Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:874

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
359771
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdeling na echtscheiding. De man doet na tien jaar een beroep op een onvoorziene omstandigheid ex artikel 6:258 BW. De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt de man in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/359771 / HA ZA 19-59

Vonnis van 29 januari 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. Y. Eryilmaz te Arnhem,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W. Vahl te Barneveld.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 november 2019 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de brief van de man met producties, ingekomen op 3 januari 2020;

  • -

    de brief van de vrouw met producties, ingekomen op 9 januari 2020;

  • -

    de brief van de man met producties, ingekomen op 9 januari 2020;

  • -

    de zittingsaantekeningen van de griffier van 13 januari 2020;

  • -

    de namens de vrouw overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 21 mei 1994 te Rozendaal in gemeenschap van goederen.

2.2.

Sinds 1 april 2006 leven partijen duurzaam gescheiden.

2.3.

Het huwelijk tussen partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 2 oktober 2009. Partijen hebben in onderling overleg een regeling getroffen in het echtscheidingsconvenant dat als bijlage aan de beschikking van de rechtbank Utrecht van 26 augustus 2009 is gehecht en onderdeel uitmaakt van die beschikking.

2.4.

In het convenant zijn drie woningen, welke gezamenlijk eigendom waren van partijen, onverdeeld gebleven. Hierover is het volgende vermeld:

“Verkoop woningen

Partijen bezitten drie woningen:

  1. woning [adres]

  2. woning [adres]

  3. woning aan [adres] .

Deze woningen worden verkocht en overgedragen aan de eerste belangstellende die naar het oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt. Mochten partijen het niet eens zijn over een uitgebracht bod dan zullen zij zich laten leiden door het advies van de door hen ingeschakelde makelaar. De opbrengst wordt aangewend om alle kosten van verkoop en overdracht te voldoen en alle gedurende het huwelijk aangegane geldleningen af te lossen. Een resterende opbrengst of geldlening wordt gelijk verdeeld.

Lasten echtelijke woning

Vanwege het lagere inkomen van de vrouw achten partijen het redelijk en billijk dat de man alle lasten die verbonden zijn aan de gezamenlijke woningen voor zijn rekening neemt. Het beheer en verhuur van de woningen zal volledig bij de man liggen.”

2.5.

De echtelijke woning in Rozendaal is enige tijd na de echtscheiding verkocht. De tweede woning in Rozendaal is (pas) in 2018 verkocht. De woning in Spanje staat nog te koop. De man voldoet tot op heden alle lasten van de woning in Spanje, voert het beheer en ontvangt alle inkomsten uit de verhuur.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert samengevat -:

  • -

    dat de vrouw vanaf 1 januari 2019 50% van alle lasten met betrekking tot de woning [adres] te Spanje zal dragen en daarmee ook voor 50% aanspraak maakt op de huuropbrengsten van deze woning tot aan de dag van overdracht;

  • -

    dat een andere verdeelsleutel wordt aangehouden bij de verdeling van de woning;

  • -

    medewerking van de vrouw aan een nieuwe taxatie;

  • -

    vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van dit geding.

3.2.

De vrouw voert verweer en stelt dat de man niet ontvankelijk is in zijn vorderingen dan wel dat ze moeten worden afgewezen. Daarnaast vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De rechtbank oordeelt, anders dan door de vrouw primair betoogd, dat de man wel ontvankelijk is in zijn vordering. Dat de vrouw de vordering als onvoldoende (juridisch) gemotiveerd beschouwt, maakt dat niet anders. De man heeft de vordering zo gemotiveerd en uitgeschreven zoals hij het ziet en het is dan aan de rechtbank om te beoordelen of hij zijn vordering daarmee voldoende heeft onderbouwd. Dat is een inhoudelijke beoordeling. Er is geen sprake van een dusdanig gebrek aan onderbouwing dat aan die inhoudelijke beoordeling niet wordt toegekomen.

Inhoudelijke beoordeling

4.2.

De rechtbank begrijpt dat de man zich er primair op beroept dat er eerder is afgeweken van het convenant, namelijk bij de verkoop van de tweede woning in Rozendaal in 2018, en dat er daarom nogmaals kan (moet) worden afgeweken van het convenant. De man heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat partijen bij de verkoop van de tweede woning in Rozendaal zijn afgeweken van het convenant. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat partijen de opbrengst wel bij helfte hebben gedeeld, zoals was afgesproken, maar dat eerst een aantal vorderingen die de man op de eenvoudige gemeenschap had in verband met door hem bij wijze van voorschot betaalde herstelwerkzaamheden aan de woning zijn verrekend waarna de opbrengst bij helfte is verdeeld. De man heeft niet betwist dat het op deze manier is gegaan. Deze gang van zaken houdt geen afwijking van het convenant in, maar een verrekening los daarvan met inachtneming van de in het convenant opgenomen verdeelsleutel.

4.3.

De rechtbank overweegt dat de man onvoldoende onderbouwd heeft dat partijen anderszins zijn afgeweken van het convenant. Ook de stelling dat de man een hoger bedrag aan partneralimentatie heeft betaald, waardoor partijen van het convenant zijn afgeweken, is door de man op geen enkele wijze met bewijsstukken onderbouwd.

4.4.

Dan ligt de vraag voor of er sprake is van een onvoorziene omstandigheid op grond waarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het convenant niet ongewijzigd in stand kan blijven volgens artikel 6:258 BW, zoals de man subsidiair heeft betoogd. De man heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de onvoorziene omstandigheid is dat de woning al tien jaar te koop staat en hij niet meer in staat is om de lasten te dragen.

4.5.

De rechtbank overweegt dat de man zelf ook een aandeel heeft in het feit dat de woning al tien jaar te koop staat. De man heeft niet gesteld dat de vrouw de verkoop traineert. De vrouw heeft juist aangetoond dat zij meedenkt over hoe de woning sneller verkocht zou kunnen worden. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de man de woning voor een bepaalde prijs wil verkopen en dat de woning mogelijk daardoor al zo lang te koop staat. Dat geldt echter niet als een onvoorziene omstandigheid zoals bedoeld in artikel 6:258 BW. Het is de man die niet met de door de makelaar geadviseerde, sterk verlaagde, vraagprijs akkoord wil gaan. Relevant is verder dat bij verkoop van de woning tegen de laagst geadviseerde prijs van € 227.000 er een overwaarde kan worden gecreëerd omdat de hypotheek onbetwist ongeveer € 143.000 is. Er is dus hoe dan ook geen sprake van dat de man door de vrouw in een verliessituatie wordt gedreven.

4.6.

Dat het convenant op enige andere grond naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer in stand kan worden gehouden, is verder ook niet onderbouwd door de man. De man heeft ook niet aangetoond dat hij de kosten van de woning niet meer kan dragen. Over zijn inkomsten en uitgaven enerzijds en de lasten en baten van de woning in Spanje anderzijds is niets bekend. Wel is onweersproken gebleven dat de financiële mogelijkheden van de vrouw nog steeds zeer beperkt zijn.

4.7.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vorderingen van de man af, nu een afdoende grondslag daarvoor ontbreekt.

De proceskosten

4.8.

De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij de rechtbank afwijkt van het uitgangspunt dat proceskosten tussen gewezen echtelieden worden gecompenseerd. De rechtbank veroordeelt de man in de proceskosten omdat hij prematuur een vordering heeft ingediend en zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

4.9.

De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.383,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 1.383,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.