Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1110

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
C/05/369855 / HZ ZA 20-205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk - consumentenkoop. Gemengde overeenkomst. verjaring stelplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/369855 / HZ ZA 20-205

Vonnis van 10 maart 2021

in de zaak van

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1], gemeente Nunspeet,

eiser,

advocaat mr. H.J.G.M. te Woerd te Almelo,

tegen

[gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde,

advocaat mr. S.A.C.A. van Vloten te Zwolle.

Partijen zullen hierna [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 9 september 2020

  • -

    de akte van depot van 15 oktober 2020

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 10 december 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft restauratie- en verbouwingswerkzaamheden (woningverbetering) verricht aan de woning van [gedaagde 2]. De werkzaamheden zijn in 2012 afgerond.

2.2.

Er zijn verschillende begrotingen opgesteld voor het project. De begroting van 5 oktober 2010 (productie 14 bij dagvaarding, hierna ook: begroting 1) heeft als totaalbedrag € 183.198,15 exclusief btw en € 218.005,80 inclusief btw. De begroting van 16 oktober 2010 (productie 15 bij dagvaarding, hierna ook: begroting 2) heeft als totaalbedrag € 93.090,05 exclusief btw en € 110.777,16 inclusief btw, welke begroting uitsluitend zag op de restauratiewerkzaamheden.

2.3.

Voor het project is financiering aangevraagd bij het Nationaal Restauratiefonds. Ook is het project aangemeld bij de Belastingdienst, omdat een deel van de werkzaamheden fiscaal aftrekbaar is. Bij het Nationaal Restauratiefonds (productie 4, blad 3 bij dagvaarding) en de Belastingdienst (productie 17 bij dagvaarding) is een begroting ingediend van € 234.627,00. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 105.420,19 voor restauratie, € 103.473,29 voor woningverbetering en € 25.733,21 voor door [gedaagde 2] zelf verrichte werkzaamheden. De goedkeuring van de Belastingdienst is op 10 november 2010 aan [gedaagde 2] gestuurd.

2.4.

Bij brief van 29 september 2011 (productie 20 bij dagvaarding) heeft [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] een afrekening gestuurd van € 101.205,06. In de begeleidende brief staat:

Geachte heer [gedaagde 2],

hierbij ontvang de afrekening van de verbouw van uw woonhuis (…)

De diverse werkzaamheden welke in aanmerking kwamen voor de in deze brief vermelde regelingen zijn allen gerealiseerd en opgeleverd. Dit met in acht nemen van de tijdelijke 6% regeling inzake het btw tarief op het arbeidsloon.

De verder afwerking van met namen het binnen schilderwerk, de schuifdeuren en de schuur/afdak met de buren worden in eigenbeheer door u zelf verzorgd. (…)”

[gedaagde 2] heeft de brief voor akkoord ondertekend.

2.5.

Op 29 december 2011 heeft [gedaagde 1] een factuur verzonden aan [gedaagde 2] waarop vermeld “geleverd: 4e termijnnota betreffende restauratie Havenstraat 1, conform prijsopgave”.

2.6.

Op het Formulier Gereedmelding, dat op 15 maart 2012 bij het Nationaal Restauratiefonds is ingediend, is als totale kosten € 234.627,00 inclusief btw vermeld waarvan € 118.416,00 inclusief btw fiscaal aftrekbare onderhoudskosten. Dit formulier is ondertekend door [gedaagde 2].

2.7.

Op 19 maart 2012 heeft [gedaagde 1] een brief gezonden aan het Nationaal Restauratiefonds waarin [gedaagde 1] de bescheiden betreffende de restauratie van de woning van [gedaagde 2] toe heeft gezonden. Bij deze brief is een bijlage gevoegd getiteld “afrekening restauratie monumentenpand (…) correspondeert met prijsopgave 05-10-2010” Op dit overzicht is een totaalbedrag van € 101.205,06 inclusief btw vermeld.

2.8.

[gedaagde 1] heeft aan [gedaagde 2] een nacalculatie gepresenteerd van € 165.111,97 (nacalculatie 1, productie 21 bij dagvaarding).

2.9.

Partijen hebben op 28 juni 2012 overleg gehad over nacalculatie 1.

2.10.

