Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7051

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
05/740091-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor betrokkenheid bij dodelijke aanrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/740091-19 en 05/840718-18 (TUL)

Datum uitspraak : 16 december 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 november 2019, 11 december 2019, 15 januari 2020, 25 november 2020 en 16 december 2020.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag door opzettelijk in de richting van [slachtoffer] te (blijven) rijden, tegen zijn lichaam te rijden (waardoor hij ten val is gekomen) en/of over hem heen te rijden.

Indien dit niet kan worden bewezen, wordt verdachte de opzettelijke zware mishandeling (subsidiair) dan wel mishandeling (meer subsidiair) met de dood ten gevolg op deze manier verweten.

Als de mishandeling niet kan worden bewezen, wordt verdachte verweten dat het aan zijn schuld is te wijten dat hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood (de rechtbank begrijpt nog meer subsidiair: artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994). Tot slot wordt verdachte verweten dat hij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt (meest subsidiair: artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994).

2 De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde doodslag, zware mishandeling met de dood ten gevolg, mishandeling met de dood ten gevolg en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel kan worden bewezen dat verdachte gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt (meest subsidiair: artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994). Hiertoe is aangevoerd dat verdachte zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn auto op tijd tot stilstand heeft kunnen brengen (overtreding van artikel 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990). De officier van justitie heeft vervolgens in verband met het ontbreken van schuld, ook wel afwezigheid van alle schuld genoemd, verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft zich aangesloten bij wat door de officier van justitie is aangevoerd.

De rechtbank wil, voordat wordt overgegaan tot de overwegingen ten aanzien van het bewijs het volgende opmerken. Kort na de aan- en overrijding was het beeld dat verdachte moedwillig [slachtoffer] had overreden. Daarom is hij aangehouden en heeft hij gedurende ongeveer vier maanden in voorlopige hechtenis gezeten. Door de computersimulatie van de politie, de verbeterde versie van de simulatie, de computersimulatie van Baan Hofman en de toelichting daarop van de deskundigen ter terechtzitting, is het beeld van de noodlottige gebeurtenis die plaatsvond op 10 augustus 2019 veranderd. Uit het requisitoir van de officier van justitie blijkt dat dit de reden is waarom hij de vrijspraak van verdachte heeft geëist. De rechtbank begrijpt dat deze gang van zaken boosheid, frustratie en verdriet bij de nabestaanden van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. De rechtbank begrijpt dat de nabestaanden vinden dat verdachte moet worden veroordeeld en dat zij hun hoop op de rechtbank hebben gevestigd.

De rechtbank zal nu uitleggen hoe zij het bewijs in deze zaak beoordeelt.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding

Uit de camerabeelden (proces-verbaal van bevindingen, p. 164 e.v.), de verklaringen van de getuigen [getuige 1] (p. 91 e.v.), [getuige 2] (p. 98 e.v.), [getuige 3] (p. 113 e.v.) en [getuige 4] (p. 118 e.v.), de verklaringen van verdachte (p. 31 e.v. en ter terechtzitting) en het forensisch onderzoek van de politie (p. 186 e.v.) leidt de rechtbank het volgende af.

Op 10 augustus 2019 vond bij het tankstation [naam] aan de Lange Amerikaweg in Apeldoorn een confrontatie plaats tussen verdachte en een groep, waarvan het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) ook onderdeel uitmaakte.

[getuige 1] is samen met [getuige 2] in zijn gele [voertuig 1] bij het tankstation en komt daar [getuige 4] , [getuige 3] en [slachtoffer] tegen, collega’s van een ander filiaal van [bedrijfsnaam 1] . Verdachte parkeert zijn grijze [voertuig 2] achter de gele [voertuig 1] van [getuige 1] , gaat de shop van het tankstation binnen en keert na het afrekenen van zijn sigaretten terug naar zijn auto. Nadat de groep geen aanstalten maakt om weg te gaan, ontstaat er een discussie. Verdachte claxonneert, opent zijn raam en begint te schelden/schreeuwen. Er is sprake van ‘haantjesgedrag’ over en weer.

