Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:977

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-01-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
NL19.8256
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; arbeidsongeschiktheidsverzekering. Schending mededelingsplicht (7:941 BW). Onderzoekskosten. Vraag of al sprake was van schending vanaf datum schade-aangifte. Verzekeraar mag nog reageren op producties. Volgt op ECLI:NL:RBGEL:2019:4527.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL19.8256

Vonnis van 8 januari 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap
MOVIR N.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
eiseres, hierna te noemen: Movir,
advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht,

tegen

[verweerder]
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat mr. G.S. Jongstra te Almere.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 oktober 2019

- de akte na tussenvonnis van Movir

- de akte van [verweerder] .

1.2.

Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Korte samenvatting van het tussenvonnis van 11 oktober 2019

2.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] – door niet aan Movir te melden dat hij heeft gewerkt in diverse periodes waarin hij volledig arbeidsongeschikt was gemeld – heeft gehandeld in strijd met de verplichting die op grond van artikel 6.1 van de polisvoorwaarden in samenhang met artikel 7:941 lid 2 BW op hem rustte om Movir alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor Movir van belang waren om haar uitkeringsplicht te beoordelen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] de betreffende informatie bewust heeft verzwegen en Movir opzettelijk heeft willen misleiden. Dit heeft geleid tot het oordeel van de rechtbank dat het recht van [verweerder] op de arbeidsongeschiktheidsuitkering is komen te vervallen, en deze misleiding niet zo klein is dat het verval van recht een te zwaar gevolg zou zijn (artikel 7:941 lid 5, slot, BW/artikel 6.1 lid 4 polisvoorwaarden). De rechtbank heeft overwogen dat, nu vast staat dat het recht op uitkering is komen te vervallen, daarmee ook vast staat dat Movir de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zonder rechtsgrond, dus onverschuldigd, aan [verweerder] heeft betaald. [verweerder] heeft niet betwist dat aan hem in totaal € 182.147,34 (bruto) aan uitkeringen is betaald, zodat in rechte vast staat dat dat bedrag onverschuldigd is betaald. Voor zover de vordering van Movir strekt tot terugbetaling van dit bedrag, heeft de rechtbank de vordering dan ook toewijsbaar geacht.

Achterstallige premies

2.2.

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen, in de eerste plaats om Movir in de gelegenheid te stellen haar vordering met betrekking tot de achterstallige premies – in verband met het vervallen van het recht op premievrijstelling – nader te specificeren en onderbouwen. Movir heeft daarop bij akte (opnieuw) verwezen naar de bij haar productie 57 overgelegde facturen, die zij bij productie 70 nogmaals in het geding heeft gebracht. Het betreft de volgende stukken:

- een factuur van 5 maart 2015 met betrekking tot premieteruggave over de periode 1 maart 2014 tot 1 maart 2015, ter hoogte van € 5.368,24;

- een factuur van 31 maart 2014 die betrekking heeft op de premieteruggave over de periode 1 maart 2013 tot 1 maart 2014, ter hoogte van € 4.992,24;

- een factuur van 22 maart 2013 die ziet op de premieteruggave over de periode 1 maart 2012 tot 1 maart 2013, ter hoogte van € 4.562,28;

- een factuur van 29 februari 2012 vanwege de premieteruggave over de periode 1 maart 2011 tot 1 maart 2012, ter hoogte van € 4.162,08;

- een factuur van 25 februari 2011 in verband met de premieteruggave over de periode 22 augustus 2010 tot 1 maart 2011, ter hoogte van een bedrag van € 1.979,91.

2.3.

