Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7253

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
07-03-2022
Zaaknummer
7110770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: 7110770 CV 18-8181

Grosse aan: mr. van Staveren

Afschrift aan: mr. van Dijk

Verzonden d.d.

vonnis van de kantonrechter d.d. 22 januari 2020

inzake

[eis.conv./ged.reconv.] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. J.R. van Staveren.

Partijen worden hierna Afneemster en Dexia genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 juli 2018,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie,

- de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie, tevens vermindering van eis,

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Afnemer is op 11 januari 2000 met (de rechtsvoorganger van) Dexia een effectenlease-overeenkomst aangegaan, genaamd ‘Allround Sparen’ (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst heeft contractnummer [nummer 1] .

2.2.

De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 16januari 2006 de

nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van

misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende

reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te

voeren.

2.3.

De overeenkomst is geëindigd op 12januari 2005. Daarbij is een restschuld ontstaan

van € 1.183,34, waarvan Afnemer € 335,58 aan Dexia heeft betaald.

2.4.

Afnemer heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven

niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007

algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.5.

Namens Afnemer zijn (stuitings)brieven aan Dexia gezonden in 2009, 2012, 2016 en

2018.

3
3. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie

3.1.

Afnemer vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer en/of

toerekenbaar is tekort geschoten,

2. Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan Dexia

heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

3. voor recht zal verklaren dat Afnemer de door Dexia gevorderde restschuld niet

verschuldigd is,

4. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,

5. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een

tegenvordering, waarbij Dexia, na wijziging van eis, vordert (samengevat) dat de rechtbank

bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand gekomen is, niet is

vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging,

2. voor recht zal verklaren dat Afnemer met betrekking tot de overeenkomst niet is

blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last,

3. voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan Afnemer verschuldigd is,

4. Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden

ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder Afnemer.

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

volmacht
4.4. Dexia betwist allereerst - bij gebreke van een recente volmacht - dat Leaseproces

gevolmachtigd is om namens Afnemer deze procedure op te starten. Zij verzoekt de

kantonrechter daarom om Leaseproces te gelasten een recente volmacht te overleggen

waaruit de wil blijkt van Afnemer om Dexia nog immer in rechte te betrekken.

Dit verweer slaagt niet. Door Dexia is niet betwist dat Leaseproces door Afnemer

gevolmachtigd is. Zij wil bewijs dat dit niet veranderd is. Hiervoor is geen grond. Dexia

heeft haar stelling dat het voorgekomen is dat Leaseproces namens een overleden cliënt

procedeert niet onderbouwd. Evenmin heeft Dexia onderbouwd dat er aanleiding bestaat om

te veronderstellen dat juist Afnemer zijn machtiging heeft ingetrokken.

klachtplicht en verjaring
4.5. Dexia stelt zich op het standpunt dat Afnemer zijn klachtplicht uit hoofde van artikel

6:89 BW heeft geschonden, aangezien hij pas in 2018 (en daarmee 18 jaar na dato) jegens

Dexia heeft geklaagd over de rol van de tussenpersoon bij het sluiten van de overeenkomst.

De namens Afnemer gestuurde brieven aan Dexia bevatten geen verwijzing naar de

tussenpersoon en bevatten evenmin een klacht over de rol van de tussenpersoon, aldus Dexia.

4.6.

Het beroep op schending van de klachtplicht wordt afgewezen. De gehoudenheid van

Dexia tot schadevergoeding is niet gebaseerd op de grond dat Dexia in strijd met artikel 41

NR 1999 Afnemer als cliënt heeft geaccepteerd, maar op een schending door Dexia van de

op haar rustende tweeledige zorgplicht. Pas bij de vaststelling van de omvang van

schadevergoeding op grond van de schending van die zorgplicht wordt het in strijd handelen

met voornoemd artikel in aanmerking genomen bij de schuldverdeling in de zin van artikel

6:101 BW. Een schending van de klachttermijn is dan ook niet aan de orde.

4.7.

