Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:948

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
ARN 18/1546, 18/1547 en 18/1549
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting en loonheffingen. Eiseres exploiteert een horecagelegenheid voor bingo- en feestavonden. De inspecteur heeft van de FIOD informatie ontvangen van een tipgever waaruit zou blijken dat eiseres te weinig omzet heeft aangegeven en personeel zwart heeft uitbetaald. Het gaat onder meer om handgeschreven cafébonnen en opdrachtbevestigingen. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen gebaseerd op de informatie van de tipgever. De rechtbank oordeelt dat de informatie van de tipgever niet betrouwbaar genoeg is en schuift de informatie van de tipgever ter zijde. De rechtbank neemt hierbij onder meer in aanmerking het langlopende conflict tussen de bedrijfsleider en de tipgever en het namens eiseres uitgevoerde handschriftonderzoek op grond waarvan aannemelijk is dat de cafébonnen niet door de bedrijfsleider van eiseres zijn opgesteld. De inspecteur heeft met de overige informatie niet aannemelijk gemaakt dat eiseres omzet heeft verzwegen en dat eiseres op de bingoavonden meer personeel heeft laten werken dan is aangegeven. De naheffingsaanslagen omzetbelasting worden verminderd en de naheffingsaanslagen loonheffingen en alle boetebeschikkingen worden vernietigd. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot een hogere proceskostenvergoeding vanwege de proceshouding van de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-05-2020
V-N Vandaag 2020/1199
FutD 2020-1433 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/28.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/1546, 18/1547 en 18/1549

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[eiseres] B.V., te [plaats1 in NL] , eiseres

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde] ,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [XXX] .A.01.450.0) loonheffingen opgelegd. Gelijktijdig heeft hij bij beschikkingen een boete opgelegd en heffingsrente en belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 naheffingsaanslagen (aanslagnummers [XXX] .F.01.1502 en [XXX] .F.01.4502) omzetbelasting opgelegd. Ook daarvoor heeft verweerder bij beschikkingen boetes opgelegd en heffingsrente en belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2018 de naheffingsaanslag loonheffingen verminderd tot € 200.740, de beschikking heffingsrente/belastingrente verminderd tot € 23.879 en de boete verminderd tot € 90.369.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2018 de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2011 gehandhaafd op € 7.850, de beschikking heffingsrente gehandhaafd op € 1.243 en de boete verminderd tot € 1.425.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2018 de naheffingsaanslag omzetbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014 verminderd tot € 30.015, de beschikking belastingrente verminderd tot € 3.055 en de boete verminderd tot € 7.507.

Eiseres heeft daartegen bij brieven van 12 maart 2018, ontvangen door Rechtbank Overijssel op 13 maart 2018 en na doorzending ontvangen door deze rechtbank op 20 maart 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020.

Namens eiseres is [persoon A] (hierna: [persoon A] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en mr. [naam ] . Namens verweerder zijn mr. [persoon V1] , drs. [persoon V2] , mr. [persoon V3] en [persoon V4] verschenen.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Verweerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van de bijlagen bij de pleitnota van eiseres.

De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juni 2014, nr. 436.935, Stcrt. 2014, 20210).

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een besloten vennootschap. De aandeelhouders waren tot 27 november 2014 [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV, elk voor 50%. [persoon B] (hierna: [persoon B] ) is 100% aandeelhouder van [bedrijf 1] BV. [persoon A] is 100% aandeelhouder van [bedrijf 2] BV. Vanaf 27 november 2014 houden beide holdings 41,17% van de aandelen in eiseres. De overige aandelen zijn per 27 november 2014 in handen van familieleden van [persoon A] . [persoon A] heeft de dagelijkse leiding over de activiteiten van eiseres.

2. Eiseres exploiteert onder meer een zalencentrum. Haar activiteiten bestaan in dat kader uit het organiseren van feesten en het faciliteren van bingoavonden. De bingoavonden werden in eerste instantie onder de naam “ [naam bingoavonden] ” verzorgd door verschillende verenigingen uit de regio, waaronder vereniging [vereniging I] (hierna: [vereniging I] ) en [vereniging J] (hierna: [vereniging J] ). In 2013 is in een woning boven het zalencentrum een hennepkwekerij aangetroffen. Dat heeft geleid tot teruglopende bezoekersaantallen van de [naam bingoavonden] . Ook zijn enkele verenigingen gestopt met de bingoavonden. Begin 2014 hebben de verenigingen een onderzoek gedaan naar de werkwijze rond de organisatie van de bingoavonden. Hiervan is een rapport opgemaakt met datum 20 februari 2014. Dit heeft geleid tot nieuwe afspraken tussen de toen nog deelnemende verenigingen.

3. Op 9 maart 2015 heeft een ambtenaar van de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD) telefonisch een verklaring opgenomen van een persoon die zich voorstelde als [persoon B] . In het proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:

“Puntsgewijs samengevat heeft de aangever [persoon B] vervolgens het volgende verklaard:

- Dat de zaal “ [naam zaal] ” te [plaats1 in NL] half van hem is en half van de zoon van zijn broer [persoon A] .

- Dat bij dat bedrijf zwart geld wordt verdiend en wordt verborgen voor de Belastingdienst.

- Dat het bedrijf mensen zwart laat werken

- Dat er bingoavonden worden georganiseerd en de opbrengst zwart geld is.

(…)

- Medewerkers die werken op een bingoavond ontvangen daarvoor 40 euro. Dat bedrag is nu 30 euro.

(…)

- In [naam zaal] worden thema-avonden georganiseerd en bruiloften. Alle winst zou zwart zijn en alle personeel wordt zwart betaald. Voor een bruiloft wordt gemiddeld 6000 euro betaald (altijd contant). De helft daarvan steekt [persoon A] in eigen zak.

(…)

- De Moeder van [persoon A] krijgt een sociale uitkering, maar werkt ook in de keuken van de [naam zaal] . Zij ontvangt iedere keer 100 euro.

