Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7071

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
C/05/363367 / ES RK 19-612 en C/05/366882 / FA RK 20-543
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het vaststellen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor een jongmeerderjarige valt niet onder de limitatieve opsomming van de door de rechter te treffen voorzieningen van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gelet op de verzochte ingangsdatum voor de alimentatie door de vrouw (namelijk de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand), zou de alimentatie ingaan op een moment dat alle kinderen ruimschoots meerderjarig zijn. Een volmacht van de kinderen volstaat daarom niet. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de eigen stellingen en opvattingen van de kinderen van belang zijn om een weloverwogen beslissing te nemen over de alimentatie. Een beslissing over de alimentatie in deze echtscheidingsprocedure zou geen recht zou doen aan hun rechtspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2021/64
FJR 2022/6.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/363367 / ES RK 19-612 en C/05/366882 / FA RK 20-543

Datum uitspraak: 24 december 2020

beschikking echtscheiding van de meervoudige kamer

in de zaak van

[verzoekster] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes te Malden,

tegen

[verweerder] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. I.M.H. Bloemen te Nijmegen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 11 december 2019;

  • -

    het exploot van betekening d.d. 17 december 2019;

  • -

    de brief namens de vrouw, ingekomen op 31 december 2019;

  • -

    het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 25 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, ingekomen op 4 december 2020;

  • -

    het F9-formulier met uitlating en aanvullende producties namens de man, ingekomen op 4 december 2020;

  • -

    het e-mailbericht namens de vrouw, ingekomen op 7 december 2020;

  • -

    de ter zitting voorgelezen en overgelegde verklaring d.d. 9 december 2020 opgesteld door [kind 2] ten behoeve van hemzelf en zijn broers [kind 1] en [kind 3] ;

  • -

    het door partijen op 17 december 2020 ondertekende echtscheidingsconvenant, ingekomen op 18 december 2020.

1.2.

De zaak is meervoudig behandeld ter zitting met gesloten deuren van 14 december 2020. Daarbij waren aanwezig de beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

[kind 2] en [kind 3] zijn, gelet op hun leeftijd ten tijde van indiening van het verzoekschrift, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. De geplande afspraak om mondeling met de kinderrechter te spreken werd vanwege de maatregelen omtrent het coronavirus uitgesteld. [kind 2] en [kind 3] hebben hun mening schriftelijk aan de kinderrechter kenbaar gemaakt, per e-mailbericht van 9 april 2020. Gelet op het bereiken van hun achttienjarige leeftijd op 21 april 2020 zijn [kind 2] en [kind 3] later niet meer in de gelegenheid gesteld om hun mening mondeling kenbaar te maken aan de kinderrechter.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

2.2.

Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

De kinderen van partijen zijn:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [kind 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was [kind 1] 20 jaar en waren [kind 2] en [kind 3] 17 jaar.

2.4.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 17 februari 2020 is bepaald dat [kind 2] en [kind 3] aan de vrouw worden toevertrouwd, dat de man met ingang van de datum van de beschikking aan de vrouw zal betalen € 350 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [kind 2] en [kind 3] en € 500 bruto per maand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie), zulks onder verwijzing naar de overweging dat er ter zitting is gekozen voor een praktische en acceptabele oplossing en dat in de bodemprocedure partijen hun standpunten over en weer uiteen kunnen zetten en het verzoek van de vrouw een deskundige in deze te benoemen kan worden behandeld. De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van de jongmeerderjarige zoon van partijen, [kind 1] .

3 De beoordeling

3.1.

Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.

De echtscheiding

3.2.

Het is, mede gelet op de leeftijden van de kinderen, voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kon worden overgelegd. Inmiddels zijn alle kinderen van partijen meerderjarig waardoor een ouderschapsplan niet meer aan de orde is. Het verzoek tot echtscheiding is dus ontvankelijk. De rechtbank zal de echtscheiding uitspreken, nu aan de wettelijke vereisten is voldaan en ook overigens niet van bezwaar daartegen is gebleken.

Verdeling echtelijke woning, verdeling gemeenschap van inboedel, afwikkeling huwelijkse voorwaarden, partneralimentatie en pensioenverevening

3.3.

Door middel van de hiervoor bij 1.1. genoemde stukken van 4 en 7 december 2020 hebben partijen de rechtbank voorafgaande aan de mondelinge behandeling laten weten dat zij overleg met elkaar hebben gehad en overeenstemming hebben bereikt over alle tussen hen bestaande geschilpunten in de onderhavige procedure, behalve de kinderalimentatie. De rechtbank heeft op 18 december 2020 het door partijen op 17 december 2020 ondertekende echtscheidingsconvenant ontvangen met het verzoek van beide partijen om de inhoud van dit convenant op te nemen in de beschikking door aanhechting daarvan aan de beschikking. De rechtbank zal zo beslissen.

De voorafgaande aan de mondelinge behandeling ingediende verzoeken van partijen met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding, de partneralimentatie en het pensioen beschouwt de rechtbank als ingetrokken. De rechtbank zal hierop niet meer beslissen.

De hoofdverblijfplaats

3.4.