Uiteindelijk rijdt verdachte achteruit en besluit niet weg te rijden, maar zet zijn auto schuin voor de gele [voertuig 1] (03:08:45 uur). Weer wordt er over en weer wat geroepen/uitgedaagd, waarna verdachte uitstapt en op [slachtoffer] af loopt. Verdachte provoceert en daagt uit. Hij slaat tegen de pet van [getuige 2] . [getuige 2] heeft ten tijde van het incident een stanleymes in zijn hand genomen. Verdachte hoort dat het stanleymes wordt uitgeschoven. Vervolgens gaan meer personen er zich mee bemoeien. Er is sprake van duw- en trekwerk. Verdachte verklaart zelf nog dat hij bij de keel is gepakt en een paar trappen heeft gekregen.

Nadat verdachte in zijn auto wordt geduwd, rijdt hij om 03:12:05 uur bij het tankstation weg.

Verdachte verklaart dat hij met een normale snelheid heeft gereden. Dit volgt ook uit het onderzoek van de politie (p. 186 e.v.), waaruit blijkt dat hij voor het rode verkeerslicht wacht, rechtsaf naar de Kayersdijk rijdt en vervolgens ter hoogte van het (groene) stoplicht bij de kruising met de Laan van Malkenschoten met een snelheid van gemiddeld 31 tot 34 kilometer per uur is doorgereden. Verder is op het meetpunt ook een gemiddelde snelheid van 48 tot 51 kilometer per uur gemeten, passend bij de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

Om 03:12:41 uur rijdt [getuige 1] in de gele [voertuig 1] met een behoorlijke snelheid bij het tankstation weg. [getuige 2] is bijrijder en [slachtoffer] zit links achterin. Zij gaan achter verdachte aan, horen de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hen zeggen.

Vervolgens is de registratie bij het eerste stoplicht zodanig kort dat kan worden vastgesteld dat de bestuurder van de [voertuig 1] niet de intentie heeft gehad om te stoppen. Bij het tweede stoplicht ter hoogte van de Laan van Malkenschoten is het voertuig door rood licht gereden. Bij het meetpunt wordt een gemiddelde snelheid van 85 tot 92 kilometer per uur vastgesteld.

Omdat de [voertuig 1] 36 seconden later is vertrokken dan de [voertuig 2] en die [voertuig 2] (rijdend met een gemeten snelheid van ongeveer vijftig kilometer per uur) binnen een afstand van ongeveer 940 meter heeft ingehaald, concludeert de politie dat de bestuurder van de [voertuig 1] in ieder geval gemiddeld 94 kilometer per uur moet hebben gereden om tegelijk met de [voertuig 2] bij de kruising met de Haringvliet te arriveren.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte de confrontatie heeft opgezocht en als eerste provocerend gedrag laat zien bij het tankstation [naam] . Na het incident bij het tankstation [naam] en het wegrijden door verdachte, zijn [getuige 1] , [getuige 2] en [slachtoffer] , zoals [getuige 2] ook zelf heeft verklaard, als een “kip zonder kop” achter verdachte aangegaan.

Het fatale moment

Verklaringen

Uit de verklaringen van [getuige 1] volgt dat hij verdachte op de Kayersdijk ter hoogte van de zijstraat Haringvliet inhaalt en voor hem afremt.

[slachtoffer] stapt uit en loopt met een snel tempo naar de [voertuig 2] , waarna verdachte – aldus de getuige [getuige 1] – veel gas geeft en links om de [voertuig 1] heen in de richting van de Haringvliet stuurt. De auto rijdt niet hard.

De getuige weet niet waarom [slachtoffer] niet aan kant ging. Hij bleef staan en toen de auto door bleef rijden, kwam hij ten val. De auto reed door en vervolgens over [slachtoffer] heen (p. 91 e.v.).

[getuige 2] verklaart dat zij de [voertuig 2] vlak voor de Haringvliet inhalen en hun voertuig tot stilstand brengen. De bestuurder van de [voertuig 2] stopt achter hen.

[slachtoffer] en [getuige 1] stappen uit. Vervolgens hoort de getuige een harde klap. Hij kijkt om en ziet [slachtoffer] op de motorkap liggen. Vlak voordat de [voertuig 2] de haaientanden passeert, wordt [slachtoffer] van de motorkap geslingerd. De [voertuig 2] rijdt daarna met een hoge snelheid links de Haringvliet op. [slachtoffer] beweegt niet meer. Er komt veel bloed uit een wond op zijn hoofd, aldus de getuige (p. 98 e.v.).

