Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:760

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-02-2020
Datum publicatie
07-02-2020
Zaaknummer
05/079362-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ex-militair vrijgesproken van overtreding van artikel 96, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Het zetten van een infuusnaald valt onder de gegeven omstandigheden niet onder de definitie van “handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg”. Nu dit wel is tenlastegelegd en hieraan een zuiver kwalificatieve betekenis toekomt, volgt vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0050
GJ 2020/52
NJFS 2020/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/079362-18

Datum uitspraak : 3 februari 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 23 december 2019 en 20 januari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 01 augustus 2017, te Stroe, althans in Nederland, terwijl hij, verdachte, niet ingeschreven stond in een register (overeenkomstig het bepaalde artikel 3 eerste lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, het zogenaamde BIG-register), buiten noodzaak een (of meer) (be)handeling(en) heeft verricht en/of uitgevoerd op het gebied van de individuele gezondheidszorg, te weten

 het plaatsen/zetten en/of inbrengen van een holle (infuus)naald

terwijl hij bij het verrichten van bovengenoemde (be)handeling(en), zichzelf (redelijkerwijs) niet (voldoende) bekwaam en/of bevoegd kon of mocht achten en/of verdachte (derhalve) wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat hij zonder opdracht en/of toezicht van een arts en/of verpleegkundige een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander, te weten [slachtoffer] , heeft veroorzaakt, door:

 bij die [slachtoffer] een voorbehouden handeling te verrichten als bedoeld in de zin van artikel 36 lid 5 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg,

 te handelen in strijd met één of meer beroepsnorm(en) en/of protocol(len) (uit het Handboek Medische Protocollen voor de Algemeen Militair Verpleegkundige), immers verdachte heeft gedurende een training zonder een geschoold en/of bevoegd en/of bekwaam arts en /of verpleegkundige voornoemde (be)handeling(en) verricht.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs - vrijspraak

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 20 uur.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

A. Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer constateert op grond van de verklaringen van de verdachte en de overige verklaringen die in de periode van 16 januari 2018 tot en met 31 oktober 2019 ten overstaan van verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee zijn afgelegd, dat de verdachte op enig moment in de zomermaanden van 2017 een infuusnaald in een arm van soldaat [slachtoffer] heeft gestoken/gezet. Verdachte was toen als korporaal der eerste klasse werkzaam bij 110 Transportcompagnie op de Generaal-Majoor Kootkazerne in Stroe. Hij was geen (para)medicus en was niet geregistreerd ingevolge de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: ‘Wet BIG’).

Het zetten van de infuusnaald vond spontaan en zonder toezicht door een (para)medicus plaats tijdens een ZHKH (‘zelfhulp kameradenhulp’)-training door verdachte. Niet is gebleken dat door het zetten van de infuusnaald bij soldaat [slachtoffer] bloed is afgenomen of weefsel is weggenomen.

De militaire kamer overweegt allereerst dat de toen geldende Wet BIG in artikel 1 als definitie van ‘handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’ aanduidt:

  1. alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel verloskundige bijstand te verlenen;

  2. het bij een persoon afnemen van bloed of wegnemen van weefsel voor andere doeleinden dan die, bedoeld onder a;

  3. het wegnemen van weefsel bij een overledene en het verrichten van sectie,

alsmede:

alle andere verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheid te bevorderen of te bewaken.

De militaire kamer is van oordeel dat de handelingen die verdachte ten tijde van bedoelde ZHKH-training heeft verricht bij en door het zetten van de infuusnaald in de arm van soldaat [slachtoffer] , niet vallen onder de hiervoor beschreven definitie van ‘handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’.

Blijkens de inhoud van de tenlastelegging, de verwijzing naar artikel 96 lid 1 van de Wet BIG onder de tenlastelegging, en de toelichting die de officier van justitie ter terechtzitting met betrekking tot de tenlastelegging heeft gegeven, is de tenlastelegging uitdrukkelijk toegeschreven naar het verrichten van ‘handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’. Dit betekent naar het oordeel van de militaire kamer dat aan de woorden in de tenlastelegging “(be)handeling(en) heeft verricht en/of uitgevoerd op het gebied van de individuele gezondheidszorg” een zuiver kwalificatieve betekenis toekomt.

Nu de handelingen die verdachte heeft verricht bij en door het zetten van de infuusnaald niet vallen onder de hiervoor beschreven definitie van ‘handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’, kan een wezenlijk en essentieel onderdeel van het de verdachte tenlastegelegde niet worden bewezen.

Om die reden zal de militaire kamer verdachte geheel vrijspreken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Overwegingen ten overvloede

De militaire kamer realiseert zich dat een vrijspraak zoals deze, die formalistisch kan overkomen, lastig te begrijpen zou kunnen zijn. Daarom licht de militaire kamer nader toe dat de overwegingen die hierboven onder A. zijn opgenomen, in de kern er op neerkomen dat artikel 96 lid 1 van de Wet BIG niet van toepassing is op de situatie die zich heeft voorgedaan bij het in de arm van soldaat [slachtoffer] steken/zetten van de infuusnaald door verdachte.

Het is goed denkbaar dat het in de arm steken/zetten van de infuusnaald wel strafbaar is ingevolge enige andere wettelijke strafbepaling. De tenlastelegging is echter toegespitst op artikel 96 van de Wet BIG en dat artikel is niet van toepassing op een dergelijke situatie.

En de strafrechter is nu eenmaal gebonden aan de inhoud van de tenlastelegging.

Voorts overweegt de militaire kamer nog, naar aanleiding van het besprokene tijdens het onderzoek ter terechtzitting, dat het kernbestanddeel van de delictsomschrijving van artikel 96 van de toenmalige Wet BIG – te weten dat buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander is veroorzaakt – ontbreekt in de tenlastelegging.

Derhalve zou, zelfs al zou artikel 96, eerste lid, van de Wet BIG wel van toepassing zijn op de gedragingen van verdachte, een bewezenverklaring niet het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de Wet BIG opleveren.

3 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters,

en kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril en mr. J.M. Roelfsema, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2020.