Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:7015

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
05-128427-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 47-jarige Huissenaar tot een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Ook moet hij een taakstraf van 40 uur uitvoeren. De man maakte zich schuldig aan een poging tot zware mishandeling. Zijn 18-jarige zoon kreeg een taakstraf van 20 uur opgelegd omdat hij medeplichtig is aan de mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/128427-20

Datum uitspraak : 28 december 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2020 te Huissen, gemeente Lingewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer]
- heeft vastgepakt en met kracht tegen de grond heeft gegooid, waarbij het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de muur knalde en/of (vervolgens), terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, - met kracht, met de gebalde vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of in de hals heeft gestompt en/of geslagen en/of
- met kracht, met de geschoeide voet(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of in de rug, althans tegen het bovenlichaam heeft geschopt en/of getrapt, waarbij (telkens) het hoofd van die [slachtoffer] , met kracht, tegen de muur is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 mei 2020 te Huissen, gemeente Lingewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer]
- heeft vastgepakt en met kracht tegen de grond heeft gegooid, waarbij het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de muur knalde en/of (vervolgens), terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, - met kracht, met de gebalde vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of
- met kracht, met de geschoeide voet(en) in het gezicht en/of de hals althans tegen hoofd en/of in de rug, althans tegen het bovenlichaam heeft geschopt en/of getrapt, waarbij (telkens) het hoofd van die [slachtoffer] , met kracht, tegen de muur is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2020 te Huissen, gemeente Lingewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer]
- vastgepakt en met kracht tegen de grond gegooid, waarbij het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de muur knalde en/of (vervolgens), terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, - met kracht, met de gebalde vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd gestompt en/of geslagen en/of
- met kracht, met de geschoeide voet(en) in het gezicht en/of de hals althans tegen het hoofd en/of in de rug, althans tegen het bovenlichaam geschopt en/of getrapt, waarbij (telkens) het hoofd van die [slachtoffer] , met kracht, tegen de muur is gekomen.


2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit, poging moord dan wel poging doodslag. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit, te weten een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. Verdachte heeft [slachtoffer] vaak en met kracht geslagen met zijn vuisten en hem geschopt terwijl hij op de grond lag. Verder is sprake van voorbedachte rade. Verdachte heeft vooraf rekening gehouden met het feit dat [slachtoffer] in de woning van aangeefster aanwezig zou kunnen zijn en dat de situatie uit de hand zou kunnen lopen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van voorbedachte rade. Verdachte heeft immers verklaard dat hij niet zeker wist of [slachtoffer] bij aangeefster thuis zou zijn. Hij is ook niet met die bedoeling naar de woning gegaan. Verder heeft de verdediging gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt. Verdachte heeft [slachtoffer] een aantal keer tegen zijn lichaam en één keer tegen zijn hoofd geslagen. Hiermee heeft verdachte niet de aanmerkelijke kans aanvaard op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het meer subsidiair tenlastegelegde kan wel wettig en overtuigend bewezen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft willen beroven. Het handelen van verdachte heeft ook niet de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] opgeleverd, zodat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 mei 2020 in gezelschap van zijn zoon naar de woning van zijn ex in Huissen, gemeente Lingewaard, is gegaan. De deur van die woning werd geopend door [slachtoffer] . Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] ongeveer vier à vijf keer met kracht en met zijn vuisten geslagen, zowel tegen zijn hoofd als zijn lichaam.2

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] op de grond viel, verdachte van zijn hand een vuist maakte en meerdere malen met kracht tegen het hoofd [slachtoffer] sloeg.3

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij voelde dat verdachte hem meermalen met vuistslagen op zijn hoofd raakte terwijl hij op de grond lag. Hij hoorde vervolgens een piep in zijn oor en is even zijn bewustzijn verloren.4

Bij [slachtoffer] is letsel geconstateerd bestaande uit een bloeduitstorting aan de oorschelp links, bloed achter het trommelvlies links met verminderd gehoor. Verder was sprake van tinnitus.5

