Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7072

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
C/05/370445 / FA RK 20-1487
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De sterke overtuiging bij de man dat sprake is van ouderverstoting door handelen van de vrouw en de grote behoefte van de vrouw aan afstand van de man, maakt dat er geen samenwerking tussen de ouders mogelijk is en noodzakelijke hulp van de kinderen niet van de grond is gekomen en komt. De weerstand van de kinderen (van bijna 15 jaar en 17 jaar) om contact te hebben met hun vader is groot waardoor contact op een onbelaste wijze niet mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming in deze zaak goed genoeg onderzoek verricht. De rechtbank belast de moeder met het eenhoofdig gezag over de kinderen en stelt geen omgangsregeling tussen de kinderen en de man vast. Een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken om de kinderen en de vrouw te begeleiden bij de nieuwe gezinssituatie en het (ontbreken van) contact met hun vader.

De rechtbank stelt een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast zodat de door partijen gebruikte kindrekening kan worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/43.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/370445 / FA RK 20-1487

Datum uitspraak: 24 december 2020

beschikking van de meervoudige kamer over het gezag, de zorgregeling en de kinderalimentatie

in de zaak van

[verzoeker] (nader te noemen: de vader of de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A. Oosterhuis-Boeve te Arnhem,

tegen

[verweerster] (nader te noemen: de moeder of de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen

1 Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenbeschikking van 24 juli 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot een voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren over de hoofdverblijfplaats van [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , de zorgregeling en psychologische hulpverlening voor [kind 2] . De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

1.2.

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek betreffende kinderalimentatie tevens houdende een voorwaardelijk aanvullend verzoek, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2020;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 november 2020;

- de brief met aanvullende verzoeken en producties namens de man, ingekomen ter griffie op 4 december 2020;

- de overgelegde pleitnotitie over de kinderalimentatie namens de vrouw.

1.3.

De zaak is meervoudig behandeld ter zitting van 14 december 2020 met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig de beide partijen, bijgestaan door hun advocaten alsmede een zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad) en een zittingsvertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland. Gelijktijdig is behandeld de zaak C/05/380314 / JE RK 20/1684 (de ondertoezichtstelling).

2 De nadere verzoeken

2.1.

De vader verzoekt de rechtbank aanvullend om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

IX. Te bepalen dat indien een ingangsdatum voor de gewijzigde kinderalimentatie wordt bepaald die ligt voor de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking, de vrouw geacht wordt de verblijfsoverstijgende kosten die van deze rekeningen ten behoeve van de kinderen zijn voldaan door de vrouw dienen te worden gedragen en zij derhalve een bedrag ter grootte van deze onttrekkingen dient terug te storten op deze rekening, voorts dienen de stortingen die gedaan zijn door de man, alsmede het kindgebonden budget dat hij op deze rekening heeft gestort, aan hem te worden terug gestort, gelijk de bijdrage van de vrouw over deze periode aan haar moet worden teruggestort, het eventuele alsdan overblijvende batige saldo dient in gelijke verhouding overgemaakt te worden op de spaarrekening van de kinderen;

X. Indien de kinderalimentatie ingaat op de datum van de te wijzen beschikking, dient het batige saldo in gelijke verhouding overgemaakt te worden op de spaarrekening van de kinderen, onder voorwaarde dat de man gerechtigd is een eventuele aanslag van de Belastingdienst waaruit volgt dat hij over 2020 kindgebonden budget moet terug betalen, dan wel een verzoek van de SVB om kinderbijslag terug te betalen, beide als gevolg van een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, mag voldoen in een 50/50 verhouding van de spaarrekeningen van de kinderen;

XI. Een deskundige te benoemen en te bepalen dat het NFIP althans, een klinisch psycholoog, de door de rechtbank geformuleerde onderzoeksvragen zoals vervat in de beschikking van 24 juli 2020, alsmede de vragen of er sprake is van kindermishandeling door de man en/of oudervervreemding als gevolg van het handelen van de vrouw, dient te beantwoorden na een gedegen onderzoek, althans de Raad te gelasten het onderzoek dat zij hebben gedaan met andere raadsonderzoekers, waaronder een klinisch psycholoog, opnieuw te verrichten met inachtneming van de vragen of sprake is van kindermishandeling door de man en/of oudervervreemding als gevolg van het handelen van de vrouw;

XII. Het verzoek van de Raad een ondertoezichtstelling te gelasten, toe te wijzen, voor de duur van een jaar, met de kanttekening dat de GI een klinisch/GZ psycholoog met aantoonbare ervaring op het gebied van ouderverstoting als voogd benoemd;

XIII. Te bepalen dat de zaak weer op zitting dient te komen, zodra het onder XI gevraagde deskundigenbericht beschikbaar is;

XIV. Te bepalen dat [kind 2] door een door de rechtbank te bepalen klinisch psycholoog gezien kan worden en namens partijen hiervoor vervangende toestemming te verlenen;

XV. Te bepalen dat het contact tussen de man en de kinderen onder begeleiding van de gezinsvoogd met onmiddellijke ingang wordt hersteld op basis van het als productie 69 overgelegde opbouwschema, althans een dusdanige opbouw vast te leggen als de rechtbank in goede justitie redelijk acht, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de vrouw niet meewerkt aan deze regeling, met een maximum van € 25.000, waarbij indien de vrouw de regeling nog niet nakomt als het maximum is bereikt deze beschikking uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt bepaald;

XVI. De overige verzoeken aan te houden tot het nieuwe deskundigenbericht beschikbaar is.

Subsidiair, indien de rechtbank meent dat het raadsrapport een volledig en correct uitgevoerd onderzoek omvat en de daarin vervatte adviezen, ondanks de houding van de vrouw moeten worden opgevolgd:

XVII. De hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag, de man trekt alle door hem geformuleerde verzoeken in dat geval in, maar handhaaft zijn stellingen aangaande de kinderalimentatie.

