Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7093

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
10-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 21
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Compromis op onderdelen. Vereiste aangifte 2010 niet gedaan. Verweerder heeft verzending en ontvangst van uitnodiging aannemelijk gemaakt. Verzending aanmaning ook aannemelijk. Inkomsten uit Turkije berusten op een redelijke schatting. Eiser heeft niet doen blijken dat het een terugbetaling van een lening betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-02-2021
V-N Vandaag 2021/384
FutD 2021-0493
V-N 2021/10.2.8
NTFR 2021/843
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 19/21, 19/22, 19/23 en 19/29

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.W. Kok),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2010 tot en met 2013 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is telkens bij beschikking heffings- of belastingrente in rekening gebracht. Tevens zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 december 2018, 20 november 2018 en 21 november 2018 de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen heffings- of belastingrente gedeeltelijk gegrond verklaard. De boetebeschikkingen voor de jaren 2010 en 2011 heeft verweerder gehandhaafd. De boetebeschikkingen voor de jaren 2012 en 2013 heeft verweerder vernietigd.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft verzocht om uitstel van de zitting, omdat een getuige uit [land in Europa] niet op de zitting aanwezig kan zijn. De rechtbank heeft dit uitstel afgewezen, omdat het horen via een beeldverbinding kan plaatsvinden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [persoon A1] , [persoon A2] en [persoon A3] . Tevens was [persoon B] als getuige aanwezig. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Op 17 november 2020 hebben partijen de rechtbank bericht omtrent een tussen hen gesloten deelcompromis. De rechtbank heeft dit bericht met instemming van partijen alsnog aan de gedingstukken toegevoegd om in de uitspraak te betrekken.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is gehuwd met E. Vinkenborg.

2. Eiser is enig aandeelhouder van [bedrijf 1] BV, die op haar beurt aandeelhouder is van [bedrijf 2] B.V. (33,33%), [bedrijf 3] BV (100%), [bedrijf 4] BV (33,33%) en [bedrijf 5] BV (100% tot 2 november 2010, daarna 33,33%).

3. Eiser was van 7 augustus 2006 tot en met 4 augustus 2010 voor 33,33% aandeelhouder van de in [land in Europa] gevestigde [bedrijf 6] . De andere aandeelhouders van [bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ) waren [persoon B] (33,33%), [persoon C] en [persoon D] (beiden 16,67%).

4. De [bedrijf 6] ontwikkelde een vastgoedproject in [plaats 1] , [land in Europa] , bestaande uit de bouw van een appartementencomplex en een winkelcentrum.

5. Op de bankrekening bij de [bank] ten name van [bedrijf 7] zijn de volgende bedragen overgemaakt:

28 december 2009 [bedrijf 7] € 7.000

7 mei 2010 [eiser] € 399.875

25 juni 2010 [persoon C] € 49.950

6. Het saldo van de bankrekening van [bedrijf 7] was op 31 december 2009 € 7,007.95.

7. Van de bankrekening van [bedrijf 7] zijn in 2010 de volgende bedragen naar eiser overgemaakt:

7 januari 2010 € 7.007

21 mei 2010 [bedrijf 7] terugbetaling lening [plaats 1] / [land in Europa] € 399.781

1 juli 2010 [bedrijf 7] terugbetaling lening [plaats 1] / [land in Europa] € 49.857

8. Eiser heeft de volgende bedragen opgenomen in de aangiften IB/PVV:

2010

2011

2012

2013

Werk en Woning:

Loon [bedrijf 1] BV

Bruto resultaat ter beschikking gesteld vermogen

Aftrek eigen woning

3.637

6.104

-20.000

10.157

-20.000

10.526

-20.000

10.598

10.722

-16.685

Inkomen uit sparen en beleggen

Elders belast box 3

4.063

0

0

22.517

20.684

Verzamelinkomen

-6.196

-9.843

-9.474

25.865

9. De Belastingdienst heeft op 26 mei 2014 een boekenonderzoek bij eiser ingesteld. Het rapport van het boekenonderzoek is op 12 juli 2016 aan eiser gezonden.