- De versiering van de zaal wordt verzorgd door een persoon genaamd [persoon D] (fonetisch), een [buitenlandse nationaliteit] die in [plaats 2 in NL] woont. Hij krijgt dit ook zwart betaald.

- Ook de zus van de moeder van [persoon A] werkt zwart in de keuken van [naam zaal] . Zij maakt taarten voor de bruiloften en ontvangt daarvoor 200 euro.

- Zij ontvangt voor de versiering met bloemen ook nog 400 euro per bruiloft

- Een persoon genaamd [persoon G] (fonetisch) maakt (foto / Film ??) opnames van feesten en krijgt daarvoor 500 euro.

- [persoon K] , de broer van de vrouw van [persoon G] maakt eten klaar en ontvangt 100 euro.

- De tipgever is bereid om foto’s te sturen van kentekens van auto’s en van paspoorten van betrokken personen. (…)

Op maandag 16 maart 2015 ontving ik, verbalisant, ten kantore van de FIOD te Almelo, per post een pakketje, waarop als afzender vermeld stond: [persoon B] , [adres en plaats] , Zweden. In het pakketje zag ik een blauwe plastic zak met daarin

- cafébonnetjes met het opschrift “Warsteiner”. De bonnetjes waren in 4 pakketjes per jaar met een elastiekje samengebonden. Het betroffen bonnetjes over de jaren 2010, 2012, 2013 en 2014.

Op ieder bonnetje, is per dag het volgende opgeschreven: huur, keuken, kelner, koffie, met achter ieder van genoemde omschrijvingen een bedrag.

- Een usb-stick.

In de eigenschappen van deze usb-stick zag ik dat het 694 mb data bevatte, bestaande uit 1048 bestanden en 103 mappen.

Vervolgens heb ik op 16 maart 2015 telefonisch contact opgenomen met politie, regio Oost Nederland en de Belastingdienst/Oost, kantoor Enschede, om de hierboven geverbaliseerde informatie te bespreken.

Het gesprek met de genoemde instanties heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Ik, verbalisant, heb aansluitend aan dit gesprek de informatie ter beschikking gesteld aan zowel de politie te Enschede als aan de Belastingdienst kantoor Enschede voor verdere behandeling.”

4. Naar aanleiding van het overleg op 17 maart 2015 is verweerder een boekenonderzoek gestart bij eiseres. Van de resultaten van het boekenonderzoek is met datum 4 juli 2016 een controlerapport opgemaakt. In het kader van het onderzoek heeft de controlerend ambtenaar gesproken met [persoon A] . Verder heeft hij op 13 juli 2016 gesproken met [persoon P1] en [persoon P2] , voorzitter en penningmeester van [vereniging I] , en op 15 juli 2016 met [persoon C] , oud-voorzitter van [vereniging I] . Op 14 juli 2016 heeft de controlerend ambtenaar gesproken met [persoon E] (hierna: [persoon E] ) en [persoon F] (hierna: [persoon F] ), voorzitter en penningmeester van [vereniging J] . Op 15 juli 2016 heeft hij nader gesproken met [persoon E] . Van deze gesprekken zijn verslagen aan de stukken toegevoegd. Deze verslagen zijn niet door de betrokkenen ondertekend.

5. Bij brief van 11 oktober 2016 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres een ondertekende schriftelijke verklaring overgelegd op naam van [persoon E] en [persoon F] . Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van ons gesprek met betrekking tot de bevindingen van de belastingdienst delen wij u mede dat de door ons verstrekte informatie niet juist aan u is weergegeven.

(…)

Vanuit de vereniging worden (…) vrijwilligers ingezet en worden alle taken door 4 personen uitgevoerd. Deze taken zijn: Draaien van de bingo en de verkoop van de bonnen door 1 persoon, verkoop snacks en uitdelen gratis bon door 1 persoon, kelner voor de drank en een kok welke tevens de kas van de bonnen opmaakt.

Het door de belastingdienst opgegeven aantal van 5 personen is dus niet juist. We gaan ervan uit dat dit berust op een misverstand door de “dubbelfuncties” welke worden uitgevoerd. Daarnaast krijgen de vrijwilligers hiervoor allemaal op 1 avond dezelfde onkosten vergoeding. (…) Indien wij van de belastingdienst een verslag hadden ontvangen van hetgeen wij met hen besproken hebben, hadden we e.e.a. meteen kunnen corrigeren en voor akkoord kunnen tekenen. (…)”

6. Bij de brief van 11 oktober 2016 is daarnaast een rapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) van 8 september 2016 gevoegd. In dat rapport is onder meer het volgende vermeld:

“Op uw verzoek heeft het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V., in casu vertegenwoordigd door forensisch schriftexpert drs. [persoon P4] en forensisch deskundige ing. [persoon P3] , onderzoek verricht naar de vraag of het te onderzoeken handschrift (zie bijlage 1) al dan niet is of kan zijn geproduceerd door de schrijver van het ter beschikking gestelde en afgenomen vergelijkingsmateriaal (zie bijlage 2).

(…)

 Op basis van het ter beschikking gestelde materiaal kan de schrijver van het vergelijkingsmateriaal (zie bijlage 2) met geen enkele mate van waarschijnlijkheid worden geïdentificeerd als schrijver van het te onderzoeken handschrift (zie bijlage 1).

 Anders gezegd: op basis van het verrichte schriftvergelijkende onderzoek aan de hand van het beschikbaar gestelde materiaal bestaat geen grond voor de opvatting dat de dhr. [persoon A] het als bijlage 1 bijgevoegde document heeft geschreven.

(…)”

7. Met dagtekening 22 oktober 2015 heeft verweerder een informatiebeschikking afgegeven met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014, vanwege het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen. Hiertegen heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend op 27 oktober 2015. Omdat verweerder de naheffingsaanslagen heeft opgelegd voordat de informatiebeschikking onherroepelijk vaststond, is deze van rechtswege vervallen.

