Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7018

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
05/005585-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt twee mannen en een vrouw uit Zutphen voor het tezamen en in vereniging plegen van handel in harddrugs. Twee van hen, destijds partners (man en vrouw), zijn ook veroordeeld voor het aanwezig hebben van hoeveelheden van harddrugs in hun eigen woning en in de woning van een ander. Dezelfde man heeft in een andere zaak tevens twee agenten bedreigd met zware mishandeling door bij een vluchtpoging op de agenten in te rijden zonder af te remmen. In zijn auto zijn toen harddrugs en wapens aangetroffen. De tweede man heeft voor zich schuldig gemaakt aan (internationale) handel in harddrugs, doordat hij meerdere postpakketten met harddrugs erin liet verzenden bij een Post-NL punt in de Jumbo in Zutphen. De verdachten bevonden zich samen in hetzelfde dealersnetwerk.

In de zaak van een vierde verdachte volgt de uitspraak op 7 december 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/005585-19 en 05/881457-19 (gevoegd tijdens het o.t.t.)

Datum uitspraak : 30 november 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] .

Raadsman: mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 22 juni, 14 september en 9 november 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Onder parketnummer 05/005585-19

1.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer politieambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van politie-eenheid Oost Nederland) en/of [verbalisant 2] (brigadier van politie-eenheid Oost Nederland) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto met snelheid en/of zonder te remmen is afgereden/ingereden op het dienstvoertuig terwijl die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich in dat dienstvoertuig bevonden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, een of meer politieambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van politie-eenheid Oost Nederland) en/of [verbalisant 2] (brigadier van politie-eenheid Oost Nederland) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met snelheid en/of zonder te remmen afgereden/ingereden op het dienstvoertuig terwijl die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich in dat dienstvoertuig bevonden;

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 2,08 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 6,66 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, een knuppel en/of een dolk en/of een opvouwbaar mes, (telkens) zijnde een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, heeft gedragen, waarvan gelet op de aard of de omstandigheden waaronder die knuppel en/of die dolk en/of dat opvouwbare mes werd(en) aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat die/dat wapen(s) voor geen ander doel was/waren bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die/dat niet onder een van de andere categorieën viel(en).

Onder parketnummer 05/188478-19, na een toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging:

1.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand januari 2019 tot en met 13 januari 2020 te Zutphen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (onder meer)

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 13 januari 2020 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de Goeman Borgesiusstraat 6 en/of de Karel Doormanstraat 72) (onder meer)

- ongeveer 222,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 121,46 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of

- ongeveer 307,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- ongeveer 18,26 gram en/of (ongeveer) 214 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne, heroïne, amfetamine en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onder parketnummer 05/005585-19 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en 3 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde nu het opzet van verdachte niet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel bedreigen van de verbalisanten, ook niet in voorwaardelijke zin. Vrijspraak dient ook te volgen voor het subsidiair tenlastegelegde, nu aangevers niet hebben verklaard dat zij vreesden voor hun leven of zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. En ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman naar voren gebracht dat de in de auto aangetroffen dolk en knuppel niet zonder meer aan verdachte kunnen worden toegeschreven. Verdachte had de auto in bruikleen en daarnaast zat ook medeverdachte [medeverdachte] in de auto. Niet vastgesteld kan worden van wie de wapens waren en of verdachte wetenschap had van die wapens. Verder dient het opvouwbare mes dat is aangetroffen bij de veiligheidsfouillering te worden aangemerkt als een stiletto. Het mes valt dus onder een andere categorie dan genoemd in de tenlastelegging, te weten categorie 1, zodat ook op dit punt vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zagen op 1 januari 2019 omstreeks 04.25 uur een grijze [automerk] , type [type 1] voorzien van het kenteken [kenteken] rijden op de Jan Vermeerstraat in Zutphen. Ze gaven een stopteken maar de bestuurder, die later verdachte bleek te zijn, voldeed daar niet aan en vermeerderde zijn snelheid. Hierop is een achtervolging ingesteld door meerdere politiemensen. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] reden achter verdachte toen het dienstvoertuig van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met optisch en geluidssignalen hen tegemoet kwam rijden. Ze zagen op dat moment op de digitale snelheidsmeter van hun voertuig dat zij reden met een snelheid van 120 kilometer per uur waar 50 kilometer per uur is toegestaan. Ze zagen dat verdachte bij hen wegreed en dat verdachte stuurbewegingen naar links en rechts maakte om zo te proberen de tegemoet komende politieauto te passeren. Ze zagen dat deze stuurbewegingen heel sterk waren waardoor het voertuig zeer schokkend en slingerend van links naar rechts ging. Ze zagen dat de agenten in de politieauto probeerden het voertuig van de verdachte te blokken en dat er een aanrijding ontstond. Zij zagen geen remlichten brandden van het voertuig van verdachte.