10. Eiser is op 10 december 2018 veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, door het ter beschikking stellen van de locaties [adres 1] te [plaats 2 in Nederland] (periode 1 april 2011 tot en met 8 oktober 2011) en [adres 2] (j) te [plaats 3 in Nederland] (periode 1 december 2013 tot en met 9 april 2014) voor het telen van hennepplanten.

11. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder de volgende correcties op het inkomen toegepast:

2010

2011

2012

2013

Werk en Woning:

loon

hennepteelt (row)

kasstortingen

ontvangsten [plaats 1] , [land in Europa]

bruto resultaat ter beschikking gestelde vermogen

37.364

14.002

-

449.638

-

30.843

33.388

26.500

-

9.251

31.474

43.090

25.640

-

11.707

32.402

1.200

4.000

-

-

Aanmerkelijk belang

-

-

-

18.497

Inkomen sparen en beleggen

46.529

85.530

63.379

18.900

12. De (navorderings)aanslagen, de rentebeschikkingen en boetebeschikkingen zijn als volgt vastgesteld:

2010

2011

2012

2013

Inkomen box 1

490.745

89.028

101.032

40.950

Inkomen box 2

18.497

Inkomen box 3

50.592

85.530

63.379

41.417

Rente

49.696

10.009

8.000

3.059

Boete

1.715

2.793

1.038

122

13. Verweerder heeft de hiertegen ingediende bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. De correctie kasstortingen heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar niet langer gehandhaafd. Verweerder heeft voorkoming van dubbele belasting voor het in box 3 opgenomen onroerend goed in [land 2 in Europa] en [land in Europa] verwerkt. Dit heeft tot het volgende geleid:

2010

2011

2012

2013

Inkomen box 1

490.745

62.528

75.392

36.950

Inkomen box 2

18.497

Inkomen box 3

53.438

85.530

59.879

40.523

Rente

49.575

7.557

5.937

2.808

Boete

1.715

2.793

--

--

14. De getuige heeft, zakelijk weergegeven, ter zitting het volgende verklaard:

Eiser is zijn huurbaas. Hij komt regelmatig in zijn geboorteplaats [plaats 1] in [land in Europa] . Daar heeft destijds de directeur van de Kamer van Koophandel gevraagd of hij een buitenlandse investeerder kon meenemen. De directeur van de Kamer van Koophandel heeft hem in contact gebracht met [persoon C] . Die had een project dat aan hem en eiser is aangeboden als zij zouden participeren in de [bedrijf 6] van [persoon C] . Hij ging regelmatig met eiser naar [land in Europa] om de voortgang te bespreken. Omdat hij en eiser geen of onvolledige informatie kregen over het project wilden zij er zo snel mogelijk uitstappen. De drie appartementsrechten zijn als zekerheid overgeschreven naar eiser, omdat eiser geld tegoed had van de [bedrijf 6] , terwijl [persoon C] alle machtigingen had. Dat is door alle aandeelhouders gezamenlijk besloten. Eiser is daardoor eigenaar geworden van de drie appartementsrechten. Op die manier kon [persoon C] de winkels niet meer verkopen zonder de medewerking van eiser. [persoon C] heeft toen verteld dat de huurder van de winkels, de winkels wilde kopen voor € 400.000. Er is geen schriftelijke koopovereenkomst opgesteld. Hij heeft ook geen stukken gezien waarin het bedrag van € 400.000 staat. De werkelijke waarde van de winkels was € 600.000. Dat heeft hij van [persoon C] gehoord. Dat kon worden berekend op grond van de winkelruimte en de huurinkomsten. [persoon C] heeft alles met betrekking tot de verkoop afgehandeld, want hij had alle machtigingen. Op de tapu’s, dat zijn bewijzen van inschrijving van een eigendomsrecht van onroerend goed in het kadaster, zijn wegens belastingtechnische redenen lagere waardes opgenomen. Hij heeft samen met eiser de rekening bij de [bank 2] geopend. Hij is in [land in Europa] de hele tijd bij eiser geweest en hij heeft niet gezien dat contante bedragen op die rekening zijn gestort. Zij moesten van [persoon C] de bankrekening openen omdat dan de kosten lager waren.

Geschil

15. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  • -

    Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  • -

    Heeft eiser de vereiste aangiften gedaan?

  • -

    Is de correctie ten aanzien van het gebruikelijk loon juist?