Vervolgens heeft [gedaagde 1] € 49.913,36 bij [gedaagde 2] in rekening gebracht (nacalculatie 2, productie 1 bij dagvaarding). Op de factuur staat als datum 12 september 2012. [gedaagde 2] heeft deze factuur niet betaald.

2.11.

Productie 22 bij dagvaarding is een document / overzicht waarin verschillende mijlpalen van de bouw staan vermeld met daarachter bedragen. In dit document is tevens vermeld:

Na overleg 28-06-2012 (…) 141.471,85”.

2.12.

Gedurende het project heeft [gedaagde 1] verschillende (termijn)facturen aan [gedaagde 2] gestuurd, welke zijn voldaan. Het betreft;

  1. factuur 10-023 d.d. 17-12-2010: € 9.996,00

  2. factuur 11-003 d.d. 15-04-2011: € 10.125,00

  3. factuur 11-005 d.d. 01-06-2011: € 56.250,00

  4. factuur 11-013 d.d. 29-12-2011: € 15.187,50

Totaal: € 91.558,50

2.13.

Partijen hebben in 2016 en 2017 gesprekken gevoerd over hun geschil. [gedaagde 1] heeft in die periode ook diverse sommaties aan [gedaagde 2] gestuurd.

3 Het geschil

3.1.

[gedaagde 1] vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 2] zal veroordelen:

I. om aan hem te betalen een bedrag van € 60.495,05, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 49.913,36 vanaf 4 maart 2020,

II. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling van de proceskosten niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden,

III. in de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn voldaan en het vonnis is betekend omdat [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis voldoet.

3.2.

[gedaagde 1] legt aan zijn vorderingen de volgende stellingen ten grondslag. Partijen hebben een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk gesloten. [gedaagde 1] heeft in het kader daarvan werkzaamheden verricht en afgesproken dat het werk zou worden afgerekend op een bedrag van € 141.471,85, zodat nog € 49.913,36 betaald moest worden. [gedaagde 2] is in verzuim met de betaling van dat bedrag. De wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot en met 3 maart 2020 bedraagt € 9.207,56. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen conform het Besluit buitengerechtelijke incassokosten € 1.374,13. In totaal vordert [gedaagde 1] dus betaling van € 60.495,05 te vermeerderen met de wettelijke rente zoals vermeld.

3.3.

[gedaagde 2] voert ten verwere aan dat partijen jeugdvrienden zijn en destijds op die basis met elkaar in zee zijn gegaan. Het initiatief voor de (ver)bouw van de woning van [gedaagde 2] lag bij [gedaagde 1]. [gedaagde 1] heeft van begin af aan aangestuurd. [gedaagde 2] kreeg steeds nul op rekest als hij [gedaagde 1] om prijsinformatie vroeg. [gedaagde 1] heeft volledig naar eigen wens en inzicht gehandeld, zonder specifiek prijzen te noemen. De verschillende begrotingen zijn geen prijsafspraak. Bovendien hebben partijen niet afgesproken het werk af te rekenen op een bedrag van € 141.471,85. [gedaagde 2] stelt dat hij de factuur van € 49.913,36 niet eerder dan bij brief van 21 september 2016 heeft ontvangen. [gedaagde 2] heeft deze factuur niet betaalt omdat hij het niet eens is met de door [gedaagde 1] opgegeven posten en meent dat het werk al is afgerekend. De vordering van [gedaagde 1] is verjaard. De verjaringstermijn van twee jaar is van toepassing omdat de aannemingsovereenkomst elementen van consumentenkoop bevat. Het werk had meteen moeten worden afgerekend toen het gereed was, voor zover er nog een restant verschuldigd was. [gedaagde 2] mocht ervan uitgaan dat het werk was afgerekend met de door hem betaalde facturen. Door het jaren te laten liggen en in 2016 met een op 12 september 2012 geantedateerde factuur te komen heeft [gedaagde 1] zijn rechten verwerkt. [gedaagde 2] beroept zich middels artikel 7:769 BW jo. 3:40 lid 2 BW op gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst. De vernietiging ziet op het gedeelte van de overeenkomst betreffende de door [gedaagde 1] gevorderde restantbetaling. [gedaagde 2] doet tevens een beroep op bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW), misbruik van omstandigheden (3:44 lid 4 BW), dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW), het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:766 BW en verjaring. [gedaagde 2] voert ook verweer tegen de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3.4.