[verweerder] heeft bij antwoordakte aangevoerd dat hij niet kan nagaan wat de herkomst is van het A4’tje – de eerste pagina van de producties 57 en 70 van Movir – waarop een optelsom van de hierboven genoemde bedragen staat vermeld. Datzelfde geldt volgens [verweerder] voor de documenten van 5 maart 2015, 31 maart 2014, 22 maart 2013, 29 februari 2012 en 25 februari 2011. [verweerder] betoogt dat in deze stukken een berekening is uiteengezet van provisie voor “ene Univé Oost BV”, die ook als geadresseerde staat vermeld. De per document verschillende bedragen die zijn vermeld, bieden volgens [verweerder] geen inzicht in de wijze waarop deze zijn opgebouwd of waarop de bedragen zien. Verder wijst [verweerder] erop dat de adressering van de betreffende documenten op een ongebruikelijke en onlogische wijze is geplaatst. Hij werpt de vraag op of een dergelijk stuk, als het ooit wordt verzonden, überhaupt de geadresseerde zal bereiken en voert aan dat hijzelf in ieder geval niet eerder bekend is geweest met deze stukken.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat Movir met het overleggen van de onderliggende facturen haar vordering met betrekking tot de premievrijstellingen die ten onrechte aan [verweerder] zijn verleend afdoende heeft onderbouwd. Naar de rechtbank begrijpt, is het A4’tje waarvan de herkomst voor [verweerder] niet duidelijk is, de door Movir zelf op papier gezette optelsom van de factuurbedragen op de facturen die achter dat A4’tje zijn gevoegd. Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat deze facturen een wat onoverzichtelijke opmaak hebben. De rechtbank gaat er echter van uit dat dit kan worden verklaard doordat het kopiefacturen betreft, zoals blijkt uit de vermelding bovenaan elke factuur: “Kopie Delta Lloyd”. De opmaak doet aan de inhoud van de facturen ook niet af. Delta Lloyd is de rechtsvoorgangster van Movir, hetgeen de herkomst van de facturen verklaart. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat op elk van de facturen de naam en het adres staan vermeld van [de heer X] , wat voorheen de naam was van [verweerder] . Voorts vermeldt iedere factuur dat hij ziet op premierestitutie en over welke periode en om welk bedrag het gaat. Er kan dus ook geen misverstand over bestaan op wie en waarop de facturen betrekking hebben. Univé Oost B.V., de geadresseerde van de facturen, is of was kennelijk de assurantietussenpersoon van Movir/Delta Lloyd. Dit kan verklaren waarom [verweerder] , zoals hij aanvoert, zelf niet eerder bekend is geweest met deze stukken. In het licht van het voorgaande heeft [verweerder] zijn betwisting van de onderbouwing van de vordering met betrekking tot achterstallige premies onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verwerpt daarom zijn verweer op dit punt. In het tussenvonnis onder 4.19 heeft de rechtbank al geoordeeld dat het recht op premievrijstelling is vervallen en dat [verweerder] de achterstallige premies alsnog moet voldoen. Uit de door Movir overgelegde en, gezien het voorgaande, door [verweerder] onvoldoende gemotiveerd betwiste facturen blijkt duidelijk om welke bedragen het gaat. De vordering tot terugbetaling van deze achterstallige premies ligt daarmee voor toewijzing gereed.

Kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek

2.5.

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank Movir verder in de gelegenheid gesteld de kostenopstelling wat betreft de kosten van [praktijk Z] te verduidelijken en te onderbouwen

vanaf welk moment sprake is van onjuiste mededelingen van [verweerder] .

2.6.

Movir heeft bij akte na tussenvonnis aangevoerd dat zij in de loop van de tijd uit coulance de helft van de kosten van fysiotherapie bij [praktijk Z] te [woonplaats] aan [verweerder] heeft vergoed. Ter onderbouwing hiervan wijst Movir op een kostenoverzicht dat zij als productie 57 in het geding zou hebben gebracht. Daaruit blijkt volgens Movir dat de totale kosten van [praktijk Z] € 8.182,44 bedragen. Zij betoogt dat zij daarvan 50% heeft vergoed, oftewel € 4.091,22.

2.7.

[verweerder] heeft er bij antwoordakte op zichzelf terecht op gewezen dat in productie 57 van Movir niets is terug te vinden van een kostenoverzicht met betrekking tot de fysiotherapie bij [praktijk Z] . Productie 57 bevat enkel het A4’tje plus achterliggende facturen met betrekking tot de premierestitutie waarover de rechtbank in het voorgaande heeft geoordeeld. Productie 57 kan dus niet dienen als onderbouwing of nadere specificatie van de gevorderde kosten van [praktijk Z] . De rechtbank gaat er echter vanuit dat Movir doelde op productie 58. De eerste pagina van die productie betreft namelijk een kostenoverzicht, dat begint met een reeks aan “ [praktijk Z] ” gekoppelde bedragen. Verder staan op dat overzicht nog diverse andere bedragen, maar dan zonder bijbehorende omschrijving. Het geheel sluit op het door Movir gevorderde bedrag van € 16.338,41 aan kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek.

2.8.

