Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7132

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
8519415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering voortzetting huur, duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen vader en zoon, artikel 7:268 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/11, UDH:S&E HW/50536 met annotatie van Guy De Wijkerslooth
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: 8519415 CV 20-1710

Grosse aan: mr. J. Zeegers

Afschrift aan: mr. I. Ruesink

Verzonden d.d. 16 september 2020

vonnis d.d. 16 september 2020 van de kantonrechter

in de zaak van

[eis.conv./verw.reconv.]

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. J. Zeegers,

tegen

de stichting STICHTING SITÉ WOONDIENSTEN,

gevestigd te Doetinchem,

verwerende partij in conventie, eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. I. Ruesink.

Partijen worden hierna [eis.conv./verw.reconv.] respectievelijk Sité genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 juni 2020 en de daarin genoemde processtukken;

- conclusie van antwoord in reconventie zijdens [eis.conv./verw.reconv.] ;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 augustus 2020.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Sité en de heer [vader] , vader van [eis.conv./verw.reconv.] , (hierna: vader) is op
16 september 1967 een huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De huurprijs bedroeg laatstelijk EUR 450,00 per maand.

2.2.

[eis.conv./verw.reconv.] is op [geboortedatum] geboren en heeft vanaf zijn geboorte tot heden onafgebroken in de woning gewoond.

2.3.

Op 25 november 2019 is de heer [vader] overleden. Hij was toen 82 jaar oud.

2.4.

[eis.conv./verw.reconv.] heeft Sité verzocht om de huur op de voet van het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW te mogen voortzetten.

2.5.

Bij brief van 6 december 2019 heeft Sité dat verzoek afgewezen.

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

[eis.conv./verw.reconv.] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [eis.conv./verw.reconv.] de huur van de woning gelegen aan de [adres] te ( [woonplaats] ex artikel 7:268 lid 2 BW voortzet c.q. huurder wordt van voornoemde woning;

II. dat Sité Woondiensten zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

[eis.conv./verw.reconv.] legt daaraan het volgende ten grondslag.
heeft vanaf zijn meerderjarigheid een duurzame gemeenschappelijke huishouding met vader gevoerd. [eis.conv./verw.reconv.] heeft vanaf zijn geboorte bij vader gewoond en nooit de intentie gehad de duurzame gemeenschappelijke huishouding te beëindigen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat [eis.conv./verw.reconv.] en vader als gezin/partners samenleefden. Zo deden zij samen de boodschappen, het huishouden en kookten samen. Daarnaast hadden zij ook gezamenlijk sociale activiteiten zoals tv kijken, op visite bij vrienden, in het weekend samen naar de camping, samen op wintersport en samen vissen. Er is sprake van wederkerigheid in de relatie tussen vader en [eis.conv./verw.reconv.] . [eis.conv./verw.reconv.] en vader verdeelden ook de kosten van de huishouding. De duurzame gemeenschappelijke huishouding blijkt tot slot uit overgelegde verklaringen van buren, kennissen en familie. [eis.conv./verw.reconv.] heeft een vaste baan en geen financiële problemen en biedt aldus voldoende waarborg voor de huur, aldus [eis.conv./verw.reconv.] .

3.3.

Sité heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing, met veroordeling van [eis.conv./verw.reconv.] in de proceskosten. De inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig aan de orde komen.

4 De vordering en het verweer in reconventie

4.1.

In reconventie vordert Sité dat:

  1. de kantonrechter voor recht verklaart dat [eis.conv./verw.reconv.] zonder recht of titel in de woning verblijft en [eis.conv./verw.reconv.] veroordeelt om voormelde onroerende zaak c.a. binnen 3 weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis met al wie en/of wat er zich vanwege [eis.conv./verw.reconv.] daarin mocht bevinden te ontruimen, te verlaten en met overgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

  2. [eis.conv./verw.reconv.] zal worden veroordeeld in de proceskosten.

4.2.

Sité legt aan haar vorderingen onder meer de volgende stellingen ten grondslag.
Sité is van mening dat [eis.conv./verw.reconv.] zonder recht of titel in de woning verblijft. Het feit dat een kind na zijn meerderjarig worden nog bij zijn ouder in een gemeenschappelijke huishouding blijft wonen, brengt volgens Sité niet mee dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

4.3.

[eis.conv./verw.reconv.] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing. De inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig aan de orde komen.

5
5. De beoordeling

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de kantonrechter deze gezamenlijk bespreken.

5.2.

[eis.conv./verw.reconv.] vordert voortzetting van de huurovereenkomst tussen vader en Sité. Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW zet de persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad de huur na het overlijden van de huurder zes maanden voort en kan de rechter bepalen dat deze persoon de huur ook na die zes maanden voortzet. Volgens artikel 7:268 lid 3 BW wijst de rechter de vordering bedoeld in lid 2 in ieder geval af wanneer, kort samengevat:

  1. geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding;

  2. eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor behoorlijke
    nakoming van de huur;

  3. eiser niet in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning voor de betreffende woonruimte.

5.3.

In deze procedure staat tussen partijen uitsluitend ter discussie de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Voor wat betreft de overige twee afwijzingsgronden is niet in geschil dat [eis.conv./verw.reconv.] daaraan voldoet.

5.4.

Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer.

Ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding geldt voor degene die met een beroep op artikel 7:268 lid 2 BW voortzetting van de huur vordert een verzwaarde stelplicht.

5.5.

[eis.conv./verw.reconv.] stelt dat hij met vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Daartoe voert [eis.conv./verw.reconv.] aan dat hij zijn hele leven bij vader heeft gewoond en dat hun bedoeling was om samen te blijven wonen. Dit blijkt volgens [eis.conv./verw.reconv.] ook uit de verzoeken aan Sité die hij en vader hebben gedaan vanaf de 18e verjaardag van [eis.conv./verw.reconv.] om medehuurder te mogen worden. Verder voert [eis.conv./verw.reconv.] aan dat hij en vader naar rato van inkomen hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding en dat zij gezamenlijk aten, het huishouden verzorgden en allerlei activiteiten ondernamen. Ter onderbouwing van die stellingen heeft [eis.conv./verw.reconv.] bankafschriften van de bijdragen aan de huishouding van hem overgelegd, alsook verklaringen van buren, kennissen en familie die onder meer verklaren over de gezamenlijke activiteiten van [eis.conv./verw.reconv.] en vader.

Sité voert daar tegenover aan dat de hoofdregel onverkort geldt, inhoudende dat een ouder – kind huishouding een aflopende samenlevingssituatie is. Verder voert Sité aan dat [eis.conv./verw.reconv.] minder dan de helft zou bijdragen aan de kosten van de huishouding en er daarom geen financiële verwevenheid is. Tot slot stelt Sité dat [eis.conv./verw.reconv.] een vriendin heeft en zij samen een kindje verwachten, zodat hieruit afgeleid mag worden dat [eis.conv./verw.reconv.] geen intentie had om langdurig met vader samen te wonen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eis.conv./verw.reconv.] gesteld dat uit de bankafschriften volgt dat hij, naast de maandelijkse bijdrage aan vader, van zijn eigen rekening de boodschappen betaalde. Ook de seizoenplaats voor de caravan werd door [eis.conv./verw.reconv.] en vader bij helfte betaald, evenals de wintersport. Verder heeft [eis.conv./verw.reconv.] aangegeven dat hij en zijn vriendin reeds voor het overlijden van vader hebben besloten de zwangerschap af te breken, omdat [eis.conv./verw.reconv.] niet voornemens was de samenleving met vader op te geven. Op het moment van het afbreken van de zwangerschap was vader wel ziek, maar was de ziekte nog niet levensbedreigend. Vader had op dat moment nog een levensverwachting van 10 jaar.

5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [eis.conv./verw.reconv.] en vader de bedoeling hadden om blijvend samen te wonen. Sité heeft de toelichting van [eis.conv./verw.reconv.] ten aanzien van het afbreken van de zwangerschap, de gezamenlijke activiteiten en de verdeling van de kosten van de huishouding op de zitting niet weersproken. Zij heeft haar standpunt met betrekking tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen een ouder en een kind slechts herhaald.

Ook heeft [eis.conv./verw.reconv.] meermaals met vader aan Sité verzocht om hem als medehuurder te erkennen. Dat is eveneens een aanwijzing dat [eis.conv./verw.reconv.] en vader de bedoeling hadden om blijvend samen te wonen. Sité heeft weliswaar aangegeven deze verzoeken niet te kunnen herleiden, maar dit betekent nog niet dat de verzoeken niet zijn gedaan.

Uit de verklaring van de heer [betrokkene1] (prod. II) blijkt ook dat [eis.conv./verw.reconv.] blijvend met vader wilde samenwonen. De heer [betrokkene1] verklaart immers dat na het constateren van een aneurysma van de buikaorta bij vader in maart 2019, door [eis.conv./verw.reconv.] en vader plannen werden gemaakt voor de toekomst -voor het geval het slechter mocht gaan met vader- om aanleunvoorzieningen te realiseren. Dat toont op zichzelf genomen niet de vereiste duurzaamheid aan, maar in samenhang met de toelichting van [eis.conv./verw.reconv.] op het afbreken van de zwangerschap voldoende aanwijzing voor een op voortzetting gerichte samenlevingssituatie. Daarmee voldoet [eis.conv./verw.reconv.] aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 BW en komt hij in aanmerking voor voortzetting van de huur. De vordering in conventie zal daarom worden toegewezen. Een verklaring voor recht kan naar de aard daarvan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (vergelijk HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5360 en HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815). Dit deel van de vordering is dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

5.7.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

5.8.

De door partijen aangevoerde argumenten, die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

5.9.

Sité zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie.

5.10.

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

bepaalt dat [eis.conv./verw.reconv.] de huurovereenkomst tussen de heer [vader] en Sité betreffende de woning aan de [adres] te [woonplaats] voortzet met ingang van datum van overlijden van de heer [vader]

6.2.

veroordeelt Sité in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eis.conv./verw.reconv.] gevallen en vastgesteld als volgt:

  1. kosten dagvaarding € 100,89

  2. griffierecht € 83,00

  3. salaris gemachtigde € 360,00 (2 punt x tarief € 180,00);

6.3.

verklaart de veroordeling onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

6.4.

wijst de vordering van Sité af,

6.5.

compenseert de proceskosten in reconventie, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

fb/mh