[gedaagde 2] heeft ook een voorwaardelijk incidentele vordering ingesteld, inhoudende dat de rechtbank [gedaagde 1] zal bevelen om, samengevat, de bescheiden te overleggen die betrekking hebben op het door [gedaagde 1] in opdracht van [gedaagde 2] uitgevoerde werk. Bij vonnis van 9 september 2020 is deze vordering toegewezen. Uit de in het dossier aanwezige akte van depot blijkt dat [gedaagde 1] op 15 oktober 2020 aan deze veroordeling heeft voldaan.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kwalificatie overeenkomst

4.1.

Partijen kwalificeren de tussen hen gesloten overeenkomst als een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk. [gedaagde 2] stelt dat de aannemingsovereenkomst conform artikel 7:765 BW jo. 7:766 lid 1 BW schriftelijk had moeten worden aangegaan. Bij gebreke van deze schriftelijke overeenkomst beroept [gedaagde 2] zich op vernietiging van het deel van de overeenkomst dat de gevorderde restantbetaling ad € 49.913,36 betreft.

4.2.

Uit artikel 7:766 lid 3 BW vloeit voort dat het door [gedaagde 2] bedoelde schriftelijkheidsvereiste alleen geldt voor zogeheten koop-/aannemingsovereenkomsten en daarmee ziet op nieuwbouw. Aangezien dit een verbouwing van een woning op grond die reeds aan [gedaagde 2] toebehoorde betreft, is het schriftelijkheidsvereiste in onderhavig geval niet van toepassing.

Verjaring en rechtsverwerking
4.3. [gedaagde 2] voert aan dat de vordering van [gedaagde 1] is verjaard. Volgens [gedaagde 2] is de verjaringstermijn van twee jaar van toepassing omdat de aannemingsovereenkomst elementen van consumentenkoop bevat (artikel 7:5 lid 4 BW jo. artikel 7:28 BW). Bovendien heeft alleen de aanmaning van [gedaagde 1] uit 2017 een ontvangstbevestiging, aldus [gedaagde 2]. [gedaagde 1] stelt over verjaring dat een aannemingsovereenkomst vaak elementen van consumentenkoop bevat, hetgeen niet maakt dat er sprake is van de verjaringstermijn van twee jaar. Ook stelt [gedaagde 1] dat er steeds is gemaand.

4.4.

Uit 7:5 lid 4 BW vloeit voort – kort gezegd - voort dat ook sprake is van consumentenkoop indien een te leveren roerende zaak tot stand moet worden gebracht krachtens een overeenkomst van aanneming van werk. In dat geval is sprake van een gemengde overeenkomst en zijn de bepalingen die gelden voor consumentenkoop en voor aanneming van werk naast elkaar van toepassing. In geval van tegenstrijdigheid tussen die bepalingen prevaleren de bepalingen van consumentenkoop. Of naast een overeenkomst van aanneming van werk ook sprake is van een consumentenkoop in vorenbedoelde zin hangt blijkens de wetsgeschiedenis af van de concrete omstandigheden van het geval.

4.5.

Niet iedere overeenkomst van aanneming van werk met een consument als opdrachtgever is tevens consumentenkoop, zodat in zijn algemeenheid niet gesteld kan worden dat er bij een overeenkomst van aanneming van werk tussen een aannemer en een consument altijd sprake is van een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 7:5 lid 4 BW. Van een gemengde overeenkomst kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een voor de consument individueel of op maat te maken goed centraal staat in de overeenkomst, bijvoorbeeld een op maat gemaakte deur (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2127). In het onderhavige geval heeft [gedaagde 2] niet gemotiveerd gesteld welke elementen van de overeenkomst maken dat er sprake is van een gemengde overeenkomst. Dit had wel op zijn weg gelegen, zodat nu niet kan worden vastgesteld of er sprake is van (een gedeeltelijke) consumentenkoop. De verjaringsregeling voor consumentenkoop (artikel 7:28 BW) mist derhalve toepassing, zodat op de verjaring de regels van toepassing zijn die gelden voor vorderingen uit hoofde van een overeenkomst van aanneming van werk. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde 1] verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop die opeisbaar is geworden (artikel 3:307 BW). De afrekening van 29 september 2011 bevat geen betaaltermijn, zodat deze direct opeisbaar is geworden (artikel 6:38 BW). Dat betekent dat de vordering verjaarde op 29 september 2016, behoudens stuiting door handelingen als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW of door erkenning (artikel 3:318 BW). [gedaagde 1] heeft diverse aanmaningen overgelegd (productie 5 bij dagvaarding). [gedaagde 2] stelt dat alleen de aanmaning van 6 mei 2017 een ontvangstbevestiging heeft, maar [gedaagde 2] erkent ook de aanmaning van 21 september 2016 te hebben ontvangen. In de aanmaning van 21 september 2016 sommeert [gedaagde 1] [gedaagde 2] om te betalen. Daarmee heeft [gedaagde 1] de verjaring tijdig gestuit (artikel 3:317 lid 1 BW), zodat de vordering niet is verjaard.