  • -

    Zijn terecht inkomsten uit hennepteelt als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen?

  • -

    Zijn de ontvangen gelden uit [land in Europa] terecht als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen?

  • -

    Is het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang juist vastgesteld?

  • -

    Is het inkomen uit sparen en beleggen juist vastgesteld?

  • -

    Zijn de vergrijpboetes terecht opgelegd?

Beoordeling van het geschil

Compromis

16. Met betrekking tot het box 3 inkomen hebben partijen voorafgaand aan de zitting een compromis gesloten. Zij zijn het eens geworden over de volgende rendementsgrondslagen in box 3:

2010

€ 113.299

2011

€ 157.696

2012

€ 997.119

2013

€ 1.115.695

17. Partijen hebben de rechtbank op 17 november 2020 bericht dat zij op onderdelen van het resterende geschil een aanvullend compromis hebben gesloten. Partijen hebben meegedeeld dat gelet op dat compromis de vraag of alle op de zaken betrekking hebbende stukken zijn ingebracht niet langer een geschilpunt is.

18. Partijen zijn tot overeenstemming gekomen in die zin dat:

  • -

    het gebruikelijk loon voor elk van de jaren 2010 tot en met 2013 zal worden vastgesteld op € 25.000;

  • -

    de inkomsten uit hennepteelt voor 2010 zullen worden vastgesteld op € 9.752 en voor 2011 op € 18.388. Voor de jaren 2012 en 2013 worden geen inkomsten uit hennepteelt in aanmerking genomen;

  • -

    de inkomsten uit aanmerkelijk belang voor 2013 zullen worden vastgesteld op € 6.586;

  • -

    de opgelegde vergrijpboetes komen te vervallen.

19. De rechtbank zal voor deze onderdelen van het geschil overeenkomstig dit compromis beslissen.

Vereiste aangifte

20. Hetgeen partijen nog verdeeld houdt is de vraag of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan en de ontvangsten die verband houden met het [plaats 1] -project. De rechtbank stelt voorop dat voor de jaren 2011 tot en met 2013 in het midden kan blijven of de vereiste aangifte is gedaan. Voor die jaren hebben partijen voor alle correcties overeenstemming bereikt. Daarom is alleen voor het jaar 2010 de vraag of de vereiste aangifte is gedaan.

21. Wanneer niet de vereiste aangifte is gedaan, leidt dit tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Het beroep wordt dan ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.1

22. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.2 Een buiten de termijn van artikel 9 van de AWR ingediend aangiftebiljet kan niet gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte.3

23. Verweerder stelt dat eiser met de brief van 28 februari 2011 is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 en dat op 29 april 2011 beconuitstel is gevraagd en verleend. Verder stelt verweerder dat op 29 mei 2012 een herinnering tot het doen van aangifte is verzonden en op 3 juli 2012 een aanmaning. De daarin gestelde uiterste inleverdatum is 17 juli 2012. Op 20 november 2012 heeft eiser alsnog aangifte gedaan, maar volgens verweerder kan die niet meer gelden als de vereiste aangifte.

24. Eiser ontkent de ontvangst van de uitnodiging, van de herinnering en van de aanmaning tot het doen van aangifte. De stukken heeft verweerder naar een postbusadres gestuurd dat niet van eiser is. Eiser stelt niet bekend te zijn met het postbusadres. Voorts is niet duidelijk naar welk adres de uitnodiging is gestuurd. Eiser stelt dat uit het verzendrapport van de uitnodiging niet blijkt dat de uitnodiging is aangeboden aan het postbedrijf [postbedrijf 1] , is verzonden en is ontvangen door eiser. Uit de verzendrapporten van de herinnering en aanmaning blijkt volgens eiser dat de herinnering en aanmaning tijdig en zonder problemen ter verzending is aangeboden aan [postbedrijf 2] , maar uit niets blijkt dat [postbedrijf 2] de betreffende partijen post in ontvangst heeft genomen, laat staan dat de herinnering en de aanmaning belanghebbende ook daadwerkelijk hebben bereikt.

25. De bewijslast rust bij verweerder om aannemelijk te maken dat de uitnodiging en de aanmaning op het adres van eiser is ontvangen. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, het vermoeden rechtvaardigt van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat verweerder in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres.

