Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6999

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
05/882296-17 vs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen van een bedrag van ruim 1,2 miljoen, boten en een auto, gewoontewitwassen van geld in horecagelegenheden en valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/882296-17 en 08/211228-15 (VI, zaaksnummer 99-000405-45)

Datum uitspraak : 24 december 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1952 in Arnhem,

wonende aan de [adres 1] .

Raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat in Arnhem, namens zijn kantoorgenoot mr. B.J. Schadd.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

10 december 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op tijdstippen op/in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met heden, te Arnhem, althans in Nederland en/of te Gibraltar en/of te Spanje telkens een voorwerp/voorwerpen, te weten

-één of meer geldbedragen, in totaal 2.337.426 euro, waaronder

een geldbedrag van 92.250 euro (AH017),

een geldbedrag van 700.000 euro (AH084) en/of

en/of

-één of meer goederen, waaronder

een personenauto [merknaam 1] , kenteken [kenteken 1] (AH109),

een motorboot " [merknaam 2] ' (AH110)

een zeiljacht ' [naam boot 1] (AH111) en/of

een zeiljacht ' [merknaam 4] ' (AH030) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten

-één of meer geldbedragen, in totaal 2.337.426 euro, waaronder

een geldbedrag van 92.250 euro (AH017),

een geldbedrag van 700.000 euro (AH084)

en/of

-één of meer goederen, waaronder

een personenauto [merknaam 1] , kenteken [kenteken 1] (AH109),

een motorboot " [merknaam 2] '(AH110)

een zeiljacht ' [naam boot 1] (AH111) en/of

een zeiljacht ' [merknaam 4] ' (AH030)

gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

terwijl hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2016 tot en met 06 maart 2018, te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging althans alleen, voorwerpen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen gebruik gemaakt

namelijk door (telkens) één of meerdere (grote) hoeveelheden geld (te weten in totaal een geldbedrag van ongeveer 431.697 euro), van zijn bankrekening(en) over te maken naar de bankrekening(en) van de horecagelegenheid [naam 1] met welk(e) geld(en) (vervolgens) door verdachte en/of zijn mededader de exploitatie/uitbating van één of meer horecagelegenheden in Arnhem (te weten café " [naam 1] ", Café " [naam 2] ", Café " [naam 3] " en/of " [naam 4] ") zijn (mede) aangekocht/overgenomen en/of deze horecagelegenheden zijn vernieuwd/verbouwd en/of (daarna) de verdere bedrijfsvoering / exploitatie is (mede) gefinancierd,

terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - (geheel of gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij en/of zijn mededader aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 november 2017 tot en met 20 december 2017 te Arnhem, althans te Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief gericht aan de ING bank d.d. 28 november 2017 (AH022-024, dossierpagina 1282 t/m 1283) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in voornoemde brief aan de ING Bank in strijd met de waarheid te stellen / verklaren dat de stortingen op zijn bankrekening(en) afkomstig waren van deelbetalingen van de

- door hem in 2014 en 2015 aan particulieren verkochte boot (zijnde 'de [merknaam 4] ' ),

- een voor 163.000 euro verkochte auto ( [merknaam 1] ), terwijl in werkelijkheid de boot ' [merknaam 4] ' en die auto door de Spaanse autoriteiten bij rechterlijke beslissing dd. 20 maart 2012 (AH021, dossierpagina 1264-1278) verbeurd waren verklaard

- een boot [merknaam 3] (naam: [naam boot 1] ) die zou zijn verkocht, terwijl deze boot in werkelijkheid niet was verkocht

en/of

- door in een bijlage bij voornoemde brief een "Bill of Sale" te voegen waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat de boot ' [merknaam 2] ' voor 285.000 euro zou zijn verkocht, terwijl deze boot in werkelijkheid voor 40.000 euro, althans een aanzienlijk lager bedrag, was verkocht,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1, 2 en 3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de kasopstelling te ondeugdelijk is om tot een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen te komen. Verdachte heeft met geschonken geld en de verkoop van onroerend goed een vermogen gegenereerd. In 2000 heeft een strafrechtelijk financieel onderzoek plaatsgevonden. Dat heeft niet geleid tot een ontneming; verdachte heeft geld, waaronder de verkoopopbrengst van een door het Openbaar Ministerie verkochte boot, teruggekregen. De stelling dat verdachte niet meer vermogend was na zijn veroordeling begin deze eeuw is dus niet juist en niet houdbaar. De raadsman meent dat het Openbaar Ministerie met een onderbouwing moet komen waaruit volgt dat verdachte in 2006 niet meer over vermogen beschikte. Het Openbaar Ministerie doet en kan dat niet, maar stelt wel eisen aan verdachte die hem in redelijkheid niet kunnen en mogen worden gesteld vanwege het enorme tijdsverloop. De verklaringen van verdachte zijn niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het feit dat deze op onderdelen niet verifieerbaar zijn kan niet aan verdachte worden tegengeworpen. De raadsman heeft er verder op gewezen dat verdachte op 18 juli 2005 eigenaar is geworden van een [merknaam 5] met de naam [naam boot 2] . De boot die 835.000 USD heeft gekost, is op 28 december 2009 verkocht voor € 803.500,-. Naar deze boot is geen onderzoek gedaan en het vermogen is niet in de kasopstelling meegenomen, reden te meer voor het aannemen van de ondeugdelijkheid van de kasopstelling. De raadsman meent ook dat het onderzoek in Dubai onvolledig is geweest, althans niets ten nadele van verdachte heeft opgeleverd. De raadsman concludeert dat verdachte niet onvermogend was op 1 januari 2007 en dat het Openbaar Ministerie niet heeft aangetoond dat de kasstortingen en contante uitgaven niet anders dan afkomstig uit criminele activiteiten kunnen zijn.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Toetsingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan een voorwerp dat “afkomstig is uit enig misdrijf” niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Wanneer door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

De rechtbank gaat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bedrijven

Op 13 oktober 2009 zijn de volgende bedrijven opgericht:

- [bedrijf 1]

  • -

    [bedrijf 2]

  • -

    [bedrijf 3]

  • -

    [bedrijf 4]

  • -

    [bedrijf 5] .

In de Declaration of Trust, gedateerd 26 mei 2010, is opgenomen dat verdachte eigenaar is van [bedrijf 1] .

[bedrijf 1] was eigenaar van [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] .2

Verdachte heeft verklaard dat hij de begunstigde ofwel de economisch eigenaar was van [bedrijf 1] en dat deze onderneming eigenaar was van de andere vier vennootschappen. [bedrijf 2] was een werkmaatschappij. Vanuit die vennootschap werd alles geregeld. Verdachte heeft boten in de vennootschappen ingebracht. Hij wilde zijn inbreng zekergesteld hebben. Economisch gezien was hij de eigenaar van de vennootschappen, omdat hij eigenaar van de boten was.3
De directeur van [bedrijf 1] was [naam 5] .4

Aankoop, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen

[merknaam 2]

Volgens een Bill of Sale, gedateerd 23 juli 2007, is de eigendom van een boot met de naam [merknaam 2] voor “one pound and other considerations” overgedragen aan verdachte door [naam 6] , executeur van [naam 7] en [naam 8] .5

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de ABN-AMRO bank een bedrag van € 92.250,- in contanten heeft gestort voor de aankoop van de [merknaam 2] . Bij de ABN-AMRO bank werd hem verteld dat het geld op een rekening bij hen, de rechtbank begrijpt: een tussenrekening van de ABN-AMRO bank, werd gezet en vervolgens werd overgeboekt op de rekening van [naam 9] .6

Op 21 april 2010 is de [merknaam 2] door verdachte overgedragen aan [bedrijf 1] . Op de Bill of Sale is het factuurbedrag niet ingevuld.7

Eveneens op 21 april 2010 is de [merknaam 2] door [bedrijf 1] overgedragen aan [bedrijf 5] voor “payment in shares [bedrijf 5] ”. De Bill of Sale is ondertekend door [naam 5] .8

Op 18 mei 2012 is de eigendom van de [merknaam 2] overgedragen van [bedrijf 5] aan [naam 23] .9

[naam boot 1]

Uit een Bill of Sale komt naar voren dat het schip de [naam boot 1] op 19 december 2007 door [naam 10] voor € 200.000,- is verkocht aan verdachte.10

Het dossier bevat geen stukken over de wijze waarop de betaling heeft plaatsgevonden.

Op 21 april 2010 is de eigendom van de [naam boot 1] door verdachte overgedragen voor “1 pound and other considerations” aan [bedrijf 1] .11 Op 21 april 2010 is de eigendom van de [naam boot 1] vervolgens door [bedrijf 1] overgedragen voor “1 pound and other considerations” aan [bedrijf 4] .12

De boot is omgedoopt tot de [naam boot 1] .13

Op 6 maart 2018 is zeiljacht [merknaam 3] ( [naam boot 1] / [naam boot 1] ) door het Openbaar Ministerie in beslag genomen onder [bewaarder] in Lelystad, waarbij [bewaarder] is aangesteld als bewaarder.14

Verdachte heeft verklaard dat [merknaam 3] het merk van de boot is.15

[merknaam 4]

Uit een Bill of Sale komt naar voren dat de [merknaam 4] op 2 februari 2010 door [naam 11] voor € 650.000,- is verkocht aan [bedrijf 1] .16

In de woning van verdachte zijn stukken aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte op 26 augustus 2009, 7 september 2009 en 21 september 2009 betalingen heeft gedaan aan [naam 12] van [bedrijf 6] van respectievelijk € 50.000,-, € 20.000,- en € 5.000,-.17

Verdachte heeft verklaard dat hij dat geld contant heeft betaald aan [naam 12] . Het bedrag van € 50.000,- en een bedrag van € 15.000,- was voor de voldoening van het aankoopbedrag, een bedrag van € 5.000,- was fee voor [naam 12] . Ook de € 5.000,- die hij heeft betaald voor kosten heeft hij contant voldaan.18