3 Het rapport van de Raad

3.1.

Bij voormelde tussenbeschikking is de Raad verzocht onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren over de volgende vragen:

  • -

    Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van de kinderen?

  • -

    Is een wijziging van de zorgregeling, zoals door de moeder verzocht (waaronder begrepen een contactverbod), in het belang van de kinderen?

  • -

    Zijn er omstandigheden die een zorgregeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit het kind en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze omstandigheden op te heffen?

  • -

    Hoe zou een zorgregeling (vorm en frequentie) er in het belang van de kinderen uit moeten zien?

  • -

    Is psychologische hulpverlening voor [kind 2] bij klinisch psycholoog dr. [naam] van het Rijnstate ziekenhuis te Arnhem in het belang van [kind 2] ?

  • -

    In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing?

  • -

    Is een kinderbeschermingsmaatregel geïndiceerd?

3.2.

Tijdens het onderzoek is op 15 september 2020 in een multidisciplinair overleg

besloten dat een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel geïndiceerd is.

3.3.

De Raad adviseert de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de moeder te bepalen. De kinderen geven duidelijk te kennen bij hun moeder te willen wonen en gezien hun leeftijd wordt hun mening hierin sterk meegewogen. Daarnaast zijn er in deopvoedsituatie bij de moeder geen zaken waar de Raad zorgen over heeft. De Raad adviseert de rechtbank verder om nu geen zorgregeling vast te leggen, ook geen contactverbod trouwens, zodat de gezinsvoogd kan onderzoeken hoe toegewerkt kan worden naar contactherstel tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] . De Raad verzoekt namelijk een ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] voor de duur van negen maanden. De ontwikkeling van de jongens wordt ernstig bedreigd, omdat er geen contact meer is tussen de kinderen en hun vader en de kinderen last hebben van het verstoorde contact tussen ouders, de conflicten tussen ouders en het ontbreken van communicatie. De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid die bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, omdat zij het oneens zijn over het aangaan van contact met de vader en de in te zetten hulpverlening voor [kind 2] , en omdat er geen vorm van communicatie meer mogelijk is tussen de ouders. Voor [kind 2] moet zo snel mogelijk psychologische hulp worden opgestart, ongeacht welke psycholoog of organisatie dit kan uitvoeren. Uitgangspunt is hierbij dat [kind 2] zich bij deze hulpverleningscontacten prettig voelt.

3.4.

Ter zitting licht de Raad nog toe dat zij het gezin rust in het systeem gunt. Het systeem staat onder spanning en beide ouders hebben hier een rol in en ook beide kunnen hierin het verschil maken. Een systeemtherapeut kan ingezet worden om aan de slag te gaan met de ouders en de kinderen en de gezinsvoogd. Dit zal een langdurig traject zijn met kleine stapjes en (zelf)reflectie. Het is belangrijk dat de vader betrokken blijft bij de kinderen omdat hij onderdeel is van het leven van de kinderen. De kinderen zijn ook nog loyaal aan beide ouders. Als de kinderen hun vader afwijzen, wijzen zij ook een deel van zichzelf af. Het is ook zeker niet zo dat als er geen contact meer is of komt met de vader, dat alle zorgen zullen verdwijnen. Er moet een gesprek plaatsvinden en met kleine stapjes dient er een positiever beeld van de vader bij de kinderen gecreëerd te worden. Voor nu is het wel eerst belangrijk dat de druk er af gaat. Als de druk te groot wordt, dan willen de kinderen niets meer en dit werkt averechts. Dit betekent echter niet dat er niets moet gebeuren. De jongens en de ouders hebben hulp nodig. Het gezag bij alleen de moeder laten rusten, zoals de man subsidiair heeft verzocht, ziet de Raad niet als een oplossing.

3.5.

Volgens de man heeft de Raad niet gedaan wat van haar verwacht mag worden en kan hij niet anders concluderen dan dat het raadsrapport niet bruikbaar is, het onderzoek opnieuw moet worden verricht én dat de rechtbank tot die tijd geen beslissing kan nemen. De man heeft een klacht ingediend tegen de Raad. De Raad heeft de klacht in behandeling genomen.

3.6.

De vrouw herkent zich niet in de klachten van de man over het onderzoek en het rapport van de Raad. Het raadsrapport moet dan ook niet terzijde geschoven worden. Als er sprake zou zijn van oudervervreemding dan zou de Raad dat wel gesignaleerd hebben. De vrouw staat achter het advies van de Raad wat betreft de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de inschakeling van psychologische hulp voor [kind 2] .

4 De verdere beoordeling

4.1.

De rechtbank neemt over hetgeen zij in voormelde tussenbeschikking heeft overwogen en beslist.

De zorgen

4.2.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat er sprake is van een zorgelijke en complexe gezinssituatie. De rechtbank acht het zorgelijk hoe de ouders met elkaar omgaan en wat dit betekent voor [kind 1] en [kind 2] . Waar de man van de vrouw verwacht dat zij het ouderschapsplan nakomt en invulling geeft aan een gelijkwaardig ouderschap, past de vrouw er inmiddels voor om nog langer met de man samen te werken gelet op zijn verwijten aan haar. Volgens de man is er (aantoonbaar) sprake van ouderverstoting door het handelen van de vrouw en is dat de oorzaak waarom de jongens hem niet meer willen zien. De vrouw stelt dat de jongens niet langer bij de man willen verblijven om wie hij is en zij kiest ervoor om de jongens niet langer terug te sturen naar de man na het zoveelste incident bij de man thuis.
Partijen hebben geprobeerd om er met behulp van de advocaten, een coachtraject en het Sociaal Wijkteam uit te komen, maar niets is van de grond gekomen om verscheidene redenen. De slechte verstandhouding tussen partijen is inmiddels zo verhard, dat er geen bereidheid meer is om er samen met hulpverlening uit te komen. De man twijfelt aan de intrinsieke motivatie van de vrouw (‘ze zit daar voor de bühne’) en de vrouw heeft er geen vertrouwen in dat er nog stappen gezet kunnen worden zonder eerst een daadwerkelijke gedragsverandering bij de man. Het wantrouwen over en weer is diepgeworteld en de beschuldigingen over en weer houden stand. De overtuiging dat sprake is van ouderverstoting is sterk bij de man en de behoefte aan afstand van de man door de vrouw ook. Dat maakt de situatie complex.

