Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:6954

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
C/05/376555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering 843a Rv toegewezen, voldaan aan de vier vereisten. Geen sprake van gewichtige redenen die zich tegen toewijzing verzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/376555 / KG ZA 20-356

Vonnis in kort geding van 5 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.N. Kampherbeek te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R. Gerritsen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 26

  • -

    de bij brief van 20 oktober 2020 ingediende producties 1 tot en met 6 van [gedaagde]

  • -

    de bij brief van 21 oktober 2020 ingediende productie 27 van [eiseres]

  • -

    de mondelinge behandeling van 21 oktober 2020

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een onderneming die zich richt op strategic alignment bij organisaties, een proces dat draait om de vraag in welke mate het personeel binnen een organisatie betrokken is bij de strategie van de onderneming en die daadwerkelijk ondersteunt, ontwikkelt en verder implementeert. [eiseres] is voortgekomen uit de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit. Zij richt zich met name op het – op een wetenschappelijk gefundeerde wijze – vaststellen en meten van de mate van strategic alignment en voert bijvoorbeeld van tijd tot tijd metingen (aangeduid als “scans”) uit om de mate van strategic alignment en de effectiviteit van programma’s ter verbetering daarvan vast te stellen. Bestuurder van [eiseres] is de heer [bestuurder van eiser] (hierna: [bestuurder van eiser]).

2.2.

[gedaagde] is een management consultancy onderneming die zich eveneens richt op strategic alignment binnen organisaties. Anders dan [eiseres] is zij voornamelijk gespecialiseerd in, kort gezegd, het implementeren en optimaliseren van programma’s voor het verbeteren van de strategic alignment binnen deze organisaties. Bestuurder van [gedaagde] is de heer [bestuurder van gedaagde] (hierna: [bestuurder van gedaagde]).

2.3.

In 2015 zijn partijen met elkaar in contact gekomen en hebben [bestuurder van eiser] en [bestuurder van gedaagde] gesproken over het gezamenlijk kunnen bedienen van klanten, in die zin dat [eiseres] op meerdere momenten in het proces een scan zou uitvoeren om de mate van strategic alignment binnen de organisatie van de betreffende klant te meten, en waarbij [gedaagde] een op de uitkomsten van de scan gebaseerd programma in de organisatie zou implementeren. Op verzoek van [eiseres] zijn partijen overeengekomen dat voor de door [eiseres] te leveren diensten afzonderlijke contracten met klanten zouden worden afgesloten, vanwege het kunnen waarborgen van de onafhankelijke positie van [eiseres] en het zodoende kunnen gebruiken van de meetbevindingen voor wetenschappelijk onderzoek.

2.4.

Medio 2017 is [bestuurder van gedaagde] in het kader van deze voorgenomen gezamenlijke dienstverlening aan klanten in onderhandeling getreden met [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) over consultancy aan [bedrijf 1] voor het meten en verbeteren van de strategic alignment binnen de organisatie.

2.5.

Op 3 augustus 2018 hebben [gedaagde] en [bedrijf 1] een overeenkomst gesloten, bestaande uit een zogeheten overkoepelende “Master Agreement” en in februari 2019 twee keer een “Statement of Work”, waarin de afzonderlijke bepalingen zijn vastgelegd voor twee projecten voor de duur van vijf jaren, te weten een project bij [bedrijf 1] zelf en een project bij een klant van [bedrijf 1] (Deloitte). Alle drie de documenten zijn ondertekend door [bestuurder van gedaagde] namens [gedaagde] en door een statutair bestuurder van [bedrijf 1]. Op het voorblad van zowel de Master Agreement als de Statements of Work is onder de naam [gedaagde] de volgende tekst opgenomen: “In corporation with Erasmus University RSM and [–] [eiseres]”. In de tekst van de Statement of Work ten behoeve van het project [bedrijf 1] Nederland is, voor zover van belang, onder meer het volgende opgenomen:

[gedaagde] will implement the CG3.0 solution to the Project [bedrijf 1] Netherlands including the Strategic Alignment Scan.

[…]

The basic part of the CG3.0 solution is the SAS. The SAS is a diagnostic tool to measure whether and to what extent there is alignment within the [bedrijf 1] organization, […].

