Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:1070

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5106
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Indiensttreding oudere werknemer. Verzoek tegemoetkoming loonkostenvoordeel oudere werknemer. Heeft eiseres recht op de tegemoetkoming loonkostenvoordeel na wijziging van de rechtsvorm van de onderneming? Begrip ‘werkgever’ in de Wtl. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om voor de begripsomschrijving ‘werkgever’ in de Wtl aan te sluiten bij de wettelijke term ‘inhoudingsplichtige’. Beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/615
Viditax (FutD), 12-03-2021
FutD 2021-0850
NTFR 2021/1160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 20/5106

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, verweerder

Procesverloop

Met dagtekening 18 juli 2019 heeft verweerder aan eiseres een beschikking Wet tegemoetkomingen loondomein (de beschikking) afgegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 maart 2020 de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 april 2020, ontvangen door de rechtbank Midden-Nederland op 21 april 2020, beroep ingesteld. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep doorgezonden naar de rechtbank Gelderland (de rechtbank).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben na het indienen van het verweerschrift nadere stukken ingediend.

Op 21 januari 2021 heeft de zitting, op verzoek van partijen, via beeldbellen plaatsgevonden.

Namens eiseres waren bij deze zitting aanwezig de gemachtigde, [persoon A1] ,

[persoon A2] (de vennoten van eiseres) en [persoon A3] (medewerkster van de gemachtigde). Namens verweerder was aanwezig [persoon B] .

Overwegingen

Feiten

1. Vanaf 1 januari 2011 heeft de heer [persoon A1] ( [persoon A1] ) onder de naam [naam] een onderneming gedreven in de vorm van een eenmanszaak (de eenmanszaak). De activiteiten van de eenmanszaak bestonden uit het bewerken van edelstenen en het vervaardigen van sieraden (slijperij, montage en handel in edel- en halfedelstenen). De eenmanszaak is inhoudingsplichtige voor de Loonbelasting. Het loonheffingsnummer (LH-nummer) van de eenmanszaak is [XXX] .

2. Per 1 maart 2018 is mevrouw [persoon C] ( [persoon C] ) bij de eenmanszaak in dienst getreden. Tot 1 maart 2018 ontving [persoon C] een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering). Zij valt onder de doelgroep oudere werknemers. In dit kader heeft zij in maart 2018 een zogenoemde doelgroepverklaring oudere werknemer (DGV) bij het UWV aangevraagd.

3. Op 26 april 2018 heeft het UWV de DGV op naam van de eenmanszaak afgegeven.

4. Volgens het handelsregister van de KvK is de eenmanszaak op 7 mei 2018, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018, omgezet in een vennootschap onder firma (vof). De vennoten van de vof zijn [persoon A1] en [persoon A2] (zij is de echtgenote van [persoon A1] ). Er is tussen de vennoten geen vof-overeenkomst opgemaakt. De naam en de activiteiten van de onderneming zijn niet gewijzigd.

5. Per 1 mei 2018 is eiseres inhoudingsplichtig voor de Loonbelasting. Het LH-nummer van de vof is [XXX 2] . Op 8 mei 2018 is dit LH-nummer aan eiseres toegekend. Eiseres heeft sinds het loonaangiftetijdvak mei 2018 voor [persoon C] verzocht om het loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemer, door een “J” bij de betreffende doelgroep in iedere loonaangifte over de periode 1 mei 2018 tot en met 31 december 2018 te vermelden.

6. Op 12 maart 2019 heeft het UWV de voorlopige berekening Wet tegemoetkomingen loondomein 2018 (de voorlopige berekening Wtl) aan eiseres gestuurd. In de voorlopige berekening Wtl staat dat de tegemoetkoming Wtl voor [persoon C] over het jaar 2018 nihil bedraagt.

7. Op 18 juli 2019 heeft de Belastingdienst (BD) de beschikking Wtl 2018 aan eiseres gestuurd. In deze beschikking staat dat eiseres niet voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het LKV en dat de BD om die reden geen tegemoetkoming LKV aan eiseres betaalt.

Geschil

8. In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres op grond van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) in 2018 voor [persoon C] recht heeft op de door haar gevraagde LKV.

9. Eiseres beantwoordt die vraag bevestigend. Verweerder is de tegenovergestelde mening toegedaan.

Beoordeling van het geschil

10. Op grond van de Wtl kan een werkgever in de loonaangifte een verzoek doen voor een tegemoetkoming loonkostenvoordeel van een oudere werknemer.

11. Volgens artikel 2.2 van de Wtl moet het gaan om een werknemer die in de maand voorafgaande aan de aanvang van de dienstbetrekking een uitkering ontving1; die op het moment van aanvang van de dienstbetrekking 56 jaar of ouder is; die niet op enig moment in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij deze werkgever in dienstbetrekking is geweest én er moet sprake zijn van een aan de werkgever verstrekte geldige DGV.