8. Met datum 7 juni 2018 heeft de boekhouder van eiseres de volgende e-mail aan [persoon A] gestuurd:

“Het nettoloon dat aan jou wordt uitbetaald in [bedrijf 3] B.V. boek jij op de grootboekrekening nettoloon in de administratie van [bedrijf 3] B.V. Bij het samenstellen van de jaarrekeningen, corrigeer ik dit nettoloon via rekening-courant naar [bedrijf 2] B.V. Jij bent in dienst van [bedrijf 2] B.V. en geniet loon uit deze B.V. Het in [bedrijf 3] B.V. uitbetaalde nettoloon wordt hiermee verrekend.”

Geschil

9. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen terecht zijn opgelegd. Daarbij is in geschil of aannemelijk is dat eiseres omzet en loon ten onrechte niet heeft aangegeven en of dit zodanige bedragen zijn dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Eiseres voert daarnaast een aantal formele verweren.

Beoordeling van het geschil

inzagerecht in de bezwaarfase

10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder in de bezwaarfase niet de gelegenheid heeft geboden tot inzage in de op de zaken betrekking hebbende stukken. Verweerder betwist dit. Aangezien eiseres aan dit standpunt uitdrukkelijk niet de conclusie heeft verbonden dat de zaken moeten worden teruggewezen naar verweerder, zal de rechtbank de zaken eerst inhoudelijk beoordelen en daarna beoordelen of aan de eventuele gegrondheid van de stellingen van eiseres gevolgen dienen te worden verbonden.

informatie [persoon B]

11. Het onderzoek van verweerder vloeit voort uit de informatie die verweerder van de FIOD heeft ontvangen. Eiseres heeft aangevoerd dat de FIOD onrechtmatig informatie heeft verstrekt aan de Belastingdienst, omdat de inspecteur de wettelijke grondslag daarvoor niet heeft aangetoond. Het gaat dan om de stukken die zich bevonden in de envelop die de FIOD van [persoon B] heeft ontvangen. Gelet op hetgeen de rechtbank over die stukken hierna overweegt, zal de rechtbank deze stelling verder buiten beschouwing laten.

12. De rechtbank stelt voorop dat het de inspecteur in beginsel vrijstaat onderzoek naar de juistheid van de belastingaangiften van belastingplichtigen te doen, ook los van eventuele informatie van de FIOD. Het onderzoeksrapport is daarom in beginsel bruikbaar voor de onderbouwing van de stellingen van verweerder. Eiseres heeft echter inhoudelijk uitvoerig betoogd dat en waarom de daarin verwerkte informatie van [persoon B] niet betrouwbaar is. Kort gezegd komen haar stellingen op het volgende neer. [persoon A] heeft [persoon B] in het verleden financieel ondersteund. [persoon A] en [persoon B] hebben een conflict gekregen over een bedrag van € 30.000 dat [persoon A] aan [persoon B] heeft geleend. Op 3 november 2014 is er ingebroken bij eiseres. Daarbij zijn twee gokkasten leeggeroofd. Op camerabeelden heeft [persoon A] [persoon B] herkend. [persoon A] heeft aangifte van de inbraak gedaan. Later heeft hij ontdekt dat er ook een usb-stick met administratie was meegenomen. [persoon B] heeft erkend dat hij administratie van eiseres heeft meegenomen. Een brief van zijn advocaat waaruit dit blijkt bevindt zich in de stukken (bijlage a bij bijlage 4 bij de brief van de gemachtigde van 25 april 2019). In maart 2015 heeft [persoon B] de usb-stick overhandigd aan de FIOD. Volgens [persoon A] is informatie daarop gewijzigd en heeft [persoon B] informatie toegevoegd. In 2016 hebben twee mannen zich gemeld bij [persoon A] , die geld eisten. In 2017 hebben twee andere mannen namens [persoon B] geld geëist. Deze mannen zijn op 3, 4 en 6 augustus en 19 september 2017 teruggekomen. Op 24 december 2017 is er ingebroken bij de ouders van [persoon A] . Op 26 januari 2018 is er ingebroken bij de broer van [persoon A] . Uit camerabeelden blijkt dat het om dezelfde mannen gaat die in 2017 meermalen bij eiseres zijn geweest om geld voor [persoon B] te komen halen. Verder heeft eiseres een getuigenverklaring overgelegd van [persoon H] , waarin hij onder meer verklaart over het feit dat hij is benaderd door twee mannen, over de zaal in [plaats1 in NL] waar zij samen zijn geweest en over de inbraken in de woningen van de ouders en de broer van de eigenaar van de zaal.

13. Verweerder heeft niet inhoudelijk op de stellingen van eiseres gereageerd, behalve met de opmerking dat in de aangifte van de inbraak niet wordt gesproken over een usb-stick en dat niet valt in te zien dat [persoon B] als medeaandeelhouder belang heeft bij het verstrekken van onjuiste informatie. Verweerder heeft ter onderbouwing van de betrouwbaarheid van de informatie van [persoon B] het volgende aangevoerd:

  • -

    de cafébonnen (in het onderzoeksrapport aangeduid als kladadministratie) zijn vergeleken met de omzetlijsten uit de administratie van eiseres. De cijfers in de kladaantekeningen en de omzetlijsten zijn herleidbaar of komen overeen voor wat betreft de bingo-ontvangsten zoals verantwoord in de administratie van [bedrijf 3] ;

  • -

    in de kladadministratie bevinden zich bonnen met bijvoorbeeld de omschrijving “Omzet”. In de kasadministratie van eiseres zijn op data van veel van die bonnen omzetten geboekt;

  • -

    de btw-aangiften bij de stukken van [persoon B] komen overeen met de aangiften die zijn gedaan bij de Belastingdienst;

  • -

    in de verwerking van de cijfers van [persoon A] door de adviseur in de jaarstukken bevindt zich geen correspondentie die verwijst naar mogelijke onjuistheid van de aangeleverde cijfers.