Pricing

2019

[eiseres]

SAS + Analysis Report – fixed price (First Scan) […]

[gedaagde]

Strategic and Organizational Intake / Interview

SAC – Strategic Alignment Consultancy

Project Plan ‘Agenda of Change’

2020

[eiseres]

SAS + Analysis Report – fixed price (Second Scan) […]

[gedaagde]

Implementation Agenda of Change / Optimization Alignment Business and HR Processes,

- See schedule - […]

2021

[eiseres]

SAS + Analysis Report – fixed price (Third Scan) […]

[gedaagde]

Implementation Agenda of Change / Optimization Alignment Business and HR Processes,

- See schedule - […]

[…]

Note:

*The Fixed price SAS will be contracted in an underlaying [eiseres] SOW ‘Verwerkingsovereenkomst’ as part of this [gedaagde] SOW and invoiced directly by [eiseres]

[…]

In het Statement of Work ten behoeve van het project SLA [bedrijf 1] – Deloitte zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen.

2.6.

Bij e-mailbericht van 20 november 2018 heeft [bestuurder van gedaagde], kort samengevat, [bestuurder van eiser] het contract tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] toegezonden, met daarbij de opmerking dat de aanpassing voor wat betreft separate facturatie in verband met de onafhankelijkheid van [eiseres] is verwerkt. Het bericht is verzonden vanuit het e-mailaccount “[e-mail]”. In de handtekening onder het bericht is het logo van [eiseres] opgenomen, met onder de naam van [bestuurder van gedaagde] de toevoeging “Certified Business Partner” en de adres- en contactgegevens van [eiseres]. Daaronder is toegevoegd “also owner of [gedaagde]”.

2.7.

Bij e-mailbericht van 11 april 2019 heeft [bestuurder van gedaagde], met het hiervoor in 2.6. genoemde e-mailaccount, aan een manager van [bedrijf 1], voor zover van belang, als volgt bericht:

‘[…] Hierbij het addendum van [gedaagde] op de Master Agreement.

Tevens de [eiseres] algemene voorwaarden en het complete en gecorrigeerde/aangepaste [eiseres] contractenpakket (inclusief addendum per contract). [...] Graag wil ik vervolgens een afspraak met [bestuurder van gedaagde] maken voor het ondertekenen van het [gedaagde] addendum en de [eiseres] contracten. […]’

2.8.

Medio 2019 heeft de directie van [bedrijf 1] [bestuurder van gedaagde] op de hoogte gesteld van haar besluit dat zij niet verder uitvoering wilde geven aan het project betreffende strategic alignment.

2.9.

De tussen [eiseres] en [bedrijf 1] opgestelde contracten waren op dat moment niet ondertekend.

2.10.

Bij brief van 22 november 2019 heeft [bestuurder van gedaagde] [bedrijf 1], voor zover relevant, als volgt bericht:

‘[…] Aangaande het opzeggen acht ik dit contractueel niet mogelijk omdat wij een 5-jarige projectovereenkomst hebben gesloten. [...] In beginsel maak ik namens [gedaagde] dus aanspraak op nakoming. [...] Mocht in onverhoopt geval [bedrijf 1] blijven volharden in haar weigering tot nakoming dat wordt ook aanspraak gemaakt op de geleden en nog te lijden schade. [...]’

2.11.

Bij e-mailbericht van 17 januari 2020 heeft [managing director], managing director van [bedrijf 1], [bestuurder van gedaagde], voor zover van belang, als volgt bericht:

‘[…] Zonder acceptatie van schuld/aansprakelijkheid doe ik dan ook graag een eenmalig voorstel om er per direct met u uit te komen door betaling van een bedrag van EUR 50.000,00 netto. [...]

Voorwaarden voor betaling zijn finale kwijting over en weer (inclusief [eiseres]) en beëindiging van de overeenkomsten met onmiddellijke ingang, zoals vast te leggen in een eenvoudige vaststellingsovereenkomst. Wij kunnen daarvoor een concept sturen. […]’

2.12.

Bij e-mailbericht van 21 januari 2020 heeft [bestuurder van gedaagde] [bestuurder van eiser], kort samengevat, bericht dat [bedrijf 1] met een voorstel zal komen voor afkoop van de contracten met [gedaagde]. Voorts heeft hij in dit bericht het volgende geschreven:

‘[…]

4. Nu is er wel een juridisch punt van aandacht aangaande de niet getekende [eiseres] contracten.

a. De contracten met [gedaagde] zijn getekend en zijn nu ook primair onderdeel van het gesprek om deze af te kopen.

b. De [eiseres] zijn niet ondertekend maar in de [gedaagde] contracten zijn hier wel degelijk een verwijzing naar gemaakt. Is dus juridisch enigszins een vraagteken.