Ook is aangetroffen een brief van de Jyske Bank aan [bedrijf 1] betreffende een overzicht van transacties in de periode van 9 december 2009 tot en met 1 juni 2011. In het overzicht zijn voor zover van belang de volgende transacties te zien:

  • -

    8 januari 2010 : bijgeboekt € 99.950,-

  • -

    14 januari 2010 : bijgeboekt € 119.950,-

  • -

    20 januari 2010 : bijgeboekt € 79.950,-

  • -

    26 januari 2010 : bijgeboekt € 129.950,-

  • -

    26 januari 2010 : bijgeboekt € 69.950,-

  • -

    26 januari 2010 : bijgeboekt € 89.950,-

  • -

    26 januari 2010 : bijgeboekt € 109.950,-.19

Van het bedrag van € 89.950,- is de opdrachtgever voor de overboeking naar de rekening van [bedrijf 1] bij de Jyske Bank niet leesbaar. Van de overige overboekingen is de opdrachtgever [naam 13] te Dubai.20

Verdachte heeft verklaard dat hij tussen 15 januari en begin februari 2010 vanuit Dubai een bedrag van bijna € 700.000,- heeft ontvangen op de Gibraltese rekening van [bedrijf 1] en dat hij met dit bedrag de [merknaam 4] heeft gekocht.21

Op 2 februari 2010 wordt een bedrag van € 585.000,- van de rekening van [bedrijf 1] bij de Jyske Bank overgeboekt naar een rekening van de Citibank in Londen op naam van [naam 14] .22

Bij de Verenigde Arabische Emiraten is een verzoek ingediend om informatie te verstrekken over verdachte of ongebruikelijke transacties onder meer betreffende [bedrijf 1] . De bevraging had betrekking op de overboekingen in de periode van 8 januari 2010 tot en met 26 januari 2010 van een totaalbedrag van € 699.650,- afkomstig van [naam 13] naar de bankrekening bij de Jyske bank van [bedrijf 1] . Van [naam 13] is in opdracht van [bedrijf 7] een (totaal) bedrag van circa € 600.000,- overgemaakt naar [bedrijf 1] :

  • -

    13 januari 2010 € 120.000,-;

  • -

    20 januari 2010 € 80.000,-;

  • -

    25 januari 2010 € 110.000,-;

  • -

    25 januari 2010 € 90.000,-;

  • -

    25 januari 2010 € 70.000,-;

  • -

    25 januari 2010 € 130.000,-.

Via [naam 13] is in opdracht van [bedrijf 8] op 7 januari 2010 een bedrag van € 100.000,- overgemaakt naar [bedrijf 1] .

In antwoord op het ingediende verzoek is aangegeven dat [bedrijf 7] in 2014 en 2015 bekend is met verdachte transacties en dat [naam 13] bekend is in verband met verdachte transacties in 2010 en 2015.23

De rechtbank stelt vast dat geen informatie van de Verenigde Arabische Emiraten is ontvangen over hoe, voorafgaand aan de overboekingen naar de rekening van [bedrijf 1] , het geld op de rekening(en) van [naam 13] dan wel [bedrijf 7] dan wel [bedrijf 8] is gekomen.

Op 21 april 2010 is de [merknaam 4] door [bedrijf 1] overgedragen aan [bedrijf 3] .24

Op 12 juni 2011 is de [merknaam 4] door de Spaanse autoriteiten in beslag genomen, waarna deze bij vonnis van 20 maart 2012 in de strafzaak tegen verdachte verbeurd is verklaard.25

[merknaam 1]

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn registratiepapieren van een [merknaam 1] , met het kenteken [kenteken 1] aangetroffen. Deze auto stond van 9 februari 2010 tot en met 16 mei 2012 op naam van verdachte. Ook zijn facturen aangetroffen van het bedrijf [bedrijf 9] , een autobedrijf in Spanje dat exclusievere merken voert, waaronder [merknaam 1] . De facturen zijn gericht aan verdachte. Op één van de facturen is het originele Duitse kenteken [kenteken 2] te lezen, een Duits export kenteken. Bij dit bedrijf is, gelet op het chassisnummer, dezelfde auto in het systeem gezet met het kenteken [kenteken 1] .26

Verdachte heeft verklaard dat hij de [merknaam 1] in augustus 2009 heeft gekocht voor € 90.000,-. De auto had een [kenteken 2] -kenteken uit Duitsland. Hij heeft de auto zelf naar Spanje gereden en geïmporteerd. De auto heeft toen een Spaans kenteken gekregen.27

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de betaling van de [merknaam 1] bancair is gegaan. Hij weet niet via welke bank en via welke rekening. Volgens verdachte zijn niet al zijn rekeningen bij justitie bekend. Hij had ook nog een privérekening bij de Jyske bank.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen stukken bevat die zien op de betaling van de auto, niet via een bankrekening en evenmin van een contante betaling.

Verdachte is de auto in juli 2011 kwijtgeraakt als gevolg van beslaglegging door de Spaanse justitie.28 Bij vonnis van 20 maart 2012 is de [merknaam 1] in de strafzaak tegen verdachte verbeurd verklaard.29

Contante geldstroom

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij kortgezegd een geldbedrag van in totaal € 2.337.426,- heeft witgewassen. In dit bedrag zou een geldbedrag van € 92.250,- en een bedrag van € 700.000,- zijn begrepen, de rechtbank begrijpt het aankoopbedrag voor de [merknaam 2] en overboekingen uit Dubai die zijn aangewend voor de aankoop van de [merknaam 4] . De officier van justitie heeft het bedrag van € 2.337.426,- berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling, waarbij is gekeken naar de contante bankstortingen en contante uitgaven in de periode van 1 januari 2007 tot en met 6 maart 2018.

Bij een eenvoudige kasopstelling wordt nagegaan of en in hoeverre een betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kan worden verantwoord. Daartoe worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, dan is sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatieve kas is niet mogelijk, men kan immers niet meer contant geld uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft.

Spaanse rekeningen

Tijdens de doorzoeking op 6 maart 2018 is een groot aantal stortingsbewijzen aangetroffen van verschillende Spaanse banken. Verder is bij de Spaanse autoriteiten informatie opgevraagd over bankrekeningen op naam van verdachte.

Aan de hand van de aangetroffen stortingsbewijzen en de informatie verkregen uit de rechtshulpverzoeken aan Spanje is berekend dat op de rekeningen van verdachte de volgende contante stortingen zijn gedaan:

Barclays rekeningnummer [nummer 1] :

  • -

    25 mei 2007 € 5.000,-

  • -

    28 mei 2007 € 6.000,-

  • -

    24 juni 2009 € 10.000,-

  • -

    14 augustus 2009 € 4.500,-

  • -

    4 september 2009 € 5.000,-

  • -

    16 oktober 2009 € 5.000,-

  • -

    27 november 2009 € 5.500,-

Totaal € 41.000,-

Cajamar rekeningnummer [nummer 2] :

  • -

    28 mei 2007 € 10.000,-

  • -

    19 september 2007 € 20.000,-

  • -

    15 december 2007 € 14.500,-

  • -

    24 juni 2009 € 10.000,-

  • -

    7 juli 2009 € 6.000,-

  • -

    13 juli 2009 € 5.500,-

  • -

    10 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    12 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    14 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    24 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    4 september 2009 € 5.000,-

  • -

    16 oktober 2009 € 20.000,-

  • -

    27 november 2009 € 5.500,-

  • -

    10 maart 2009 € 500,-

  • -

    30 april 2010 € 4.000,-

  • -

    2 november 2010 € 5.000,-

  • -

    5 november 2010 € 5.000,-

Totaal € 131.000,-

Banco de Andalucia / Banco Popular Espanol rekeningnummer [nummer 3] :

  • -

    22 juni 2009 € 5.000,-

  • -

    24 juni 2009 € 6.000,-

  • -

    7 juli 2009 € 5.000,-

  • -

    13 juli 2009 € 6.500,-

  • -

    10 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    12 augustus2009 € 5.000,-

  • -

    24 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    27 november 2009 € 6.000,-

  • -

    1 december 2009 € 5.000,-

  • -

    30 maart 2010 € 4.000,-

Totaal € 52.500,-

* De Bank van Andalusia is op 7 augustus 2009 overgenomen door haar moedermaatschappij Banco Popular Espanol.

Unicaja-rekening 2103 0884 4 5 0030002079:

  • -

    24 augustus 2009 € 15.000,-

  • -

    26 augustus 2009 € 5.000,-

  • -

    7 september 2009 € 8.000,-

  • -

    22 september 2009 € 15.000,-

  • -

    27 november 2009 € 5.000,-

  • -

    30 november 2009 € 14.000,-

  • -

    1 december 2009 € 10.000,-

  • -

    30 maart 2010 € 20.000,-

  • -

    17 mei 2010 € 15.000,-

  • -

    18 mei 2010 € 15.000,-

  • -

    25 mei 2010 € 20.000,-30

Totaal € 142.000,-

Het totaalbedrag van de stortingen op Spaanse bankrekeningen bedraagt:

  • -

    Barclays € 41.000,-

  • -

    Cajamar € 131.000,-

  • -

    Banco de Andalucia/Banco Popular Espanol € 52.500,-

  • -

    Unicaja € 142.000,-

Totaal € 366.500,-

Nederlandse bankrekeningen

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte meerdere ING- en ABN-AMRO rekeningen op naam had, waaronder:

  • -

    [rekeningnummer 1]

  • -

    [rekeningnummer 2]

  • -

    [rekeningnummer 3]

  • -

    [rekeningnummer 4]

  • -

    [rekeningnummer 5]

  • -

    [rekeningnummer 6] .31

Op deze rekeningen zijn in de periode van 2007 tot en met 6 maart 2018 contante stortingen gedaan:

  • -

    in 2007 voor een totaalbedrag van € 47.980,-;

  • -

    in 2008 voor een totaalbedrag van € 18.910,-;

  • -

    in 2016 voor een totaalbedrag van € 392.575,-;

  • -

    in 2017 voor een totaalbedrag van € 198.430,-;

  • -

    in 2018 voor een totaalbedrag van € 30.150,-;

Totaal € 688.045,-32

Bankrekening in Gibraltar

Op de bankrekening bij de Jyske Bank in Gibraltar zijn op naam van [bedrijf 2] twee contante stortingen gedaan van in totaal € 9.500,-, te weten op 28 oktober 2010 een bedrag van € 2.500,- en op 18 januari 2011 een bedrag van € 7.000,-.33

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de [bedrijf 2] iets heeft getekend dat hij tekenbevoegd was voor de bankrekening van de [bedrijf 2] .34

Betalingen uit Dubai

Op de tenlastelegging zijn de betalingen uit Dubai van in totaal € 700.000,- apart genoemd.