26. De rechtbank acht het, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat de uitnodiging tot het doen van aangifte naar het juiste adres is gestuurd en door eiser is ontvangen. Verweerder heeft ter onderbouwing een verzendrapport van de uitnodiging overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat de partij ter verzending aan [postbedrijf 1] is aangeboden. In het verzendrapport is als verzendadres [adres 3] , [postcode] te [plaats 4 in Nederland] genoemd. Dit postbusadres staat in het systeem van verweerder als verplicht toezendadres opgenomen van 2008 tot en met 2016. De verklaring van eiser dat hij niet bekend is met het betreffende postbusadres acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het postbusadres is immers het postbusadres van de verhuurmakelaar van eiser. Bovendien zijn andere brieven ook naar dat adres gestuurd én door eiser ontvangen, zoals de definitieve aanslag IB/PVV 2010. In het systeem van verweerder is naar aanleiding van de uitnodiging een beconuitstel geregistreerd voor het doen van aangifte, aangevraagd door advieskantoor [E] te [plaats 5 in Nederland] . Dit kantoor heeft eiser - naast gemachtigde - in de controlefase bijgestaan. Dit doet vermoeden dat de uitnodiging daadwerkelijk is ontvangen.

27. Uit het verzendrapport van de aanmaning en de daarbij gevoegde bewijsstukken valt af te leiden dat de aanmaning onderdeel is van de documenten met [NR 1] , die vervolgens onderdeel uitmaakt van de samengestelde partij documenten met [NR 2] . Die partij documenten is zonder problemen ter verzending aangeboden aan [postbedrijf 2] . Dit wordt door eiser ook niet betwist. De aanmaning is verzonden naar het verplichte verzendadres zoals is geregistreerd bij verweerder. Zoals reeds hiervoor is overwogen acht de rechtbank de verklaring dat eiser niet bekend is met het betreffende postbusadres ongeloofwaardig. Verweerder heeft de uitnodiging naar het juiste adres verzonden. Daarbij komt nog, dat eiser in eerste instantie zich erop heeft beroepen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij de aangifte te laat heeft ingediend omdat hij in 2012 ernstige relatieproblemen had. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser wel op de hoogte was van het feit dat hij voor een bepaalde datum aangifte moest doen. Dit strookt niet met het standpunt van eiser dat hij de uitnodiging en aanmaning niet heeft ontvangen. Eiser heeft vervolgens op 20 november 2012 aangifte gedaan, dat is nog voordat de ambtshalve aanslag met dagtekening 5 december 2012 aan hem is opgelegd.

28. Het is dan aan eiser om het vermoeden van ontvangst van die stukken te ontzenuwen. Eiser heeft daartoe – afgezien van zijn ontkenning van ontvangst – gesteld dat uit stukken van het rapport Evaluatie Universele Postdienst volgt dat in 2012 93,9% van de verzonden post de volgende dag wordt bezorgd, terwijl wettelijk is vastgelegd dat 95% de volgende dag bezorgd dient te worden.

29. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in geslaagd het voornoemde ontvangstvermoeden te ontzenuwen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de enkele betwisting van de ontvangst onvoldoende is. Uit de door eiser genoemde percentages blijkt dat het overgrote deel van verzonden post ook daadwerkelijk de geadresseerde reeds de volgende dag bereikt. De genoemde percentages bieden geen informatie in algemene zin over post die later dan de volgende dag wordt bezorgd danwel niet wordt bezorgd. Het rapport geeft al helemaal geen informatie over het individuele geval van eiser. Verweerder heeft bovendien gesteld dat het betreffende rapport niet van toepassing is op zakelijke post.

30. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser, na te zijn uitgenodigd en aangemaand, niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het alsnog indienen van een aangiftebiljet buiten de gestelde termijn kan niet als het doen van de vereiste aangifte worden aangemerkt. Omdat formeel niet de vereiste aangifte is gedaan, behoeft de vraag of materieel de vereiste aangifte is gedaan geen beantwoording.