4.3.

Ondertussen gaat het niet goed met de jongens en hebben de ouders hen een veilige basis ontnomen. De zorgen zijn zichtbaar bij de jongens, met name bij [kind 2] , en het is duidelijk dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderrechter heeft met beide jongens gesproken. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de hele situatie [kind 2] erg raakt en van invloed is op zijn welzijn en op de dagelijkse gang van zaken zoals school. Het verlangen naar rust en (emotionele) veiligheid, ook bij de vrouw thuis, komt bij hem duidelijk naar voren. [kind 1] lijkt de gezinssituatie, en de verwijdering van de man, meer naast zich neer te kunnen leggen en daarin berusting te vinden. Ook hij wil rust. Beide jongens geven aan stress te hebben als ze terug denken aan het contact met de man en als ze gedwongen zouden worden weer contact te hebben met de man.
[kind 2] heeft een dringende behoefte om met een psycholoog te praten en dit is hem al in 2018 geadviseerd door een kinderarts. De toestemming hiervoor ontbreekt aan de zijde van de man, althans voor klinisch psycholoog dr. [naam] van het [ziekenhuis] te [plaats] . Deze psycholoog had al met [kind 2] gesproken, zonder dat de man hierover was geïnformeerd of daarvoor toestemming had gegeven. Daardoor kan de psycholoog niet goed genoeg (onafhankelijk) zijn, zo begrijpt de rechtbank van de man. Ook het advies van de GGD op de school van [kind 2] om hem te laten praten met een schoolmaatschappelijk werker is niet van de grond gekomen door het ontbreken van toestemming van de man.

Wat het meeste in het oog springt is echter de ernstig verstoorde relatie tussen de jongens en de man. De man is kennelijk erg autoritair en het botst te vaak met de (puber)jongens. Ze zijn klaar met de ruzies en incidenten bij de man thuis. [kind 2] gaat sinds 2 februari 2020 niet meer naar de man toe en [kind 1] sinds 23 april 2020 niet meer. De man blijft nog wel contact zoeken, maar dit willen de jongens absoluut niet. Ook niet in de toekomst. [kind 2] heeft zelfs aangifte gedaan tegen de man voor het blijven zoeken van contact. De weerstand bij de jongens tegen contact(herstel) is erg groot. Het dreigende contactverlies tussen de jongens en de man is ook de grootste zorg van de Raad. Als de kinderen hun vader afwijzen, wijzen zij ook een deel van zichzelf af en dit kan problemen opleveren in hun identiteitsontwikkeling.

4.4.

De man wil de oorzaak boven water krijgen waarom de jongens hem niet meer willen zien. Volgens hem moet de juiste ‘diagnose’ gesteld worden om tot een goed plan te komen, anders brengt het alleen maar onrust. De man is ervan overtuigd dat sprake is van ouderverstoting door het handelen van de vrouw. Naast de uitgebreide onderbouwing van de man zelf heeft de man om een raadsonderzoek verzocht, dat de rechtbank ook, om in de tussenbeschikking genoemde redenen, heeft gelast. Dat dit onderzoek en het advies van de Raad vervolgens door de man terzijde wordt geschoven wekt verbazing. Op zichzelf is het de man zijn goed recht om anders over de zaken te denken dan de Raad. De rechtbank volgt de man echter niet in zijn kritiek op de handelwijze van de Raad voor, tijdens en na het onderzoek. De rechtbank stelt voorop dat de Raad de expertise heeft waar het gaat om het welzijn van minderjarigen, en om te onderzoeken wat minderjarigen nodig hebben om gezonde volwassenen te worden, en anderzijds wat juist schadelijk kan zijn voor hun ontwikkeling. Onderzoeksmethoden en inzichten kunnen wisselen met de tijd, maar de Raad heeft een vrij bestendige en praktische methode van onderzoek ontwikkeld, in lijn met huidige maatschappelijke inzichten. Wat de man hier van de Raad lijkt te verlangen is welhaast een wetenschappelijke benadering met een vergaande graad van waarheidsvinding. De rechtbank heeft de indruk dat de man daarbij van de Raad verlangt dat deze feiten achterhaalt die zijn gelijk kunnen onderbouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Raad in deze zaak goed genoeg onderzoek verricht. Zij is afdoende ingegaan op de vraag waarom [kind 2] en [kind 1] bepaalde uitlatingen doen en wat de oorzaak is van de wens van de jongens om geen contact meer met de man te willen. Het advies van de Raad is ook concreet genoeg voor de rechtbank. Dat het onderzoek niet in alle opzichten, of in geen enkel opzicht, overeenstemt met de invalshoek en visie van de man, maakt het nog geen onvolkomen onderzoek. Uit het rapport blijkt dat het belang van [kind 2] en [kind 1] voor de Raad voorop heeft gestaan en de zorgen over hen zijn in de overwegingen meegenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een nieuw onderzoek door de Raad te gelasten (en dan op de wijze zoals door de man voorschreven) of enig ander onderzoek te laten plaatsvinden, mede in acht nemende de belasting die dit opnieuw vormt voor alle betrokkenen, in het bijzonder [kind 1] en [kind 2] .

Ouderverstoting?

4.5.

Gelet op de bevindingen van de Raad omtrent de huidige situatie van [kind 1] en [kind 2] en hetgeen [kind 1] en [kind 2] zelf, los van elkaar, tijdens de kindgesprekken naar voren hebben gebracht, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat er daadwerkelijk sprake is van ouderverstoting.

