Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7066

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
05/880962-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt twee mannen en een vrouw uit Zutphen voor het tezamen en in vereniging plegen van handel in harddrugs. Twee van hen, destijds partners (man en vrouw), zijn ook veroordeeld voor het aanwezig hebben van hoeveelheden van harddrugs in hun eigen woning en in de woning van een ander. Dezelfde man heeft in een andere zaak tevens twee agenten bedreigd met zware mishandeling door bij een vluchtpoging op de agenten in te rijden zonder af te remmen. In zijn auto zijn toen harddrugs en wapens aangetroffen. De tweede man heeft voor zich schuldig gemaakt aan (internationale) handel in harddrugs, doordat hij meerdere postpakketten met harddrugs erin liet verzenden bij een Post-NL punt in de Jumbo in Zutphen. De verdachten bevonden zich samen in hetzelfde dealersnetwerk.

In de zaak van een vierde verdachte volgt de uitspraak op 7 december 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/880962-19

Datum uitspraak : 30 november 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] ,

op dit moment verblijvende bij [verslavingskliniek] .

Raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 22 juni en 9 november 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand mei 2019 tot en met 2 september 2019 te Zutphen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (onder meer)

- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen) en/of

- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD) en/of

- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA, d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD) en/of cocaïne, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (telkens door genoemd(e) middel(en) te verpakken in postpakketten en/of enveloppen en/of (vervolgens) ter verzending/ten vervoer naar het buitenland aan te bieden en te overhandigen aan personeel van een Post NL Loket, gevestigd in een Jumbo supermarkt);

2.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand mei 2019 tot en met 13 januari 2020 te Zutphen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad, (onder meer)

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD)

zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne, heroïne en/of d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Uit het dossier is gebleken dat door verdachte het onder 1 tenlastegelegde vanaf juni en niet vanaf mei 2019 is begaan. En voor feit 2 geldt dat is bewezen dat verdachte vanaf oktober tot en met december 2019 heeft gedeald.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat wat betreft het onder feit 1 tenlastegelegde ten onrechte wordt uitgegaan van een langere periode met startdatum mei 2019, terwijl verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] hem pas in juli of augustus 2019 heeft benaderd om postpakketten te verzenden. Voor het overige kan ten aanzien van feit 1 een bewezenverklaring volgen. Ook de gekozen startdatum van mei 2019 in het onder feit 2 tenlastegelegde is onbegrijpelijk. Er kan, gelet op de verklaring van verdachte, weliswaar een bewezenverklaring volgen maar dan wel voor een veel beperkte periode zoals ten laste is gelegd, namelijk vanaf november of december 2019.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Op 17 augustus 2019 kwam om 12.15 uur een melding binnen van twee medewerkers van een Post NL Loket in de Jumbo, gevestigd aan de Rudolf Steinerlaan 47 in Zutphen. De politie ging ter plaatse en sprak met twee medewerkers die verklaarden dat een man, die zij kenden als verdachte, zojuist bij de Jumbo was geweest om verdachte postpakketten af te leveren en te verzenden. De postpakketten waren geadresseerd aan adressen over de hele wereld , waaronder naar Amerika, Nieuw-Zeeland, Bolivia en India2. Verdachte vertelde aan medewerkster [getuige 1] dat hij samples zou verzenden.3 Verdachte had bij haar 21 poststukken aangetekend willen opsturen naar verschillende landen. De poststukken bestonden uit 12 normale enveloppen, 6 grote enveloppen en 3 kleine pakketten. In totaal heeft verdachte

€ 342,95 aan verzendkosten betaald. Dit heeft hij contant betaald. Verdachte kwam volgens getuige [getuige 1] 2 á 3 keer per week voor een dergelijke zending bij de Jumbo, meestal vlak voor sluiting en vaak op dinsdagavond. Volgens getuige [getuige 1] heeft zij verdachte ongeveer twintig keer geholpen met de zendingen en gaat het om een periode van drie tot vier maanden. 4 Verbalisant heeft drie poststukken geopend en trof verpakte roze pillen en witte en beigekleurige poeders aan.5 Vervolgens is de gehele zending in beslag genomen.

Op 28 augustus 2019 omstreeks 19.38 uur werden door verdachte nog eens 22 poststukken (13 groene enveloppen en 9 witte pakketjes) ingeleverd bij dezelfde Jumbo om aangetekend te verzenden en ook deze werden contant betaald.6 En op 2 september 2019 omstreeks 19:30 uur kwam verdachte nog eens 15 pakketten (8 groene enveloppen en 7 witte doosjes) inleveren bij dezelfde Jumbo.7 Ook deze zendingen zijn in beslag genomen. Het vermoeden bestond dat ook in deze zendingen verdovende middelen zaten.