Verdachte verklaart dat hij op de Kayersdijk (de rechtbank begrijpt: ter hoogte van de Haringvliet) ineens met forse snelheid wordt ingehaald. De auto stopt direct voor hem. Verdachte ziet op dat moment dat het de gele [voertuig 1] van het tankstation is. Verdachte ziet aan de linker achterzijde iemand uit de auto stappen. De jongen (hierna: [slachtoffer] ) loopt in zijn richting. Verdachte is net met een mes bedreigd en is bang. Hij denkt dat ze naar hem toe komen. Hij wil weg en raakt in paniek. De Haringvliet is de beste optie om weg te komen, aldus verdachte.

Omdat hij inmiddels bijna tot stilstand is gekomen, moet hij “iets gas bij geven”. Hij is druk bezig met zijn versnellingsbak. Verdachte kijkt de Haringvliet in en maakt, toen hij niemand zag, een bocht naar links om daarheen te kunnen rijden. Hij neemt de bocht zo dicht langs de stoeprand aan de linkerzijde, omdat hij weet dat [slachtoffer] aan de rechterzijde stond.

Terwijl hij de Haringvliet inrijdt, voelt verdachte “iets”. Hij ziet paniek bij de jongens uit de [voertuig 1] en beseft dan dat hij iemand heeft aangereden. Dat is nooit zijn bedoeling geweest. Hij heeft nooit bewust op hem ingestuurd. Hij heeft [slachtoffer] op dat moment niet voor zijn auto gezien en daarom ook niet geremd (p. 31 e.v. en de verklaring van verdachte ter terechtzitting).

Uit de medische stukken volgt dat [slachtoffer] door de impact van de aan- en overrijding op 10 augustus 2019 zeer ernstig hersenletsel met bloedingen en kneuzingen rond en in de hersenen en breuken van de schedelbeenderen heeft opgelopen. Hij is hier op 13 augustus 2019 aan overleden.

Camerabeelden:

De aan- en overrijding is opgenomen door een bewakingscamera van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] .

Van deze opnamen heeft het “Expert Team Visualisatie en Reconstructie” van het “Landelijke Forensisch Service Centrum” van de politie een simulatie gemaakt. Kort samengevat komt het erop neer dat de kwaliteit van de oorspronkelijke beelden is verbeterd en dat beelden zijn ingelezen in een computerprogramma. Met behulp van dit programma kunnen de beelden van de aan- en overrijding niet alleen worden bekeken vanuit de oorspronkelijke camerapositie, maar kunnen deze ook bekeken worden vanuit andere posities. De aan- en overrijding kan bijvoorbeeld ook vanaf boven of vanaf de zitplaats van de bestuurder van de [voertuig 2] worden bekeken. De verdediging heeft een rapport van “Baan Hofman Ongevallenanalyse” aan het strafdossier laten toevoegen. Ook door Baan Hofman zijn op basis van dezelfde camerabeelden, met hetzelfde computerprogramma computersimulaties gemaakt. Deze computersimulaties zijn als bijlage bij het rapport gevoegd. Er zijn kleine verschillen tussen de rapporten en computersimulaties maar de politie en Baan Hofman komen op de hoofdpunten tot dezelfde conclusies.

Uit beide rapporten, de op basis van de camerabeelden gemaakte computersimulaties en de toelichting van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af:

  • -

    de gemiddelde reactietijd van een weggebruiker is ongeveer 1 seconde, dit betekent bijvoorbeeld dat de tijd tussen het zien dat een stoplicht op rood springt en het intrappen van de rem ongeveer 1 seconde is;

  • -

    de afstand tussen de plaats naast de achterdeur van de [voertuig 1] en de plaats waar [slachtoffer] is aangereden, is iets meer dan 2 meter geweest;

  • -

    4,066 seconden na het begin van de opname gaat het remlicht van de [voertuig 2] uit. De [voertuig 2] remt af tot een snelheid van ongeveer 4 tot 5 kilometer per uur. [slachtoffer] stapt links achter uit de [voertuig 1] ;

  • -

    0,87 seconde later loopt [slachtoffer] in de richting van de [voertuig 2] . Op de beelden behorende bij dit moment (0,87 seconden dan wel met de maximale foutmarge inbegrepen 1,07 seconden na het eerste moment) is een begin van een stuurbeweging van verdachte naar links te zien. Volgens de computersimulatie van de politie kan verdachte op dat moment [slachtoffer] zien, zij het dat het zicht op [slachtoffer] gedeeltelijk door de linker voorstijl wordt ontnomen;