4.6.

De man schetst de situatie zo dat er begin dit jaar opeens een ommezwaai heeft plaatsgevonden in de goede band tussen hem en de jongens, welke onverklaarbaar is. Althans, dat het niet anders kan dan dat het handelen van de vrouw hiervan de oorzaak is. Als de rechtbank het raadsrapport leest, naar de jongens luistert en ook kijkt naar de door de man zelf opgestelde lijst van gebeurtenissen op chronologie, is er echter geen sprake van een plotselinge ommezwaai; eerder van een breekpunt. De spanning tussen de man en de jongens was er al langer en de ruzies namen steeds meer (in heftigheid) toe. Uiteindelijk leidde dit tot het incident op 2 februari 2020 waarbij [kind 2] en de man in een heftige discussie zijn beland en [kind 1] de man met een schaar in zijn hand heeft gestoken. De man erkent zijn eigen aandeel in dit incident, maar wijst voor de aanleiding van de discussie naar de vrouw en rekent het de vrouw vervolgens ook zwaar aan dat zij [kind 2] (en later [kind 1] ) niet meer naar hem heeft teruggestuurd. Hoewel het inderdaad zo is dat ouders elkaar moeten steunen en kinderen gestimuleerd moeten worden door de ene ouder om naar de andere ouder te gaan, zijn er ook grenzen. De rechtbank acht het in dit geval niet geheel onbegrijpelijk dat het incident van 2 februari 2020 een dusdanige emotionele impact had op de jongens, met name [kind 2] , dat het simpelweg terugsturen van de jongens naar de man op dat moment niet gevergd kon worden van de vrouw. Mede gelet op het feit dat dit niet het eerste incident bij de man thuis was. Samen in overleg treden als ouders was ook al geen optie meer. Naar het oordeel van de rechtbank ligt de oorzaak van het contactverlies dan ook niet zonder meer bij de vrouw doordat zij de jongens niet terugstuurt naar de man en het gezag van de man zou ondermijnen, maar zeker ook in wat zich op 2 februari 2020 en op andere dagen heeft afgespeeld tussen de jongens en de man zelf. Het is daarbij ook belangrijk dat de man hierover met de jongens zelf spreekt en niet alleen een beroep doet op de vrouw en hun functie van ouders. De jongens zijn hiervoor oud en wijs genoeg.

4.7.

Beide jongens hebben verteld hoe de relatie is geweest met hun vader de afgelopen jaren, voor en na de scheiding. De kinderrechter hoort bij beide jongens terug dat nu zij ouder zijn, zij steeds meer een beeld krijgen van hoe de man daadwerkelijk is en dat het steeds meer botst. Het moet gaan zoals de man het wil, en als dit niet mogelijk is, ontstaan (heftige) conflicten. Waar met name [kind 2] steeds in conflict raakte met de man, heeft [kind 1] vooral geprobeerd te bemiddelen en te voorkomen dat er een conflict ontstond. Dit was lastig omdat de grenzen van de man snel waren bereikt.

4.8.

De rechtbank neemt aan dat de man het beste voor heeft met de jongens en dat er ook goede momenten zijn geweest tussen de man en de jongens. De rechtbank kan zich echter niet aan de indruk onttrekken dat het juist ook het gedrag van de man zelf is dat ervoor zorgt dat er een verdere verwijdering ontstaat tussen hem en de jongens. In de opvoeding is hij de aansluiting met de jongens gaan missen, net als de vrouw. Waar de vrouw de jongens te veel los laat en zij de jongens niet begrenst, zit de man er juist te veel bovenop. De naar verluid autoritaire wijze van regels en begrenzingen opleggen door de man (zoals het afpakken van de mobiel, de jongens naar hun kamer sturen, de Wifi eruit trekken, verbale en fysieke agressie) lijkt niet meer te werken, en werkt zelfs averechts, nu de jongens ouder worden. Het gaat inmiddels ook om jongens van inmiddels bijna 15 en 17 jaar, een leeftijdsfase die volgens de Raad gekenmerkt wordt door het ontwikkelen van een eigen mening, identiteit, autonomie en daarnaast het experimenteren en ontdekken van grenzen. Hiervoor moeten zij dan ook de ruimte krijgen. De man lijkt de jongens echter niet te horen en acht zijn wil nog steeds bepalend. Het zijn echter geen jonge kinderen meer die volledig te sturen en te controleren zijn door hun ouders, zeker niet nu [kind 1] en [kind 2] het ook moeilijk hebben vanwege de strijd tussen hun ouders en hun eigen problematiek. Het is dus nodig dat de man een verandering aanbrengt in zijn houding naar de jongens toe. Dit vergt dat de man ook naar zijn eigen aandeel kijkt en de schuld niet enkel bij een ander legt. De rechtbank heeft op grond van al hetgeen naar voren is gekomen en op grond van de gesprekken van [kind 1] en [kind 2] met de kinderrechter, niet de indruk gekregen dat de jongens volledig onder de invloed staan van de vrouw en dat zij haar uitlatingen over de man kopiëren. Zeker niet omdat, zoals de man ook zelf stelt, het twee slimme jongens betreft die een leeftijd hebben waarop zij al goed in staat zijn zelf hun mening te vormen. De jongens vormen op dit moment dan ook zelf een beeld van de man en de vrouw als hun ouders. Een negatief beeld van een ouder kan voortkomen uit zelfbescherming als gevolg van een loyaliteitsconflict.

4.9.