In het dossier zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat de bedragen voor overboeking naar [bedrijf 1] contant op een of meer bankrekeningen zijn gestort. Verdachte zal voor zover dit bedrag in de kasopstelling is opgenomen, in zoverre worden vrijgesproken.

Overige betalingen [merknaam 4]

De rechtbank verwijst voor de overige contante betalingen met betrekking tot het schip de [merknaam 4] , te weten contante betalingen voor een bedrag van € 75.000,-, naar haar eerdere overweging bij de [merknaam 4] .

Betalingen [naam boot 1]

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen bevat het dossier geen stukken over de wijze waarop de betaling van de koopsom van € 200.000,- heeft plaatsgevonden. Er is dan ook geen bewijs dat het bedrag contant zou zijn voldaan.

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn in de administratie verschillende bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op contante betalingen ten behoeve van de [naam boot 1] . Het gaat daarbij om de volgende betalingen:

- Getuige [getuige 1] , controller op jachtwerf [bewaarder] heeft verklaard dat verdachte eind 2015 of begin 2016 de [naam boot 1] bracht voor reparatie/re-fitting. Hij heeft toen € 10.000,- contant aanbetaald voor de reparatie. Daarna heeft hij nog een keer ruim € 12.000,- contant betaald. Kromwijk heeft een betalingsoverzicht overgelegd, waarin hij de contante betalingen heeft omcirkeld. Het gaat daarbij om een bedrag van € 10.000,- op 8 december 2016, een bedrag van € 1.683,67 op 27 oktober 2017 en een bedrag van € 10.033,48 op 20 december 2017.35

- Facturen betreffende de [naam boot 1] voor bedragen van € 1.000,-, € 500,-, € 2.500,-, € 3.000,-, € 10.000,-, € 5.000,-, € 10.000,-, 15.000,-, € 1.137,55, € 1.500, € 2.000.36

- Daarnaast heeft de officier van justitie ter terechtzitting betalingsbewijzen overgelegd van contante betalingen voor de [naam boot 1] . Het gaat om een bedrag van € 200,- en een bedrag van € 10.000,-.37

De rechtbank heeft berekend dat de totale contante betalingen € 83.554,70 bedragen.

Betalingen [merknaam 2]

Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte verklaard dat hij bij de ABN-AMRO bank een bedrag van € 92.250,- in contanten heeft gestort voor de aankoop van de [merknaam 2] .

Daarnaast is een aantal contante betalingen gedaan voor de [merknaam 2] . In het dossier zijn stukken aangetroffen van contante betalingen van € 1.000,-, € 2.000,-, € 7.000,-, € 3.000,- en € 1.000,-.38

De rechtbank heeft berekend dat de totale contante betalingen voor de [merknaam 2] € 106.250,- bedragen.

Betalingen overige boten

In het dossier is verder een nota aangetroffen, waaruit kan worden opgemaakt dat een bedrag van € 10.000,- contant is betaald ten behoeve van een niet nader genoemde boot.39

Betalingen [merknaam 1]

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld bevat het dossier geen stukken die zien op de betaling van de auto. In het dossier zit geen bewijs dat de auto contant is betaald. De aanschaf van de auto betrekt de rechtbank daarom niet bij de kasopstelling. Wel zijn er kosten gemaakt voor de auto. Uit een factuur van [bedrijf 9] blijkt dat een bedrag van € 2.449,40 is voldaan voor onderhoud van de auto.40

Verdachte heeft verklaard dat hij deze factuur contant heeft betaald.41

Overige contante betalingen

Bij doorzoeking van de woning en auto van verdachte is nog een aantal andere stukken aangetroffen, waaruit contante betalingen kunnen worden afgeleid. Het gaat om de volgende bedragen:

- [naam hotel] : bedragen van € 474,60, € 1.473,93, € 1.000,- en € 1.500,-;42

- Ontvangstbewijzen met bedragen van € 1.477,-, € 4.000,-, € 5.250,-;43

- [naam juwelier] een bedrag van € 299,-;44

- [naam winkel 1] een bedrag van € 6.063,-;45

- [naam winkel 2] een bedrag van € 813,95.46

Daarnaast is een rekening van [naam winkel 3] aangetroffen van € 3.500,- met betrekking tot de aankoop van de inrichting van een slaapkamer.47 Verdachte heeft verklaard dat die rekening contant is betaald.48

Het totaal aan overige contant betaalde uitgaven bedraagt € 25.851,48.

Lening aan [medeverdachte]

Verdachte heeft op 12 juli 2016 een bedrag van € 5.000,- contant aan [medeverdachte] geleend. Hiervan is een overeenkomst opgemaakt.49

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de lening van € 5.000,- contant aan [medeverdachte] heeft betaald.50

Betaling aan Café [naam 1]

Bij [naam 16] , mede-eigenaar van het administratiekantoor [bedrijf 10] , is de administratie van de eenmanszaak Café [naam 1] gevorderd. Uit verkregen informatie bleek onder meer dat sinds augustus 2016 onder vermelding van grootboekrekening 1674 een lening van verdachte aan [naam 1] werd bijgehouden. Uit de grootboekrekening bleek dat verdachte een bedrag van € 24.150,48 in de kas van Café [naam 1] , [naam 4] of Café [naam 2] had gestort.51

Het totaal aan contante stortingen en contante uitgaven dat aan verdachte kan worden toegerekend bedraagt:

  • -

    Spaanse bankrekeningen € 366.500,-

  • -

    Nederlandse bankrekeningen € 688.045,-

  • -

    Gibraltese bankrekeningen € 9.500,-

  • -

    [merknaam 4] € 75.000,-

  • -

    [naam boot 1] € 83.554,70

  • -

    [merknaam 2] € 106.250,-

  • -

    Overige boten € 10.000,-

  • -

    [merknaam 1] € 2.449,40

  • -

    Overige contante betalingen € 25.851,48

  • -

    [medeverdachte] € 5.000,-

  • -

    Café [naam 1] € 24.150,48

Totaal € 1.396.301,06

Begin saldo

Verdachte heeft verklaard dat hij op 1 januari 2007 over vermogensbestanddelen beschikte. Hij heeft in dit verband benoemd dat hij, vanaf de jaren ’70, schenkingen van een tante en van zijn vader heeft ontvangen en dat hij goud, onroerend goed en een boot bezat.

De rechtbank acht op zichzelf genomen niet onaannemelijk dat verdachte op 1 januari 2007 over vermogen beschikte. Niettemin moet de rechtbank vaststellen dat in het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden dat verdachte op 1 januari 2007 over contant geld beschikte. De rechtbank herhaalt dat voor de eenvoudige kasopstelling alleen contant geld relevant is. Nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachte op 1 januari 2007 over contant geld beschikte, zal de rechtbank het beginsaldo vaststellen op nihil.

Legale contante ontvangsten

Spaanse bankrekeningen

Van de Barclay bankrekening zijn de volgende bedragen contant opgenomen:

  • -

    31 december 2008 € 300,-

  • -

    12 januari 2009 € 6.000,-

  • -

    17 januari 2009 € 209.-

  • -

    19 januari 2009 € 261,-

  • -

    5 juni 2009 € 261,-

  • -

    30 september 2009 € 400,-

  • -

    18 november 2009 € 314,-

  • -

    6 december 2009 € 314,-

  • -

    9 december 2009 € 261,-

  • -

    25 januari 2010 € 2.500,-

  • -

    15 mei 2010 € 314,-

  • -

    12 juni 2010 € 314,-

  • -

    26 juni 2010 € 261,-

  • -

    18 juli 2010 € 300,-

  • -

    20 juli 2010 € 200,-

  • -

    7 januari 2011 € 146,-

  • -

    11 januari 2011 € 127,-

  • -

    12 januari 2011 € 146,-

  • -

    12 januari 2011 € 115,-

  • -

    13 januari 2011 € 261,-

  • -

    15 maart 2011 € 152,-

Totaal € 13.156,-

Van de Banco de Andalusia/Banco Popular-rekening zijn de volgende bedragen contant opgenomen:

  • -

    3 augustus 2009 € 10.000,-

  • -

    8 oktober 2009 € 5.000,-

  • -

    20 oktober 2009 € 300,-

  • -

    22 oktober 2009 € 300,-

  • -

    2 november 2009 € 400,-

  • -

    14 november 2009 € 250,-

  • -

    18 december 2009 € 300,-

  • -

    29 december 2009 € 400,-

  • -

    14 januari 2010 € 300,-

  • -

    19 januari 2010 € 3.500,-

  • -

    17 februari 2010 € 2.500,-

  • -

    3 maart 2010 € 140,-

  • -

    8 maart 2010 € 140,-

  • -

    1 april 2010 € 300,-

  • -

    5 april 2010 € 300,-

  • -

    9 april 2010 € 300,-

  • -

    17 mei 2010 € 300,-

  • -

    7 juni 2010 € 600,-

  • -

    22 juli 2010 € 70,-

Totaal € 25.400,-

Van de Unicaja- rekening zijn de volgende bedragen opgenomen:

  • -

    8 oktober 2009 € 5.000,-

  • -

    28 januari 2010 € 5.000,-

  • -

    21 mei 2010 € 5.000,-

  • -

    9 juni 2010 € 4.000,-

  • -

    10 juni 2010 € 1.000,-

Totaal € 20.000,-

Verder zijn van deze rekening 20 opnamen verricht bij geldautomaten met een totaalbedrag van € 5.184,19 en vier kasopnamen met een totaal van € 13.000,-.52

Het totaalbedrag van de opnamen van Spaanse bankrekeningen bedraagt:

  • -

    Barclays € 13.156,-

  • -

    Banco de Andalucia/Banco Popular Espanol € 25.400,-

  • -

    Unicaja € 38.184,19

Totaal € 76.740,19

Nederlandse bankrekeningen

Van de Nederlandse bankrekeningen is in de periode van 1 januari 2007 tot en met 8 maart 2018 in totaal € 29.390,- contant opgenomen.53

Bankrekeningen in Gibraltar

Van de bankrekeningen in Gibraltar is in totaal € 27.969,- contant opgenomen.54

Overige contante inkomsten

- Uit de grootboekrekening die de [bedrijf 10] van Café [naam 1] bijhield bleek dat verdachte een bedrag van € 23.347,65 uit de kas van Café [naam 1] , [naam 4] of Café [naam 2] heeft onttrokken.55

- Verdachte heeft verklaard dat hij in september/oktober 2016 in Spanje is geweest. Hij heeft toen van [naam 5] ongeveer € 25.000,- in contanten gekregen. Hij kreeg van haar nog geld omdat zij de [naam boot 1] in de periode van 2011 tot juni 2016 had verhuurd.56

- Niet kan worden uitgesloten dat de firma [bedrijf 11] een bedrag aan achterstallige (nog openstaande) huur contant aan verdachte heeft betaald. Uit het overzicht van kosten en opbrengsten blijkt dat het eindsaldo op 12 juni 2016 GBP 1.358,49 bedroeg. Het is mogelijk dat verdachte dit bedrag contant heeft ontvangen en omgewisseld in euro’s. Uitgaande van een voor verdachte gunstige koers is rekening gehouden met een bedrag van € 1.600,-.57

De rechtbank berekent de totale legale inkomsten op:

  • -

    Spaanse bankrekeningen € 76.740,19

  • -

    Nederlandse bankrekeningen € 29.390,-

  • -

    Gibraltese bankrekeningen € 27.969,-

  • -

    Café [naam 1] € 23.347,65

  • -

    [naam 5] € 25.000,-

  • -

    [bedrijf 11] € 1.600,-

Totaal € 184.046,84

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij goud in zijn bezit had en dat hij dit tegen contante betaling heeft verkocht aan [naam 17] in Antwerpen.

De rechtbank overweegt dat verdachte op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode van 1 januari 2007 tot 8 maart 2018 beschikte over goud en dat hij dit in die periode heeft verkocht en daarvoor contanten heeft ontvangen. Voor zover hij al over goud heeft beschikt, heeft verdachte op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt tot welk bedrag hij het goud te gelde zou hebben gemaakt. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte hierover wisselende verklaringen heeft afgelegd.

Ten aanzien van de [naam boot 2] heeft de rechtbank in het dossier twee Bills of Sale aangetroffen betreffende de aan- en de verkoop van de boot. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verkoopbedrag geheel in contant geld heeft verkregen.

De rechtbank acht enkel deze Bills of Sale onvoldoende om aan te nemen dat verdachte over de [naam boot 2] heeft beschikt, laat staan dat hij daarvoor ruim € 800.000,- contant heeft ontvangen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte uitgebreid, in een negental verhoren, bij de politie is verhoord over zijn bezittingen, waarbij verdachte gedetailleerd heeft verklaard over de boten die hij had gekocht en de boten die hij in de vennootschappen had ingebracht. De [naam boot 2] heeft hij echter niet genoemd. Ook zijn in het dossier geen andere stukken aangetroffen die wijzen op het bezit van de [naam boot 2] dan wel gemaakte kosten voor deze boot.

Verdachte heeft ter terechtzitting verder verklaard dat hij inkomsten had uit charterwerkzaamheden en dat hij voor die werkzaamheden vaak contant werd betaald.

De rechtbank overweegt dat uit informatie van de Nederlandse Belastingdienst geen inkomsten van verdachte in de onderzoeksperiode naar voren komen anders dat de inkomsten ontvangen van het UWV. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij geen aangifte heeft gedaan, niet in Nederland, maar ook niet in Spanje of Gibraltar. Daar komt bij dat [naam 5] heeft verklaard dat de bedrijven geen inkomsten hebben gegenereerd58, hetgeen ook blijkt uit informatie die via rechtshulpverzoeken aan Spanje en Gibraltar is ontvangen. Ook in Spanje en Gibraltar is bij de belastingdienst geen aangifte gedaan van inkomsten.

De rechtbank heeft met contant geld uit de gestelde verkoop van het goud en de [naam boot 2] en met de gestelde inkomsten uit charterwerkzaamheden dan ook geen rekening gehouden bij de legale contante inkomsten.

Eindsaldo

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 6 maart 2018 is een contant geldbedrag van € 10.800,- aangetroffen.59

Het voorgaande leidt tot de volgende optelsom:

Beginsaldo contant geld € 0,00

Legale inkomsten € 184.046,84 +/+

Eind saldo contant geld € 10.800,- -/-
Beschikbaar voor contante uitgaven € 173.246,84

Feitelijke contante stortingen en uitgaven € 1.396.301,06 -/-

Onverklaard bezit -/- € 1.223.054,22

Op basis van de berekening stelt de rechtbank vast dat verdachte meer contant geld heeft uitgegeven dan hij aan legale contante inkomsten had. Er blijkt een bedrag van
€ 1.223.054,22 in contanten meer te zijn besteed dan beschikbaar was op grond van legale contante inkomsten.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen

De rechtbank stelt vast dat er geen rechtstreeks verband is te leggen tussen de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en voorwerpen enerzijds en een bepaald misdrijf anderzijds.

Wanneer door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Uit hetgeen het Openbaar Ministerie heeft aangedragen volgt dat verdachte meer contant geld heeft uitgegeven dan hij aan legale contante inkomsten beschikbaar had. De rechtbank overweegt dat er ten aanzien van een geldbedrag van € 1.223.054,22, daarin begrepen een geldbedrag van € 92.250,-, dus sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Ten aanzien van de boten [merknaam 2] , [naam boot 1] en [merknaam 4] en ten aanzien van de [merknaam 1] overweegt de rechtbank het volgende.

[merknaam 2]

De aankoop van de [merknaam 2] is, zoals hiervoor overwogen, door verdachte gefinancierd door storting van een contant bedrag van € 92.250,-. De ABN-AMRO bank heeft naar aanleiding van deze kasstorting een melding gedaan van een verdachte transactie. Daarin is vermeld dat het bedrag bestond uit 4612 biljetten van 20 euro en één biljet van 10 euro.60

De rechtbank overweegt dat gelet op de storting van het groot aantal bankbiljetten en in het licht van de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling er voldoende grond is voor een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

[naam boot 1]

Volgens de Bill of Sale in het dossier is de [naam boot 1] voor € 200.000,- aangekocht. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, bevat het dossier geen stukken waaruit blijkt hoe de betaling van de [naam boot 1] heeft plaatsgevonden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de [naam boot 1] eigendom was van [naam 10] en dat die er na een flinke schade vanaf wilde. De overdracht van de [naam boot 1] is met gesloten beurzen gegaan. Het bedrag van € 200.000,- op de Bill of Sale vertegenwoordigde de waarde van de boot, na herstel van de schade. De schade was € 70.000,- en is aan [bewaarder] betaald. Verdachte had nog € 120.000,- à € 130.000,- tegoed van [naam 10] van de verkoop van het pand aan de [adres 2] in Arnhem. Dat was verdachtes deel van het pand plus de winst voor de overeenkomst.

Op 15 juli 1999 is bij mr. [naam notaris] , notaris te Arnhem, de leveringsakte 17828-12 gepasseerd. Hierin is beschreven dat de helft van de woning aan de [adres 2] Arnhem, die in bezit was van verdachte voor een bedrag van fl. 200.000,- is verkocht aan [naam 18] sr. De koopsom is voldaan door voldoening van het bedrag aan de stichting derdengelden van de notaris.61

Nu de verklaring van de verdachte dat hij het aankoopbedrag voor de [naam boot 1] heeft verrekend met een bedrag dat [naam 10] via zijn vader aan verdachte schuldig was vanwege de verkoop van de woning gelegen aan de [adres 2] Arnhem, niet overeenkomt met wat er vermeld staat in de akte van levering van deze woning, overweegt de rechtbank dat, mede gelet op het feit dat niet is gebleken hoe de betaling van de [naam boot 1] heeft plaatsgevonden, er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ten aanzien van de boot de [naam boot 1] .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat van de € 200.000,- die is overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de notaris ongeveer € 180.000,- door de notaris is teruggestort op de rekening van [naam 10] . Verdachte is toen economisch eigenaar geworden van het pand aan de [adres 2] te Arnhem, hetgeen niet is vastgelegd in een akte.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet verifieerbaar is en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Van deze constructie blijkt niets in de leveringsakte of de betaling van de koopsom. Verdachte heeft niet eerder bij de politie verklaard dat geld door de notaris is teruggestort op de rekening van [naam 10] en dat verdachte daarmee economisch eigenaar is geworden van het pand en komt pas met deze verklaring na vragen ter terechtzitting. Verdachte heeft geen stukken overgelegd die zijn verklaring kunnen bevestigen.