In de zendingen zijn onder meer poeders en pillen aangetroffen. Deze zijn onderzocht. Uit de processen-verbaal onderzoek verdovende middelen wordt niet duidelijk bij welke zending de hierin opgesomde poeders en pillen in beslag zijn genomen.8 Wel wordt duidelijk dat het gaat om in beslag genomen goederen aan de Rudolf Steinerlaan 47, 7207 PV te Zutphen. Dit is het adres van de Jumbo waar verdachte de pakketjes heeft afgeleverd. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de processen-verbaal onderzoek verdovende middelen zien op de in beslaggenomen goederen op 17 augustus, 28 augustus en 2 september 2019.

Uit indicatieve testen blijkt dat een groot aantal in beslag genomen pillen positief is getest op MDMA. Van deze pillen heeft het NFI een drietal monsters onderzocht van in totaal 202 pillen. Daarbij is gebleken dat alle 202 onderzochte pillen MDMA bevatten.9

Verder blijkt uit de indicatieve testen dat 1,02 gram wit poeder/brokjes positief is getest op cocaïne.10 Een monster van dit witte poeder/brokjes is onderzocht door het NFI. Daarbij is gebleken dat het monster cocaïne bevat.11

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de door verdachte verzonden pakketjes MDMA en cocaïne bevatten. Dat onder de aangetroffen middelen ook een hoeveelheid LSD zou zijn geweest blijkt niet uit de processen-verbaal onderzoek verdovende middelen, zodat de rechtbank dit niet bewezen acht.

Bij de politie, en ook tijdens de terechtzitting, heeft verdachte verklaard dat hij postpakketten ter verzending wegbracht in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] . Vlak voor een verzending spraken verdachte en [medeverdachte 1] af op de parkeerplaats van de Jumbo of [medeverdachte 1] kwam verdachte ophalen in zijn auto en bracht hem dan naar de Jumbo. [medeverdachte 1] gaf verdachte dan de postpakketten en zei hem dat hij deze niet mocht openen. Vervolgens verzond verdachte deze pakketten met een Track&Trace code en betaalde dat dan met contant geld. Als hij na versturen van de pakketten wisselgeld overhield dan mocht verdachte dat houden. Het versturen heeft hij ongeveer 10 keer gedaan en daarmee is hij begonnen in juli of augustus 2019. Verdachte heeft nooit geholpen met het verpakken van de postpakketjes.12

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de ten laste gelegde periode een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging per post verzenden van MDMA en cocaïne naar het buitenland: hij kreeg de postpakketten van [medeverdachte 1] en bracht deze dan naar de Jumbo in Zutphen ter verzending naar het buitenland. De rechtbank acht het medeplegen dan ook bewezen.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er in de pakketjes drugs zat. Hij heeft verklaard dat hij dacht dat in de poststukken proefstukjes van tapijt, documenten, offertes en geheime recepten zaten. Wanneer hij doorvroeg, zei [medeverdachte 1] : ‘wil je nou geld verdienen of niet?’. [medeverdachte 1] gaf hem ontwijkende antwoorden.13 Verdachte vroeg dan niet verder door en was allang blij dat hij wat geld kon verdienen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte echter wel willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om drugs ging en heeft hij derhalve voorwaardelijk opzet gehad. Medeverdachte [medeverdachte 1] bracht hem naar de Jumbo, waar [medeverdachte 1] zelf in de auto bleef wachten en verdachte de tientallen pakketjes naar verschillende landen in de wereld moest inleveren bij de Jumbo, waar verdachte de verzendkosten met contant geld betaalde die hij daarvoor van medeverdachte [medeverdachte 1] kreeg. Op doorvragen naar de inhoud van de pakketjes kreeg hij ontwijkende antwoorden van medeverdachte [medeverdachte 1] .

De rechtbank komt dan ook tot wettig en overtuigend bewijs van het tenlastegelegde.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 1995;

- het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] , p. 2052 en 2056;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 1377;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1887;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 november 2020.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand mei 2019 tot en met 2 september 2019 te Zutphen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (onder meer)

- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen) en/of

- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD) en/of

- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA, d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD) en/of cocaïne, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (telkens door genoemd(e) middel(en) te verpakken in postpakketten en/of enveloppen en/of (vervolgens) ter verzending/ten vervoer naar het buitenland aan te bieden en te overhandigen aan personeel van een Post NL Loket, gevestigd in een Jumbo supermarkt);

2.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand mei 2019 tot en met 13 januari 2020 te Zutphen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad, (onder meer)

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD)

zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne, heroïne en/of d-lysergeenzuurdiethylamide (lysergide/LSD), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 280 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast is geëist het opleggen van de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan middelencontrole en inzicht in financiën.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat een gevangenisstraf welke langer is dan het voorarrest niet wenselijk wordt geacht, want verdachte is juist bezig zijn leven weer op de rit te krijgen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de strafeis van de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 mei 2020.