  • -

    de [voertuig 2] maakt de bocht van de Kayersdijk naar de Haringvliet in een vloeiende beweging en stuurt, vanuit de auto gezien, naar de linker kant van de weg;

  • -

    opnieuw 0,18 seconde later loopt [slachtoffer] verder in de richting van de [voertuig 2] en beweegt zijn rechter arm naar boven. Volgens de computersimulatie van de politie kan verdachte [slachtoffer] zien;

  • -

    weer 0,8 seconde later bevindt [slachtoffer] zich nu (direct) voor de [voertuig 2] , waarna hij 0,02 seconde later met een snelheid van 13 kilometer per uur (daarna oplopend) wordt geraakt en vervolgens uit het zicht (en beeld) verdwijnt;

  • -

    kort hiervoor, slechts 0,5 seconde voor de aanrijding bevindt [slachtoffer] zich pas in de baan van de [voertuig 2] en kan verdachte dat door de voorruit zien;

  • -

    dit betekent dat binnen 1,87 seconden na het uitstappen van [slachtoffer] hij door de auto wordt geraakt en uit het beeld verdwijnt;

  • -

    1,52 seconden hierna is te zien dat de [voertuig 2] op lift aan de achterzijde. Dit geldt ook voor het moment 0,8 seconde later. [slachtoffer] wordt hier vermoedelijk overreden.

De rechtbank komt op basis van al dit voorgaande tot de conclusie dat [slachtoffer] nadat de beide auto’s (bijna) stopten, direct uit de auto kwam en snel afliep op de [voertuig 2] die door verdachte werd bestuurd. Op het moment dat [slachtoffer] uit de auto stapte, had verdachte de stuurbeweging naar links, dus van het slachtoffer af, al ingezet. [slachtoffer] bleef echter in de richting van de baan van de [voertuig 2] lopen. Hij kwam pas een halve seconde voor de aanrijding in de baan van [voertuig 2] die werd bestuurd door verdachte.

Opzet?

De rechtbank moet vervolgens vaststellen of verdachte de aan- en overrijding is te verwijten en zo ja hoe dit feit kan worden gekwalificeerd.

De feitelijke omschrijving van de tenlastelegging is dat verdachte:

  • -

    met een personenauto in de richting van [slachtoffer] is gereden en/of is blijven rijden;

  • -

    tegen die [slachtoffer] is gereden (waardoor hij is gevallen);

  • -

    en/of over het lichaam van [slachtoffer] is gereden.

Deze feitelijke omschrijving is achtereenvolgens tenlastegelegd als:

  • -

    doodslag (primair);

  • -

    zware mishandeling met de dood ten gevolg (subsidiair);

  • -

    mishandeling met de dood ten gevolg (meer subsidiair);

  • -

    het schuldig zijn aan een verkeersongeluk, waardoor [slachtoffer] is overleden (nog meer subsidiair);

  • -

    gevaarlijk en/of hinderlijk gedrag op de weg (meest subsidiair).

De ernst van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt neemt telkens af.

Ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag geldt dat bewezen moet worden dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk moet hebben gedood. Verdachte moet de dood van [slachtoffer] hebben gewild. Ten aanzien van de tenlastegelegde zware mishandeling en mishandeling met de dood ten gevolg moet worden bewezen dat verdachte aan [slachtoffer] (zwaar) letsel wilde toebrengen. In dat geval hoeft verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer] te hebben gehad.

De vraag of verdachte opzet op de dood of het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel had, kan worden bewezen op grond van zijn eigen verklaringen of worden afgeleid uit zijn gedrag.

Verdachte heeft verklaard, kort samengevat, dat hij [slachtoffer] zag uitstappen en naar hem toe zag komen. Hij werd bang, wilde vluchten en reed daarom weg van de situatie een zijstraat in. Hij had niemand gezien, maar voelde iets en besefte daarna dat hij iemand had aangereden. Uit de verklaring van verdachte kan zijn opzet op de dood of de (zware) mishandeling dan ook niet worden afgeleid.

De vervolgvraag is wat uit het gedrag van verdachte kan worden afgeleid. Uit de computersimulaties blijkt dat verdachte binnen 0,87 tot 1,07 seconde na het uitstappen van [slachtoffer] zijn stuurbeweging naar links heeft ingezet. De deskundigen hebben daarover ter terechtzitting het volgende verklaard: de gemiddelde reactiesnelheid van een persoon, dus het enkele waarnemen en registreren in de hersenen, bedraagt gemiddeld één seconde. Daarna komt pas een daadwerkelijk handelen.