Vernietiging als gevolg van een wilsgebrek

4.6.

[gedaagde 2] beroept zich voorts op vernietiging van het deel van de overeenkomst dat de gevorderde restantbetaling ad € 49.913,36 betreft, in verband met bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW), misbruik van omstandigheden (3:44 lid 4 BW) en dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW). Artikel 3:44 BW bepaalt dat een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedrog of misbruik van omstandigheden vernietigbaar is. Artikel 6:228 BW bepaalt hetzelfde voor dwaling. De partij die de vernietiging inroept draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vereisten voor een geslaagd beroep op bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling. Voor bedrog dient [gedaagde 2] te stellen dat [gedaagde 1] opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan, opzettelijk iets heeft verzwegen of dat er sprake is van een andere kunstgreep. Voor misbruik van omstandigheden dient hij bijzondere omstandigheden te stellen, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid. Ook is er pas sprake van misbruik van omstandigheden wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). Voor dwaling is vereist dat er een onjuiste voorstelling van zaken was, die te wijten is aan een inlichting van [gedaagde 1] of een schending van de mededelingsplicht van [gedaagde 1]. Van belang is dat [gedaagde 2] de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet had gesloten.

4.7.

[gedaagde 1] heeft betwist dat er sprake is van bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling. Volgens [gedaagde 1] hebben partijen in goed vertrouwen gehandeld en werd alles overlegd. [gedaagde 2] ondertekende zelf de stukken richting de Belastingdienst en het Restauratiefonds.

4.8.

Gelet op de betwisting van [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] zijn stellingen dat er sprake is van een van de wilsgebreken onvoldoende onderbouwd. [gedaagde 2] heeft namelijk slechts aangevoerd dat [gedaagde 1] opzettelijk met onjuiste informatie of door opzettelijk verzwijgen [gedaagde 2] heeft bewogen tot het aangaan van onderhavige overeenkomst, maar heeft niet onderbouwd welke informatie [gedaagde 1] dan (niet) heeft gedeeld. [gedaagde 2] maakt ook niet duidelijk welke bijzondere omstandigheden hij ten grondslag legt aan zijn stelling dat er sprake is van misbruik van omstandigheden. Ook het opzet is niet nader onderbouwd zodat een beroep op bedrog of misbruik van omstandigheden niet kan slagen. Voor de dwaling geldt dat vast staat dat partijen veel overlegd hebben tijdens de bouw. Ook heeft [gedaagde 2] verschillende begrotingen en stukken van de Belastingdienst en het Restauratiefonds gezien en ondertekend. Het is dus niet zo dat [gedaagde 1] [gedaagde 2] niet heeft geïnformeerd over de werkzaamheden, begroting of prijs (artikel 7:754 BW). [gedaagde 2] stelt hierover dat hij dacht dat de prijzen op deze stukken fictieve bedragen waren die slechts dienden om zo veel mogelijk subsidie te krijgen en dat hij op zijn vragen over de daadwerkelijke prijs nooit antwoord kreeg van [gedaagde 1]. De rechtbank is van oordeel dat nu vaststaat dat [gedaagde 2] bekend was met de begrotingen, het op de weg van [gedaagde 2] had gelegen om door te vragen over de prijs. Als de prijs dan volgens [gedaagde 2] nog steeds te onduidelijk bleef, dan was het aan [gedaagde 2] om geen toestemming te geven voor de start van de bouw. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] is ook niet vast komen te staan dat [gedaagde 2] zorgen heeft geuit over de hoogte van de verbouwingskosten. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde 2] onvoldoende aangevoerd om een beroep op dwaling te doen slagen.