Gelet op de meerderjarige leeftijd van alle kinderen is een beslissing over hun hoofdverblijfplaats niet meer aan de orde. De rechtbank zal de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

De kinderalimentatie

3.5.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan haar een bedrag van

€ 401,65 per kind per maand betaalt als kinderalimentatie voor [kind 2] , [kind 3] en [kind 1] (hierna: de jongens). Zij verzoekt de rechtbank daarbij te bepalen dat een onafhankelijke deskundige onderzoekt welke winstuitkering over de afgelopen drie jaar reëel zou zijn geweest, op grond waarvan de draagkracht van de man nader kan worden gepreciseerd en het alimentatieverzoek van de vrouw ten behoeve van de kinderen nader kan worden bijgesteld. De man voert verweer.

3.6.

Ter zitting is met partijen getracht om ook over de kinderalimentatie tot onderlinge afspraken te komen. Dit is niet gelukt, omdat de standpunten van partijen te ver uiteen liggen en er veel wantrouwen over en weer is bij partijen. De rechtbank merkt dat de alimentatiekwestie ook een emotionele lading heeft. Voor de rechtbank is in ieder geval wel duidelijk geworden dat beide ouders de jongens financieel willen ondersteunen, als zij dit kunnen. De rechtbank heeft partijen de mogelijkheid geboden om, als partijen er na de mondelinge behandeling nog in zouden slagen overeenstemming te bereiken over de alimentatiekwestie, deze nadere overeenstemming, met instemming van de jongens, op te laten nemen in deze beschikking. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. De rechtbank zal, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling met partijen heeft besproken, geen inhoudelijke beslissing nemen over de kinderalimentatie en de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

3.7.

Weliswaar is er jurisprudentie (de vrouw verwijst in het bijzonder naar ECLI:NL:GHDHA:2019:2230 met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis) waarbij de rechter de ouder ontvankelijk verklaart in zijn of haar verzoek om alimentatie namens de jongmeerderjarige in de echtscheidingsprocedure na daartoe door deze jongmeerderjarige gemachtigd te zijn, ook als deze jongmeerderjarige reeds bij de aanvang van de procedure tot echtscheiding meerderjarig is. Dit is echter geen vaste jurisprudentie en over de rechtspositie van de jongmeerderjarige in een echtscheidingsprocedure wordt door de rechtbanken en gerechtshoven wisselend gedacht, zoals ook door deze rechtbank. Deze rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor een jongmeerderjarige niet onder de limitatieve opsomming van de door de rechter te treffen voorzieningen van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering valt. De jongmeerderjarige heeft een zelfstandig recht om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn ouder(s) te verzoeken. [kind 2] en [kind 3] zijn bijna 19 jaar en [kind 1] is nu al 21 jaar. Gelet op de verzochte ingangsdatum voor de alimentatie door de vrouw (namelijk de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand), zou de alimentatie ingaan op een moment dat alle kinderen ruimschoots meerderjarig zijn. De door de vrouw verzochte alimentatie ziet dan ook niet meer op een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, waardoor een volmacht naar het oordeel van deze rechtbank ook niet volstaat om het verzoek van de vrouw inhoudelijk te toetsen.

3.8.

Bovendien acht de rechtbank het in dit geval juist van belang dat de jongens een eigen rechtspositie hebben en daarvan gebruik kunnen maken, waartoe de rechtbank de jongens ook in staat acht. Zo kunnen zij volledig kennisnemen van de alimentatieprocedure, voor zover zij dit niet al op afstand doen, en zo een eigen beeld vormen over de financiële situatie na de scheiding van zowel hun vader als hun moeder en de consequenties daarvan. In de door de jongens opgestelde verklaring staat kort gezegd dat zij een eerlijke regeling conform de wettelijke regels willen waardoor zij in staat zijn om zonder onnodige kopzorgen hun studie af te ronden en zich voor te bereiden op het werkleven. Zij zijn opgegroeid met het idee dat de studie voor hen betaald zou worden en dat daarvoor ook genoeg geld is. Dat zij op deze manier een beroep doen op de verzorgingsplicht van hun ouders, acht de rechtbank tekenend voor de ontstane situatie. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de moeder door middel van de volmachten in deze procedure heeft willen voorkomen dat er een alimentatieprocedure volgt tussen de jongens en hun vader en dat de jongens juist niet betrokken zouden worden in een financiële strijd, constateert de rechtbank dat de jongens al betrokken zijn geraakt. De rechtbank krijgt ook de indruk dat de alimentatie de jongens erg bezig houdt en dat dit misschien zelfs ook bepalend is geworden voor hoe het contact is met hun vader, wat de rechtbank zorgelijk acht. De rechtbank vraagt zich in dat verband ook af in hoeverre de jongens op de hoogte zijn van alle feiten en omstandigheden die relevant zijn in kader van de alimentatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eigen stellingen en opvattingen van de jongens van belang zijn om een weloverwogen beslissing te nemen over de alimentatie en een beslissing over de alimentatie in deze echtscheidingsprocedure geen recht zou doen aan hun rechtspositie.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [datum]

in de gemeente [plaats] ;

4.2.

bepaalt dat de inhoud van aangehecht convenant, gedateerd en ondertekend op 17 december 2020, deel uitmaakt van deze beschikking;

4.3.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3] en de kinderalimentatie, althans een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen van partijen, zoals overwogen onder 3.5 tot en met 3.8;

4.4.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, rechter, als voorzitter, en mrs. M. van der Linde en M.J.C. van Leeuwen, rechters, en door de voorzitter in tegenwoordigheid van mr. A. Heezemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2020.