Dit maakt dan ook dat verdachte binnen het tijdsbestek van 0,87 tot 1,07 seconden de stuurbeweging niet als reactie op het uitstappen en naar hem toe komen van [slachtoffer] kan hebben ingezet. De beslissing tot het maken van deze stuurbeweging moet verdachte daarvoor al hebben genomen. Verder blijkt uit de computersimulaties en de verklaring van de deskundigen ter terechtzitting dat verdachte de bocht zodanig links heeft genomen dat hij zo ver mogelijk van [slachtoffer] heeft weggestuurd. Er was vrijwel geen ruimte meer om verder naar links in te sturen zonder daarbij van de weg te raken en in de berm te belanden. Dit sluit aan bij de verklaring van verdachte dat hij niet op [slachtoffer] heeft ingestuurd en juist heeft geprobeerd weg te komen.

alle h Zowel uit de computersimulaties als uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat [slachtoffer] vervolgens in de richting van de [voertuig 2] is blijven lopen. De totale afstand tussen de plaats waar [slachtoffer] uit de [voertuig 1] stapte en de plek waar hij werd aangereden door de [voertuig 2] is naar schatting “iets meer dan twee meter” geweest. Deze afstand heeft hij, gelet op het moment dat hij voor de [voertuig 2] heeft gestaan, met een snelheid van ongeveer 7 kilometer per uur afgelegd. [slachtoffer] heeft bij elke pas in de richting van de baan van de [voertuig 2] de mogelijkheid gehad om te stoppen.

Pas een halve seconde voor de aanrijding heeft [slachtoffer] zich in de baan van de [voertuig 2] bevonden. Zelfs al had verdachte [slachtoffer] gezien, had hij op dit moment, niet meer de (reactie)tijd om nog te kunnen stoppen.

Dit alles maakt dat uit het gedrag van verdachte niet blijkt dat hij [slachtoffer] wilde doden, of (zwaar) lichamelijk letsel aan hem wilde toebrengen. Verdachte had immers de stuurbeweging naar links al ingezet, toen [slachtoffer] uitstapte of naast de auto stond. Vervolgens heeft verdachte zijn auto in een vloeiende beweging van [slachtoffer] en de gele [voertuig 1] weggestuurd. Verdachte wilde vluchten, hij had geen opzet op dood of op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin.

[slachtoffer] is door blijven lopen in de richting van de baan van de [voertuig 2] en 0,5 seconde voor de aanrijding in de baan van de [voertuig 2] gekomen. Wat [slachtoffer] hiermee wilde bereiken, zal nooit duidelijk worden. Zijn gedrag lijkt er echter op gericht te zijn geweest om de door verdachte bestuurde [voertuig 2] tot stoppen te dwingen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de

  • -

    doodslag op [slachtoffer] (primair);

  • -

    zware mishandeling van [slachtoffer] met de dood ten gevolg (subsidiair);

  • -

    mishandeling van [slachtoffer] met de dood ten gevolg (meer subsidiair).

Schuld?

Vervolgens is aan verdachte de schuld aan een verkeersongeval met de dood ten gevolg verweten (nog meer subsidiair). Het gaat hier niet om schuld in spreekwoordelijke zin, maar om schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Hiervoor is vereist dat het gedrag van verdachte zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Er dient sprake te zijn van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het uitgangpunt hierbij is dat het feitelijke rijgedrag van verdachte moet worden afgemeten tegen dat wat er van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen in deze omstandigheden mag worden verwacht.

De rechtbank overweegt hierbij dat het rijgedrag van verdachte los van zijn provocerende gedrag bij het tankstation dient te worden beoordeeld. Uit het politieonderzoek volgt dat verdachte met een normale snelheid richting de Haringvliet is gereden en zich aan de verkeersregels heeft gehouden. Op het moment dat hij wordt ingehaald, remt hij met de [voertuig 1] af tot een snelheid van ongeveer 4 tot 5 kilometer per uur. Vervolgens zet hij, voordat hij [slachtoffer] ziet uitstappen en naar hem toe ziet lopen, de stuurbeweging naar links in. Hij stuurt weg van [slachtoffer] .