4.9.

[gedaagde 2] heeft nog aangevoerd dat het werk niet formeel is opgeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het werk als opgeleverd worden beschouwd omdat niet in geschil is dat [gedaagde 2] in de woning is gaan wonen en niet geklaagd heeft over gebreken, waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] het werk (stilzwijgend) heeft aanvaard. Na aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd (artikel 7:758 BW).

Prijsafspraken?

4.10.

Volgens [gedaagde 1] was de leidraad voor het totale project begroting 1 (€ 218.005,80), welk bedrag na btw-correcties is aangepast naar € 208.893,48. Dit is daarna voor het Nationaal Restauratiefonds opgesplitst in twee begrotingen, een deel voor reparatie/restauratie en een deel voor onderhoud/woningverbetering. Dit was deels een vaste prijs, namelijk het deel van de werkzaamheden dat ziet op de restauratie, aldus [gedaagde 1]. De daarvoor overeengekomen aanneemsom is € 105.402,19, het bedrag dat het Nationaal Restauratiefonds voor de start van de werkzaamheden heeft goedgekeurd als reparatiekosten. Het deel dat resteerde voor onderhoud/woningverbetering bedroeg bij aanvang derhalve € 103.473,29 en is uiteindelijk lager afgerekend; voor dit deel was geen vaste prijsafspraak. [gedaagde 1] stelt dat zijn nacalculatie uit kwam op € 165.111,97 voor het gehele project en dat hij in latere gesprekken daar nog een korting op heeft toegestaan zodat partijen het project uiteindelijk, in een gesprek op 28 juni 2012, hebben afgerekend op een bedrag van € 141.471,85. Een bedrag waartoe gekomen is omdat [gedaagde 1] aanloopkosten heeft verminderd en uurloon heeft teruggebracht van € 39,50 naar € 38,75 en doorberekening van materialen geschrapt alsmede uren van 1857 naar 1358 aldus [gedaagde 1].

4.11.

Volgens [gedaagde 2] is er in zijn geheel geen (vaste) prijs overeengekomen. [gedaagde 2] voert aan dat [gedaagde 1] daarvoor te veel verschillende begrotingen noemt. Tussen begroting 1 (€ 218.005,80) en de prijs van 28 juni 2012 (€ 141.471,85) zit maar liefst € 76.533,95, aldus [gedaagde 2]. [gedaagde 2] stelt dat hij steeds zijn zorgen heeft geuit over de verschillende bedragen, maar dat [gedaagde 1] hem steeds zei “dat het wel goed kwam”, of woorden van gelijke strekking. Ook verwijt [gedaagde 2] [gedaagde 1] een gebrek aan inzicht te geven in de berekeningen en de gemaakte kosten. Volgens [gedaagde 2] is wat gefactureerd is niet reëel. Tijdens het gesprek van 28 juni 2012 is geen eindafspraak gemaakt over de prijs. [gedaagde 2] ging ervan uit dat het werk was afgerekend na betaling van de facturen a tot en met d zoals weergegeven onder r.o. 2.12.

4.12.

[gedaagde 2] verweer dat hij ervan uit mocht gaan dat hij met voldoening van de facturen ten bedrage van in totaal € 91.558,50 het gehele werk had betaald, wordt gepasseerd. [gedaagde 2] was op de hoogte van de verschillende begrotingen. Het totale project was begroot op meer dan 2 ton en het restauratiegedeelte op 110.000 euro waarvan bij het Nationaal Restauratiefonds € 105.402,19 is ingediend. Zonder aanzienlijk minderwerk, dat niet gesteld is, is onbegrijpelijk waarom [gedaagde 2] er dan op mag vertrouwen dat het gehele project voor minder dan de helft van de begroting is gerealiseerd. De enkele vermelding van “afrekening van verbouwing van uw woonhuis” op de brief van 29 september 2011 is daarvoor onvoldoende. Bovendien zien alle nota’s op restauratiewerken en niet op de gehele verbouwing.

4.13.