Verbalisant [verbalisant 1] (hoofdagent van politie-eenheid Oost Nederland) heeft aangifte gedaan. Verdachte reed volgens hem met hoge snelheid en passeerde gevaarlijk enkele straten en meerdere fietsers, toen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (brigadier van politie-eenheid Oost Nederland) hem hun richting op zagen rijden. Verbalisant [verbalisant 1] reed in een opvallend dienstvoertuig en voerde optische en geluidssignalen Verbalisant [verbalisant 1] stuurde in dezelfde richting als waarin verdachte zijn auto stuurde. Dit om er voor te zorgen dat verdachte zou stoppen met zijn rit. Verdachte probeerde hem eerst rechts voorbij te gaan [de rechtbank begrijpt: rechts vanuit het perspectief van de verbalisant]. Nadat verbalisant ook naar rechts stuurde zag hij dat verdachte vervolgens zijn voertuig naar links stuurde. Op dat moment heeft verbalisant zijn voertuig ook naar links gestuurd [de rechtbank begrijpt: links vanuit het perspectief van de verbalisant]. Verdachte is toen met de voorzijde van de [automerk] tegen de linker voorzijde van de politieauto aangereden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij bang was dat verdachte hun vol frontaal zou aanrijden waarbij er dan enorm letsel had kunnen ontstaan.2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de intentie had om opzettelijk op het dienstvoertuig van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in te rijden en dat hij juist wilde ontkomen. Hij was onder invloed en had een wapen op zak. Hij heeft bij zijn vluchtpoging een verkeerde inschatting gemaakt.3

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de betreffende verbalisanten.

De rechtbank acht in dat kader niet bewezen dat verdachte bewust op aangever [verbalisant 1] en collega [verbalisant 2] is ingereden. Zijn gedrag is naar uiterlijke verschijningsvorm niet zo zeer gericht geweest op het willen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat van voorwaardelijk opzet kan worden gesproken. Verdachte heeft immers weggestuurd van de richting waarnaar de politieauto juist toereed om verdachte klem te rijden.

Hij heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij aan de agenten wilde ontkomen. Het primair tenlastegelegde kan niet wettig en overtuigend bewezen worden omdat hij niet de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde bedreiging overweegt de rechtbank als volgt. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is onder meer vereist:

  1. dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen; en

  2. en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van a.

Voor de beantwoording van de vraag of aangever [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] zich door de handelingen van verdachte redelijkerwijs bedreigd kan hebben gevoeld acht de rechtbank het volgende van belang.

De verdachte is met zijn auto op de vlucht geslagen toen hij een stopteken kreeg van de politie. Dit heeft geleid tot een wilde achtervolging, waarbij meerdere politieauto’s betrokken waren en verdachte geen rekening heeft gehouden met verkeersregels en enkele straten en fietsers gevaarlijk en met hoge snelheid heeft gepasseerd.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verdachte tot stoppen proberen te dwingen door de weg te blokkeren. Verdachte heeft niet geremd, maar heeft geprobeerd hen eerst rechts en daarna links te passeren. Als gevolg van de stuurbeweging naar links is een aanrijding ontstaan met het dienstvoertuig van [verbalisant 1] die op dat moment ook naar links stuurde om verdachte de weg te blokkeren.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij bang was dat verdachte hen vol frontaal zou aanrijden waarbij er dan enorm letsel had kunnen ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de twee stuurbewegingen van verdachte zoals bewezenverklaard onder dusdanige omstandigheden geschied dat zij in het algemeen geschikt zijn bij de inzittenden van de aldus geraakte auto de vrees teweeg te brengen dat de verdachte zo een verkeersongeluk zou veroorzaken dat zwaar lichamelijk letsel van hen ten gevolge zou kunnen hebben. Daarom heeft bij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die vrees in redelijkheid kunnen ontstaan.

Ten aanzien van b

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de intentie had om op het dienstvoertuig van [verbalisant 1] in te rijden en juist probeerde te ontkomen. Dit wil de rechtbank wel aannemen, maar zij acht wel voorwaardelijke opzet aanwezig. Hiertoe overweegt zij als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Verdachte is met hogere snelheid dan is toegestaan op het voertuig van agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] toegereden en is daadwerkelijk tegen de zijkant van hun auto gebotst. Gelet op het feit dat verdachte niet geremd heeft toen zijn vluchtpoging na een aantal stuurbewegingen leek te mislukken, moet hij hebben beseft en aanvaard dat bij de inzittenden van het dienstvoertuig de redelijke vrees zou ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Het subsidiair tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 87;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 92;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 november 2020.

Feit 3

Verdachte werd op 1 januari 2019 in Zutphen aangehouden na achtervolging door de politie.