5. Graag jouw visie hierop en wellicht is het verstandig dat wij (jij, ik en mijn advocaat) (…) even kort overleg voeren over jouw visie en de te volgen aanpak zodat wij deze helder hebben voordat ik eind van deze week een reactie / voorstel geef aan [managing director]. […]’

2.13.

Bij e-mailbericht van 21 januari 2020 heeft [bestuurder van eiser] [bestuurder van gedaagde], voor zover relevant, als volgt bericht:

‘[…] Jouw aanvankelijke contractsom van €210K (zie bijgaand) is voor een groot deel gebaseerd op de waarde van mijn onderliggende offertes. Zonder mijn offertes zou jouw raamovereenkomst leeg zijn geweest, wat de financiële paragraaf betreft in ieder geval. En zou er nu niets af te kopen zijn. Dat mijn offertes niet ook separaat zijn getekend, doet daar weinig aan af. Volgens mij hebben jij en ik af te spreken met welke minimale afkoopsom wij genoegen wensen te nemen en hoe wij die onderling gaan verdelen. Zie jij het anders? […]’

2.14.

Bij e-mailbericht van 22 januari 2020 heeft [bestuurder van gedaagde] hierop, voor zover relevant, als volgt gereageerd:

‘[…] Zonder de [eiseres] scan zou ik niets hebben om te claimen. Maar dat is wederkerig naar mijn mening. [...]

Kan jij aangeven wat jouw afkoopsom moet zijn? Dan kan ik dat noemen vanuit jouw naam in de claim tav [bedrijf 1]. Ik kan deze niet opnemen in mijn claim daar wij afzonderlijke contracten hebben. Dat is de wijze waarop jij de contracten wilde uitbrengen om jouw moverende redenen. Ik begrijp wat jij zegt maar dan moet ik in de positie komen te staan van hoofdaannemer maar dat ben ik juridisch gezien niet (ook al wil ik dat graag zijn, dat zou het geheel een stuk makkelijker maken). Ik denk ook dat dankzij de verwijzingen in mijn contracten naar jouw contracten, als onderdeel in mijn aanvullende voorwaarden en de onderlinge verbanden tussen de werkzaamheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden, er nu een claim vanuit [eiseres] geplaatst kan worden. [...]

Ik zie jouw reactie en opgave claimbedrag graag tegemoet.’

2.15.

Bij e-mailbericht van 25 januari 2020 heeft [bestuurder van eiser] [bestuurder van gedaagde], voor zover relevant, als volgt bericht:

‘Zoals gisteren afgesproken:

 Jij doet een gezamenlijk afkoopvoorstel ([gedaagde] + [eiseres]) van €150k.

 Jij en ik zitten er voor 50/50 in.

 Jij meldt als onderdeel van ons afkoopvoorstel dat van die €150k een deel voorwaardelijk wordt gesteld, en wel de som van €100k. Dit betekent: mocht [bedrijf 1] er binnen een termijn van 2 jaar alsnog toe besluiten om van onze dienstverlening gebruik te maken, dan zal op dat moment een bedrag van €100k door ons worden verrekend met het dan door ons uit te brengen dienstverleningsvoorstel. Met andere woorden: [bedrijf 1] krijgt op dat moment €100k “korting”, aangezien dat bedrag dan al door haar is voldaan.

Ik denk dat dat laatste punt niet onbelangrijk is. Het maakt als onderdeel van ons afkoopvoorstel duidelijk dat wij er nog steeds constructief in zitten: het is ons niet te doen om het geld, maar om de samenwerking. Ook kom je op deze manier dicht in de buurt van [bedrijf 1] en het door haar neergelegde en onvoorwaardelijke afkoopvoorstel van €50k. Feitelijk gaan we mee in dat voorstel, maar we vullen het wel aan met een voorwaardelijke component.

Zitten we zo op dezelfde pagina?’

2.16.

Bij e-mailbericht van 25 januari 2020 heeft [bestuurder van gedaagde] hierop als volgt gereageerd:

‘Ja, zo vliegen wij het aan! Keep you posted.’