Daarnaast heeft verweerder gewezen op de informatie die hij van derden (te weten de ondervraagde bestuursleden van [vereniging I] en [vereniging J] ) heeft verkregen.

14. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder onvoldoende inhoudelijk is ingegaan op de betrouwbaarheid van de stukken die hij van [persoon B] heeft ontvangen. Verweerder heeft niet betwist dat sprake is van een langslepend conflict tussen [persoon B] en [persoon A] . [persoon B] beschikte over administratie van eiseres. Dat delen van de stukken die [persoon B] heeft toegezonden aan de FIOD overeenkomen met de administratie van eiseres is dan ook niet vreemd. Het gaat juist om de vraag of de delen die niet overeenkomen betrouwbaar zijn. Daarop is verweerder niet ingegaan. Zo zijn er vele cafébonnen overgelegd waarop een bedrag voor een feest is vermeld, waarop bedragen in aftrek zijn gebracht voor zaken als versiering, taart, bloemen, camera, auto of personeel. In de administratie is dan in de regel alleen het restantbedrag terug te vinden, maar daarmee staat nog niet vast dat de overeengekomen prijs van het desbetreffende feest inderdaad hoger was dan het bedrag dat in de administratie is vermeld.

15. Eiseres heeft in elk geval aannemelijk gemaakt dat de aantekeningen op de cafébonnen niet door [persoon A] zijn gemaakt. Anders dan verweerder kan de rechtbank dit wel afleiden uit het rapport van het NFO. Als bijlage daarbij is een geschrift gevoegd dat kennelijk afkomstig is van [persoon A] . Dit geschrift is vergeleken met de aantekeningen op de cafébonnen. De handschriften komen niet overeen. Daarmee is de mogelijkheid blijven bestaan dat [persoon B] zelf die aantekeningen heeft toegevoegd. In een interne e-mail van [persoon V5] , medewerker van de Belastingdienst, aan de controlemedewerkers van 21 maart 2017 is hierover een vraag gesteld, waarop de controlemedewerker heeft geantwoord en zelf deze mogelijkheid al heeft geopperd:

“Bonnen e.d. zijn ingeleverd door de tipgever, vermoedelijk heeft de tipgever ook de bonnen geschreven op basis van de digitale administratie die op de oude computer van [persoon A] aanwezig was.”

16. Op de stelling van [persoon A] namens eiseres dat [persoon B] alleen een financieel belang in de zaak had maar daar feitelijk niet kwam is verweerder niet ingegaan. Als de aantekeningen door [persoon B] zijn aangebracht, kan dat alleen achteraf zijn gebeurd. Dat doet ernstig afbreuk aan de betrouwbaarheid van deze stukken. De derden hebben niet verklaard over deze bonnen. Deze bonnen hebben namelijk betrekking op de feestavonden, terwijl de derden alleen hebben verklaard over de bingoavonden. Verweerder heeft de betrouwbaarheid van de stukken van [persoon B] tegenover de uitvoerige, gemotiveerde betwisting door eiseres dan ook op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.

17. Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de stukken van [persoon B] terzijde. Dat geldt niet alleen voor de genoemde bonnen, maar voor alle stukken van [persoon B] .

18. Verweerder heeft aangevoerd dat het onderzoek dat hij heeft uitgevoerd voldoende zelfstandige betekenis heeft en de stelling kan onderbouwen dat te weinig omzetbelasting en loonheffingen is betaald. De rechtbank zal dat nader onderzoeken.

inhoudelijke beoordeling - algemeen

19. Eiseres heeft telkens tijdig aangifte voor de omzetbelasting en de loonheffingen gedaan. Naar vaste jurisprudentie kan bij inhoudelijke gebreken in een aangifte uitsluitend worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet is geheven, op zichzelf beschouwd, (absoluut) aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen als de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast1.

omzetbelasting

20. In de administratie van eiseres zijn kosten geboekt ter zake van uitgaven waarvoor bonnen in de administratie aanwezig zijn die niet aan de wettelijke eisen voldoen. Dit gaat bijvoorbeeld om contante inkopen bij supermarkten waarbij de kassabonnen niet op naam van eiseres zijn gesteld. Na bezwaar resteren hiervoor correcties van € 1.182 over 2011, € 448 over 2012, € 452 over 2013 en € 440 over 2014. Deze correcties bestrijdt eiseres niet. Aannemende dat eiseres per kwartaal aangifte voor de omzetbelasting heeft gedaan, en bij gebreke van een uitsplitsing van de bedragen naar kwartaalbedragen, is niet aannemelijk geworden dat als gevolg van het in aftrek brengen van deze bedragen bij enige aangifte een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan omzetbelasting niet is betaald of te veel is teruggekregen. Deze correctie is op zichzelf dus onvoldoende voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

21. Voor het overige leunt het controlerapport voor de omzetbelasting vrijwel volledig op de stukken van [persoon B] . Er zijn kosten op de cafébonnen in aftrek gebracht, terwijl de bedragen die in de administratie van eiseres zijn opgenomen overeenkomen met het saldo dat resteert na aftrek van de kosten. Omdat de cafébonnen niet betrouwbaar zijn, kan daaraan geen bewijs worden ontleend. Ter zitting heeft de controlemedewerker bevestigd dat de aangetroffen administratie, hoewel niet volledig, intern consistent is. Dat wil zeggen dat bedragen die zijn vermeld in de agenda van [persoon A] en bedragen in de kasadministratie in de regel aansluiten. Dat de administratie niet volledig is, kan niet leiden tot omkering van de bewijslast, omdat de afgegeven informatiebeschikking is komen te vervallen door oplegging van de naheffingsaanslagen. Het feit dat er contant wordt afgerekend vormt op zichzelf geen onderbouwing van de onjuistheid van de administratie.