De Raad heeft geen tekenen van ouderverstoting gesignaleerd. De Raad wijst naar het gehele gezinssysteem en het aandeel van beide ouders hierin. De Raad noemt dat het voor de man van belang is om inzicht te krijgen in zijn houding en opstelling in de gezinsdynamiek, dat hij oog en oor leert hebben voor de belangen van [kind 1] en [kind 2] en dat hij zijn strijd staakt in die zin dat hij stopt met onaangekondigd contact zoeken met beide kinderen en zich openstelt voor hulpverlening met betrekking tot contactherstel. De vrouw wordt geadviseerd om te onderzoeken wat zij nodig heeft om zich anders op te kunnen stellen naar de man, zodat er mogelijk vanuit haar kant een beter contact met de man kan ontstaan.

4.10.

Voor de rechtbank is niet duidelijk geworden in hoeverre de ouders hiertoe in staat zijn. De vrouw lijkt vastberaden om zo min mogelijk met de man te maken te hebben. De man toont geen zelfinzicht en niet is gebleken dat hij voldoende zijn eigen aandeel ziet in de ontstane situatie. Hoewel de rechtbank ziet en begrijpt dat de hele situatie de man erg aangrijpt, mist de rechtbank enige zelfreflectie van de man op zijn eigen beperkingen en op de beleving van de jongens zelf. De man verwacht dat de jongens weer bij hem komen, maar geeft geen aandacht aan wat er bij hen speelt. Nagenoeg alle stellingen en processtukken zijn gericht op het aan de orde stellen van ouderverstoting door acties van de vrouw. De rechtbank leest en hoort niet wat het aandeel van de man zelf kan zijn geweest in het contactverlies en wat hij zelf kan doen om het contact met de jongens te verbeteren. De man aanvaardt alleen hulp van deskundigen, althans mensen die hij als deskundig aanmerkt, met ervaring en kunde op het gebied van ouderverstoting. Als dit de voorwaarde van de man is en blijft, maakt het elk overleg of gesprek voor de vrouw of voor de jongens met de man onmogelijk. Het brengt te veel onbegrip en dus onrust met zich mee en hulp komt niet tot stand, zoals ook tot op heden is gebleken.

4.11.

De rechtbank volgt de Raad dan ook in haar bevindingen dat het gaat om een gezinssysteem dat dusdanig onder druk staat, dat de jongens hieronder lijden en uit zelfbescherming handelen. Het is van belang dat de ouders niet naar elkaar blijven wijzen, maar dat zij bij zichzelf nagaan wat zij kunnen doen om de situatie voor hun kinderen te verbeteren en daarbij iedere vorm van hulpverlening aanpakken.

Conclusie

Het gezag

4.12.

Gelet op het voorgaande en het subsidiaire verzoek van de man en zijn gedachte achter dit verzoek, ziet de rechtbank aanleiding om de vrouw met het eenhoofdig gezag over [kind 2] en [kind 1] te belasten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.13.

Gelet op de slechte verstandhouding tussen de ouders en tussen de jongens en de man, en de onmogelijkheid om nog langer uitvoering te geven aan de eerder vastgestelde co-ouderschapsregeling, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.14.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen die van belang zijn voor hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen of tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Gebleken is dat partijen hiertoe niet in staat zijn. Een schrijnend voorbeeld hiervan is dat de (psychologische) hulp voor [kind 2] tot op heden nog steeds niet is geregeld. De situatie is zelfs zo dat partijen elkaar niet meer vooraf informeren of consulteren over zaken rondom de jongens. De rechtbank verwacht niet dat partijen op korte termijn nog in staat zullen zijn om in het belang van de jongens samen beslissingen te nemen. De vrouw heeft duidelijk aangegeven dat het voor haar niet langer mogelijk is om met de man samen te werken als ouders en dat zij dit ook niet meer wil. Uit de stellingen en opvattingen van de man over de vrouw en over de samenwerking de laatste jaren, ziet de rechtbank ook niet in hoe de man dit voor zich ziet. De overtuiging van de man dat sprake is van ouderverstoting door de vrouw maakt het naar het oordeel van de rechtbank ook onmogelijk om tot een vruchtbare samenwerking te komen. Zeker nu de rechtbank niet mee gaat in deze overtuiging van de man, althans daar geen doorslaggevende betekenis aan geeft, en de man ook geen mogelijkheid biedt tot contra-expertise. De man geeft zelf aan zich hier niet bij neer te kunnen leggen en doet daarom ook het subsidiaire verzoek. Het subsidiaire verzoek van de man begrijpt de rechtbank ook als een uiterste verzoek gedreven uit wanhoop. Het doet hem te veel pijn om zo aan de zijlijn te staan en buiten het leven van de jongens gehouden te worden. Daarom kiest hij voor afstand.

4.15.

De rechtbank ziet niet in hoe partijen, gelet op het ‘definitieve’ wantrouwen over en weer, nog langer een goede invulling aan het gezamenlijk gezag kunnen geven. De jongens, als ook de ouders zelf, lopen tegen het gezamenlijk gezag aan. De rechtbank acht het echter noodzakelijk dat er direct hulp voor de jongens ingeschakeld kan worden als zij dit nodig hebben en dat de jongens ook rust krijgen zodat zij zich kunnen richten op de ingezette hulpverlening. Vertraging of uitstel in te nemen gezagsbeslissingen is te schadelijk geworden voor deze jongens. Ze zijn overduidelijk klem komen te zitten tussen de ouders. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [kind 1] en [kind 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd indien het gezamenlijk gezag in stand blijft. De rechtbank beslist daarom dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over [kind 1] en [kind 2] wordt belast.

4.16.

Gelet op voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij haar te bepalen afwijzen omdat zij hier geen belang meer bij heeft. Immers nu de vrouw thans met het eenhoofdig gezag wordt belast, is het aan de vrouw om te bepalen waar [kind 1] en [kind 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben.

4.17.