2.17.

Bij e-mailbericht van 28 januari 2020 heeft [bestuurder van gedaagde] [bedrijf 1] bericht overeenkomstig hetgeen in 2.15. is weergegeven. In zijn e-mailbericht heeft hij, voor zover van belang, het volgende geschreven:

‘[…] Ik heb tijdens onze recente meeting duidelijk gemaakt dat ook [eiseres] een niet te miskennen positie in dit verband heeft, waar wij niet om heen kunnen. Daarom heb ik na ampel beraad met de CEO van [eiseres] / Erasmus met hem afgestemd en zijn van mening dat wij een lijn dienen te trekken in een poging tot minnelijke afwikkeling. Wij kwamen tot de conclusie dat een gezamenlijk afkoopbedrag in de rede ligt en wij zelf voor onderlinge verdeling zorgdragen. […]’

2.18.

Op 19 februari 2020 heeft [bestuurder van gedaagde] namens [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst met [bedrijf 1] gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Zowel door [bestuurder van eiser] als door diens advocaat is verzocht om inzage in de vaststellingsovereenkomst, hetgeen door [bestuurder van gedaagde] en zijn advocaat tot op heden is geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair: [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] een afschrift te verstrekken van de vaststellingsovereenkomst die [gedaagde] heeft gesloten met [bedrijf 1], dan wel met een aan [bedrijf 1] gelieerde partij, aangaande een afkoopvoorstel betreffende beëindiging van gebondenheid van [bedrijf 1] aan een (mogelijke) contractuele verplichting, en

subsidiair: [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] inzage te verstrekken in de vaststellingsovereenkomst,

één en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen met een maximum van € 250.000,00, en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen vijftien dagen na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling is voldaan.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met [gedaagde] was overeengekomen dat laatstgenoemde mede namens [eiseres] met [bedrijf 1] zou onderhandelen over een afkoopsom die partijen vervolgens onderling zouden verdelen. Gebleken is dat [gedaagde] zelf een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met [bedrijf 1], maar zij weigert om [eiseres] te informeren over hetgeen in die vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. [eiseres] vermoedt dat in de vaststellingsovereenkomst afspraken zijn gemaakt over een door [bedrijf 1] te betalen afkoopsom en een finale kwijting. Omdat [eiseres] partij behoorde te zijn bij deze vaststellingsovereenkomst en mogelijk in haar rechtspositie ten opzichte van [gedaagde] en/of [bedrijf 1] is aangetast, wenst zij dan ook afgifte van dan wel inzage in de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 843a Rv, zodat zij in staat zal zijn te beoordelen in hoeverre [gedaagde] de tussen partijen gemaakte afspraken niet is nagekomen en om, alvorens mogelijk een gerechtelijke procedure aanhangig te maken jegens [gedaagde] en/of [bedrijf 1], haar juridische positie te kunnen bepalen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij voert, kort samengevat, aan dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van een dergelijke vordering tot afgifte of inzage. Voorts is, aldus [gedaagde], sprake van gewichtige redenen die zich verzetten tegen toewijzing van de vordering van [eiseres].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] ingediende productie 27 en de voorzieningenrechter verzocht op deze productie geen acht te slaan. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband als volgt. De betreffende productie, die een weergave is van de door [bestuurder van eiser] en [bestuurder van gedaagde] gevoerde WhatsAppgesprekken, is ingediend in reactie op de - een dag voor de zitting - door [gedaagde] ingediende productie 6, zo heeft [eiseres] aangevoerd. [bestuurder van gedaagde] heeft tijdens de zitting niet betwist dat het inderdaad een weergave betreft van de tussen hem en [bestuurder van eiser] gevoerde gesprekken via WhatsApp. De voorzieningenrechter veronderstelt de inhoud van deze productie dan ook bekend bij [gedaagde]. Bovendien is van belang dat [bestuurder van gedaagde] zich ter zitting eveneens op delen van WhatsAppgesprekken uit deze productie heeft beroepen. De voorzieningenrechter wijst dan ook het verzoek van [gedaagde] om productie 27 buiten beschouwing te laten af en gaat over tot de inhoudelijke behandeling van de zaak.

4.2.