[merknaam 4]

De aanbetaling voor het schip de [merknaam 4] is contant voldaan aan [naam 12] . Verder zijn voorafgaand aan de girale betaling aan [naam 14] meerdere overboekingen gedaan vanuit Dubai naar de rekening van [bedrijf 1] voor een totaalbedrag van € 700.000,-, inclusief de kosten voor de overboekingen. Bij de overboekingen ontbreekt een doel of concrete beschrijving. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is [bedrijf 7] in 2014 en 2015 bekend met verdachte transacties en is [naam 13] in 2010 en 2015 in verband gebracht met verdachte transacties. De rechtbank overweegt dat er gelet op deze omstandigheden ten aanzien van de [merknaam 4] sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de [merknaam 2] in het voorjaar van 2008 is gecharterd door de gebroeders [naam 19] voor een bedrag van € 1.700,- per dag, inclusief schipper. Met de broers, die in de bouw zaten, werd in een convenant vastgelegd dat verdachte voor een bedrag van € 700,- per dag zou participeren in onroerend goedprojecten en dat € 1.000,- per dag zou worden betaald. Verdachte heeft tegen de gebroeders [naam 19] gezegd dat ze moesten wachten met het betalen van de facturen, zodat hij de facturen kon versturen vanuit het bedrijf, die [naam 5] bezig was op te richten. In 2008 en 2009 hebben de broers twee keer 100 dagen het schip gehuurd. Verdachte heeft in 2010 contact gehad met de broers, waarbij hij de bankrekening heeft doorgegeven van [bedrijf 1] bij de Jyske Bank in Gibraltar. Er is toen tussen 15 januari en begin februari 2010 twee keer € 100.000,- vanuit Dubai overgemaakt op die rekening. Voor de participaties heeft hij in die periode volgens hem € 450.000,- ontvangen (p. 3253).

Verdachte heeft verder hierover verklaard dat de € 700,- van de participatie werd geïnvesteerd en dat die € 1.000,- direct opeisbaar was. Hij heeft dat bedrag echter niet direct opgeëist. Waarschijnlijk hebben de gebroeders [naam 19] dat bedrag ook geïnvesteerd om hem te matsen (p. 3270).

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij tijdens het charteren niets van de gebroeders [naam 19] heeft ontvangen en dat hij heeft geleefd van zijn eigen geld. Hij heeft verder verklaard dat hij niet beschikt over het convenant.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de gebroeders [naam 19] niet voldoende concreet en verifieerbaar. Verdachte kan geen convenant overleggen en heeft weinig informatie over de gebroeders. Dat is op zichzelf bijzonder opmerkelijk omdat hij twee keer honderd dagen met hen heeft gevaren. De rechtbank acht het onder die omstandigheden hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte zijn geld niet eerder heeft opgeëist. Eveneens acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de gebroeders [naam 19] het opeisbare bedrag zonder overleg met verdachte zouden hebben geïnvesteerd.

[merknaam 1]

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld bevat het dossier geen stukken die zien op de betaling van de auto. Uit de gegevens van de Nederlandse, Spaanse en Gibraltese bankrekeningen op naam van verdachte en zijn Gibraltese rechtspersonen, waarvan de gegevens in het dossier beschikbaar zijn, blijkt niet van een betaling van de [merknaam 1] . De rechtbank overweegt dat er gelet op deze omstandigheden ten aanzien van de [merknaam 1] sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de betaling van de [merknaam 1] bancair is gegaan. Hij weet niet via welke bank en via welke rekening de betaling is verricht. Volgens verdachte zijn niet al zijn rekeningen bij justitie bekend. Hij had ook nog een privérekening bij de Jyske bank.

De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van verdachte niet hoogst onwaarschijnlijk is. De verklaring is echter onvoldoende concreet en verifieerbaar nu in het dossier geen stukken van de door verdachte bedoelde rekeningen zijn aangetroffen en deze ook niet door verdachte zijn overgelegd. De rechtbank merkt daarbij op dat, voor zover verdachte heeft bedoeld te verklaren dat de auto via de privérekening van verdachte bij de Jyske Bank is betaald, hij daarover pas ter terechtzitting heeft verklaard. Het Openbaar Ministerie is daardoor niet in de gelegenheid gesteld nader onderzoek naar de rekening te doen. Nu de verdachte pas ter terechtzitting met deze verklaring is gekomen, dient dat voor zijn rekening en risico te komen.

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de niet-verklaarbare kasstortingen en contante uitgaven en voor het bezit van de boten en auto dan wel dat hij een verklaring heeft gegeven die op zichzelf genomen niet hoogst onwaarschijnlijk was, maar die niet concreet en verifieerbaar was. Dat leidt ertoe dat op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat het vastgestelde onverklaarde bezit in contanten ter hoogte van € 1.223.054,22 en de in de tenlastelegging genoemde boten en auto uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de boten [merknaam 2] , [naam boot 1] , [merknaam 4] , de auto de [merknaam 1] en een geldbedrag ter hoogte van € 1.223.054,22, daarin begrepen een bedrag van € 92.250,-, voorhanden heeft gehad, heeft gebruikt en verworven. Voor wat betreft de boot de [merknaam 2] en het geldbedrag acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze heeft overgedragen. Voor wat betreft het geldbedrag acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachte dit heeft omgezet.

Gewoonte

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten gewoontewitwassen, bewezen nu het gaat om een groot aantal witwasmomenten gedurende een lange periode.

Feit 2

Sinds 18 februari 2015 is medeverdachte [medeverdachte] exploitant van V.O.F. [naam 20] . Medio 2016 heeft zij haar vennoot uitgekocht en is ze verder gegaan als eenmanszaak Café [naam 1] ( [adres 3] ). In 2017 heeft [medeverdachte] eetcafé [naam 3] ( [adres 4] ) overgenomen.

Op 19 juni 2017 is een aanvraag gedaan voor overname van [naam 2] ( [adres 5] .

Op 8 augustus 2017 is een aanvraag ingediend voor de overname van [naam 4] ( [adres 6] ).62

Onduidelijk bleek wat de herkomst van het geld was waarmee [medeverdachte] haar investeringen had gedaan nu de erfenis die zij had ontvangen daarvoor ontoereikend was en de leenovereenkomst van € 50.000,- die zij bij haar Bibob-formulier op 10 maart 2017 bij de gemeente had overgelegd op 1 februari 2017 al voor € 46.500,- was benut.


Na de overname door [medeverdachte] werden girale transacties voor alle vier de cafés verricht via twee bankrekeningen bij ABN-AMRO [rekeningnummer 7] en [rekeningnummer 8] ten name van mevrouw [medeverdachte] h/o Café [naam 1] .63

Verdachte heeft op 12 juli 2016 een bedrag van € 5.000,- contant aan [medeverdachte] geleend. Hiervan is een schuldbekentenis opgemaakt.64

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de lening van € 5.000,- contant aan [medeverdachte] heeft verstrekt.65

Er is verder onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van verdachte, [medeverdachte] en de zakelijke rekeningen van Café [naam 1] .

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte meerdere Nederlandse ING- en ABN-AMRO rekeningen op naam had, te weten:

  • -

    [rekeningnummer 1]

  • -

    [rekeningnummer 2]

  • -

    [rekeningnummer 9]

  • -

    [rekeningnummer 3]

  • -

    [rekeningnummer 4]

  • -

    [rekeningnummer 5]

  • -

    [rekeningnummer 6] .

Uit het onderzoek is verder naar voren gekomen dat tussen 12 juli 2016 en 6 maart 2018 van deze Nederlandse bankrekeningen van verdachte meerdere bedragen zijn overgemaakt naar de zakelijke rekeningen van Café [naam 1] . Daarnaast zijn van de bankrekeningen van verdachte rekeningen betaald ten gunste van Café [naam 1] dan wel Café [naam 2] dan wel [naam 4] .

In totaal is hiermee een bedrag gemoeid van € 426.697,28.

Datum

Bedrag

Omschrijving

14 juli 2016

€ 3.883,81

Huur over juli 2016 aan [verhuurder]

1 augustus 2016

€ 1.500,-

Voorschot [medeverdachte] / [medeverdachte] inzake [naam 20] Arnhem

2 augustus 2016

€ 7.000,-

Als overeengekomen met [medeverdachte] . Uitschrijving van [naam 21] bij de KvK

3 augustus 2016

€ 3.883,81

Huur augustus 2016 [naam 20]

3 augustus 2016

€ 4.479,28

Huur april 2016 [naam 20]

9 augustus 2016

€ 3.000,-

Lening aan [medeverdachte] inzake [naam 20]

11 augustus 2016

€ 2.000,-

Lening [verdachte]

18 augustus 2016

€ 2.500,-

Lening [naam 20] / [verdachte]

19 augustus 2016

€ 4.500,-

Lening [naam 20] /van [verdachte]

9 september 2016

€ 3.000,-

Lening [verdachte]

17 oktober 2016

€ 1.792,01

Factuur [naam winkel 4]

24 oktober 2016

€ 3.000,-

Lening [verdachte]

8 november 2016

€ 7.621,79

Factuur betreft Zonwering

11 november 2016

€ 1.815,-

Factuur klimaatbeheersing en luchtconditionering

4 januari 2017

€ 5.058,41

Factuur Zonwering/Cafe [naam 1]

10 januari 2017

€ 2.500,-

Lening [verdachte]

18 januari 2017

€ 5.000,-

Derde betaling Luifel/Caf4e [naam 1]

25 januari 2017

€ 2.653,98

Laatste betaling/Luifel Cafe [naam 1]

1 februari 2017

€ 25.000,-

Lening [verdachte]

24 maart 2017

€ 10.000,-

Lening exploitatie en salariskosten

30 maart 2017

€ 25.000,-

Lening [verdachte] voor aanschaf keuken t.b.v. [naam 1]

12 april 2017

€ 30.000,-

Lening [verdachte] t.b.v. inventaris en verbouwing [adres 4]

15 mei 2017

€ 10.000,-

Lening [verdachte] t.b.v. [adres 4]

19 mei 2017

€ 50.000,-

Lening [verdachte] t.b.v. aankoop Cafe [naam 4]

19 mei 2017

€ 50.000,-

Lening [verdachte] t.b.v. aankoop Cafe [naam 2]