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermaals met kracht en met zijn vuisten heeft geslagen tegen het hoofd van [slachtoffer] terwijl hij op de grond lag. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] niet tegen het hoofd heeft geslagen terwijl hij op de grond lag, wordt weerlegd door de verklaringen van aangeefster en [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] ook geschopt heeft. In het dossier bevindt zich een foto van het lichaam van [slachtoffer] . De officier van justitie heeft erop gewezen dat hij in de rode plekken die te zien zijn op het lichaam een schoenafdruk ziet. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet vast komen te staan dat het daadwerkelijk om een schoenafdruk gaat, nu een rapportage van een deskundige over de interpretatie van dit letsel ontbreekt en verdachte het schoppen ontkent. Zij zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.

De vraag is hoe het met gebalde vuist slaan tegen het hoofd hier dient te worden gekwalificeerd. Niet is gebleken dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is vervolgens of verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. Het hoofd is een zeer kwetsbaar deel van het lichaam waarin zich vele kwetsbare structuren bevinden. Bovendien is het hoofd extra kwetsbaar wanneer iemand op de grond ligt en er van bovenaf met kracht op wordt ingeslagen. Door met kracht en met vuisten tegen het hoofd van [slachtoffer] te slaan terwijl hij op de grond lag heeft verdachte aldus de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het handelen van verdachte zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het tenlastegelegde feit.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvoor zou nodig zijn dat

verdachte op enig moment het besluit heeft genomen [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en vervolgens met dat plan naar de woning is gegaan. Daarvan is niet gebleken. Het enkele feit dat verdachte rekening had moeten en kunnen houden met het uit de hand lopen van een en ander, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, is onvoldoende om te zeggen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van het tenlastegelegde.

Verder acht de rechtbank medeplegen niet bewezen, zodat verdachte ook van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt een poging tot zware mishandeling.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


hij op of omstreeks 10 mei 2020 te Huissen, gemeente Lingewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer]
- heeft vastgepakt en met kracht (vervolgens), tegen de grond heeft gegooid, waarbij het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) tegen de muur knalde en/of terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, - met kracht, met de gebalde vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of
- met kracht, met de geschoeide voet(en) in het gezicht en/of de hals althans tegen hoofd en/of in de rug, althans tegen het bovenlichaam heeft geschopt en/of getrapt, waarbij (telkens) het hoofd van die [slachtoffer] , met kracht, tegen de muur is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, onder voorwaarden zoals die door de reclassering zijn voorgesteld met uitzondering van het contactverbod met [benadeelde] en een taakstraf van 100 uur.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte al voldoende straf heeft gehad. Hij heeft de rechtbank verzocht om verdachte een taakstraf op te leggen tussen de 40 en 80 uur, in elk geval van maximaal 100 uur en met aftrek van de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Mocht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel opleggen dan verzoekt hij daar geen bijzondere voorwaarden aan te verbinden. Verdachte heeft laten zien dat hij op eigen kracht positieve stappen vooruit heeft gezet.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 13 november 2020. Verdachte is in 2014 en 2015 veroordeeld tot geldboetes voor mishandelingen. Daarna is verdachte niet meer met justitie in aanraking gekomen voor soortgelijke feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling die tot zwaar lichamelijk letsel had kunnen leiden. [slachtoffer] is door hem stevig toegetakeld. Hoe zeer ook te begrijpen is dat verdachte en zijn zoon (terecht of onterecht) grote zorgen hadden om hun zoontje en broertje, de wijze waarop verdachte het recht in eigen hand heeft genomen gaat alle perken te buiten. Verdachte heeft zijn 18-jarige zoon meegenomen naar de woning van zijn ex-partner, met de verwachting dat het gesprek wel eens uit de hand kon gaan lopen. Meteen bij het openen van de deur begon hij het gevecht waarbij [slachtoffer] , die onder hem lag, geen schijn van kans had om zich te onttrekken of terug te vechten. Ten gevolge van het handelen van verdachte heeft [slachtoffer] een tijd last gehad van het letsel aan zijn hoofd en gehoor en een piep in zijn oor.

