Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7159

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
05/940210-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gelet op het lange tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA, bezwaarschrift op grond van art. 7 Wet DNA gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/940210-05

Rechtbanknummer : 20/345

Uitspraak : 17 december 2020

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer inzake het op 17 september 2020 de rechtbank Gelderland ingekomen bezwaarschrift, ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:

naam: [veroordeelde] , hierna te noemen: veroordeelde,

geboren op : [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

adres : [adres] ,

plaats : [adres] ,

strekkende tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift en vernietiging van het afgenomen celmateriaal van veroordeelde.

De procedure

Vanwege de maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van het Coronavirus, waardoor een zitting in aanwezigheid van alle partijen mogelijk lange tijd op zich laat wachten, is na overleg met de advocaat, verzoeker en het Openbaar Ministerie besloten de standpunten schriftelijk uit te wisselen.

De officier van justitie heeft op voorhand haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Het verzoekschrift is in de openbare raadkamer van 7 december 2020 behandeld.

Verzoeker en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De feiten

Uit het dossier blijkt - onder meer - het navolgende.

Veroordeelde is op 14 maart 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar alsmede het verrichten van een taakstraf voor de duur van 50 uur subsidiair 25 dagen jeugddetentie ter zake overtreding van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (straatroof).

Op 12 augustus 2020 is door de officier van justitie bevolen dat celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek bij veroordeelde zal worden afgenomen. Op 16 september 2020 heeft afname van celmateriaal plaatsgevonden.

Het standpunt van veroordeelde

Veroordeelde stelt dat het bevel afname is gebaseerd op een veroordeling van 14 maart 2006 toen veroordeelde nog minderjarig was. Veroordeelde doet een beroep op de artikelen 2 lid 3, 14 lid 3 en 4 en 17 IVBPR. Een verplichte DNA-afname van een veroordeelde minderjarige is niet proportioneel ten opzichte van het legitieme doel van het voorkomen en opsporen van serieuze misdrijven. Het automatisch afnemen en opslaan zoals dat nu in Nederland gebeurt is in strijd met artikel 17 EVBPR, recht op privacy. Veroordeelde was ten tijde van de veroordeling first offender en is daarna niet meer veroordeeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Verwezen wordt naar de schriftelijke conclusie van 22 oktober 2020.

Bij mail van 16 november 2020 heeft de advocaat, in reactie op de conclusie van de officier van justitie, laten weten te persisteren en een reactie van de moeder van veroordeelde meegestuurd.

Bij mail van 17 november 2020 heeft de officier van justitie laten weten te persisteren.

De beoordeling

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.

Artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bepaalt dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering , celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. In het eerste lid onder a en b zijn de uitzonderingsbepalingen opgenomen. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van meer dan 4 jaar is gesteld en dus valt onder het gestelde in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden dient onder veroordeelde te worden verstaan: een persoon die is veroordeeld tot een straf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

De raadkamer overweegt voorts dat - krachtens EHRM-jurisprudentie - uitvoering van de Wet DNA bij veroordeelden geen ontoelaatbare schending van de privacy oplevert.

Door de wetgever is voorts bepaald in welke gevallen het bepalen en verwerken van DNA-profiel in de databank is toegestaan. In deze zaak is aan de wettelijke vereisten voldaan.

Naar het oordeel van de raadkamer biedt hetgeen namens veroordeelde naar voren is gebracht in beginsel onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Anders dan veroordeelde stelt is de lange tijd die inmiddels verstreken is tussen de veroordeling en het geven van een bevel dat veroordeelde DNA-materiaal moet afstaan, geen reden, mede gelet ook op de jurisprudentie op dit punt, het klaagschrift gegrond te verklaren.

Dit neemt echter niet weg dat de rechter, gelet op alle feiten en omstandigheden, een zelfstandig oordeel mag uitspreken over de vraag of in dit specifieke geval niet toch met recht een beroep kan worden gedaan op de uitzondering zoals bedoeld in artikel 2 eerste lid aanhef en onder b van de wet DNA bij veroordeelden.

De situatie zoals in voornoemd artikel omschreven heeft een beperkte reikwijdte maar de vraag die tevens van belang is, is of het redelijkerwijs aannemelijk is, zo het DNA-materiaal, eenmaal opgenomen is de DNA-databank, dat dit van belang zou kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten door veroordeelde.

Die situatie doet zich naar het oordeel van de raadkamer niet voor. Veroordeelde was ten tijde van de veroordeling minderjarig en first offender. Sinds zijn veroordeling in 2006 is niet gebleken van nieuwe strafbare feiten gepleegd door veroordeelde. De verwachting dat er door het opnemen van het DNA-materiaal van veroordeelde in de DNA-databank enig strafbaar feit opgespoord kan worden lijkt daarom nihil te zijn.

Het wordt de officier van justitie niet aangerekend zo lang, ruim 14 jaar, gewacht te hebben met het geven van een bevel tot afname van DNA-materiaal, maar anderzijds is de raadkamer van oordeel dat het in dit specifieke geval niet opportuun is veroordeelde na 14 jaar te confronteren met een DNA-afname en het opnemen van dat DNA-materiaal in de DNA-databank.

Op grond hiervan zal het bezwaarschrift gegrond worden verklaard en zal bepaald worden dat het afgenomen DNA-materiaal van veroordeelde moet worden vernietigd.

De beslissing

De raadkamer:

verklaart het bezwaarschrift gegrond;

bepaalt dat het afgenomen DNA-materiaal van veroordeelde wordt vernietigd.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. C. Kleinrensink, rechter, in tegenwoordigheid van

R. van Dijk, als griffier, en uitgesproken in raadkamer van 17 december 2020.