In het dashboardkastje van het personenvoertuig lag een dolk (type [type 2] ). Op de achterbank lag een knuppel. Tijdens fouillering is bij verdachte een opvouwbaar mes ( [mes] ) aangetroffen.4

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 2 januari 2019 blijkt dat deze voorwerpen vallen onder artikel 2 lid 1 categorie 4 sub 7 van de Wet Wapens Munitie.5

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat het op verdachte aangetroffen mes valt onder categorie 1, omdat het dient te worden aangemerkt als een stiletto.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisant [verbalisant 5] op 2 januari 2019 onderzoek heeft ingesteld naar het mes.6 Het mes wordt als volgt beschreven: “Het betreft een opvouwbaar mes met een (1) snijkant. Het mes heeft een bruin houten heft. Dit mes is met een (1) hand te openen door een geveerde ondersteuning.” Gelet op de aard van het voorwerp en de omstandigheden waaronder het mes is aangetroffen is [verbalisant 5] van mening dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, waarna hij tot de conclusie komt dat het mes valt onder artikel 2 lid 1 categorie 4 sub 7 van de Wet Wapens Munitie. De rechtbank stelt vast dat de raadsman van dezelfde omschrijving van het mes uitgaat als [verbalisant 5] in het proces-verbaal. De enkele stelling van de raadsman dat een stiletto eveneens een opvouwbaar mes betreft met een vergelijkbaar ontgrendelingsmechanisme is onvoldoende betwisting van de bevindingen van het proces-verbaal ten aanzien van het mes. De rechtbank passeert het verweer.

Nu het mes onder verdachte is aangetroffen heeft verdachte dit mes ook voorhanden gehad.

Ten aanzien van de vraag of verdachte de dolk en het knuppel ook voorhanden heeft gehad overweegt de rechtbank als volgt. Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig had. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.

Ten aanzien van de knuppel die in het zicht op de achterbank van de auto lag is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich bewust was van het aanwezig hebben van dat wapen en daarover ook beschikkingsmacht had. De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet op de hoogte is geweest van de knuppel. De dolk lag echter in het dashboardkastje opgeborgen en daarvan kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat dit wapen op die plek lag. Van dat gedeelte van de tenlastelegging wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

Onder parketnummer 05/881457-19 7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde met uitzondering van de genoemde hoeveelheden die niet duidelijk uit het dossier zijn gebleken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat gelet op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van feit 1 de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 staat niet ter discussie dat verdachte hoeveelheden drugs voorhanden heeft gehad. De hoeveelheden die genoemd zijn in de tenlasteleggingen kunnen echter niet teruggevonden worden in het dossier, zodat verdachte van die hoeveelheden dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen lijn 4807, p. 451-456;

- het proces-verbaal van bevindingen lijn 1452, p. 457-463;

- het proces-verbaal van bevindingen lijn 1571, p. 464-472;

- het proces-verbaal van bevindingen contact [verdachte] , p. 468-572;

- het proces-verbaal van bevindingen deallijn, p. 580-584;

- het proces-verbaal van bevindingen afnemers, p. 586-587;

- het proces-verbaal van bevindingen nieuw nummer [verdachte] , p. 597-600;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1253-1256;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 1265-1269;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 1283-1286;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 1332-1335;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 1361-1365;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 1391-1392;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 november 2020.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking Karel Doormanstraat 72 te Zutphen, p. 1451-1461;

- het proces-verbaal onderzoek drugs, p. 1499-1502;

- het proces-verbaal NFiDent, p. 1503-1508;

- het proces-verbaal van doorzoeking Goeman Borgesiusstraat 6 te Zutphen, p. 1522-1538;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 1557-1560;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte [geboortedatum] , p. 1788-1795;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 november 2020.

De rechtbank overweegt dat het dossier geen eenduidige informatie bevat over het gewicht van de aangetroffen soorten harddrugs. Daarom komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de hoeveelheden in grammen die in de tenlastelegging zijn opgenomen en zal zij alleen bewezen verklaren dat verdachte hoeveelheden van materialen die cocaïne, heroïne, amfetamine en MDMA bevatten, aanwezig heeft gehad.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 05/005585-19 feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde en onder parketnummer 05/881457-19 het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

05/005585-19

1.

subsidiair

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, een of meer politieambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van politie-eenheid Oost Nederland) en/of [verbalisant 2] (brigadier van politie-eenheid Oost Nederland) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met snelheid en/of zonder te remmen afgereden/ingereden op het dienstvoertuig terwijl die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich in dat dienstvoertuig bevonden;

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 2,08 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 6,66 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 1 januari 2019 te Zutphen, in elk geval in Nederland, een knuppel en/of een dolk en/of een opvouwbaar mes, (telkens) zijnde een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, heeft gedragen, waarvan gelet op de aard of de omstandigheden waaronder die knuppel en/of die dolk en/of dat opvouwbare mes werd(en) aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat die/dat wapen(s) voor geen ander doel was/waren bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die/dat niet onder een van de andere categorieën viel(en);