De hoeveelheid gas die bij de stuurbeweging wordt bijgegeven, is beperkt. Hij trok op van een snelheid van 4 tot 5 kilometer per uur tot een snelheid van 13 kilometer per uur.

[slachtoffer] is in een zeer korte tijd van de veilige plek naast de [voertuig 1] in de baan van de [voertuig 2] gelopen. Door deze beweging is hij in de laatste halve seconde voor de aanrijding in de baan van de door verdachte bestuurde auto terechtgekomen. Hierop heeft verdachte niet meer kunnen reageren. Onder deze omstandigheden hoefde verdachte, als bestuurder van een personenauto, er geen rekening mee te houden dat [slachtoffer] voor zijn auto zou lopen.

Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank het rijgedrag, het handelen van verdachte, niet verwijtbaar. Naar haar oordeel is dan ook geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en zal zij verdachte ook van dit feit vrijspreken.

Tot slot wordt verdachte verweten dat door zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg is ontstaan (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994). Gelet op alles wat de rechtbank hiervoor over het rijgedrag van verdachte heeft overwogen, is zij van oordeel dat ook geen sprake van is van het door verdachte veroorzaken van gevaar of hinder op de weg. Dit betekent dat zij verdachte van alle verwijten zal vrijspreken.

Dit alles maakt dat de rechtbank het, geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte ook zal opheffen.

Ten slotte overweegt de rechtbank het volgende. In deze zaak blijft een aantal vragen onbeantwoord.

Verdachte, [slachtoffer] en zijn vrienden hebben bij het tankstation haantjesgedrag vertoond; ze deden stoer en lieten zich niet aanspreken op hun gedrag. Nadat verdachte door [slachtoffer] en zijn vrienden in zijn auto is geduwd, reed hij weg. Waarom besloten [slachtoffer] en twee van zijn vrienden de achtervolging in te zetten en dwongen zij verdachte tot stilstand?

Ook voor verdachte heeft dit ongeluk de nodige gevolgen gehad. Hij is opgepakt en heeft achteraf gezien ten onrechte in voorlopige hechtenis gezeten. Verder zal hij moeten leven met de wetenschap dat [slachtoffer] is overleden. Strafrechtelijk valt hem dit niet te verwijten. De vraag blijft waarom hij bij het benzinestation de confrontatie heeft opgezocht met [slachtoffer] en zijn vrienden. Waarom parkeerde hij zijn auto voor de [voertuig 1] ? Waarom reed hij niet gewoon naar huis?

Deze zaak kent dan ook alleen maar verliezers. Hoewel de rechtbank vindt dat verdachte strafrechtelijk geen verwijt valt te maken, neemt dit niet weg dat een jonge 26-jarige man als gevolg van dit ongeval is komen te overlijden. De familie van [slachtoffer] heeft hem met zeer ernstig letsel in het ziekenhuis aangetroffen en uiteindelijk de beslissing moeten nemen de behandeling te staken. De rechtbank beseft dat dit een zeer heftige tijd voor alle familieleden/vrienden van [slachtoffer] moet zijn geweest en dat het verlies van [slachtoffer] veel verdriet heeft veroorzaakt en nog steeds veroorzaakt. Zij zullen hun leven lang met dit gemis moeten leven.

4 De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend:

  • -

    [nabestaande 1] (moeder): € 38.837,48 (€ 11.337,48 aan materiële kosten, een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en een bedrag van € 10.000,- aan shockschade);

  • -

    [nabestaande 2] (vader): € 33.956,66 (€ 6.456,66 aan materiële kosten, een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en een bedrag van € 10.000,- aan shockschade);

  • -

    [nabestaande 3] (broer): € 31.363,13 (€ 3.863,13 aan materiële kosten, een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en een bedrag van € 10.000,- aan shockschade).

Ter terechtzitting is verzocht een bedrag van € 15.000,- aan shockschade toe te wijzen dan wel dit bedrag als smartengeld via de grondslag aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek) toe te kennen. Verzocht is de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Tot slot is verzocht de volgende proceskosten toe te wijzen: € 132,11 ( [nabestaande 1] ), € 147,08 ( [nabestaande 2] ) en € 149,27 ( [nabestaande 3] ).

De vrijspraak van verdachte heeft juridisch tot gevolg dat de rechtbank niet meer aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen toekomt. Nu het niet tot oplegging van een straf of maatregel komt, zal de rechtbank daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren.