Omdat de vrouw voortaan belast wordt met het gezag, heeft zij ook geen belang meer bij haar verzoeken om de man te verplichten zijn toestemming te geven voor het opstarten van psychologische hulpverlening voor [kind 2] bij klinisch psycholoog dr. [naam] van het [ziekenhuis] te [plaats] en de inschrijving van [kind 2] en [kind 1] bij haar huisarts, bij gebreke waarvan de beschikking in de plaats komt van de vereiste toestemmingen van de man. De rechtbank zal daarom op deze verzoeken niet meer beslissen.

4.18.

Dat de vrouw alleen met het gezag wordt belast over [kind 2] en [kind 1] , neemt niet weg dat de vrouw verplicht is om de ontwikkelingen van de banden van de kinderen met de man te bevorderen en de man te informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen. De vrouw moet dus contact onderhouden met de man over de kinderen, maar dit contact is wel beperkt tot het minimale en kan bijvoorbeeld via de mail plaatsvinden.

4.19.

Nu de man wordt gevolgd in zijn subsidiaire verzoek, worden alle overige door hem geformuleerde verzoeken als ingetrokken beschouwd, met uitzondering van zijn verzoeken aangaande de kinderalimentatie. Op de overige verzoeken hoeft dan ook niet meer te worden beslist.

De omgang

4.20.

De vrouw heeft verzocht de in het ouderschapsplan vermelde verdeling van de zorgtaken te wijzigen in die zin dat [kind 1] en [kind 2] bij haar verblijven en zelf kunnen bepalen wanneer zij naar hun vader gaan, althans dat de rechtbank een zodanige zorgregeling vaststelt voor [kind 1] en [kind 2] als de rechtbank passend oordeelt. Tevens verzoekt de vrouw de man te verbieden om voor een termijn van 12 maanden vanaf de datum van de beschikking, althans gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, contact te hebben met [kind 2] en dat na afloop van de door de rechtbank bepaalde termijn aan [kind 2] de keuze wordt gelaten om wel of geen contact met de vader te hebben.

4.21.

Nu de vader niet langer meer met het gezag over [kind 2] en [kind 1] is belast, zal de rechtbank hierna spreken over de term omgangsregeling conform artikel 1:377a BW.

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat omgang tussen de jongens en de man op dit moment niet op een voor de jongens onbelaste wijze kan plaatsvinden. Ook niet opbouwend volgens het door de man opgestelde schema van zes weken waarbij er wordt gestart met koffie drinken in bijzijn van een gezinsvoogd. [kind 1] en [kind 2] hebben zelf ernstige bezwaren tegen enig contact met hun vader, terwijl de Raad op basis van haar onderzoek ook tot het oordeel komt dat contact voorlopig nog niet zal werken. Misschien dat er wel weer ruimte voor contact ontstaat bij de jongens na verloop van tijd en als zij de juiste hulp krijgen voor de verwerking van het een en ander. Het verzoek van de vrouw, waarbij de jongens zelf mogen bepalen wanneer zij naar hun vader gaan, acht de rechtbank dan ook passend.

4.23.

Het verzoek om een tijdelijk contactverbod tussen de man en [kind 2] op te leggen wijst de rechtbank af. Gelet op de gedachte achter het subsidiaire verzoek van de man en de gezagswijziging, gaat de rechtbank ervan uit dat de man afstand zal bewaren ten aanzien van [kind 2] . Het moge duidelijk zijn voor de man dat het opzoeken van contact momenteel een negatieve impact heeft op de jongens. Er moet eerst onderzocht worden of, en op welke manier contact(herstel) tot stand kan worden gebracht. Dit is niet iets wat de man kan bepalen of afdwingen.

De ondertoezichtstelling

4.24.

Door de Raad is om een ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verzocht voor de duur van negen maanden. De Raad acht het belangrijk dat er een gezinsvoogd komt die duidelijkheid schept over hoe het contact tot stand kan komen en op welke wijze dat in het belang van de jongens zal zijn.

4.25.

De rechtbank acht het van belang dat er, ook in de situatie dat alleen de vrouw het gezag heeft, iemand een vinger aan de pols houdt bij de jongens. Het afgelopen jaar was niet gemakkelijk en de rechtbank deelt de opvatting van de Raad dat contactverlies niet zonder meer de oplossing is en ook erg schadelijk kan zijn voor de jongens. Het is dus belangrijk om in de gaten te houden wat de afgelopen tijd met de jongens heeft gedaan en wat de nieuwe situatie, waarbij het gezag enkel bij de vrouw rust, zij bij de vrouw wonen en er geen contact wordt opgelegd met de man, voor consequenties heeft voor de jongens. De rechtbank acht het daarbij noodzakelijk dat de hulpverlening waaraan de jongens behoefte hebben en waarvan geacht wordt dat de jongens dit nodig hebben daadwerkelijk wordt ingezet. Het kan zijn dat er meer nodig is dan een psycholoog voor [kind 2] . [kind 1] lijkt geen hulpvraag te hebben, maar ook voor hem is het noodzakelijk om in de gaten te houden of hij hulp kan gebruiken. Een gezinsvoogd kan er zijn voor de jongens en de regie nemen in de hulpverlening. De rechtbank acht het daarbij belangrijk dat er zicht komt in de gezinssituatie bij de vrouw thuis en of de kinderen daar voldoende structuur en stabiliteit ervaren.

4.26.

De ondertoezichtstelling over [kind 1] en [kind 2] zal in een separate beschikking (C/05/380314 / JE RK 20/1684) worden uitgesproken en verder gemotiveerd.

De kinderalimentatie

4.27.

Partijen zijn in het ouderschapsplan van 28 juli 2019 onder artikel 11 – kortgezegd – overeengekomen dat de man € 591 netto per maand op de kindrekening stort en de vrouw
€ 212 netto per maand, bij vooruitbetaling. Daarnaast hebben partijen bepaald dat financiële tegemoetkomingen ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] , zoals bijvoorbeeld kinderbijslag en het kindgebonden budget, worden gestort op de kindrekening.

4.28.

