Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7020

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4343
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat voor de beoordeling van het recht op een tegemoetkoming onder 'rechtdagen' in de zin van het gewijzigde Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in combinatie met de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen slechts dagen moeten worden verstaan, waarop onder het oude Dagloonbesluit daadwerkelijk recht bestond. Dagen waarop onder de oude tekst van het Dagloonbesluit geen recht bestond maar waarop dit theoretisch onder de nieuwe tekst van het Dagloonbesluit wel het geval zou zijn, zijn geen rechtdagen voor de beoordeling van de tegemoetkoming. Volgens de rechtbank wordt dit niet anders door het bestaan van de categorie gerechtigden als bedoeld in art. 2 lid 1 onder e van de Regeling, ook al lijkt deze categorie grammaticaal gezien alsdan betekenisloos. Uit de toelichting op de Regeling blijkt namelijk afdoende dat de regelgever zich dit gerealiseerd heeft, waarbij hij voor de desbetreffende categorie een eigen beoordelingkader heeft geschetst dat afwijkt van dat van de overige onderdelen van het artikellid. Nu categorie e aldus beschouwd wel degelijk concrete betekenis heeft, mist de beroepsgrond ten aanzien van de hier toepasselijke d-grond, die er van uitgaat dat dit niet het geval zou zijn, zijn juridische doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/4343

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2020

in de zaak tussen

[Eiseres A] , te [woonplaats A] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een tegemoetkoming van € 8.650,85 toegekend op grond van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

Bij besluit van 9 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen bij schorsingsbeschikking van 22 juli 2019 bericht dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 25 juli 2019 heeft verweerder een nadere reactie ingediend.

Op 5 december 2019 heeft eiseres schriftelijk laten weten nogmaals gehoord te willen worden op een zitting.

Op 4 november 2020 heeft de rechtbank de zaak terugverwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Aan eiseres is met ingang van 1 juli 2013 een WW-uitkering toegekend. Deze uitkering heeft eiseres (met onderbreking van een aantal ziekteperioden) ontvangen tot en met 31 augustus 2015. Met ingang van deze datum is de WW-uitkering beëindigd in verband met werkhervatting. Per 19 oktober 2015 is aan eiser een nieuwe WW-uitkering toegekend tot en met 18 januari 2018 en daarnaast is het oude recht op WW-uitkering herleefd tot en met 10 april 2016. Het dagloon voor het nieuwe WW-recht heeft verweerder vastgesteld op € 68,36. In verband met gewijzigde regels voor het vaststellen van daglonen heeft verweerder bij besluit van 31 januari 2018 aan eiseres per

1 januari 2018 een nieuw dagloon ter hoogte van €119,28 toegekend. Voorts heeft verweerder aangekondigd dat eiseres een eenmalige tegemoetkoming zal ontvangen en hierover nog een brief zal ontvangen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Regeling) toegekend. De hoogte hiervan bedraagt € 8.650,85. De Regeling voorziet in een tegemoetkoming in gevallen waarin het dagloon te laag is vastgesteld in de periode van 1 juli 2015 tot 1 december 2016 indien toepassing zou zijn gegeven aan het per 1 december 2016 in werking getreden – gewijzigde – Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt dat verweerder uitgaat van een te laag bedrag aan tegemoetkoming. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte de maanden dat zij geen recht had op WW-uitkering omdat haar inkomsten hoger waren dan 87,5% van het maandloon, buiten beschouwing gelaten. Op basis van het maandloon, behorend bij het gecorrigeerde (hogere) dagloon, zou het maandloon namelijk hoger zijn geweest en zou over de desbetreffende maanden wél recht hebben bestaan op WW-uitkering.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van de Regeling rechtdagen de dagen zijn waarover daadwerkelijk recht heeft bestaan op een WW- of ZW-uitkering. Hieruit vloeit volgens verweerder voort dat de maanden waarover geen WW-recht bestond, buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres recht heeft op een eenmalige tegemoetkoming op grond van de Regeling. In geschil is de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming. Uit de gronden van het beroep en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder bij de berekening van de tegemoetkoming een juiste toepassing heeft gegeven aan het begrip rechtdagen.