Ook voert Dexia aan dat de vordering van Afnemer is verjaard. Daartoe merkt Dexia

op dat Afnemer pas een beroep op de beweerde schending van artikel 41 NR 1999 heeft

gedaan ruimschoots na verloop van vijf jaar nadat Afnemer bekend was met de schade en de

daarvoor aansprakelijke persoon, terwijl de verjaring niet is gestuit. In de eerdere brieven, en

in het bijzonder in de brief van 2006 wordt de beweerde schending niet genoemd. Ook de

verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van schending van

zorgplichten is volgens Dexia met deze brief niet gestuit, nu uit deze brief niet blijkt welke

verwijten Dexia worden gemaakt, geen schending van zorgplichten wordt genoemd en geen

aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding.

4.8.

Het beroep op verjaring wordt eveneens verworpen. De vordering is gebaseerd op

een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop

de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke

persoon of personen (artikel 3:3 10 lid 1 BW). Met de brief van 2006 waarin onder meer de

onrechtmatige daad wordt genoemd en de daarop volgende brieven heeft Afnemer de

verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.

tussenpersoon
4.9. In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad geoordeeld, kort weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens de Afneemster als financieel adviseur is opgetreden, handelt zij in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de Afneemster van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

4.10.

Afnemer heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via tussenpersoon Spaar

Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikt over de voor

beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom

worden of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op

de hoogte was of behoorde te zijn.

Partijen zijn het erover eens dat van advisering sprake is indien een aanprijzing wordt

toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een

effectenleaseovereenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken

persoon wordt aanbevolen. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon hem in

voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben

van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en

specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer.

4.11.

Afnemer stelt hierover het volgende:

Hij is door Spaar Select ongevraagd telefonisch benaderd. Op voorstel van Spaar Select is

een afspraak voor een huisbezoek gemaakt met een financieel adviseur van Spaar Select.

Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur, de heer [betrokkene 1] , geïnformeerd naar de

wensen en financiële situatie van Afnemer. Met de adviseur is gesproken over de wens van

Afnemer om een nieuwe auto en spullen voor in het huis te kopen. De adviseur gaf aan dat

dit mogelijk was en adviseerde Afnemer om een Allround Sparen product van Bank

Labouchere af te nemen. Met een inleg van f 100,- per maand zou Afnemer binnen vijf jaar

een aanzienlijk vermogen opbouwen. De adviseur heeft niet gewezen op de specifieke

risico’s. Afnemer had geen beleggingservaring of kennis van complexe financiële producten

en heeft het advies van de adviseur opgevolgd.

4.12.

Dexia heeft het betoog van Afnemer ten aanzien van de totstandkoming van de

overeenkomst bestreden. Zij wijst erop dat Afnemer zijn stellingen niet (voldoende) heeft

onderbouwd met relevante stukken. Dit betoog slaagt. De stukken die Afnemer in dit

verband ter onderbouwing van zijn vordering naar voren brengt, hebben een algemene

strekking en geven geen inzicht in de manier waarop in deze concrete zaak door Spaar Select

met Afnemer is gesproken. Afnemer heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat bij de

totstandkoming van de overeenkomst sprake is geweest van verboden

beleggingsadvieswerkzaamheden.

orderremisier

4.13.

Afnemer voert ook aan dat sprake is van onrechtmatig handelen door Dexia omdat

de tussenpersoon is opgetreden als orderremisier en daardoor gehandeld heeft in strijd met

artikel 41 NR 1999. Hij voert daarbij aan, dat uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag

van 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:216, volgt dat het namens en voor rekening

van een cliënt door de tussenpersoon insturen van een aanvraagformulier aan Dexia is aan te

merken als het doorgeven van een order. Deze uitspraak van het Gerechtshof wordt niet

gevolgd, zoals ook door deze rechtbank is geoordeeld in de uitspraak van 22 mei 2019 die

gepubliceerd is onder nummer ECLI:NL:RBGEL: 2019:2253. Het gerechtshof Arnhem-

Leeuwarden heeft in het arrest van 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8462 eveneens

geoordeeld dat het enkel doorsturen van een aanvraagformulier niet kan worden aangemerkt

als het doorgeven van een order, zodat op dat punt geen sprake is van schending van artikel

41 NR 1999.

schending waarschuwingsplicht

4.14.