De meest verstrekkende stelling van [gedaagde 1] is dat partijen na afloop van de werkzaamheden zijn overeengekomen dat zij het werk zouden afrekenen op in totaal € 141.471,85. Dat zou betekenen dat [gedaagde 2] de factuur van € 49.913,36 ten onrechte onbetaald heeft gelaten. De afspraak is door [gedaagde 2] betwist. [gedaagde 1] heeft aangegeven dat de afspraak wel degelijk is gemaakt en dat hij ook in de correspondentie en facturatie daarnaar heeft verwezen. Dit laatste brengt niet met zich dat de afspraak bewezen is. De rechtbank is echter van oordeel dat [gedaagde 1] voldoende heeft gesteld om toegelaten te worden om zijn stelling te bewijzen dat partijen het werk hebben afgerekend op € 141.471,85. De rechtbank zal [gedaagde 1] opdragen dit bewijs te leveren.

4.14.

Slaagt [gedaagde 1] niet in de bewijslevering dan is het volgende van belang. Op grond van artikel 7:752 lid 1 BW is de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd is, indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat geen vaste prijs tussen partijen is overeengekomen noch voor de restauratie noch voor het gedeelte dat woningverbetering betreft.

Er zijn begrotingen in het geding gebracht waarvan partijen, volgens [gedaagde 1], vanuit zijn gegaan. Bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst moet worden bezien of partijen jegens elkaar op enig andere manier hebben kunnen begrijpen dat een prijsafspraak is gemaakt ten aanzien van de restauratie. [gedaagde 1] heeft hiervoor verwezen naar de splitsing van de begroting ten behoeve van het restauratiefonds alsmede de bekendheid van [gedaagde 2] daarmee. Dit is onvoldoende. Onbetwist is dat steeds sprake is geweest van een “begroting” en dat deze voor doeleinden van het Nationaal Restauratiefonds gesplitst is. Dit bood inzicht voor het fonds maar van een aanvaarding van een totaalprijs door [gedaagde 2] kan – ook al was [gedaagde 2] hiermee bekend - niet worden gesproken. Ook is overigens deze “vaste prijs” uiteindelijk niet in rekening gebracht zoals uit de stellingen van [gedaagde 1] blijkt. [gedaagde 1] stelt dat hij [gedaagde 2] per brief d.d. 29 september 2011 de afrekening van uitsluitend het restauratiedeel heeft gestuurd, omdat deze van belang was voor de afwikkeling met de Belastingdienst en het Nationaal Restauratiefonds. Dit is de afrekening van € 101.205,96 zoals weergegeven onder r.o. 2.4. Deze afrekening is lager dan de € 105.402,19 die [gedaagde 1] als vaste prijs zegt te zijn overeengekomen, hetgeen ook in de stellingen van [gedaagde 1] dus duidt op een overeengekomen richtprijs. Bovendien heeft [gedaagde 1] voor deze afrekening geen factuur gestuurd aan [gedaagde 2] en komt de laatste wél verzonden factuur ook niet overeen met deze slotafrekening. De door [gedaagde 2] geplaatste handtekening ziet niet op het bedrag omdat hij heeft betwist het overzicht met bedragen behorend bij de brief te hebben gezien als onderdeel daarvan waarna niet nader is gesteld. Al met al kan niet worden geoordeeld dat partijen een vaste prijsafspraak hebben met betrekking tot de restauratie. Dat het gedeelte van de verbouwing dat zag op woningverbetering in de begrotingen slechts richtprijzen waren, is niet in geschil zodat dit tot uitgangspunt strekt. Indien [gedaagde 1] niet in de bewijsopdracht slaagt, zal de rechtbank in lijn met het voorgaande oordelen dat [gedaagde 2] een redelijke prijs verschuldigd is voor het uitgevoerde werk. Om te bepalen wat een redelijke prijs voor het werk is, zal de rechtbank dan toekomen aan het benoemen van een deskundige.

4.15.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [gedaagde 1] op te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat het totale werk wordt afgerekend op een bedrag van € 141.471,85,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 maart 2021 voor uitlating door [gedaagde 1] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [gedaagde 1], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde 1], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met september 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.M.K.J. Steketee in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

5.6.

bepaalt dat [gedaagde 1] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2021.

ES/MS