2 juni 2017

€ 20.000.-

Lening [verdachte] t.b.v. aankoop [naam 4] en Cafe [naam 2] te Arnhem

6 juni 2017

€ 17.500,-

Lening [verdachte] t.b.v. aankoop Cafe [naam 2] en [naam 4] gelegen aan de [straatnaam] te Arnhem

9 augustus 2017

€ 5.000,-

Lening [verdachte]

14 augustus 2017

€ 5.000,-

Lening [verdachte]

23 augustus 2017

€ 10.000,-

Lening voor investering Parasols Cafe [naam 2] en [naam 4]

29 augustus 2017

€ 10.000,-

Lening Parasols Cafe [naam 2] en [naam 4]

7 september 2017

€ 4.000,-

Lening [verdachte] betr. Parasols

13 september 2017

€ 4.000,-

Lening [verdachte]

19 september 2017

€ 4.500,-

Lening [verdachte]

20 september 2017

€ 15.000,-

Lening betaling Parasols [verdachte]

26 september 2017

€ 4.500,-

Lening [verdachte] t.b.v. exploitatie

29 september 2017

€ 17.500,-

Lening exploitatie [verdachte]

26 oktober 2017

€ 4.500,-

Lening [verdachte] t.b.v. exploitatie

26 oktober 2017

€ 4.500,-

Lening [verdachte] t.b.v. exploitatie

27 oktober 2017

€ 15.000,-

Lening [verdachte] t.b.v. exploitatie Cafe [naam 1]

25 januari 2018

€ 12.500,-

Lening [verdachte] exploitatie/huren

1 februari 2018

€ 4009,19

Betaling nog openstaande Borg [adres 6] bij de Fam. Ottevanger. Overgenomen door [verdachte]

1 maart 2018

€ 4.000,-

Lening [verdachte] voor exploitatie tekort/Lonen febr.2018

Totaal

€ 426.697,28 66

De rechtbank stelt vast dat het totale bedrag dat verdachte aan [medeverdachte] contant heeft overhandigd dan wel overgeboekt naar de rekeningen van Café [naam 1] dan wel overgeboekt naar rekeningen van schuldeisers in totaal € 431.697,28 bedraagt (€ 426,697,28 +
€ 5.000,-).

Zoals de rechtbank hiervoor ten aanzien van de eenvoudige kasopstelling heeft overwogen, heeft verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot en met 6 maart 2018 voor een bedrag van € 1.217.104,82 kasstortingen en contante uitgaven gedaan met gelden, waarvan het niet anders kan zijn dan dat die uit misdrijf zijn verkregen. De € 5.000,- die verdachte contant aan [medeverdachte] heeft geleend, maakt onderdeel uit van dit bedrag. De rechtbank overweegt voorts dat gelet op het voorgaande de gelden die zijn gestort op de Nederlandse bankrekeningen van verdachte in die periode van 1 januari 2007 tot en met 6 maart 2018, zoals hiervoor op pagina 10 overwogen een bedrag van € 688.045,-, minst genomen gedeeltelijk afkomstig zijn uit misdrijf.

Het saldo van de bankmutaties op de Nederlandse bankrekeningen van verdachte in de ruimere periode van 1 januari 2006 tot en met 6 maart 2018 was € 1.318,92 (positief). Dit is inclusief contante stortingen voor een totaal bedrag van € 694.795,- op deze rekeningen in die periode.67 De rechtbank overweegt dat dit betekent dat verdachte een bedrag van € 1.318,92 meer aan bancair geld beschikbaar had, dan hij bancair besteedde. Echter, onderdeel van dit saldo zijn contante stortingen voor een bedrag van € 694.795,-. De rechtbank merkt daarbij op dat dit bedrag hoger is dan het bedrag aan contante stortingen bij de kasopstelling; daarbij is van belang dat de periode waarover het saldo van de bankmutaties is berekend aanvangt op 1 januari 2006 en daarmee ruimer is dan de periode waarover het beschikbare legale contante vermogen van verdachte is berekend welke periode aanvangt op 1 januari 2007. Dat betekent dat van de contante stortingen op de Nederlandse bankrekeningen van verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 niet bewezen kan worden dat deze een criminele herkomst hebben. Hetzelfde geldt voor de gelden die bancair zijn overgemaakt naar de Nederlandse bankrekeningen van verdachte.

Dat betekent dat verdachte gelet op het voorgaande in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 maart 2018 via zijn Nederlandse bankrekeningen een bedrag van € 686.726,08 (€ 688.045,- -/- € 1.318,92) meer bancair heeft uitgegeven, dan bij bancair aan legaal geld beschikbaar had en waarvan het niet anders kan zijn dan dat dit bedrag minst genomen gedeeltelijk uit misdrijf is verkregen.

Gelet hierop overweegt de rechtbank dat het bedrag van in totaal € 426,697,28 dat in de periode van 12 juli 2016 tot en met 6 maart 2018 is overgemaakt vanaf de Nederlandse bankrekeningen van verdachte naar of ten behoeve van de eenmanszaak Café [naam 1] gedeeltelijk een criminele herkomst hebben.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande gewoontewitwassen bewezen nu het gaat om een aanzienlijk aantal overboekingen, die daarnaast bedoeld waren voor verschillende aangelegenheden, verricht over een periode van bijna twintig maanden. Met de betalingen was kennelijk een uitbreiding van het imperium van [medeverdachte] beoogd.

Medeplegen

De rechtbank acht anders dan de officier van justitie medeplegen van gewoontewitwassen door medeverdachte [medeverdachte] niet bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende bewijs dat [medeverdachte] wetenschap heeft gehad van het feit dat de gelden die zij voor haar horecabedrijven van verdachte ontving van misdrijf afkomstig waren. Het feit dat [medeverdachte] tegen [naam 22] zou hebben gezegd dat verdachte “een grote boef” was met een crimineel verleden, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

Tenlastelegging

De rechtbank merkt ten aanzien van de tenlastelegging op dat daarin is opgenomen dat de gelden van verdachte naar de bankrekening(en) van de horecagelegenheid [naam 1] zijn overgemaakt. Uit het dossier blijkt echter dat een deel van de gelden is aangewend voor het betalen van rekeningen aan schuldeisers van de horecagelegenheid. De rechtbank ziet de zinsnede “naar de bankrekening(en) van” als een kennelijke verschrijving nu uit het dossier ondubbelzinnig blijkt dat een deel naar de rekening is overgemaakt en een deel naar bankrekeningen van schuldeisers. Dit is ook niet door verdachte weersproken. De rechtbank zal de betreffende zinsnede vervangen door “ten behoeve van”. Verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

Feit 3

De ING-bank heeft op 14 november 2017 een brief gestuurd naar verdachte met vragen over de herkomst van de op zijn rekeningen gestorte gelden. Verdachte heeft deze brief op 28 november 2017 beantwoord. In de brief heeft verdachte verklaard dat de contant gestorte bedragen afkomstig zijn van deelbetalingen van de door hem in 2014 en 2015 aan particulieren verkochte boten die door hem geëxploiteerd werden in zijn bedrijven in Gibraltar. Het gaat daarbij om:

  • -

    de [merknaam 4] , die hij in februari 2010 heeft aangeschaft voor € 650.000,-;

  • -

    de [merknaam 2] , die hij in 2009 heeft aangeschaft voor € 80.000,-;

  • -

    de [merknaam 3] , die hij van familie heeft gekregen.

Deze schepen had hij ondergebracht in [bedrijf 1] en werden via de werkmaatschappij [bedrijf 2] verhuurd en gecharterd. Vanwege gezondheidsproblemen heeft hij de schepen verkocht, waarbij deelbetalingen zijn overeengekomen. De bedrijven die eigendom waren van [bedrijf 1] zijn/waren ook zijn eigendom. Verdachte heeft verder in de brief verklaard dat hij zijn [merknaam 1] heeft verkocht voor een bedrag van € 163.000,-. Dat werd ook in gedeeltes betaald en afgelost.68

Tijdens een telefoongesprek op 20 december 2017 met een medewerker van de ING-bank heeft verdachte verklaard dat de nieuwe eigenaren van de [merknaam 4] en de [merknaam 2] hoofdzakelijk aflossen in contant geld.69

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de [merknaam 3] de merknaam is van de [naam boot 1] .70

[merknaam 4]

De rechtbank verwijst naar haar overweging ten aanzien van feit 1 over de [merknaam 4] onder “Aankoop, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen”. Zoals daar is overwogen komt uit een Bill of Sale naar voren dat de [merknaam 4] op 2 februari 2010 door [naam 11] voor € 650.000,- is verkocht aan [bedrijf 1] . Op 12 juni 2011 is de [merknaam 4] door de Spaanse autoriteiten in beslag genomen en bij vonnis van 20 maart 2012 is de [merknaam 4] in de strafzaak tegen verdachte verbeurd verklaard. De betreffende overwegingen acht de rechtbank herhaald en ingelast.

[merknaam 2]

De rechtbank verwijst naar haar overweging ten aanzien van feit 1 over de [merknaam 2] onder “Aankoop, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen”. Zoals daar is overwogen komt uit een Bill of Sale naar voren dat de [merknaam 2] op 23 juli 2007 door [naam 6] is overgedragen aan verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij daar € 92.250,- voor heeft betaald. De boot is daarna overgegaan op [bedrijf 1] en daarna op [bedrijf 5] . De betreffende overwegingen acht de rechtbank herhaald en ingelast.