Verdachte heeft zich samen met een ander een periode schuldig heeft gemaakt aan (internationale) handel in harddrugs. De rechtbank gaat ervan uit dat dit een periode van drie tot vier maanden betreft voor bewezenverklaarde onder één en dat alleen al in de onderschepte postpakketjes in totaal 4.461 XTC-pillen (MDMA) zaten en 1,02 gram cocaïne. Voor het bewezenverklaarde onder twee gaat de rechtbank uit van een periode van twee weken.

Het is algemeen bekend dat harddrugs, eenmaal onder het bereik van gebruikers, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Harddrugs werken over het algemeen zeer verslavend. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door eigen gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor gebruikers en de samenleving in het algemeen.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadviezen van 19 februari en
2 november 2020. Nadat verdachte begin 2019 zijn baan is kwijt geraakt is hij in contact gekomen met een sociaal netwerk waarin middelengebruik en het plegen van delicten aan de orde van de dag waren. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 10 april 2020 onder bijzondere voorwaarden geschorst, waaronder reclasseringstoezicht en ambulante behandeling. De reclassering constateert in haar rapport van 2 november 2020 dat er instabiliteit heerst op alle leefgebieden, waaronder financiën en dagbesteding, en er is sprake van forse verslavingsproblematiek. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Verdachte wordt inmiddels behandeld bij de [verslavingskliniek] . Bij veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie op het gebied van middelengebruik, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan middelencontrole en inzicht in financiën.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, is naar oordeel van de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Gezien de ernst van de feiten zou een terugkeer in de gevangenis bepaald niet ongepast zijn, maar gelet op de hulpverlening die rondom hem is opgestart tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is dat niet wenselijk. De rechtbank acht het in het belang van verdachte én de maatschappij dat verdachte aan zichzelf gaat werken om herhaling te voorkomen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat verdachte 89 dagen in voorarrest heeft gezeten. Dit is van belang voor het aantal dagen dat voorwaardelijk zal worden opgelegd, gelet op het feit dat verdachte niet terug zal behoeven te keren in de gevangenis.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en het feit dat verdachte niet terug hoeft te keren naar de gevangenis acht de rechtbank een taakstraf van aanzienlijke duur passend.

Alles overwegend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 276 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast worden opgelegd de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie op het gebied van middelengebruik, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan middelencontrole en inzicht in financiën. Verder legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 240 uren en indien deze straf niet naar behoren wordt verricht een vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Die straf is hoger dan door de officier van justitie geëist gelet op de duur en omvang van de door verdachte gepleegde feiten.

De rechtbank acht het in het belang van verdachte én de maatschappij dat verdachte aan zichzelf gaat werken om herhaling te voorkomen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikel 9, 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

  • -

    veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 276 (tweehonderdzesenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

  • -

    de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk 3 dagen na ingang van de proeftijd zal melden bij Tactus Reclassering op Piet Heinstraat 27 te Zutphen en zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zal deelnemen aan een gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik, aangeboden door een instelling, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de aangewezen trainer of begeleider aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

- zich gedurende 6 maanden, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, zal laten opnemen in een zorginstelling met passend beveiligingsniveau, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven, zoals het innemen van medicatie en meewerken aan indicatiestelling en plaatsing indien de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang wenselijk acht;

- zich onder behandeling zal stellen door de forensische polikliniek JusTact of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die polikliniek aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor overmatig middelengebruik en met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken;

- zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- zal meewerken aan controle van gebruik van drugs middels urineonderzoek en ademonderzoek, zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering inzicht in zijn schulden en financiën en werkt mee aan de aflossing van zijn schulden;

  • -

    geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht).

  • -

    stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

 een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Yeniay-Cenik, voorzitter, mr. C. Kleinrensink en

mr. A.S. Gaastra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.G.M. van Ophuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019366036, gesloten op 26 mei 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 244-245.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 242-243.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 262-264.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 242-254.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 300.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 312.

8 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 320-321 en proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 328-350

9 Proces-verbaal NFiDent van 4 november 2020.

10 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 348.

11 Proces-verbaal NFiDent van 4 november 2020.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , p. 1845-1849, 1887-1888 en 1901 en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 9 november 2020.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , p. 1845-1848.