Gelet op al het voorgaande zal zij de vorderingen tot vergoeding van de proceskosten afwijzen.

5 De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/840718-18)

De rechtbank (Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen) heeft verdachte op 14 maart 2019 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren waarvan vijftig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte tijdens zijn proeftijd een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. De vordering tot tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

 heft op het, geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen:

 verklaart de benadeelde partijen [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen;

 wijst de vorderingen tot vergoeding van de proceskosten van de benadeelde partijen [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 3] af.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer:

05/840718-18)

 wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 14 maart 2019 voorwaardelijke opgelegde taakstraf voor de duur van vijftig uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Jansen-van Leeuwen (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. F.E. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2020.

BIJLAGE:

Aan verdachte is na toewijzing van een vordering nadere omschrijving tenlastelegging tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Apeldoorn [slachtoffer] opzettelijk van

het leven heeft beroofd door:

- met een (personen)auto in de richting van die [slachtoffer] te rijden en/of te blijven rijden en/of

- ( vervolgens) met voornoemde (personen)auto tegen het lichaam van die [slachtoffer] te rijden (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- ( vervolgens) met voornoemde (personen)auto over (het lichaam van) die [slachtoffer] te rijden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd- en/of hersenletsel (bloedingen en/of kneuzingen) en/of een gebroken been, heeft toegebracht door:

- met een (personen)auto in de richting van die [slachtoffer] te rijden en/of te blijven rijden en/of

- ( vervolgens) met voornoemde (personen)auto tegen het lichaam van die [slachtoffer] te rijden (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- ( vervolgens) met voornoemde (personen)auto over (het lichaam van) die [slachtoffer] te rijden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Apeldoorn [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- met een (personen)auto in de richting van die [slachtoffer] te rijden en/of te blijven rijden en/of

- ( vervolgens) met voornoemde (personen)auto tegen het lichaam van die [slachtoffer] te rijden (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), en/of

- ( vervolgens) met voornoemde (personen)auto over (het lichaam van) die [slachtoffer] te rijden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Apeldoorn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, te weten de Kayersdijk, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte,

terwijl hij zag dat een persoon, te weten [slachtoffer] , op (zeer) korte afstand van verdachtes personenauto ( [voertuig 2] ) uit een personenauto ( [voertuig 1] ) was gestapt en richting de personenauto van verdachte liep,

gas heeft (bij)gegeven en/of zijn, verdachtes, personenauto met verhoogde snelheid naar links heeft gestuurd en/of heeft afgeslagen in de richting van de Haringvliet, terwijl [slachtoffer] zich lopend in zijn, verdachtes, rijrichting bewoog en/of

(aldus handelend) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij in staat was om dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Kayersdijk) kon

overzien en waarover deze vrij was en/of

in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 RVV bij het afslaan naar de Haringvliet de voetganger die hem op de Kayersdijk tegemoet kwam, niet heeft laten voorgaan en/of

zijn snelheid en/of zijn stuurrichting niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en/of (vervolgens) met zijn personenauto tegen die [slachtoffer] is gebotst en/of aangereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of (vervolgens) over die [slachtoffer] heen is gereden,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede heeft gereden over de weg, te weten de Kayersdijk,

terwijl hij, verdachte ter hoogte van de kruising van deze weg, de Kayersdijk en de Haringvliet op zeer korte afstand een persoon in de richting van het door hem, verdachte bestuurde motorvoertuig (personenauto) zag lopen, althans zag dat een persoon zich op zeer korte afstand voor dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) bevond,

vanuit stilstand of langzaam rijdend heeft geaccelereerd en/of met verhoogde snelheid naar links heeft gestuurd, naar links is gegaan en/of naar links is afgeslagen, in de richting van de Haringvliet en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was om dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg/en (de Kayersdijk en/of de Haringvliet), althans die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of

in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement bij het afslaan of het naar links gaan in de richting van de Haringvliet, die hem, verdachte over dezelfde weg (de Kayersdijk) tegemoetkomende voetganger, welke voetganger zich naast dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) bevond, niet voor heeft laten gaan en/of

zijn snelheid en/of zijn stuurrichting niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen, waarna of waarbij hij, verdachte met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) over die voetganger is heen gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

1 De volledige tenlastelegging is in de bijlage opgenomen.