22. Verweerder heeft [persoon A] voorgehouden dat er verschillende aantallen bezoekers worden genoemd in opdrachtbevestigingen en in de agenda. [persoon A] heeft daarover verklaard dat alleen door hem ondertekende opdrachtbevestigingen juist zijn en dat het aantal bezoekers in de opdrachtbevestigingen het aantal bezoekers is dat de opdrachtgever verwacht, maar dat dit in de praktijk niet gehaald wordt. Verweerder heeft gevraagd of dit nooit tot reclamaties leidt, hetgeen volgens [persoon A] nooit het geval is geweest. Verweerder vindt dit onwerkelijk, maar de rechtbank acht het juist aannemelijk, omdat de opdrachtgever voor het eten heeft gerekend op een bepaald aantal mensen en aannemelijk is dat eiseres de hoeveelheden daarop afstemt. Het kan niet zo zijn dat als er wel eten is gemaakt voor mensen die uiteindelijk niet verschijnen daarvoor niet hoeft te worden betaald. De verklaring van [persoon A] is dus (juist) aannemelijk en verweerder heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

23. Volgens het onderzoeksrapport heeft [persoon A] daarnaast het volgende verklaard:

“Van het bedrag dat ik ontvang van de opdrachtgever, is een deel voor de versiering en voor de taart. Ik heb daar mensen voor. Vanaf 2013 doe ik de taart zelf. Ik heb van decoratiemateriaal een taart laten maken (…) Tot 2013 had ik iemand waar ik de taart bestelde. Tegenwoordig haal ik dat bij de [naam bedrijf] in Duitsland.”

Hieruit heeft verweerder afgeleid dat wel degelijk kosten in mindering zijn gebracht op de omzet voordat de bedragen in de administratie zijn verwerkt. Eiseres heeft dit echter zowel in de stukken als ter zitting uitdrukkelijk bestreden en het volgt ook niet zonder meer uit deze weergave. Hoewel eerdere verklaringen van [persoon A] in de door verweerder gestelde richting lijken te wijzen, baat dat verweerder niet. Hij gaat dan immers volledig af op een verklaring van [persoon A] , die ook het tegendeel heeft verklaard. Bij gebrek aan deugdelijk ander bewijs is een verklaring van [persoon A] onvoldoende. Verweerder draagt de bewijslast en daarmee ook het bewijsrisico.

24. Als voorbeeld van de gemotiveerde betwisting door eiseres wijst de rechtbank op de gang van zaken rond de opdrachtbevestiging voor een feest op 19 november 2011. Deze dateert van 26 augustus 2011. In de opdrachtbevestiging is een prijs van € 3.600 genoemd. Bij het bezwaarschrift heeft eiseres een e-mail van de opdrachtgever van 3 september 2011 gevoegd, waarin is vermeld:

“Wij hebben de foto’s van de taart gekeken en hebben besloten om de taart toch bij iemand anders te laten maken.”

In de kasadministratie is een bedrag van € 3.300 opgenomen. Dit komt dus niet overeen met de opdrachtbevestiging. Volgens eiseres is het verschil van € 300 het bedrag van de taart. Dit acht de rechtbank niet onaannemelijk. Weliswaar is het op deze manier moeilijker een aansluiting te maken tussen de opdrachtbevestigingen en de uiteindelijke bedragen aan omzet, maar daarmee is nog niet gegeven dat omzet is verzwegen wanneer beide niet overeenstemmen. Het had op de weg van verweerder gelegen dit nader te onderzoeken, te inventariseren voor welke verschillen volgens hem wel en niet een afdoende verklaring is gegeven en zijn standpunt op die wijze beter te onderbouwen. Door dit niet te doen - althans goeddeels te volstaan met verwijzing naar de hiervoor verworpen kladadministratie - heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat onjuiste bedragen (en welke dan precies) in de kasadministratie zijn verwerkt.

25. Dat eiseres heeft verklaard een all-in concept te leveren, maakt het voorgaande niet anders. [persoon A] heeft in de stukken en ter zitting toegelicht dat hij daarmee bedoelt dat er één prijs wordt afgesproken voor alles wat er in de zaal geregeld wordt, dat wil zeggen: eten, drinken, versiering, taart en dergelijke. Per situatie worden afspraken gemaakt over wat een klant precies wil afnemen (inclusief zaken als wel of geen alcohol) en daarop wordt de prijs afgestemd. Als klanten bijvoorbeeld foto’s willen laten maken van het feest, heeft eiseres visitekaartjes van fotografen. Zij benadert deze echter niet zelf. Zij bestrijdt ook dat - zoals verweerder in eerste instantie heeft opgetekend - zij andere derden benadert.

26. Verweerder heeft daarnaast nog gewezen op een in zijn ogen onverklaarbare daling van het brutowinstpercentage na 2011. In 2010 bedroeg dit percentage 357, in 2011 nog 352, in 2012 was het 269, in 2013 was het slechts 174 en in 2014 was het 192. Ook hieruit leidt verweerder verzwegen omzet af, mede omdat de branchegegevens voor cafés en restaurants uitkomen op een brutowinstpercentage van 320.