In oktober 2017 hebben partijen per e-mail met elkaar gecorrespondeerd over nieuwe afspraken over de kinderalimentatie, waarna de man voortaan een bedrag van € 186,75 per maand heeft overgemaakt op de kindrekening en de vrouw het bedrag volgens het ouderschapsplan is blijven betalen.

4.29.

De vrouw verzoekt nu – bij gewijzigd verzoek – aan de rechtbank om:

- de nog door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] vanaf 1 februari 2020 tot en met december 2020 vast te stellen op € 1.095,10, als de man tot en met december € 617,75 heeft betaald op de en/of rekening en op € 1.712,85 als hij tot en met november 2020 € 617,85 heeft betaald op de en/of rekening;

- de door de man met ingang van 1 januari 2021 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] vast te stellen op € 408,50 per kind per maand.

4.30.

De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw de afspraken omtrent de kinderalimentatie – zoals overeengekomen per 18 oktober 2017 – en vervat in de als productie 37 neergelegde emailcorrespondentie dient na te komen, thans inhoudende dat de vader € 195,25 dient bij te dragen op de gezamenlijke kindrekening en de moeder € 105,34.

Indien de rechtbank besluit een kinderalimentatie vast te stellen met een ingangsdatum die ligt voor de datum van de beschikking, verzoekt de man rekening te houden met de onttrekkingen van de vrouw en de stortingen door de man die gecorrigeerd moeten worden. Dit kan met het aanwezige saldo op de kindrekening.

De ontvankelijkheid

4.31.

De man voert verweer tegen de door de vrouw aangedragen wijzigingen van omstandigheden waaronder de zorgregeling, de inkomens van partijen en het willen stopzetten van de kindrekening. Volgens de man is er geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de overeengekomen alimentatie niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven en een herberekening gerechtvaardigd is. De rechtbank begrijpt dat de man hier doelt op de gemaakte afspraken op 18 oktober 2017, waarbij partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, aldus de man.

4.32.

De rechtbank stelt vast dat partijen niet langer overeenstemming hebben over de kindrekening. De vrouw wil dat het gebruik van de kindrekening stopt en de rechtbank een door de man aan haar te betalen kinderalimentatie vaststelt. De man wil het gebruik van de kindrekening nog voortzetten.

4.33.

De rechtbank stelt voorop dat het partijen vrij staat om in onderling overleg en in afwijking van het rapport alimentatienormen van de Expertgroep alimentatienormen eigen afspraken te maken over de verdeling van de kosten van de kinderen. Op het moment dat een van de partijen hier niet meer achter staat, zal de rechtbank niet vasthouden aan deze onderlinge afspraak en op verzoek van een partij een te betalen kinderalimentatie vaststellen. Gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen en de man en de kinderen (waardoor de rechtbank ook een gezagswijziging noodzakelijk acht), acht de rechtbank het ook niet redelijk om de vrouw nog langer te houden aan de gemaakte afspraken in het ouderschapsplan, waaronder het gebruik van de kindrekening. Het gebruik van een kindrekening vergt immers een normale communicatie en vertrouwen in elkaar en daarvan is in dit geval geen sprake. Hoewel de man betwist dat er veelvuldig sprake is geweest van irritatie en conflict over de kindrekening, stelt de rechtbank vast dat de ouders elkaar wel degelijk aankijken als het gaat om het gebruik van de kindrekening. De man stelt zelf dat de vrouw onterecht bedragen van de kinderrekening afschreef en nog afschrijft, alsook voor de zitting. De vrouw verklaart ter zitting dat ze oppast met wat ze van de kindrekening haalt en dingen zelf betaalt om discussies daarover te voorkomen. Gelet op het aanwezige saldo op de kindrekening acht de rechtbank deze stelling aannemelijk. Om een einde te maken aan de discussies en de onduidelijkheid over de kosten van de kinderen, zal de rechtbank overgaan tot het vaststellen van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie conform de wettelijke maatstaven.

De ingangsdatum

4.34.

De ingangsdatum is in geschil tussen partijen. De vrouw gaat uit van 1 februari 2020 als ingangsdatum voor de wijziging, omdat [kind 2] sindsdien niet meer naar de man is gegaan en de man sinds augustus 2019 al rekening had kunnen houden met een herberekening. Rekening houdend met hetgeen de man heeft gestort op de kindrekening en de verschillende zorgkortingen, heeft de vrouw over de periode van 1 februari 2020 tot december 2020 uitgerekend wat de man dan te weinig heeft betaald en dit wenst zij over die periode van de man te ontvangen als kinderalimentatie. Per 1 januari 2021 kan de alimentatie vastgesteld worden op € 408,50 per kind per maand en hoeven er geen verrekeningen meer plaats te vinden. De man voert verweer en stelt dat de datum van de beschikking als ingangsdatum moet gelden.

4.35.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het niet redelijk om de vast te stellen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan vandaag, zijnde de datum van deze beschikking. Gebleken is dat beide partijen volgens een eigen visie in de kosten van de kinderen hebben bijgedragen en (daardoor) ruimschoots in de kosten van de kinderen kon worden voorzien. De rechtbank acht het in dit geval niet wenselijk om over en weer nog tot verrekeningen te komen omdat conform de (gewijzigde) afspraken tussen partijen is bijgedragen. Van dat geld zijn uitgaven gedaan ten behoeve van de kinderen. Dat maakt onderlinge verrekening achteraf complex en is niet in belang van partijen. Door te bepalen dat de ingangsdatum heden is en er geen verrekening plaatsvindt, maar het resterende saldo aan de kinderen toekomt, is bereikt dat al het gestorte geld ten behoeve van de kinderen wordt aangewend waarbij hun behoefte kennelijk door de eerdere stortingen is gedekt, gezien het resterende (spaar)saldo.

De behoefte

4.36.