De rechtbank constateert dat de bedragen op de facturen die Movir als onderdeel van productie 58 in het geding heeft gebracht, stroken met de bedragen op het kostenoverzicht waarmee die productie 58 begint. [verweerder] heeft ten aanzien van de facturen op dat overzicht die niet afkomstig zijn van [praktijk Z] niet weersproken dat Movir deze heeft betaald. Daarmee staat vast dat Movir dit heeft gedaan. [verweerder] heeft op zichzelf ook niet weersproken dat de afspraak was dat Movir de facturen van [praktijk Z] voor de helft zou vergoeden. Ook dit staat dus vast. [verweerder] betoogt echter dat uit niets blijkt dat Movir de betreffende facturen van [praktijk Z] geheel of gedeeltelijk heeft betaald of vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Movir echter afdoende onderbouwd dat dit is gebeurd. Zo heeft Movir gewezen op een telefoonnotitie van [de heer Q] ) van Movir met betrekking tot een telefoongesprek met [verweerder] op 19 november 2010. Volgens die notitie, die deel uitmaakt van productie 58, is in dat gesprek de afspraak gemaakt dat Movir de nota’s voor fysiotherapie voor de helft zal vergoeden en dat [verweerder] één keer per twee maanden nota’s zal sturen. Dat [verweerder] dit ook heeft gedaan, blijkt uit een e-mailbericht van [verweerder] van 30 januari 2011 (eveneens onderdeel van productie 58), waarbij [verweerder] de facturen voor fysiotherapie van december 2010 en januari 2011 aan Movir heeft gestuurd. Daarboven staat de reactie van [de heer Q] van 7 februari 2011, waarin hij aan [verweerder] bevestigt dat volgens afspraak de helft van het bedrag exclusief btw, oftewel € 450,00 zal worden vergoed. Verder heeft Movir een e-mailbericht van [verweerder] aan [de heer Q] van 2 mei 2011 overgelegd, waarin [verweerder] schrijft dat hij daarbij de facturen van februari, maart en april 2011 toestuurt. Op die e-mail is met de hand geschreven: “432 × 3 = 1296 / 2 = 648” en daaronder een stempeltje “Afgeboekt” met daaronder handgeschreven het woord [de heer Q] ). Ook dit duidt erop dat Movir de betreffende facturen voor de helft heeft vergoed. In het licht van deze door Movir in het geding gebrachte stukken en haar toelichting daarop heeft [verweerder] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Movir de facturen van [praktijk Z] heeft betaald of vergoed. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook.

2.9.

De rechtbank heeft Movir bij het tussenvonnis ook in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . Als komt vast te staan dat [verweerder] pas in de loop van de behandeling van de schade-aangifte onjuist is gaan verklaren, zijn de daarna gemaakte kosten namelijk nodeloos gemaakt door Movir.

2.10.

Movir heeft bij akte na tussenvonnis betoogd dat [verweerder] al vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Movir wijst erop dat zij [verweerder] op 1 september 2009 heeft laten keuren door Meditel en dat uit de claimbeoordeling van Meditel (productie 4 bij procesinleiding) blijkt dat [verweerder] op dat moment naar eigen zeggen geen paard kon rijden. Uit het overzicht van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (onderdeel van productie 26 bij procesinleiding) blijkt echter dat [verweerder] slechts enkele dagen later, te weten op 5 september 2009, uitkwam in een wedstrijd, evenals op 6 september 2009 en 26 september 2009, zo voert Movir aan.

2.11.

[verweerder] heeft in reactie hierop nogmaals betwist dat hij degene was die op het deelnemende paard zat. Hij herhaalt dat het in de paardenwereld niet ongebruikelijk is dat een ruiter start met een pas die op naam van een ander staat. Ter onderbouwing verwijst [verweerder] op een aantal stukken die hij als producties 71 tot en met 75 bij zijn antwoordakte in het geding brengt, te weten uitspraken van het tuchtcollege van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie, een foto van zijn oude startpas, een verklaring van zijn medewerker [medewerker A] en foto’s van zichzelf en deze [medewerker A] te paard.

2.12.

Movir heeft nog niet op deze nieuwste producties kunnen reageren. De rechtbank zal haar daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. Movir moet zich in haar reactie beperken tot de producties 71 tot en met 75 van [verweerder] . Hierna zal het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel zijn geëindigd. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

stelt Movir binnen vier weken na de bekendmaking van deze beslissing in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de producties 71 tot en met 75 van [verweerder] , waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens - Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2020.

JE/St