De reclassering heeft in de adviezen van 13 juli en 30 juli 2020 onder meer aangegeven dat de oorzaken van het delictgedrag gelegen lijken in: het middelengebruik van verdachte (alcohol en cocaïne), zijn denkpatronen, gedrag en vaardigheden, de relatie met ex-partner en zijn houding. Er zijn aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek (mogelijke antisociale kenmerken), een gebrekkige zelfbeheersing, een deels pro criminele houding en impulsief handelen. Dat laatste doet zich in het bijzonder voor wanneer iemand in zijn ogen aan zijn 7-jarige zoontje komt. Veilig thuis en het wijkteam zijn inmiddels betrokken bij het gebroken gezin. Het contact met zijn ex verloopt inmiddels rustig en verdachte ziet zijn zoontje vaak. Ook dat verloopt rustig.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, is naar oordeel van de rechtbank enkel een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, passend. Voorop staat dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf aan de orde.

Verder is de vraag of aan verdachte bijzondere voorwaarden opgelegd dienen te worden. De rechtbank vindt van belang dat verdachte het contact met zijn ex-partner heeft hersteld, de zorg voor hun zoon nu in goed overleg gaat en zij daarbij worden ondersteund door meerdere instanties. De zorgen van de reclassering zien met name op de situatie rondom (de omgang met) het zoontje van verdachte en op die situatie houden inmiddels andere instanties toezicht. Om die reden ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden en toezicht binnen een strafrechtelijk kader.

Alles overwegend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis en verzekering doorgebracht, en daarnaast een taakstraf van 40 uur.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

Benadeelde partijen [slachtoffer] en [benadeelde] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen toe te wijzen tot de gevorderde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Door [benadeelde] is gevorderd een bedrag van € 634,48 aan materiële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schade is veroorzaakt door de bewezenverklaarde handelingen en daarom als rechtstreekse schade aan te merken. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 634,48 kan worden toegewezen.

Door [slachtoffer] is gevorderd een bedrag van € 1.558,11 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is ten aanzien van de kosten voor ambulancevervoer en telefoonkosten voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De kosten voor herstel- of vervanging van een ketting en kleding zullen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze schadepost is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft nagelaten meer informatie of duidelijk te verschaffen over de waarde van de kleding en de ketting. De benadeelde partij kan daarom dit deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 808,11 kan worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat die partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen, te weten: bloed achter zijn trommelvlies, verminderd gehoord, tinnitus, bloeduitstortingen, zwelling bij zijn rechteroog en bloeduitstorting aan zijn linker oorschelp. Deze gevolgen zijn, gelet op hetgeen hiervoor door de rechtbank is vastgesteld, aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000 begroten.

In totaal zal aan benadeelde [slachtoffer] een bedrag van € 1.808,11 worden toegewezen.

De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte ten aanzien van beide vorderingen op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door:

  • -

    12 dagen gijzeling ten aanzien van de vordering van [benadeelde] ; en

  • -

    28 dagen gijzeling ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] .

Het ondergaan van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 10 mei 2020.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 2 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    legt op een taakstraf van 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

  • -

    heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;

 veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [benadeelde] en [slachtoffer] van de volgende bedragen aan materiële schade en smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [benadeelde] € 634,48 10 mei 2020;

2. [slachtoffer] € 1.808,11 10 mei 2020;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade en smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag Gijzeling

1. [benadeelde] € 634,48 12 dagen;

2. [slachtoffer] € 1.808,11 28 dagen;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, mr. C. Kleinrensink en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.G.M. van Ophuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2020.

mr. A.S. Gaastra en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door hoofdagent [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020210640, gesloten op 30 juni 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 166 en p. 167.

3 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 45-46.

4 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 92.

5 Geneeskundige verklaring, p. 96.