27. De rechtbank volgt verweerder ook daarin niet. Eiseres heeft hiervoor namelijk wel degelijk een verklaring gegeven. Zij heeft erop gewezen dat in 2010 en 2011 haar inkomsten alleen bestonden uit de inkomsten van de bingoavonden. Pas in 2011/2012 is zij feesten gaan organiseren. Daardoor veranderde het karakter van de onderneming. Doordat er meer feesten kwamen, konden bingoavonden ook niet altijd meer doorgaan en na de vondst van een hennepkwekerij in een woning boven de zaak zijn enkele verenigingen afgehaakt, aldus eiseres. Juist de bingoavonden leidden echter tot een verhoudingsgewijs hoge brutowinstmarge vanwege de afspraken die daarover waren gemaakt. De werkzaamheden werden volgens verklaring van eiseres verricht door vrijwilligers van de verenigingen die daarvoor € 30 per persoon per avond ontvingen. Voor de koffie werd € 1 per bingospeler betaald. Hiervoor konden de bingospelers tot 20.00 uur onbeperkt koffiedrinken. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat haar kostprijs voor een kilopak koffie slechts € 1,99 is. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiseres heeft verklaard aannemelijk is dat sprake is van een hoge brutowinstmarge op de bingoavonden. Voor het verschil met de branchegegevens heeft eiseres als verklaring gegeven dat haar werkzaamheden niet overeenkomen met die van het typische café/restaurant. Op de bingoavonden is er weinig omzet, omdat alleen halverwege in de pauze van een kwartier eenvoudige snacks kunnen worden genuttigd. De feestavonden wijken ook af van de gebruikelijke gang van zaken in een restaurant. De kostprijs wordt laag gehouden door het eten in buffetvorm aan te bieden, maar de prijzen die eiseres hiervoor vraagt zijn daar ook naar, te weten vanaf € 10 per gast inclusief frisdrank. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar de vraag of de branchegegevens voldoende aansluiten bij de feitelijke omzetgegevens van eiseres in het licht van haar bedrijfsvoering. In het kader van een schatting zou informatie uit branchegegevens wellicht bruikbaar kunnen zijn, maar zoals hiervoor is overwogen, dient verweerder eerst met de gewone bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Daarvoor is een verwijzing naar branchegegevens veel te weinig. Andere gegevens heeft verweerder in het kader van de omzetbelasting niet naar voren gebracht.

28. Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding voor omkering en verzwaring van de bewijslast. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiseres een hoger bedrag aan omzetbelasting verschuldigd is dan resteert op basis van de hiervoor genoemde niet betwiste bedragen ter zake van de zogenoemde contantbonnen.

loonheffingen

29. Met betrekking tot de loonheffingen heeft verweerder aanvullend nog het volgende aangevoerd. Uit de eigen stellingen van eiseres in het beroepschrift volgt dat zij circa vijftien werknemers in dienst heeft en dat de rest op afroep beschikbaar is. In 2011 waren vijftien loongerechtigden in de aangiften opgenomen, in 2012 zeventien en in 2013 dertien. Kennelijk zijn dus de oproepkrachten niet, of in elk geval niet allemaal, meegenomen, aldus verweerder. Uit de verklaringen van [persoon A] , [persoon B] en de verenigingen blijkt dat op een bingoavond personeel van eiseres werkzaamheden uitvoert. Uit de verklaringen blijkt dat het personeel € 30 netto op een avond ontvangt. Uit het kasboek voor het jaar 2014 blijkt verder dat een bedrag van € 25.390 aan nettolonen contant is betaald, terwijl de aangegeven loonsom in 2014 € 9.636 bedraagt.

30. De rechtbank stelt vast dat eiseres over het aantal werknemers later heeft verklaard dat de circa vijftien werknemers allemaal op afroep beschikbaar zijn en dat dus niet sprake is van én vijftien werknemers én oproepkrachten. Ter zitting heeft [persoon A] erkend dat hij over het hoofd heeft gezien dat dit in de gronden van het beroep verkeerd is vermeld. Aangezien daarmee sprake is van twee verschillende verklaringen, is verweerder niet geslaagd in het bewijs dat naast circa vijftien werknemers ook nog oproepkrachten voor eiseres werkte. Verweerder gaat daarvoor immers wederom volledig af op een verklaring van eiseres, die zij later zelf heeft bestreden. De rechtbank acht het overigens gelet op de activiteiten van eiseres ook niet onaannemelijk dat zij uitsluitend of grotendeels met oproepkrachten werkt.

31. Ook over de vraag of er op de bingoavonden personeel van eiseres rondloopt, en zo ja hoeveel, zijn de stukken bepaald niet eenduidig. Verweerder verwijst hiervoor naar de weergave in het controlerapport van de verklaringen van met name [persoon C] en in mindere mate [persoon E] en [persoon F] .

32. Uit de verklaring van [persoon E] en [persoon F] in het controlerapport volgt dat er vanuit [vereniging J] per bingoavond drie vrijwilligers aanwezig zijn, te weten [persoon E] , zijn echtgenote en een wisselende derde. De personen die meehelpen zijn leden of hun echtgenoten. Bij ziekte van een vrijwilliger valt een andere vrijwilliger in. Dat wordt binnen de club geregeld en voor 2015 werd dit ook wel met de andere verenigingen geregeld. De vrijwilligers krijgen € 30 per persoon. [persoon E] houdt toezicht op de bingoavonden. [bedrijf 3] heeft één kelner lopen, niet altijd dezelfde persoon, en ook [persoon A] is aanwezig. [persoon E] staat in de keuken en bakt frites en dergelijke. Vrijwilligers van de verenigingen helpen bij het uitserveren van de snacks. [persoon A] en een personeelslid van hem doen de drankjes en helpen ook bij het uitserveren van de snacks.

33. Eiseres heeft in de bezwaarfase een verklaring overgelegd die is voorzien van de namen van [persoon E] en [persoon F] en van een handtekening, waarin de weergave van de verklaring in het controlerapport wordt genuanceerd, zoals weergegeven onder de feiten. Aangezien daarin ook de taak van de kelner staat genoemd als een taak die wordt uitgevoerd door een vrijwilliger, kan uit de verklaringen van [persoon E] en [persoon F] in onderlinge samenhang bezien niet worden afgeleid dat er op de bingoavonden van [vereniging J] personeel van eiseres (in die hoedanigheid) aanwezig was. Deze nadere verklaring wordt ook ondersteund door de inhoud van het rapport van 20 februari 2014.