5.2.

Evenmin is in geschil is dat eiseres valt onder artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling zoals die bepaling luidde vanaf 1 april 2018.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling heeft recht op een eenmalige tegemoetkoming de werknemer die recht heeft of heeft gehad op een WW-uitkering:

1°. dat is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016;

2°. waarbij op een dag in de kalendermaand waarin het recht op een WW-uitkering is ontstaan een eerder recht op een WW-uitkering bestaat; en

3°. die in de referteperiode, bedoeld in artikel 5a, tweede lid, onderdeel b, geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden;

6.1.

Voor een goede beoordeling van het geschil zijn daarnaast de volgende artikelen van belang.

6.2.

Artikel 16, achtste lid van de WW:

“Een recht op uitkering dat is ontstaan en direct eindigt op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel c, wordt geacht niet te zijn ontstaan indien het inkomen is genoten uit werkzaamheden als werknemer.”

6.3.

Artikel 20 aanhef en onder c van de WW:

“ Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen geniet, dat na vermenigvuldiging met de factor C/D, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.”

7. Eiseres heeft ter zitting haar standpunt nader onderbouwd met verwijzing naar de categorie, opgenomen onder e van het eerste lid van artikel 2 van de Regeling.

Dit artikel luidde vanaf 1 april 2018 als volgt:

“ Recht op een eenmalige tegemoetkoming heeft de werknemer wiens recht op een WW-uitkering:

  1. zou zijn ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016 indien artikel 16, achtste lid van de Werkloosheidswet niet van toepassing zou zijn geweest;

  2. waarbij op een dag in de kalendermaand waarin het recht op een WW-uitkering zou zijn ontstaan een eerder recht op een WW-uitkering bestaat; en

  3. die in de referteperiode, bedoeld in artikel 5b, tweede lid, onderdeel b, geen loon heeft genoten in ‘één of meer kalendermaanden.”

Eiseres is zich ervan bewust dat zij niet onder deze bepaling (categorie e) valt, maar volgens haar blijkt uit deze bepaling dat het standpunt van verweerder dat rechtdagen de dagen zijn waarop daadwerkelijk recht bestond, niet juist kan zijn. Verweerders standpunt volgend zou dit immers betekenen dat aan de categorie, opgenomen onder e, geen betekenis meer toekomt, omdat die categorie dan per definitie geen rechtdagen met zich mee zou brengen. Volgens eiseres kan het niet zo zijn dat de regelgever een feitelijk betekenisloze categorie in de Regeling heeft opgenomen. Hieruit volgt dat verweerder aan het begrip rechtdagen een onjuiste betekenis heeft gegeven en dat betekent dan weer dat verweerder de tegemoetkoming als bedoeld in categorie d te laag heeft vastgesteld door van een te laag aantal rechtdagen uit te gaan.

8.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

8.2.

Met de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2017, 2017-0000187129, tot wijziging van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een tegemoetkoming voor de zogenoemde herlevers (Regeling tot wijziging), zijn de categorieën d tot en met f aan het eerste lid van artikel 2 van de Regeling toegevoegd.1

In de Toelichting op de Regeling tot wijziging is onder meer het volgende opgenomen.

- onder 4.1 van de Toelichting schrijft de regelgever dat het aantal rechtdagen het aantal dagen betreft waarover de werknemer recht op een WW-uitkering heeft gehad in de periode vanaf 1 juli 2015 tot 1 januari 2018. Dit betreft het WW-recht waarvan het dagloon is herzien;

- onder 4.2 van de Toelichting legt de regelgever uit waarom voor de (door eiseres genoemde) categorie e van artikel 2, eerste lid van de Regeling, tot een andere berekeningswijze van de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming wordt gekomen:

“ In de situatie waarin een volgend recht op WW-uitkering – ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot 1 december 2016 – niet ontstaat vanwege de hoogte van het inkomen van de werknemer, wordt de hoogte van de tegemoetkoming anders berekend. Het gaat om de situatie waarin een werknemer al een (eerder) recht op WW-uitkering heeft en opnieuw werkloos wordt. Hij voldoet aan de overige voorwaarden voor het recht op een WW-uitkering maar hij heeft meer verdiend dan 87,5% van zijn maandloon. Het recht op een volgende WW-uitkering eindigt daarom op hetzelfde moment dat het is ontstaan. In deze situatie wordt achteraf verondersteld dat het recht nooit is ontstaan. (artikel 16, achtste lid van de WW). Hierdoor kunnen werknemers in de periode tussen 1 juli 2015 en 1 december 2016 geen recht hebben gekregen op een volgende WW-uitkering, terwijl zij daar wel recht op zouden hebben gehad als het Dagloonbesluit zoals dat luidt vanaf 1 december 2016 reeds van kracht was geweest. De hoogte van de eenmalige tegemoetkoming wordt iets anders berekend omdat in dit geval de werknemer geen uitkering heeft ontvangen op grond van het latere recht. Omdat er geen recht is ontstaan op een WW-uitkering, is echter onbekend hoe lang de betrokkene een uitkering zou hebben ontvangen. Er is daarom geen sprake van “een aantal rechtdagen”.

8.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders uitleg aan het begrip rechtdagen overeenkomt met de Toelichting op de Regeling tot wijziging. De verwijzing door eiseres naar categorie e van artikel 2, eerste lid van de Regeling kan eiseres dan ook geen uitkomst bieden, omdat de regelgever blijkens het in 8.2 weergegeven citaat expliciet heeft toegelicht dat deze categorie geen rechtdagen kent, zodat de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming anders wordt berekend. De in rechtsoverweging 7 weergegeven redenering van eiseres kan haar derhalve niet baten, nu deze de afwijkende systematiek ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, onderdeel e beschreven categorie miskent. Eiseres heeft ter zitting van 26 november 2020 haar standpunt nader toegelicht door erop te wijzen dat verweerder volgens haar van een te laag aantal rechtdagen is uitgegaan. Wat hier ook van zij, dit baat haar niet, omdat het bestreden besluit gaat over de berekening van de eenmalige tegemoetkoming en de vaststelling van het aantal rechtdagen aldus geen onderdeel uitmaakt van de bestreden besluitvorming.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

9.1.

Volgens eiseres heeft een medewerker van verweerder, die ook aanwezig was tijdens de hoorzitting in bezwaar, haar telefonisch toegezegd dat de beslissing zou worden herzien en dat eiseres alsnog recht heeft op een hogere tegemoetkoming.

9.2.

Verweerder heeft bij brief van 25 juli 2019 laten weten dat de desbetreffende medewerker zich geen toezegging kan herinneren en dat het ook hoogst onwaarschijnlijk is dat een dergelijke toezegging zou zijn gedaan, omdat het bezwaar dan dienovereenkomstig was afgehandeld.

9.3.

Ter zitting van 26 november 2020 heeft verweerder toegelicht dat het gebruikelijk is om de mensen vooraf telefonisch te informeren over de uitkomst van het bezwaar, zodat men beter is voorbereid op de beslissing. Hieruit leidt de rechtbank af dat verweerder hiermee met name wil voorkomen dat de betrokkene zich overvallen zal voelen door een negatieve beslissing (bezwaar ongegrond). De rechtbank vindt in de stukken onvoldoende aanknopingspunten die de stelling van eiseres bevestigen dat een medewerker van verweerder haar in juni 2018 telefonisch heeft toegezegd dat het bezwaar gegrond zal worden verklaard en dat zij een nabetaling zou ontvangen. Nu eiseres haar stelling niet met nadere stukken heeft onderbouwd ziet de rechtbank geen reden aan verweerders zienswijze, zoals neergelegd in de brief van 25 juli 2019 en de ter zitting gegeven toelichting, te twijfelen, zodat deze beroepsgrond evenmin slaagt.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van

J. de Graaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 23 december 2020

Griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Stcrt 13 december 2017, nr. 79855.