Verdachte heeft bij de brief aan de ING-bank onder meer een Bill of Sale bijgevoegd, waaruit zou blijken dat de [merknaam 2] op 18 mei 2012 aan [naam 23] is verkocht voor een bedrag van

€ 285.000,- .71

Het verkoopbedrag op de Bill of Sale heeft een afwijkend handschrift, lijkt daarnaast met een andere pen te zijn geschreven en de Bill of Sale bevat geen handtekening van de koper [naam 23] .72 De Bill of Sale is nader onderzocht. Daarbij is geconstateerd dat het hele document een kopie is, met uitzondering van de in het blauw geschreven tekst “Two Hunderd and eighty five Thousand EUROS”. De kopie is geprint met een toner, de voornoemde tekst is met pen geschreven. Hierbij is de indrukking in het papier “preeg” duidelijk zichtbaar.73

[naam 5] heeft verklaard dat zij de boot [merknaam 2] heeft verkocht aan een Engels persoon voor ongeveer € 33.000,-. Daarvan moest nog € 5.000,- af voor de ligplaats. Het geld is op haar privérekening gestort aangezien de rekeningen van de bedrijven toen al waren opgeheven. De Bill of Sale van 18 mei 2012 heeft zij ondertekend. Zij kan niet verklaren waarom op de Bill of Sale een bedrag staat van € 285.000,-. [naam 5] gelooft niet dat op het moment van ondertekenen dat bedrag op de Bill of Sale stond. Het bedrag is ook merkwaardig hoog omdat de boot niet zoveel waard was. Het is niet haar handschrift.74

Aangetroffen is een handgeschreven financieel overzicht dat begint met “verkoop F” voor een bedrag van € 40.000,-. Daar wordt vanaf getrokken een bedrag van € 8.341,12 voor “openstaande berth fees”, waarna resteert een bedrag van € 31.658,88.75

[naam 24] , directeur van [bedrijf 12] en [bedrijf 13] , heeft verklaard dat zij als getuige betrokken is geweest bij de verkoop van de [merknaam 2] . De koopsom werd door [naam 23] voldaan door een bankoverschrijving van € 31.777,60 naar de privé-rekening van Maria [naam 5] .76

Uit transactieoverzichten van de Spaanse (Santander) bank blijkt dat [naam 23] op 18 mei 2012 een bedrag van € 31.658,88 heeft overgemaakt naar de ING bankrekening van [naam 5] en € 118,72 aan kosten heeft betaald en dat hij een bedrag van € 8.341,12 heeft overgemaakt naar de Spaanse bankrekening van “ [bedrijf 14] ”. Dit bedrag is verhoogd met € 33,72 aan kosten.77 De laatstgenoemde betaling hield verband met het voldoen van openstaande rekeningen van verdachte.78

[merknaam 3] ( [naam boot 1] )

De rechtbank verwijst naar haar overweging ten aanzien van feit 1 over de [naam boot 1] onder “Aankoop, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen”. Zoals daar is overwogen komt uit een Bill of Sale naar voren dat de [naam boot 1] op 19 december 2007 door [naam 10] is verkocht aan verdachte voor € 200.000,-. De boot is daarna overgegaan op [bedrijf 1] en daarna op [bedrijf 4] . Op 6 maart 2018 is zeiljacht [merknaam 3] ( [naam boot 1] / [naam boot 1] ) door het Openbaar Ministerie in beslag genomen onder [bewaarder] in Lelystad, waarbij [bewaarder] is aangesteld als bewaarder. De betreffende overwegingen acht de rechtbank herhaald en ingelast.

[merknaam 1]

De rechtbank verwijst naar haar overweging ten aanzien van feit 1 over de [merknaam 1] onder “Aankoop, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen”. Verdachte heeft verklaard dat hij de [merknaam 1] in augustus 2009 heeft gekocht voor € 90.000,-. Hij is de auto in juli 2011 kwijtgeraakt als gevolg van beslaglegging door de Spaanse justitie. Bij vonnis van 20 maart 2012 is de [merknaam 1] in de strafzaak tegen verdachte verbeurd verklaard. De betreffende overwegingen acht de rechtbank herhaald en ingelast.

Overweging

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de [merknaam 4] en [merknaam 1] op 20 maart 2012 door de Spaanse rechter verbeurd zijn verklaard en dat verdachte de [merknaam 4] en [merknaam 1] dus niet kan hebben verkocht, laat staan daar contant geld van particulieren van kan hebben verkregen.

Verder blijkt dat de [merknaam 2] in 2012 is verkocht voor € 40.000,-, waarbij een deel van dit bedrag is aangewend voor de betaling van een rekening betreffende de [merknaam 2] . De door verdachte aan de ING-bank overgelegde Bill of Sale met daarop een verkoopprijs van € 285.000,- is, gelet op de aangehaalde bewijsmiddelen, als vals aan te merken, te meer nu [naam 5] ook heeft verklaard dat dit bedrag er niet op stond toen zij de Bill of Sale van de [merknaam 2] ondertekende en het niet haar handschrift is.

De [naam boot 1] ( [merknaam 3] ), die verdachte overigens niet van familie heeft gekregen zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, is door het Openbaar Ministerie op 6 maart 2018 in beslag genomen.

De rechtbank concludeert dat uit het voorgaande volgt dat de [merknaam 4] en [naam boot 1] ( [merknaam 3] ) en de [merknaam 1] niet door verdachte aan particulieren zijn verkocht en dat verdachte daaruit dus geen contante inkomsten kan hebben verkregen. De [merknaam 2] is weliswaar verkocht, maar voor een aanzienlijk lager bedrag dan verdachte heeft gemeld aan de ING-bank. Een en ander betekent dat verdachte de ING-bank bewust geen correcte voorstelling van zaken heeft gegeven en aldus doende de brief aan de ING-bank valselijk heeft opgemaakt. Verdachte heeft als bijlage bij de brief een vervalste Bill of Sale gevoegd met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank acht gelet hierop feit 3 bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen op/in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met heden, te Arnhem, althans in Nederland en/of te Gibraltar en/of te Spanje telkens een voorwerp/voorwerpen, te weten

-één of meer geldbedragen, in totaal 2.337.426 euro, waaronder

een geldbedrag van 92.250 euro (AH017),

een geldbedrag van 700.000 euro (AH084) en/of

en/of

-één of meer goederen, waaronder

een personenauto [merknaam 1] , kenteken [kenteken 1] (AH109),

een motorboot ' [merknaam 2] '(AH110)

een zeiljacht ' [naam boot 1] (AH111) en/of

een zeiljacht ' [merknaam 4] ' (AH030)

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten

-één of meer geldbedragen, in totaal 2.337.426 euro, waaronder

een geldbedrag van 92.250 euro (AH017),

een geldbedrag van 700.000 euro (AH084)

en/of

-één of meer goederen, waaronder

een personenauto [merknaam 1] , kenteken [kenteken 1] (AH109),

een motorboot ' [merknaam 2] '(AH110)

een zeiljacht ' [naam boot 1] (AH111) en/of

een zeiljacht ' [merknaam 4] ' (AH030)

gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

terwijl hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2016 tot en met 06 maart 2018, te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging althans alleen, voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen gebruik gemaakt

namelijk door (telkens) één of meerdere (grote) hoeveelheden geld (te weten in totaal een geldbedrag van ongeveer 431.697 euro), van zijn bankrekening(en) over te maken ten behoeve van de horecagelegenheid Café [naam 1] met welk(e) geld(en) (vervolgens) door verdachte en/of zijn mededader de exploitatie/uitbating van één of meer horecagelegenheden in Arnhem (te weten Café " [naam 1] ", Café " [naam 2] ", Café " [naam 3] " en/of " [naam 4] ") zijn (mede) aangekocht/overgenomen en/of deze horecagelegenheden zijn vernieuwd/verbouwd en/of (daarna) de verdere bedrijfsvoering / exploitatie is (mede) gefinancierd,

terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - (geheel of gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij en/of zijn mededader aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 november 2017 tot en met 20 december 2017 te Arnhem, althans te Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief gericht aan de ING bank d.d. 28 november 2017 (AH022-024, dossierpagina 1282 t/m 1283) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in voornoemde brief aan de ING Bank in strijd met de waarheid te stellen / verklaren dat de stortingen op zijn bankrekening(en) afkomstig waren van deelbetalingen van de

- door hem in 2014 en 2015 aan particulieren verkochte boot (zijnde 'de [merknaam 4] ' ),

- een voor 163.000 euro verkochte auto ( [merknaam 1] ), terwijl in werkelijkheid de boot ' [merknaam 4] ' en die auto door de Spaanse autoriteiten bij rechterlijke beslissing d.d. 20 maart 2012 (AH021, dossierpagina 1264-1278) verbeurd waren verklaard

- een boot [merknaam 3] (naam: [naam boot 1] ) die zou zijn verkocht, terwijl deze boot in werkelijkheid niet was verkocht

en/of

- door in een bijlage bij voornoemde brief een "Bill of Sale" te voegen waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat de boot ' [merknaam 2] ' voor 285.000 euro zou zijn verkocht, terwijl deze boot in werkelijkheid voor 40.000 euro, althans een aanzienlijk lager bedrag, was verkocht,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

gewoontewitwassen;

feit 2:

gewoontewitwassen;

feit 3:

valsheid in geschrift.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijfeneenhalf jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft (grote) geldbedragen die afkomstig moeten zijn geweest van criminele activiteiten contant op zijn bankrekeningen gestort of contant uitgegeven aan diverse goederen. Daarnaast heeft hij boten en een auto voorhanden gehad en gekocht met geld afkomstig uit criminele activiteiten. Deze handelingen hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2007 tot en met 8 maart 2018. Nadat verdachte medio 2016 [medeverdachte] had ontmoet heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door (grote) geldbedragen van zijn rekeningen over te boeken op de zakelijke rekening van de eenmanszaak van [medeverdachte] . Ook heeft hij haar een bedrag van € 5.000,- contant overhandigd. Deze handelingen hebben plaatsgevonden in de periode van medio 2016 tot 8 maart 2018. Verdachte heeft hierdoor het geld dat afkomstig was uit criminele activiteiten omgezet. Verdachte heeft door zijn handelen opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. In het geval van verdachte geldt dit in het bijzonder voor het schip de [merknaam 4] , dat hij na de aankoop heeft gebruikt voor het vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne van Zuid-Amerika naar Europa. Daarnaast heeft de vermenging van crimineel geld met legaal geld een ontwrichtende werking op de integriteit van het financiële en economisch verkeer en op de openbare orde. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij crimineel geld heeft geïnvesteerd in horecagelegenheden in Arnhem.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Op het verzoek van de ING-bank om informatie te verschaffen over diverse kasstortingen heeft verdachte een brief aan de ING-bank gestuurd vol onwaarheden. Zo zou hij contante gelden hebben ontvangen uit de verkoop van zijn boten, te weten de [merknaam 4] , de [merknaam 2] en de [naam boot 1] en uit de verkoop van zijn [merknaam 1] . De [merknaam 4] en [merknaam 1] waren echter al in 2012 door de Spaanse rechter verbeurd verklaard. De [naam boot 1] is in de onderhavige strafzaak door het Openbaar Ministerie in beslag genomen en de [merknaam 2] is in 2012 verkocht tegen een veel lagere prijs dan de door verdachte aan de ING-bank overgelegde Bill of Sale zou doen vermoeden. Door zo te handelen heeft verdachte schade toegebracht aan het vertrouwen dat banken in het financiële verkeer en de particuliere dienstverlening over en weer in elkaar moeten kunnen stellen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte. De volgende veroordelingen van verdachte vallen op:

  • -

    Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 23 juli 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar voor de in- en/of uitvoer van harddrugs.