31. De toepassing van de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast betekent niet dat verweerder een aanslag willekeurig mag vaststellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft hierbij een zekere armslag omdat hij niet kan beschikken over (betrouwbare) gegevens en rekening moet houden met de mogelijkheid dat er - hem niet bekende - bronnen van inkomen zijn. Wanneer verweerder de aanslag op een redelijke schatting baseert, ligt het vervolgens op de weg van eiser, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.

32. In 2010 heeft eiser bedragen vanaf de bankrekening bij de [bank] te [plaats 6] in Nederland van [bedrijf 7] bedragen ontvangen van totaal € 449.638 met de omschrijving terugbetaling lening. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geld behoorde tot de belastbare inkomsten uit werk en woning in 2010. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit kunnen doen, aangezien eiser geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven omtrent de herkomst van deze betalingen. De stelling van eiser dat de betalingen aflossingen waren van een eerder verstrekte geldlening acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Hoewel niet in geschil is dat door eiser gelden zijn verstrekt aan de [bedrijf 6] , zijn de bedragen die op 21 mei 2010 en 1 juli 2010 op de rekening van eiser zijn gestort, via de bankrekening van [bedrijf 7] , afkomstig van respectievelijk de [buitenlandse] bankrekening van eiser zelf en van [persoon C] . Deze bedragen zijn niet afkomstig van de [buitenlandse] bankrekening van de [bedrijf 6] . Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de bedragen die eiser heeft ontvangen terugbetalingen zijn van de door eiser aan de [bedrijf 6] verstrekte gelden.4 Omdat verweerder bij de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft aangesloten bij die twee ontvangen betalingen, is sprake van een redelijke schatting.

33. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende verzwaarde bewijslast om te doen blijken dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en overweegt daartoe als volgt. De gegevens die eiser heeft overgelegd vormen, in samenhang met de verklaringen van de getuige, geen controleerbaar en sluitend geheel over de financiële toestand van het project in [plaats 1] en eisers rechten en verplichtingen daarin. Daaruit volgt dus ook niet duidelijk dat de ontvangen betalingen aflossingen zijn van de door eiser verstrekte lening aan de [bedrijf 6] . Hetgeen door eiser naar voren is gebracht en de verklaringen van de getuige en anderen zijn daarom niet voldoende om aan eisers verzwaarde bewijslast te voldoen. In zoverre is het beroep ongegrond.

Conclusie IB/PVV

34. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Dit leidt tot de volgende vast te stellen inkomens:

2010

2011

2012

2013

Inkomen box 1

470.494

32.639

16.707

19.037

Inkomen box 2

6.586

Inkomen box 3

4.531

6.307

39.884

44.627

Belastingrente

35. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente of belastingrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente of belastingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

Immateriële schadevergoeding

36. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.5

37. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid6 is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.

38. In dit geval is sprake van meer zaken van één eiser, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk maar één keer een schadevergoeding toe. Daarbij is de overschrijding van de redelijke termijn berekend vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift dat het eerste is ingediend.7

39. Verweerder heeft het eerste bezwaarschrift van eiser ontvangen op 24 november 2016. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 25 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 25 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vijf keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.500 (vijf keer een half jaar ad € 500). De laatste uitspraak op bezwaar van verweerder dateert 13 december 2018. Dit is afgerond 19 maanden langer dan zes maanden. Verweerder moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 19 maanden gedeeld door 25 maanden keer € 2.500 is (afgerond) € 1.900. De Staat moet de rest betalen, dus € 600. De rechtbank zal verweerder en de Staat veroordelen om deze bedragen aan eiser te betalen.

Proceskosten

40. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.362,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525, factor 1,5 voor samenhang en een wegingsfactor 1,5 vanwege de omvang en complexiteit van de zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling voor de bezwaarfase. Met uitzondering van het jaar 2013 is niet voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar gevraagd om een kostenvergoeding. Voor het jaar 2013 is wel gevraagd om een kostenvergoeding en die is ook bij uitspraak op bezwaar toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 470.494 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.531;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.639 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.307;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.707 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 39.884;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.037, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 6.586 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 44.627;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente of belastingrente dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.900;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 600;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.362,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. M. Harthoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Artikel 27e, eerste lid, van de AWR

2 Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675

3 Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333

4 Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 februari 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BV7052.

5 ECLI:NL:HR:2016:252.

6 Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.

7 Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.