34. Gelet hierop resteert nog de verklaring van [persoon C] . Die is niet nader aan hem voorgelegd en niet door hem ondertekend. Ter zitting heeft de controleambtenaar verklaard dat hij aantekeningen van het gesprek heeft gemaakt en die ter plekke aan [persoon C] heeft voorgehouden om te verifiëren of de weergave juist was. In deze verklaring staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Voor de crisis waren de deelnemende verenigingen:

(…)

[vereniging I] één avond

(…)

Van het [vereniging I] was ik betrokken en aanwezig. Verder niemand. (…)

Ik zette alles klaar voor de bingo, telde de kaarten en haalde het geldkistje van de bingo bij Samuel. (…)

Om 19.30 uur deed ik het geldkistje dicht. [persoon A] nam dit dan van mij over. Als er nog laatkomers kwamen, konden die bij [persoon A] bingokaarten kopen. (…)

Ik heb nooit geld aangenomen voor snacks. Daar was iemand van [bedrijf 3] voor aanwezig. Er was ook een kok/frietbakker en een kelner of ober. In totaal waren wij met 5 personen, drie van [bedrijf 3] , [persoon A] en ik.

Ik deed alleen de bingo. Ik had ook niets met het uitserveren van de snacks van doen. (…)

Wat te doen bij ziekte van de vaste vrijwilliger? (…)

Dan regelden wij onderling een vrijwilliger van de andere vereniging. Iemand de bekend was met het spel.”

35. Op zich genomen kan uit deze verklaring worden afgeleid dat er op de bingoavonden van [vereniging I] personeel van [bedrijf 3] aanwezig was. Hierbij dienen echter twee kanttekeningen te worden gemaakt. In de eerste plaats heeft eiseres wel enige bedragen aan loonheffingen aangegeven. Eiseres heeft ook verklaard dat op sommige dagen, als [persoon A] niet aanwezig was, personeel van haar aanwezig was. Gelet op de verschillen tussen de verklaring van [persoon C] en die van [persoon E] en [persoon F] is het aannemelijk dat de taakverdeling per bingoavond kon verschillen, afhankelijk van het aantal mensen dat de vereniging zelf meebracht. De omvang van de inzet van personeel van eiseres is daarmee onduidelijk gebleven, wat maakt dat niet zonder meer kan worden gesteld dat eiseres te weinig loonheffingen heeft aangegeven en afgedragen, laat staan in welke aangifte. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiseres heeft verklaard dat veel van de vrijwilligers op de bingoavond 65+ zijn, wat invloed heeft op de hoogte van de eventueel verschuldigde bedragen vanwege het lagere tarief in de eerste schijf.

36. Daar komt bij dat eiseres heeft verklaard dat de bingoavonden al bestonden voordat zij het pand kocht en dat zij pas later is begonnen met de feestavonden. In eerste instantie - toen eiseres de zaak overnam van de vorige eigenaren - kan logischerwijs alleen maar sprake zijn geweest van vrijwilligers van de verenigingen. Eiseres heeft verklaard dat toen zij begon met de feestavonden zij voor de bediening op die avonden een aantal van deze vrijwilligers heeft benaderd. Zij zijn daarvoor in dienst gekomen bij haar. Daarnaast bleven ze de taken op de bingoavonden uitoefenen als vrijwilligers voor hun vereniging. Het is dus aannemelijk dat degenen die de keuken- en bedieningstaken op de bingoavonden verrichtten (deels) dezelfde mensen waren die op andere avonden in dienst van eiseres werkzaam waren. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor de verwarring die is ontstaan over de verklaring van [persoon E] en [persoon F] als gesproken wordt over een kelner van [bedrijf 3] . Op dezelfde wijze acht de rechtbank de verklaring van [persoon C] voor meer interpretaties vatbaar. Verweerder gaat ervan uit dat de mensen in de keuken en de bediening op alle bingoavonden een vergoeding van (netto) € 30 ontvingen. Verweerder heeft echter geen onderzoek gedaan naar de rol die eiseres speelde op de bingoavonden, in hoeverre gezegd zou kunnen worden dat deze betalingen door eiseres werden verricht en in hoeverre op de bingoavonden sprake is geweest van werkzaamheden voor en onder gezag van eiseres. Het enkele feit dat een deel van deze mensen tevens in dienst van eiseres is acht de rechtbank in het licht van alles wat eiseres heeft aangevoerd onvoldoende.

37. Voor de constateringen over het kasboek van 2014 heeft eiseres gewezen op de e‑mail van haar boekhouder van 7 juni 2018. Hieruit volgt dat eiseres de aan de holding verschuldigde management fee als nettoloon heeft geboekt, maar dat feitelijk in de verhouding tussen eiseres en [persoon A] geen sprake is van loon ter zake waarvan loonheffing verschuldigd is. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Verweerder heeft geen feiten gesteld op grond waarvan tot een ander oordeel moet worden gekomen.

38. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiseres te weinig loonheffingen heeft aangegeven en afgedragen. Daarom is er geen grond voor naheffing. Aan omkering van de bewijslast wordt daardoor niet toegekomen.

conclusie en boetes

39. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De naheffingsaanslag loonheffingen, de desbetreffende beschikking heffingsrente/belastingrente en de boetebeschikking worden vernietigd. De rechtbank zal de naheffingsaanslagen omzetbelasting verminderen tot € 1.182 voor 2011 en in totaal € 1.340 over de jaren 2012 tot en met 2014. De desbetreffende beschikkingen heffingsrente en belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd.

40. Verweerder heeft ook voor de omzetbelasting vergrijpboetes opgelegd, naar de rechtbank begrijpt omdat hij van mening is dat het aan opzet van eiseres te wijten is dat te weinig omzetbelasting is betaald (artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Subsidiair heeft verweerder zich beroepen op voorwaardelijk opzet en meer subsidiair neemt hij de stelling in dat sprake is van grove schuld.