05/881457-19

1.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand januari 2019 tot en met 13 januari 2020 te Zutphen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (onder meer)

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 13 januari 2020 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de Goeman Borgesiusstraat 6 en/of de Karel Doormanstraat 72) (onder meer)

- ongeveer 222,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 121,46 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of

- ongeveer 307,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of

- ongeveer 18,26 gram en/of (ongeveer) 214 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne, heroïne, amfetamine en/of MDMA, (telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

05/005585-19

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

05/881457-19

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor 1 jaar met een proeftijd van 3 jaar met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een aanvullend reclasseringsadvies van 6 november 2020 aangereikt en heeft op het advies gewezen om de voorwaarden voort te zetten. Met name de verslavingsbehandeling, die nog niet is gestart, wordt van belang geacht. De verdediging heeft verzocht om het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk te trekken aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf. Dit gelet op de positieve kentering die verdachte heeft gemaakt en de bereidheid om gedragsverandering te laten zien.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 mei 2020.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten.

Verdachte is als een dolle op de vlucht geslagen om maar uit handen van de politie te blijven. Hij heeft verbalisanten bedreigd door zonder af te remmen op ze in te rijden. In zijn auto zijn harddrugs en wapens aangetroffen.

Verdachte heeft verder samen met een anderen ruim een jaar gehandeld in harddrugs. Het is algemeen bekend dat harddrugs, eenmaal onder het bereik van gebruikers, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Harddrugs werken over het algemeen zeer verslavend. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door eigen gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor gebruikers en de samenleving in het algemeen.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadviezen van 18 juni, 11 augustus en 6 november 2020. Verdachte staat al drie jaar onder toezicht van de reclassering en dat toezicht kent (mede door zijn middelengebruik) een moeilijk verloop. Met name het laatste jaar voor zijn arrestatie is verdachte door toename van middelengebruik verder afgegleden en meermalen gerecidiveerd. Hij had geen legaal inkomen, geen werk of andere daginvulling, schulden, weinig tot geen positief sociaal netwerk, problemen in zijn huwelijk en middelenproblematiek. Wat wel als beschermende factor beschouwd kan worden, is dat betrokkene gedurende de tijd in voorlopige hechtenis hard aan zich zelf gewerkt heeft. Hij heeft certificaten behaald waarmee hij bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt en hij lijkt de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen. Hij is voornemens om zijn leven een andere draai te geven. Na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis scoorde verdachte evenwel een aantal keer positief op urinecontroles. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat de problematiek op het gebied van middelengebruik nog aanwezig is en dat hij zelfstandig niet in staat is om abstinent te blijven van middelengebruik. Verdachte is inmiddels aangemeld bij GGNet ten behoeve van ambulante behandeling. Deze behandeling zal in de eindperiode van november of beginperiode van december 2020 opgestart worden. Het risico op recidive wordt ingeschat als tussen hoog en gemiddeld in. De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden geadviseerd: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod, meewerken aan schuldhulpverlening, meewerken aan middelencontrole.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, is naar oordeel van de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Gezien de ernst van de feiten zou een terugkeer in de gevangenis bepaald niet ongepast zijn geweest, maar gelet op de hulpverlening die rondom hem is opgestart tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is dat niet wenselijk. Anders dan de officier van justitie heeft geëist ziet de rechtbank geen nut in het opleggen van een taakstraf, nu verdachte nog enkele taakstraffen uit eerdere veroordelingen heeft openstaan. De rechtbank acht het verder in het belang van verdachte én de maatschappij dat verdachte aan zichzelf gaat werken om herhaling te voorkomen.

Alles overwegend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

8
8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 27 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van 05/005585-19, onder feit 1 primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de reclassering (aan de Houtwal 16 te Zutphen), en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met medeverdachten, zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;

- zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs. Veroordeelde zal meewerken aan controle van het gebruik van het gebruik van alcohol en drugs en verplicht zich mee te werken aan urineonderzoek en ademonderzoek, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling zal stellen van forensische polikliniek (V)GGNet [naam instelling] in Zutphen of een soortgelijke zorginstelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor de psychische problematiek van veroordeelde;

- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan schuldhulpverlening, ook als dit in het kader van de Wet Schuldsanering is, waarbij veroordeelde inzicht zal geven in zijn financiën en schulden;

  • -

    geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht):

  • -

    stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mr. Y. Yeniay-Cenik en

mr. A.S. Gaastra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.G.M. van Ophuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019090667 Z, gesloten op 28 februari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [verbalisant 1] , p. 53-54 en proces-verbaal van bevindingen, p. 56-57.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 9 november 2020.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 87.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 96-97..

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 96-97.

7 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 7] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019366036, gesloten op 26 mei 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.