Partijen zijn het er over eens dat de in het ouderschapsplan vastgestelde behoefte van € 1.701 per maand gecorrigeerd moet worden door daarop in mindering te brengen de in het ouderschapsplan genoemde opslag van 16% in verband met een dubbele woonlast. Dit leidt volgens partijen tot een behoefte van € 1.445 per maand in 2015, geïndexeerd naar nu € 1.586 per maand. Na toepassing van de wettelijke indexering per 1 januari 2021 bedraagt de behoefte alsdn afgerond € 1.634 per maand, gelijk aan € 817 per kind per maand.

De verdeling van de kosten

4.37.

De man heeft geweigerd de benodigde financiële gegevens van hem zelf over te leggen aan de vrouw en de rechtbank voor het maken van een deugdelijke draagkrachtberekening. Hiermee handelt hij in strijd met artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het belang van de kinderen. Het is aan de rechtbank om hieruit de gevolgtrekking te maken die zij geraden acht. Gelet op de bereidheid van de vrouw om uit te gaan van eenzelfde draagkracht voor de man als voor haar van € 1.896 per maand, zal de rechtbank hier bij gebrek aan informatie van de man dan ook van uitgaan. Dit komt er op neer dat partijen ieder voor de helft bijdragen in de behoefte van de kinderen. Het aandeel van de man is dan € 408,50 per kind per maand.

De zorgkorting

4.38.

Het toepassen van een zorgkorting staat ter discussie tussen partijen. De rechtbank is van oordeel dat nu de kinderen niet meer bij de man zullen verblijven en hij dus geen verblijfskosten meer heeft voor de kinderen, een zorgkorting niet van toepassing is. De rechtbank ziet, anders dan de man, ook geen reden om een zorgkorting toe te passen om de vrouw enigszins een impuls te geven. Gelet op voorgaande overwegingen over het gezag en contact(herstel), is de rechtbank namelijk niet van oordeel dat het geheel aan het gedrag van de vrouw ligt dat er nu geen contact is tussen de man en de jongens. Er is veel meer aan de hand en het is onzeker of, en wanneer er mogelijk weer contact zal zijn tussen de man en de jongens. Op dit moment draagt de man in ieder geval geen zorg voor de kinderen en bij die situatie sluit de rechtbank zich aan.

Conclusie

4.39.

De man dient een kinderalimentatie te betalen van € 408,50 per kind per maand met ingang van heden, bij vooruitbetaling te voldoen. De rechtbank benadrukt dat de man deze kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Het staat de man niet vrij om naar eigen wens de alimentatie te storten op de spaarrekening van de kinderen. Hiermee voldoet hij niet aan zijn alimentatieverplichting zoals nu door de rechtbank wordt opgelegd.


De kindrekening

4.40.

Nu de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vaststelt, heeft de kindrekening geen doel meer en kan deze worden opgeheven. Over het saldo op de kindrekening zijn partijen het eens, in die zin dat wat over is in een gelijke verhouding naar de spaarrekeningen van [kind 1] en [kind 2] gaat. De man wenst echter nog wel, gelet op de ingangsdatum, een eventuele aanslag van het kindgebonden budget of kinderbijslag over 2020 van het saldo te betalen, als gevolg van een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

4.41.

Gelet op de ingangsdatum en de afspraak van partijen dat de bijdragen bij vooruitbetaling worden voldaan op de kindrekening, gaat de rechtbank ervan uit dat de laatste door de man ontvangen betaling van het kindgebonden budget en kinderbijslag over 2020 al is doorgestort op de kindrekening ten behoeve van de kinderen. De vrouw zal de nieuwe aanvrager zijn van het kindgebonden budget en kinderbijslag. Mocht de man eventueel nog een aanslag ontvangen van het kindgebonden budget of de kinderbijslag, dan kan die naar oordeel van de rechtbank enkel zien op de periode vanaf nu (althans vanaf datum wijziging hoofdverblijf van de jongens) tot 31 december 2020. De rechtbank verwacht hier geen dusdanige aanslag van dat de man deze niet kan dragen ten behoeve van de kinderen. Dit verzoek van de man wijst de rechtbank dan ook af.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.42.

De rechtbank zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door beide partijen is verzocht. Dat wil zeggen dat uitvoering moet worden gegeven aan de beslissingen van de rechtbank, ook al wordt er eventueel hoger beroep ingesteld. De rechtbank acht het belangrijk dat er een periode van rust komt voor iedereen. Daarvoor is vereist dat er zoveel mogelijk duidelijkheid is en blijft.

Proceskosten

4.43.

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over de kinderen:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw;

5.2.

wijzigt de in het ouderschapsplan van 28 juli 2015 (aangehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 23 september 2015) vermelde verdeling van zorgtaken, in die zin dat [kind 1] bij de vrouw verblijft en zelf kan bepalen wanneer hij naar de man gaat;

5.3.

wijzigt de in het ouderschapsplan van 28 juli 2015 (aangehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 23 september 2015) vermelde verdeling van zorgtaken, in die zin dat [kind 2] bij de vrouw verblijft en zelf kan bepalen wanneer hij naar de man gaat;

5.4.

wijzigt de in het ouderschapsplan van 28 juli 2015 (aangehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 23 september 2015) gemaakte financiële afspraken over de kosten van de kinderen, in die zin dat met ingang van heden de kindrekening wordt opgeheven en de man aan de vrouw een bedrag van € 408,50 per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] , steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

5.5.

bepaalt dat het saldo op de en/of- kindrekening per heden voor de helft op de spaarrekening van [kind 1] respectievelijk [kind 2] dient te worden gestort, waarna partijen verplicht zijn de rekening op te heffen binnen twee weken;

5.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af wat meer of anders is verzocht;

5.8.

compenseert de proceskosten zo dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Linde, (kinder)rechter, als voorzitter, en mrs. M.J.C van Leeuwen en C.M. Koopman, (kinder)rechters, en door de voorzitter in tegenwoordigheid van mr. A. Heezemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2020.