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering is door [gedaagde] niet betwist en vloeit voldoende uit haar stellingen voort, gelet op haar belang om, voorafgaand aan het starten van een eventuele gerechtelijke procedure waarin de eventueel door haar geleden schade als gevolg van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde] aan de orde kan worden gesteld, binnen afzienbare tijd over de daarvoor benodigde informatie te kunnen beschikken.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde], zoals [eiseres] vordert, een afschrift moet verstrekken van de vaststellingsovereenkomst die zij ([gedaagde]) met [bedrijf 1] heeft gesloten. De vordering van [eiseres] dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 843a Rv. Dit artikel bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Degene die over de bescheiden beschikt, is niet gehouden om aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv heeft als maatstaf te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen (Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251).

4.4.

Ten aanzien van het rechtmatig belang van [eiseres] bij het kunnen beschikken over een afschrift van de vaststellingsovereenkomst geldt het volgende. [eiseres] heeft gesteld dat zij een gepretendeerde vordering op [gedaagde] heeft uit hoofde van een tekortkoming in de nakoming door [gedaagde] van de door partijen gesloten overeenkomst. In dit verband heeft [eiseres] aangevoerd dat partijen waren overeengekomen dat [gedaagde] mede namens haar met [bedrijf 1] zou onderhandelen over een afkoopsom en dat [gedaagde] deze afspraak heeft geschonden. [gedaagde] heeft betwist dat zij in dit kader enige verplichting jegens [eiseres] had. Zij voert aan dat partijen weliswaar hebben samengewerkt om een project te verwerven, maar dat van verdere samenwerking geen sprake is nu partijen afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten met [bedrijf 1] hebben gesloten. Van een overeenkomst tussen partijen waaruit verplichtingen voor [gedaagde] zouden voortvloeien om mede namens [eiseres] te onderhandelen was dan ook geen sprake, aldus [gedaagde]. Door enkel namens [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst met [bedrijf 1] te sluiten is zij dan ook niet tekortgeschoten jegens [eiseres], zodat [eiseres] geen rechtmatig belang bij haar vordering heeft, zo voert [gedaagde] aan. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband als volgt.

4.5.

Uit hetgeen hiervoor in 2.5. is aangehaald en is geciteerd uit de tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] gesloten overeenkomsten en de daarin vervatte verwijzingen naar [eiseres], alsmede de daarop betrekking hebbende – onder 2.6. en 2.7. weergegeven – door [bestuurder van gedaagde] verzonden e-mailberichten, volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam dat sprake was van een verregaande samenwerking, zo niet een zekere verwevenheid, van partijen met betrekking tot de door hen aangeboden dienstverlening. Hierbij is van belang dat [bestuurder van gedaagde], die zich per e-mail presenteerde als “Certified Business Partner” van [eiseres], met [bedrijf 1] niet alleen contact onderhield over de overeenkomsten tussen [gedaagde] en [bedrijf 1], maar ook over de tussen [eiseres] en [bedrijf 1] te sluiten overeenkomsten. Dat dit niet anders was in het afkoopproces met [bedrijf 1] valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende af te leiden uit de weergegeven correspondentie tussen [bestuurder van eiser] en [bestuurder van gedaagde], met name de onder 2.15. en 2.16. geciteerde e-mailberichten van 25 januari 2020. Dat [gedaagde], zoals zij aanvoert, anders dan [eiseres], wel ondertekende contracten had met [bedrijf 1], en dat [bestuurder van gedaagde] dit herhaaldelijk aan [bestuurder van eiser] heeft gemeld, maakt het voorgaande niet anders. In de hiervoor genoemde e-mailberichten stemt [bestuurder van gedaagde] immers in met het voorstel van [bestuurder van eiser], dat inhield dat [bestuurder van gedaagde] mede namens [eiseres] bij [bedrijf 1] aanspraak zou maken op een afkoopsom, die partijen vervolgens onderling zouden verdelen. [bestuurder van gedaagde] heeft vervolgens [bedrijf 1] bericht dat [gedaagde] en [eiseres] van mening waren dat zij “een lijn dien[d]en te trekken”. Dat het slechts ging om een tegenvoorstel, dat door [bedrijf 1] is afgewezen, en dat het voor [bestuurder van eiser] duidelijk moet zijn geweest dat [bestuurder van gedaagde] daarna alleen nog maar verder namens [gedaagde] met [bedrijf 1] onderhandelde, zoals [gedaagde] aanvoert, is onvoldoende gebleken. [bestuurder van gedaagde] heeft zich in dit verband ter zitting beroepen op de WhatsAppberichten tussen partijen en heeft aangevoerd dat hij [bestuurder van eiser] in de aanloop naar de meeting met [bedrijf 1] heeft meegedeeld dat [bedrijf 1] “de duimschroeven aandraaide” en dat hij werd geconfronteerd met een voorstel dat alleen een afkoopsom voor [gedaagde] betrof. Berichten met een dergelijke inhoud zijn echter niet overgelegd. In de dagen voorafgaand aan de meeting met [bedrijf 1] heeft [bestuurder van gedaagde] [bestuurder van eiser] steeds slechts kort bericht en gemeld dat hij later zou bellen of er later op zou terugkomen. Dat reeds hieruit zou blijken dat op dat moment geen overeenstemming tussen partijen bestond om tot een gezamenlijke afkoopsom te komen, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet in te zien.