41. Omdat alleen een correctie ter zake van de zogenoemde contantbonnen resteert, dient voor het kunnen opleggen van een boete op dat punt sprake te zijn van opzet of grove schuld. Verweerder heeft daarvoor onvoldoende gesteld en heeft ter zitting zelfs erkend dat het feit dat bonnen niet op naam van de onderneming zijn gesteld normaliter geen probleem is, mits aannemelijk is dat het uitgaven voor de onderneming betreft. Het betreft in dit geval uitgaven in supermarkten en onder meer de Action. Dergelijke kosten kunnen best ten behoeve van de onderneming zijn gemaakt. Verweerder heeft niet onderbouwd dat eiseres niet de afnemer is. Daarmee is niet aannemelijk dat eiseres wist of had moeten weten dat de omzetbelasting op deze uitgaven niet voor aftrek in aanmerking kwam. Verweerder heeft opzet, voorwaardelijk opzet of grove schuld niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de boetebeschikkingen daarom vernietigen.

schadevergoeding en proceskosten

42. Eiseres heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Naar de rechtbank begrijpt, handhaaft zij die stelling niet meer sinds verweerder bij brief van 16 augustus 2018 het volledige controledossier heeft overgelegd, maar wil eiseres wel een vergoeding in dit verband. Zij heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, maar daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding. Eiseres heeft het verzoek in die zin namelijk niet onderbouwd. De onderbouwing ter zitting betreft het feit dat de gemachtigde als gevolg van de proceshouding van verweerder extra werk heeft moeten verrichten en dat de gang van zaken extra tijd heeft gekost. Het eerste punt zal de rechtbank betrekken in de hoogte van de proceskostenvergoeding, het tweede punt wordt betrokken in de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn.

43. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vraag of grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn uit van de regels die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. In de kern komen die regels op het volgende neer.

44. Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een halfjaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Als sprake is van meer zaken van een belastingplichtige die gezamenlijk zijn behandeld, moet worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. In dat geval wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Als niet tegelijkertijd bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, wordt voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerste bezwaar- of beroepschrift.

45. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken. Weliswaar is op verschillende momenten uitspraak op bezwaar gedaan, maar dat heeft ermee te maken dat sprake is van verschillende belastingmiddelen en dus verschillende inspecteurs. Er is één hoorzitting geweest, waaruit volgt dat wel sprake is geweest van een gezamenlijke behandeling. Vanaf de indiening van het eerste bezwaarschrift op 23 augustus 2016 tot deze uitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. De bezwaarfase is geëindigd met de oudste uitspraak op bezwaar, die van 13 februari 2018 dateert (dossier loonheffingen). De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke termijn. De overschrijding van de termijn bedraagt daarmee in totaal bijna achttien maanden. Hiervan zijn afgerond twaalf maanden aan de bezwaarfase toe te rekenen en afgerond zes maanden aan de beroepsfase. Daarom zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van € 1.000 en de Staat tot vergoeding van € 500.

46. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding van ongeveer € 30.000, omdat zij van mening is dat verweerder tegen beter weten in dan wel zeer onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, althans niet geheel.

47. Verweerder heeft intern overleg gevoerd en daarvan stukken overgelegd, waaruit volgt dat er nog wel wat kritische kanttekeningen te maken waren bij de ingenomen standpunten (zie vooral de vragen in de e‑mail van [persoon V5] van 21 maart 2017), maar het feit dat verweerder niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van tegen beter weten in procederen. Wel is de rechtbank het met eiseres eens dat de proceshouding van verweerder niet fraai is. Eiseres heeft erop gewezen dat verweerder structureel niet is ingegaan op diverse inhoudelijke aspecten van de zaak en pas in de beroepsfase met alle op de zaak betrekking hebbende stukken is gekomen. Verweerder heeft in eerste instantie erkend dat in de bezwaarfase niet uitdrukkelijk is gewezen op het recht op inzage. Ter zitting is dit standpunt genuanceerd in die zin dat alles volgens verweerder wel beschikbaar was. Daar heeft eiseres tegenover gesteld dat verweerder zich inhoudelijk bleef beroepen op de stukken van [persoon B] en niet of nauwelijks op de argumenten van eiseres daartegen inging, en dat in de beleving van eiseres een open gesprek niet goed mogelijk was. De rechtbank acht dit vanuit de stellingname van verweerder beredeneerd niet zodanig onzorgvuldig dat dit een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Daarbij is mede van belang dat de verklaringen van eiseres niet altijd geheel consistent zijn en het verweerder vrijstaat daarin een keuze te maken. Als die keuze onvoldoende gemotiveerd wordt, leidt dat tot een bewijsprobleem, maar in de regel niet tot een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Verweerder heeft de stellingen van eiseres over de betrouwbaarheid van de stukken van [persoon B] ook niet geheel onbesproken gelaten: in het controlerapport is toegelicht waarom de stukken van [persoon B] volgens verweerder wel betrouwbaar zijn en daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat [persoon A] bij de aangifte van de inbraak niet heeft vermeld dat een usb-stick was gestolen.

48. De rechtbank volgt eiseres wel in haar stelling dat de proceshouding van verweerder heeft gemaakt dat veel meer werk in de beroepsfase moest worden verricht. Zo kon de gemachtigde in eerste instantie geen volledige standpunten innemen en heeft hij - met toestemming van de rechtbank - een conclusie van repliek en zelfs een aanvullende conclusie van repliek ingediend naar aanleiding van de alsnog overgelegde stukken. Ook bleef het lange tijd onduidelijk wat het standpunt van verweerder over een groot deel van de stellingen van eiseres was, wat een voorbereiding van de zitting heeft bemoeilijkt. Hierin ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid om af te wijken van de forfaitaire vergoedingen op grond van het Besluit.

49. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsfase in totaal vast op € 7.500. Daarbij is rekening gehouden met de zwaarte van de zaak en het extra werk dat de gemachtigde heeft moeten verrichten als gevolg van de proceshouding van verweerder. Op dit bedrag kan verweerder de in bezwaar al toegekende vergoeding in mindering brengen voor zover hij dit al heeft betaald. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag loonheffingen en de desbetreffende beschikking heffingsrente / belastingrente;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2011 tot € 1.182;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014 tot € 1.340;

  • -

    vermindert de desbetreffende beschikkingen heffingsrente en belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt de Staat tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 7.500;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 676 aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ketner, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.