  • -

    De rechtbank in Amsterdam heeft verdachte op 2 oktober 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van een feit gericht op in- en/of uitvoer van harddrugs.

  • -

    De Spaanse rechter heeft verdachte op 20 maart 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden voor in- en uitvoer van 750 kilogram cocaïne.

De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat deze lange gevangenisstraffen verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw ernstige strafbare feiten te plegen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte buitengewoon brutaal is te noemen. Kort na zijn vrijlating in 2006 heeft hij zijn criminele activiteiten opgepakt en ook de veroordeling in 2012 in Spanje heeft daarin geen verandering gebracht. Ook nadat hij in die strafzaak voorwaardelijk in vrijheid was gesteld, is hij verder gegaan met het plegen van criminele activiteiten. De rechtbank acht dit buitengewoon kwalijk.

Gelet op de documentatie van verdachte is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de reclasseringsadviezen van respectievelijk 11 februari 2019 en 28 augustus 2020. Geadviseerd is de zaak af te doen zonder reclasseringsbemoeienis.

De officier van justitie heeft gemotiveerd weergegeven welke gevangenisstraf gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie door hem kon worden gevorderd. Hij heeft bij gebreke van LOVS-oriëntatiepunten voor witwassen, dit afgezet tegen de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van lange duur gelet op de ernst van de feiten op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van vijfeneenhalf jaar passend en geboden is.

8 In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank beslist dat het in beslag genomen geldbedrag van € 10.800,- en de in beslag genomen boot, de [merknaam 3] ( [naam boot 1] ), die aan verdachte toebehoren, voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en daarmee vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal deze voorwerpen verbeurdverklaren.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

(parketnummer 08-211228-15)

De Spaanse rechter heeft verdachte op 20 maart 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Op 8 juni 2016 is verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld, waarbij als algemene voorwaarde is gesteld dat verdachte zich tijdens de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 912 dagen.

De officier van justitie vordert volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet aan de orde kan zijn, omdat verdachte ten aanzien van de vordering tot herroeping geen oproeping heeft ontvangen voor de zitting van 10 december 2020. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om afwijzing van de vordering dan wel gedeeltelijke afwijzing van de vordering.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in 2018 een oproeping heeft ontvangen voor de zitting op 20 december 2018 en dat hij ook bij die zitting aanwezig was. Die vordering is toen gelijktijdig behandeld met de strafzaak en ontnemingszaak tegen verdachte en vervolgens met deze zaken voor onbepaalde tijd aangehouden. Verdachte was op 10 december 2020 ter terechtzitting aanwezig. Door of namens verdachte zijn geen belangen naar voren gebracht die nopen tot de conclusie dat verdachte in geval van de behandeling van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in zijn belangen zou zijn geschaad.

Bewezen is dat verdachte zich kort na de aanvang en binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal de vordering daarom volledig toewijzen.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 63, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden;

 verklaart verbeurd het geldbedrag van € 10.800,- en de boot [merknaam 3] ( [naam boot 1] );

 wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en beveelt dat de vrijheidsstraf, die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 912 dagen gevangenisstraf, alsnog moet worden ondergaan (parketnummer 08-211228-15).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. L.M. Vogel en

mr. M.J. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 december 2020.

Mr. Vogel, mr. Wasmann en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ON4R017133 BAKZEIL, gesloten op 16 november 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen (AH078), p. 1537; Declaration of Trust, p. 3292.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4 Proces-verbaal van bevindingen (AH012), p.1181; proces-verbaal van verhoor [naam 5] , p.2570.

5 Proces-verbaal van bevindingen (AH099), p. 1994, Bill of Sale, p. 2014-2015.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

7 Proces-verbaal van bevindingen (AH099), p. 1994, Bill of Sale, p. 2016-2017.

8 Proces-verbaal van bevindingen (AH099), p. 1994, Bill of Sale, p. 2018-2019.

9 Proces-verbaal van bevindingen (AH099), p. 1994, Bill of Sale, p. 2022-2023.

10 Bill of Sale, p. 1997-1998.

11 Bill of Sale, p. 1999-2000.

12 Bill of Sale, p. 2001-2002

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 269.

14 Beslag, p. 1439-1440.

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

16 Bill of Sale, p. 2006-2007.

17 Betalingsbewijzen, p. 2003-2005.

18 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

19 Brief Jyske Bank, p. 1945-1947.

20 Brieven Jyske Bank, p. 2331-2337.

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 3253-3254.

22 Transactieopdracht Jyske Bank, p. 1948; brief Jyske Bank, p. 1946.

23 Proces-verbaal van bevindingen (AH108), p. 2136-2137.

24 Bill of Sale, p. 2010-2011.

25 Uitspraak van de Spaanse rechter, p. 1274, 1276.

26 Proces-verbaal van bevindingen (AH109), p. 2142.

27 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 269; verklaring van verdachte ter terechtzitting.

28 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 269.

29 Uitspraak van de Spaanse rechter, p. 1276.

30 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3046-3047; proces-verbaal van bevindingen (AH153), p. 4736-4738.

31 Proces-verbaal van bevindingen analyse bankrekeningen [verdachte] (AH008), p. 506.

32 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3046; overzicht bankrekeningen [verdachte] (AH008-01), p. 528, 530-532, 536, 539, 541-542, 544, 556, 559-561, 564-566, 568, 571-572, 575, 580-589, 600-602, 607-608, 610, 612, 615-616, 618-619, 621-623, 625; overzicht bankrekeningen [verdachte] (AH80-09), p. 1566-1568; overzicht bankrekeningen [verdachte] (AH080-10), p. 1575-1576.

33 Proces-verbaal van bevindingen (AH084), p. 1763, 1766.

34 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 282.

35 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] en bijlage 4, p. 2556, 2565.

36 Diverse bescheiden, p. 3787, 3801, 3813-3814, 3839-3844

37 Diverse bescheiden ter terechtzitting overgelegd.

38 Diverse bescheiden, p. 3755, 3849-3850, 4016.

39 Schriftelijk stuk, p. 4033.

40 Factuur, p. 2150.

41 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

42 Diverse facturen, p. 3795, 3815-3816, 3845.

43 Schriftelijke stukken, p. 3754, 4038, 4047.

44 Kassabon, p. 3771.

45 Kassabon, p. 3772-3773.

46 Kassabon, p. 3768.

47 Rekeningen, p. 3785-3786.

48 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

49 Overeenkomst van geldlening, p. 4021.

50 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

51 Proces-verbaal van bevindingen, grootboekrekening 1674 lening [verdachte] aan [medeverdachte] (AH132), p. 3611; grootboekrekening, p. 3624.

52 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3041-3042; proces-verbaal van bevindingen (AH153), p. 4736-4738.

53 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3039-3040.

54 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3042.

55 Proces-verbaal van bevindingen, grootboekrekening 1674 lening [verdachte] aan [medeverdachte] (AH132), p. 3611; grootboekrekening, p. 3624.

56 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 279.

57 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3044; proces-verbaal van bevindingen (AH111), p. 2196.

58 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] , p. 2584.

59 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, p. 3056.

60 Proces-verbaal van bevindingen (AH017), p. 1241.

61 Informatie van het Kadaster (AH143-05), p. 2527-2528.

62 Proces-verbaal van bevindingen (AH009), p. 774-775.

63 Proces-verbaal van bevindingen Opzettelijk onjuiste opgave gegevens aan gemeente Arnhem (AH107), p. 2129.

64 Overeenkomst van geldlening, p. 4021.

65 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

66 Proces-verbaal van bevindingen, Opzettelijk onjuiste opgave gegevens aan gemeente Arnhem (AH107), p. 2130-2131; overzicht bankrekeningen [verdachte] (AH008-01), p. 563, 566-568, 570, 573, 578-579, 581, 591-594, 600, 602, 604, 607-610, 615, 617-623, 625-626; overzicht bankrekeningen [verdachte] (AH080-09), p. 1566, 1568.

67 Proces-verbaal Analyse bankrekeningen [naam 25] (AH081), p. 1683-1684.

68 Brief aan de ING-bank (AH022-01), p. 1282-1283.

69 Tapgesprek, p. 3004.

70 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

71 Bill of Sale (AH022-028), p. 1331-1332.

72 Proces-verbaal van bevindingen (AH024), p. 1354.

73 Proces-verbaal van bevindingen (AH092), p. 1925.

74 Proces-verbaal van verhoor van [naam 5] , p. 2585-2586.

75 Schriftelijk stuk, p. 1493.

76 Proces-verbaal van bevindingen (AH101), p. 2047.

77 Transactieoverzichten Santander bank, p. 1484-1485.

78 Schriftelijk stuk: Movimentos Económicos, p. 1486.