4.6.

Het voorgaande geldt eveneens voor de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat niet aannemelijk is dat zij alle kosten van juridische bijstand zou dragen in het afkoopproces met [bedrijf 1], maar de opbrengst wel met [eiseres] zou delen. Zij heeft in dit verband verwezen naar een door haar overgelegd WhatsAppbericht van [bestuurder van gedaagde] aan [bestuurder van eiser] van 24 februari 2020, waarin [bestuurder van gedaagde] opmerkt dat [gedaagde] niet alle kosten voor juridische bijstand alleen wil dragen en dat er wat hem betreft dan geen sprake is van “samen aanvliegen”. In dit verband is van belang dat [bestuurder van eiser] gemotiveerd heeft betwist dat [bestuurder van gedaagde] een dergelijk bericht op de gestelde datum heeft verzonden onder verwijzing naar de overgelegde schermafbeeldingen van de WhatsAppberichten tussen beide heren. Uit deze berichten blijkt niet dat [bestuurder van gedaagde] een bericht met de door hem gestelde inhoud heeft verzonden. [bestuurder van gedaagde] heeft dit ter zitting niet nader weersproken. Bovendien heeft [eiseres] aangevoerd dat [bestuurder van eiser] weliswaar van mening was dat bijstand door een advocaat nog niet noodzakelijk was, maar dat [gedaagde] nooit een kostenopgave heeft gedaan, noch dat [eiseres] betaling van een deel van de kosten heeft geweigerd. Het voorgaande is door [gedaagde] evenmin weersproken. Zelfs al zou [bestuurder van gedaagde] een dergelijk bericht op 24 februari 2020 naar [bestuurder van eiser] hebben verzonden, dan kan hieruit niet worden afgeleid dat geen sprake was van een overeenkomst tussen partijen voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde] met [bedrijf 1] op 19 februari 2020.

4.7.

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen door partijen naar voren is gebracht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voldoende aannemelijk geworden dat partijen zijn overeengekomen dat [bestuurder van gedaagde] ook namens [eiseres] met [bedrijf 1] zou onderhandelen over een afkoopsom. Nu [bestuurder van gedaagde] slechts namens [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst met [bedrijf 1] heeft gesloten en een afkoopsom voor [gedaagde] heeft bedongen waarvan (kennelijk) niets aan [eiseres] toekomt, is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] mogelijk tekort is geschoten in haar verplichtingen jegen [eiseres] en valt niet uit te sluiten dat [eiseres] een vordering op [gedaagde] heeft. Het belang van [eiseres] om over (een afschrift van) de vaststellingsovereenkomst te beschikken, teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre [gedaagde] jegens haar is tekortgeschoten en haar vordering jegens [gedaagde] te kunnen onderbouwen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voldoende komen vast te staan.

4.8.

