zijn notitieblok.

De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat het onderzoek niet met voldoende waarborgen is uitgevoerd. De resultaten van dat onderzoek kunnen daarom bij de beoordeling betrokken worden. Voor dat oordeel is het volgende van belang.

Verbalisant [verbalisant 1] is op 22 augustus 2017 met een collega naar het ziekenhuis gegaan met een bloedblok. Verdachte is omstreeks 23.05 uur in het ziekenhuis aangehouden; daarbij is gebruik gemaakt van een tolk14. Rond dat zelfde tijdstip is verdachte geleid voor de hulpofficier van justitie. Om 22.10 uur heeft de hulpofficier van justitie gevorderd15 dat verdachte meewerkte aan afname van het bloed. Verdachte verklaarde daaraan mee te werken. Ook hierbij is een tolk ingeschakeld.

Om 23.16 uur is in bijzijn van verbalisant [verbalisant 1] door een arts bloed afgenomen bij verdachte. Verbalisant heeft het bloedmonster gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld en het bloedafname formulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde Sporen Identificatie Nummers (SIN-sticker) met het nummer [nummer 1] . Vervolgens is dat bloedmonster verzonden naar het NFI. Om 23.17 uur heeft verdachte toestemming gegeven om het bloedmonster te onderzoeken. Deze gegevens zijn opgenomen in een door verbalisanten op 1 februari 2018 opgemaakt proces-verbaal.16

De rechtbank stelt vast dat het bloedmonster dat door het NFI blijkens het rapport van 5 september 2017 is onderzocht, hetzelfde SIN-nummer noemt en bovendien de naam van verdachte vermeldt. De gegevens van de bloedafname zijn verwerkt in een proces-verbaal van 1 februari 2018. De enkele omstandigheid dat die gegevens later, op 22 februari 2018, niet meer terug te halen waren, doet als zodanig geen afbreuk aan de eerdere op ambtseed opgestelde verklaring van verbalisant waaruit blijkt dat hij heeft gehandeld volgens de ter zake relevante regels met betrekking tot het bloedonderzoek.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor is vereist dat het gedrag van de verdachte aanmerkelijk of zeer onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in bovenstaande zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval.

Verder is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in bovenstaande zin.

Aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zijn auto is gaan besturen terwijl hij ruimschoots meer had gedronken dan toegestaan volgens artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (1,23 promille). Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het ongeluk met een minimale snelheid van 90 km/uur en een maximale snelheid van 101 km/uur reed, terwijl de maximumsnelheid 60 km/uur was. Bovendien voerde verdachte op gevaarlijke wijze een inhaalmanoeuvre uit door op een zeer smalle weg en zonder voldoende zicht op het hem tegemoetkomende verkeer een fietser in te halen.

Dit geheel van gedragingen, in samenhang bezien, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank, verdachtes handelen te kwalificeren is als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Letsel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]

Volgens de geneeskundige verklaring heeft [slachtoffer 1] bij het ongeluk een fractuur van zijn linker bovenbeen, een fractuur van zijn linker knie, een fractuur van zijn linker elleboog en een fractuur van zijn linker voet opgelopen. De door de arts geschatte duur van genezing bedraagt meer dan 6 maanden. [slachtoffer 1] is 14 dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis op de afdeling Traumachirurgie en geopereerd aan zijn letsels.17

Volgens de geneeskundige verklaring heeft [slachtoffer 3] onder meer zwaar hersenletsel, een ruptuur van de milt en meerdere fracturen aan het ongeluk overgehouden. Door de arts is een matig niveau van invaliditeit tot 31 januari 2020 toegekend. In dat verband acht de rechtbank ook van belang dat zij 17 dagen opgenomen is geweest in het ziekenhuis op de afdeling neurologie.18

[slachtoffer 2] heeft een hoofdwond opgelopen en meerdere breuken in de elleboog, waarvoor een operatie nodig is geweest.19

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van deze informatie bij zowel [slachtoffer 1] , als [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] sprake van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Zij hebben immers elk een of meerdere botbreuken opgelopen waarbij operatief ingrijpen noodzakelijk was, terwijl er daarnaast bij elk van hen sprake was van bijkomende (zeer ernstige) verwondingen. Met (enig) herstel van dit letsel is bovendien, naar vaststaat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , geruimere tijd gemoeid geweest.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich door zijn zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW, waarbij sprake is van de strafverzwarende omstandigheid van rijden onder invloed (Wet van 6 november 2019, Stb. 2019, 413), terwijl een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid en gevaarlijk inhalen eveneens bewezen verklaard kunnen worden.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Kootwijkerbroek in de gemeente Barneveld, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende

over de weg, Laageinderweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte

niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of op het voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde rijstrook/weggedeelte van die weg is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen

met een op die/dat rijstrook/weggedeelte van die weg rijdend ander voertuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de

Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft

overschreden en/of gevaarlijk heeft ingehaald.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 van deze wet.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor overtreding van artikel 6 WVW zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn.

Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren gevorderd met aftrek van de periode dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht terzake van de subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 5 WVW aan verdachte een taakstraf op te leggen en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat verdachte zelf ook veel last heeft gehad van het ongeval. Bovendien is de redelijke termijn overschreden. Verzocht is verdachte geen rijontzegging op te leggen, omdat hij met openbaar vervoer niet bij zijn werk (40 km verderop) kan komen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht. Hij was onder invloed van alcohol, reed veel te hard en was op een gevaarlijke manier aan het inhalen. Verdachte heeft vervolgens een verkeersongeval veroorzaakt waardoor, naast hemzelf, drie slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Het ongeval en de gevolgen daarvan hebben een grote impact op het leven van de slachtoffers gehad. Daargelaten de wetenschap die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] al dan niet hadden toen zij bij verdachte in de auto stapten, en de afwegingen die zij daarbij al dan niet hebben gemaakt: vast staat dat [slachtoffer 1] , rijdend in de verdachte tegemoet komende auto, noodlottigerwijs het slachtoffer werd van verdachtes beschonken, te harde en gevaarlijke rijgedrag. Dat en op welke wijze zijn nog jonge leven door verdachte onomkeerbaar is veranderd, is mede tot uitdrukking gebracht in de slachtofferverklaring die ter zitting door zijn vader is voorgelezen. [slachtoffer 1] heeft meerdere operaties moeten ondergaan en kampt nog steeds met de gevolgen van de door verdachte veroorzaakte botsing.

De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte vóór het door hem veroorzaakte verkeersongeval niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Voor verkeersfeiten uit 2019 zijn hem inmiddels onherroepelijke strafbeschikkingen opgelegd (geldboetes). Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Gezien de zeer hoge mate van schuld, acht de rechtbank een taakstraf niet op zijn plaats. De rechtbank zal verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Voor oplegging van een voorwaardelijk deel, ziet de rechtbank geen aanleiding. Ook een rijontzegging van lange duur acht de rechtbank passend bij de mate van schuld.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden. Daarnaast legt de rechtbank op een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren met aftrek van de periode dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert na kennelijke aanpassing van de vordering € 20.290,00 aan materiële schade en € 45.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verzocht is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade in zijn geheel kan worden toegewezen.

Voor wat betreft de immateriële schade kan een bedrag van € 16.293,00 worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de verzekering aan benadeelde uitgekeerde bedrag van € 28.707,00 in mindering moet worden gebracht.

De verdediging stelt dat verdachte van de gevorderde schadevergoeding een totaalbedrag van € 4.830,00 erkent en daarbij rekening houdt met een aftrek wegens eigen schuld van de benadeelde partij bij het ontstaan van de door haar geleden schade, door het niet dragen van haar veiligheidsgordel. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Overweging van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert, na kennelijke en forse vermindering van eis daags voor de zitting, € 20.290,00 ter vergoeding van materiele schade en € 45.000,00 ter vergoeding van immateriële schade. Hierop strekt ter mindering hetgeen door haar is ontvangen van de verzekeraar van verdachte. [slachtoffer 3] stelt dat dit in totaal € 53.710,00 bedraagt, zodat zij in deze procedure van verdachte in totaal nog € 11.580,00 vordert.

Uit de, zeer kort voor de zitting ontvangen, toelichting van de benadeelde partij op de verzekeringsuitkering voor geleden immateriële schade, begrijpt de rechtbank dat 30,75 % van die uitkering ten goede is gekomen aan een derde partij wegens provisie en niet in mindering strekt op de geleden schade. De rechtbank heeft over die kennelijk betaalde provisie vragen aan de benadeelde die relevant zijn voor de beoordeling of nog sprake is van schade en zo ja, in welke mate. Benadeelde was niet op de zitting aanwezig, noch was namens haar een gemachtigde aanwezig. Om de bedoelde vragen alsnog aan de benadeelde partij te kunnen stellen, zou de benadeelde op een later moment dienen te worden gehoord, waardoor de strafzaak zou dienen te worden aangehouden. Dat levert in dit geval, mede gezien het procesverloop tot zover, naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting op van het strafproces. Reeds om die reden wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. De proceskosten worden daarbij gecompenseerd.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 63 Wetboek van Strafrecht, en 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder

‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder

‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

  • -

    ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

  • -

    bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

vordering benadeelde partij

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

 compenseert de proceskosten aldus, dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en

mr. R.W.H. van Brandenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. den Otter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2021.

Mr. Doon en mr. Van Brandenburg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Veluwe Vallei-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer 2] , gesloten op [datum] en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 6.

3 Proces-verbaal geneeskundige verklaring [slachtoffer 1] , p. 52 en een medische verklaring (UMC), p. 53 en aanvullend proces-verbaal geneeskundige verklaring [slachtoffer 3] ingekomen op 5 februari 2020 en een proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 9.

4 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 68.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. 22

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , p. 20

7 Proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer 1] , p. 18.

8 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 70-71.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 45 e.v.

10 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 69.

11 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 84-86.

12 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 87.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 48-49.

14 Proces-verbaal van aanhouding, p. 40-41.

15 Proces-verbaal van voorgeleiding, p. 42.

16 Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 15 en 16.

17 Proces-verbaal geneeskundige verklaring [slachtoffer 1] , p. 52 en een medische verklaring (UMC), p. 53.

18 Aanvullend proces-verbaal geneeskundige verklaring [slachtoffer 3] ingekomen op 5 februari 2020.

19 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 9.