Tussen partijen staat wel vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht niet is

nagekomen. Daarmee heeft Dexia onrechtmatig gehandeld jegens Afnemer en daarom zal de

onder punt 1 gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen op de wijze die hierna is

aangegeven. Dexia dient in verband met deze tekortkoming tweederde van de restschuld op

zich te nemen, en, indien de overeenkomst een onaanvaardbaar zware financiële last op

Afnemer legde, tevens tweederde van de inleg. Zoals hierna in reconventie zal worden

overwogen, moet het er in deze procedure voor worden gehouden dat van een

onaanvaardbaar zware financiële last geen sprake was. Dat Afnemer op dit punt nog recht

heeft op enige vergoeding is dan ook niet gebleken. Gelet op al het voorgaande, zal de

vordering onder punt 2 daarom worden afgewezen.

4.15.

De onder 3 gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen op de grond dat

Dexia geen vordering heeft op Afnemer, nu als onweersproken vaststaat dat Dexia haar

rechten uit de overeenkomst heeft gecedeerd aan de vennootschap naar Iers recht Virde

Investments (Ireland) Limited.

buitengerechtelijke kosten

4.16.

Afnemer heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad

heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie

uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die

procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding

met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.

In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechteljke werkzaamheden gesteld als

die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele

gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en

stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van

de aanspraken van de belegger en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens

om de omvang van de aanspraken van de belegger te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval

geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

proceskosten

4.17.

Nu Afnemer grotendeels in het ongelijk gesteld wordt zal hij worden veroordeeld in

de proceskosten.

in reconventie voorts

4.18.

Dexia vordert verschillende verklaringen voor recht die ertoe strekken het niet bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan Afnemer verschuldigd.

De procesefficiëntie is er volgens haar bij gediend om alle geschilpunten in deze procedure

beoordeeld te krijgen en om ervoor te zorgen dat Leaseproces na afwijzing van de vordering

niet een nieuwe procedure aanhangig maakt. Volgens Afnemer heeft Dexia geen belang bij

haar gevraagde verklaringen voor recht, is haar vordering te vaag om toegewezen te worden,

heeft Dexia haar vordering niet onderbouwd en meent hij ten slotte nog enkele vorderingen

op Dexia te hebben.

4.19.

Alvorens puntsgewijs in te gaan op de verschillende gevorderde verklaringen voor

recht wordt in zijn algemeenheid het volgende vooropgesteld. In beginsel is het aan de

schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in

rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring

(en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen.

Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar

die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog

jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden

om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen

over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe

kunnen de door Dexia gevraagde verklaringen voor recht een geëigend middel zijn. Anders

dan Afnemer betoogt, heeft Dexia derhalve voldoende belang om haar reconventionele

vordering in te stellen.

4.20.

Ook bij dergelijke negatieve verklaringen voor recht, blijven de stelplicht en

bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen

verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend.

de eerste vordering

4.21.

In de namens Afnemer aan Dexia verstuurde brief van 2006 heeft Leaseproces een

aantal gronden voor vernietigbaarheid van onderhavige overeenkomst benoemd, namelijk de

artikelen 3:44 BW, 6:228 BW en 3:40 BW. Op die gronden is dus in een eerder stadium van

de zaak een beroep gedaan, zonder dit beroep in de procedure zelf uit te werken. Nu

Afnemer de kans had en het ook op zijn weg gelegen had om deze gronden thans aan de orde

te stellen maar dit aldus niet gedaan heeft en hij daarnaast terecht heeft opgemerkt dat ook

vernietiging op grond van 1:89 BW in casu niet speelt, zal de gevraagde verklaring voor

recht worden toegewezen voor zover het de gronden uit de artikelen 3:44 BW, 6:228 BW,

3:40 BW en 1:89 BW betreft. De gevraagde verklaring voor recht zal niet conform gevorderd

worden toegewezen omdat niet kan worden uitgesloten dat zich in de toekômst, al dan niet

op grond van uitgekristalliseerde jurisprudentie, een situatie voordoet dat Afnemer de

overeenkomst alsnog op een andere grond kan vernietigen.

de tweede vordering

4.22.