Uit het voorgaande volgt tevens dat aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking waarbij [eiseres] partij is, is voldaan. Dat sprake was van een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde], en daarmee van de vereiste rechtsbetrekking is, zoals hiervoor is overwogen, voldoende aannemelijk geworden. Dat de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft op deze rechtsbetrekking en [eiseres] belang heeft om de beschikking te krijgen over een afschrift van die vaststellingsovereenkomst is eveneens voldoende aannemelijk, nu slechts ten aanzien van [gedaagde] een afkoopsom is overeengekomen en [eiseres] als gevolg hiervan geen afkoopsom toekomt. Daaraan doet - anders dan [gedaagde] aanvoert en anders dan uit de tekst van artikel 843a lid 1 Rv wellicht zou kunnen worden afgeleid, niet af dat [eiseres] geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst. In de parlementaire geschiedenis Herziening Burgerlijk procesrecht (MvT, bladzijde 553 en 554) per 1 januari 2002 is immers expliciet overwogen dat de wetgever met het herziene artikel 843a Rv een verruiming van de exhibitieplicht heeft beoogd. Meer in het bijzonder wordt in de parlementaire geschiedenis verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1998 (NJ 1998,459), waarbij een partij een schriftelijke koopovereenkomst, waarbij de wederpartij in de procedure geen partij was, niet in het geding wenste te brengen, welke weigering door de Hoge Raad gegrond werd bevonden. Uit de opmerkingen van de minister kan worden afgeleid dat deze beslissing van de Hoge Raad onder het gewijzigde artikel 843a Rv anders zou moeten hebben geluid (zie onder meer ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:114, en Rechtbank Zutphen 4 maart 2009, ECLI:NL:RBZUT:2009:BH7615).

4.9.

Anders dan [gedaagde] aanvoert is de voorzieningenrechter ook van oordeel dat aan het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden, die in het bezit van [gedaagde] zijn, is voldaan. [eiseres] vordert inzage in één bepaald document, te weten de tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] gesloten vaststellingsovereenkomst. Dat een dergelijke overeenkomst is gesloten en dat [gedaagde] deze onder zich heeft, is geen punt van geschil. Dat sprake is van een fishing expedition, zoals [gedaagde] aanvoert, blijkt nergens uit.

4.10.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat gewichtige redenen zich verzetten tegen toewijzing van de vordering van [eiseres], nu de vaststellingsovereenkomst een geheimhoudings- en boeteclausule bevat met betrekking tot de inhoud ervan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hierin echter geen gewichtige reden gelegen om de vordering van [eiseres] af te wijzen. In dit verband is van belang dat [eiseres] een e-mailbericht heeft overgelegd waarin [bedrijf 1] verklaart dat zij [gedaagde] heeft ontheven uit de geheimhoudingsverplichting zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst en dat er wat [bedrijf 1] betreft geen belemmering bestaat voor [gedaagde] om informatie uit de vaststellingsovereenkomst met [eiseres] te delen. Het standpunt van [gedaagde] dat [bedrijf 1] zich niet eenzijdig aan een dergelijke verplichting kan onttrekken en deze verklaring ook weer zou hebben ingetrokken, kan dit oordeel niet anders maken. [gedaagde] heeft dit standpunt ook verder niet onderbouwd. Dat [bedrijf 1] jegens [gedaagde] aanspraak zal maken op de overeengekomen boete bij openbaarmaking van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst is dan ook niet aannemelijk geworden. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat haar rechtspositie ernstig zou worden aangetast als [eiseres] zou beschikken over bewijsmiddelen die zij zodanig interpreteert dat zij daarmee onterecht juridische actie kan voeren tegen [gedaagde]. De voorzieningenrechter overweegt dat de gegrondheid van de door [eiseres] gepretendeerde vordering, en in dat kader de totstandkoming en de interpretatie van de vaststellingsovereenkomst, ter beoordeling voorligt aan de rechter die in een door [eiseres] aan te spannen bodemprocedure zal hebben te oordelen. Ook in zoverre is geen sprake van een zwaarwegend belang van [gedaagde] dat zich tegen toewijzing van de vordering van [eiseres] in deze procedure verzet. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het belang van een behoorlijke rechtspleging in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij niet openbaarmaking, zodat de primaire vordering van [eiseres] tot afgifte van een afschrift van de vaststellingsovereenkomst zal worden toegewezen.

4.11.

De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum te vermelden.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden als volgt begroot:

- dagvaardingskosten € 83,38

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.719,38

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een afschrift te verstrekken van de vaststellingsovereenkomst die [gedaagde] heeft gesloten met [bedrijf 1], dan wel met een aan [bedrijf 1] gelieerde partij, aangaande een afkoopvoorstel betreffende beëindiging van gebondenheid van [bedrijf 1] aan een (mogelijke) contractuele verplichting,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan de hiervoor in 5.1. uitgesproken veroordeling te voldoen met een maximum van € 100.000,00,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.719,38, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen vijftien dagen na dagtekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2020.