12. Niet in geschil is dat [persoon C] op het moment dat zij in dienst trad bij de eenmanszaak voldeed aan de hiervóór genoemde voorwaarden en dat de eenmanszaak recht had op een tegemoetkoming LKV voor de werknemer. Evenmin is in geschil dat de rechtsvorm van de onderneming na het moment van indiensttreding is gewijzigd van een eenmanszaak naar een vof. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de omzetting van de eenmanszaak naar de vof meebrengt dat eiseres geen recht (meer) heeft op het LKV.

13. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Artikel 1.1 van de Wtl bevat de begripsbepalingen die voor de Wtl van belang zijn. In het wetsvoorstel is gekozen voor aansluiting op de begrippen zoals die in een of meer van de loonheffingen gebruikelijk zijn2. Volgens artikel 1.1 , onder a, van de Wtl wordt onder werkgever verstaan de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) of de werkgever in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Uit de Memorie van Toelichting op de Wtl3 (MvT) volgt dat de wetgever heeft gekozen om aan te sluiten bij de term inhoudingsplichtige, omdat deze term méér bestrijkt dan de eigenlijke werkgever, het ziet ook op de pseudowerkgever. Met de keuze voor deze term wordt, aldus de MvT, alvast vooruitgelopen op de mogelijkheid dat de Wtl in de toekomst mogelijk nog breder als instrument wordt toegepast. Praktisch gevolg van de keuze voor het begrip inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB 1964, of werkgever in de zin van de Wfsv, is dat de tegemoetkomingen op het niveau van de rechtspersoonlijkheid vastgesteld kunnen worden (inhoudingsplichtigenummer) en niet op het niveau van zijn administratie (subnummer).

14. Uit het voorgaande volgt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om voor de begripsomschrijving ‘werkgever’, in de Wtl, aan te sluiten bij de wettelijke term ‘inhoudingsplichtige’. Vast staat dat vóór de omzetting van de eenmanszaak (de omzetting) sprake is van een andere inhoudingsplichtige dan na de omzetting. Dit brengt mee dat na de omzetting niet (langer) wordt voldaan aan de in artikel 2.2. van de Wtl gestelde vier voorwaarden om in aanmerking te komen voor het LKV (zie hiervóór onder 11).

15. Anders dan de gemachtigde heeft betoogd, is het voor de beantwoording van de vraag of eiseres op grond van de Wtl, voor [persoon C] , recht heeft op het LKV niet van belang dat de activiteiten van de onderneming, na de omzetting, niet zijn gewijzigd. Ook is de civielrechtelijke verhouding tussen de beide vennoten (tevens echtgenoten) voor de beantwoording van die vraag niet relevant.

Gewekt vertrouwen?

16. Eiseres heeft ook gesteld dat er vertrouwen is gewekt door het UWV en de BD op grond waarvan zij recht heeft op het LKV. Zij verwijst in dit verband naar voorafgaand overleg met het UWV en de BD.

17. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.4 Eiseres, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Uit de verklaring van mevrouw [persoon A3] volgt niet dat de BD en/of het UWV toezeggingen heeft (hebben) gedaan of uitlatingen heeft (hebben) gedaan of gedragingen heeft (hebben) verricht waaruit eiseres redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat zij in 2018 voor [persoon C] , na de omzetting van de eenmanszaak in de vof, recht had op het LKV. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat mevrouw [persoon A3] ter zitting heeft verklaard dat zij weliswaar heeft gesproken met een medewerkster van de BD, genaamd mevrouw [persoon D] ( [persoon D] ), maar zij heeft ook verklaard dat zij niet meer wist of zij met [persoon D] expliciet heeft gesproken over het LKV. Zij kon zich herinneren dat zij met [persoon D] had gesproken over het BTW nummer en het omzetten van de administratie van de onderneming op een nieuw BTW nummer. Verder heeft mevrouw [persoon A3] verklaard dat zij de LKV-kwestie niet expliciet heeft besproken met (een medewerker van) het UWV. Zij heeft wel met iemand van het UWV gesproken, maar die persoon heeft haar alleen verteld dat zij eerst moest wachten op de aanslagen van de BD en dat eerder geen bezwaar kon worden gemaakt. Ook uit hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, volgt niet dat sprake is van gewekt vertrouwen.

18. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

19. Het vooroverwogene brengt met zich mee dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

20. De rechtbank begrijpt dat deze uitkomst voor eiseres uiterst onbevredigend is en begrijpt ook dat zij deze als onredelijk ervaart, maar de tekst van de Wtl is duidelijk en laat geen ruimte over voor een andere uitleg of toepassing. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen verbiedt de rechter de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te toetsen.

21. Omdat het beroep ongegrond dient te worden verklaard, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wtl moet sprake zijn van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheid, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidongeschikheidsvoorziening militairen, de Participatiewet, de Wet inkomens-voorziening oudere werklozen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte zelfstandigen of had de werknemer in de maand voorafgaand aan de indiensttreding recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2 Memorie van Toelichting Wet Wtl, 2015/2016, nr. 34.304, no 3, II Artikelsgewijze toelichting, pg 17.

3 Memorie van Toelichting Wet Wtl, 2015/2016, nr. 34.304, no 3, pg 17.

4 Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.