Nu de vordering in conventie grotendeels is afgewezen heeft Dexia, anders dan

Afnemer betoogt, belang bij deze gevraagde verklaring voor recht omdat de eventuele

blootstelling aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last relevant is voor de

schadeverdeling volgens het Hofmodel. Van de zijde van Dexia is gesteld dat Afnemer bij

het aangaan van de overeenkomst niet werd blootgesteld aan een risico op een

onaanvaardbaar zware financiële last. Afnemer is daar niet op in gegaan. Daarmee heeft hij

het standpunt van Dexia onweersproken gelaten. Indien Afnemer een andere mening was

toegedaan dan had het op zijn weg gelegen dit andersluidende standpunt bij wijze van

verweer in reconventie in te nemen en bovendien te voorzien van een concrete

onderbouwing. Nu hij dat heeft nagelaten, moet het ervoor worden gehouden dat de

overeenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last op Afnemer heeft gelegd. De

gevraagde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.

de derde vordering

4.23.

Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden

vastgesteld dat zij niets meer aan Afnemer verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet

ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen.

4.24.

Afnemer verweert zich tegen de vordering door te stellen dat hij nog een vordering

heeft in verband met de door Dexia onterecht in rekening gebrachte resterende termijnen en

beleggings-technische gebreken. Zoals hiervoor overwogen, rusten de stelplicht en bewijslast

op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien.

Waar het aldus Afnemer is die zich verweert tegen de vordering van Dexia met een beroep

op onverschuldigde betaling of een vorderingsrecht, rusten op grond van de hoofdregel van

artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast ter zake van feiten die tot het door Afnemer

gestelde rechtsgevolg leiden op Afnemer.

Ten aanzien van de beleggings-technische gebreken heeft Afnemer zelf aangegeven dat hij

geen vordering terzake zal instellen, gelet op de stand van de jurisprudentie. Dat er

desondanks een vordering zou bestaan is dan onvoldoende onderbouwd.

4.25.

Afnemer heeft ter onderbouwing van zijn stelling geen bedragen genoemd, maar

slechts volstaan met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017

(ECLI:NL:HR:2017:773). Dexia betwist (ook) op dit punt nog iets aan Afnemer

verschuldigd te zijn. Volgens haar zijn er geen resterende termijnen in rekening gebracht.

Afnemer heeft zijn standpunt hierop niet voorzien van een nadere onderbouwing, zodat dit

als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd.

4.26.

Afnemer heeft voorts aangevoerd dat Dexia de op haar rustende

waarschuwingsplicht met betrekking tot het restschuldrisico heeft geschonden, om welke

reden hij Dexia nog aansprakelijk kan stellen. Ook dit betoog wordt verworpen, omdat

schending van deze zorgplicht reeds door Dexia is erkend en van een onaanvaardbaar zware

financiële last niet is gebleken, zodat op dit punt voor Dexia geen verdere verplichting tot

schadevergoeding bestaat.

4.27.

Nu Afnemer niet heeft toegelicht welke vordering(en) hij verder op Dexia meent te

hebben, slaagt zijn verweer niet. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht

toewijsbaar is. Ook hier geldt dat de verklaring voor recht niet conform gevorderd zal

worden toegewezen, omdat niet kan worden uitgesloten dat zich in de toekomst een situatie

voordoet waarin Dexia op een andere grond nog iets verschuldigd is. De vordering wordt

daarom toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia op de in deze

procedure aangevoerde gronden niets meer aan Afnemer is verschuldigd.

proceskosten

4.28.

Afnemer zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in

de proceskosten.

5 De beslissing

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomst met

nummer [nummer 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer door de op haar rustende

waarschuwingsplicht niet na te komen,

5.2.

verklaart voor recht dat Afnemer de door Dexia gevorderde restschuld niet

verschuldigd is,

5.3.

veroordeelt Afnemer in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot op heden

worden vastgesteld op € 960,00 aan salaris van de gemachtigde,

in reconventie:

5.4.

verklaart voor recht dat de overeenkomst met nummer [nummer 1] rechtsgeldig tot

stand is gekomen, niet is vernietigd op grond van de artikelen 3:44 BW, 6:228 BW, 3:40 BW

en 1:89 BW en niet blootstaat aan vernietiging op één van deze gronden,

5.5.

verklaart voor recht dat Afnemer met betrekking tot de overeenkomst met nummer

[nummer 1] niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last,

5.6.

verklaart voor recht dat Dexia op de in deze procedure aangevoerde gronden niets

meer aan Afnemer verschuldigd is,

5.7.

veroordeelt Afnemer in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot op heden

worden vastgesteld op €480,00 aan salaris van de gemachtigde,

in conventie en in reconventie voorts

5.8.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

fh